Conclusie
3.Het eerste middel
A = antwoord verdachte.
O = opmerking.
A: Nee dat weet ik niet. Mijn moeder woont op [b-straat 4] .
V: Volgens de systemen woont jou moeder op [b-straat 3] .
A: Dat kan ook.
V: Klopt dit?
A: Ik was het inderdaad ergens niet mee eens met mijn moeder. Hoe ze met mijn omging.
[betrokkene 1] is hierop snel naar mijn fiets gegaan en heeft hem teruggepakt.Even hierna zagen we dat er een politieauto aankwam en dat deze stopte bij [b-straat 2] .
Ik zag dat de agenten zijn gaan praten met de bewoner van [b-straat 2] . Ik ben toen met [betrokkene 1] weggegaan en ben meteen naar huis gegaan."
Ik, verbalisant, las in de aangifte dat de aangever zag dat zijn fiets bij [b-straat 1] voor het raam stond. Ik las vervolgens dat de aangever zag dat de verdachte naar de achterzijde van de woning liep en dat de aangever hierop zijn fiets heeft teruggepakt.