ECLI:NL:PHR:2023:480

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 mei 2023
Publicatiedatum
9 mei 2023
Zaaknummer
22/01597
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot moord met voorbedachte raad

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot moord en het handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. Het hof oordeelde dat verdachte met voorbedachte raad handelde door met een geladen vuurwapen naar het slachtoffer te rijden en vrijwel direct na het aanbellen te schieten, waarbij het slachtoffer werd getroffen.

De verdediging voerde aan dat sprake was van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling en dat het wapen slechts ter bescherming was meegenomen. Ook werden de verklaringen van het slachtoffer betwist wegens inconsistenties. Het hof verwierp deze verweren en concludeerde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan poging tot moord met voorbedachte raad.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de klachten over de bewijsmotivering en het niet adequaat reageren op het alternatieve scenario en het betrouwbaarheidsverweer niet slagen. De Hoge Raad bevestigt dat het hof voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom sprake is van voorbedachte raad en dat het alternatieve scenario onvoldoende aannemelijk is. Ook is de redelijke termijn niet overschreden.

De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het hofarrest in stand blijft en de tienjarige gevangenisstraf gehandhaafd wordt.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen, tien jaar gevangenisstraf bevestigd wegens poging tot moord met voorbedachte raad.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/01597
Zitting16 mei 2023
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte
De verdachte is bij arrest van 21 april 2022 door het gerechtshof Den Haag wegens 1. primair “poging tot moord” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij [aangever] toegewezen tot een bedrag van € 9.664,00 en daarbij een schadevergoedingsmaatregel opgelegd tot hetzelfde bedrag, waarbij het hof de duur van de gijzeling heeft bepaald op ten hoogste 83 dagen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en E.A. Blok en J. Vermaat, beiden advocaat te Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij op 8 september 2019 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd/afgeschoten op en in de richting van het lichaam van die [aangever] en daarbij die [aangever] in de buik en rug en borst heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.”
3.3
De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
“1.
De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 7 april 2022 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Ik ben naar hem toegereden, en met het wapen in mijn zak naar de voordeur gelopen. Ik heb aangebeld en [aangever] deed open. Ik had het pistool in mijn zak, en mijn hand buiten mijn zak. Ik heb geschoten.
2.
Een proces-verbaal van verhoor d.d. 10 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, districtsrecherche Rijnmond Zuid-West met nr. 2019235422, documentcode 1909101030.V. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 8-20 doorgenummerd persoonsdossier):
Als de op 10 september 2019 afgelegde verklaring van de verdachte:
Ik woon in de [a-straat 1] te [plaats] .
Mijn telefoonnummer is [001] .
Ik schat in dat ik tussen 20:00 uur en 20:30 ben aangekomen in [plaats] . Ik heb mijn auto geparkeerd in de zijstraat van het huis van [aangever] (het hof begrijpt [aangever] ).
V: Waarmee heb jij geschoten?
A: Met mijn pistool. Dat is een Browing FN.
V: Wat voor kaliber is dat wapen?
A: een 7.65
V: Hoeveel patronen zaten erin het magazijn?
A: 9 als ik het goed heb.
3.
Een proces-verbaal d.d. 16 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, district Rijnmond Zuid-West. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 9 zaaksdossier 1e aanvulling):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Onderzoek [naam 1]
Door de verbalisant [verbalisant 1] is een overzicht gemaakt van de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte [verdachte] . Zakelijk weergegeven blijkt uit de gegevens dat de telefoon van de verdachte [verdachte] op 08 september 2019 vanuit [plaats] in de richting van [plaats] is gegaan.
Documentcode 1909130837.AMB blz. 79-80
4.
Een proces-verbaal van bevindingen, d.d. 16 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, District Zuid-West, onderzoek [naam 2] met documentcode 1909130837.AMB. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 79-80 doorgenummerd zaaksdossier 1e aanvulling):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 8 september 2019 maakt het telefoonnummer [001] gebruikt van de volgende zendmasten:
Geografische weergave zendmastlokaties:
(…)
5.
Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Rotterdam, Districtsrecherche Rijnmond Zuid-West, d.d. 20 september 2019, onderzoek [naam 2] /RT5R019062 met documentcode 1909191440.AMB, betreffende Onderzoek telefoon (1) [verdachte] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 89-92 doorgenummerd zaaksdossier 2e aanvulling):
als verklaring van de verbalisant:
Ik zag dat er in de periode van 01-09-2019 en 03-09-2019 meerdere berichten werden verstuurd door [aangever] en [verdachte] . Ik zag dat dit getypte en ingesproken berichten (geluidsfragmenten) waren die beide personen naar elkaar stuurde. Kort zakelijke weergeven kwam het er op neer dat [aangever] en [verdachte] samen in een chatgroep zaten. [aangever] was hiervan de beheerder en sprak [verdachte] op zijn gedrag aan.
Ik zag en hoorde dat de gesprekken tussen [aangever] en [verdachte] op 04-09-2019 veranderde. Ik hoorde, via de geluidsfragmenten in de WhatsApp gesprekken, dat beide personen elkaar begonnen uit te schelden. Ik hoorde dat beide personen ruzie kregen over verschillende vrouwen en welke vrouwen zij seks mee hadden gehad.
Ik hoorde en zag dat [aangever] hierop reageerde en verschillende geluidsfragmenten naar [verdachte] verstuurde. Ik hoorde dat [aangever] [verdachte] op verschillende manieren beledigd en uitschold. Ik hoorde dat [aangever] op 04-09-2019 om 22.41 uur een geluidsfragment naar [verdachte] stuurde. Ik hoorde dat [aangever] het volgende tegen [verdachte] zei: "Hahah Hey luister iedereen zal dit horen omdat ik alle spraakberichtjes doorstuur. Nogmaals je weet waar ik woon. je bent te laf om aan mijn deur te komen..prima. Je noemt mij brem maar je gaat zien wie er brem is".
Ik zag een gesprek tussen [verdachte] en [aangever] . Ik zag dat dit gesprek had plaatsgevonden op 4 september om 22.22 uur. Ik zag dat van [aangever] en [verdachte] spraakberichten en typberichten naar elkaar hadden verstuurd. Ik zag en hoorde dat deze berichten vooral was gericht om elkaar te bedreigen, beledigen en elkaar uit te schelden. Ik zag dat [verdachte] het volgende bericht naar [aangever] stuurde: "We gaan elkaar nog wel zien kerel maar niet op jou tijdstip op mijn tijdstip vieze kromme kanker neus kanker [aangever] . Moet je vieze verkrachter kanker hoer ha ha ha".
Na onderzoek bleek dat de Whatssapp gebruikersnaam [aangever] en [aangever] , aangever [aangever] was.
6.
Een proces-verbaal van bevindingen van de politie Eenheid Rotterdam, Districtsrecherche Rijnmond Zuid-West, d.d. 24 september 2019, onderzoek [naam 2] /RT5R019062 met documentcode 1909241330, betreffende Onderzoek telefoon (2) [verdachte] . Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 161-164 doorgenummerd zaaksdossier 2e aanvulling):
als verklaring van de verbalisant:
WhatsApp gesprek [verdachte] en [naam 3] :
Ik zag dat dit gesprek werd gevoerd op 08-09-2019 tussen 12.51 uur en 17.01 uur. Ik zag dat de gebruikersnaam " [naam 3] " stond gekoppeld aan het telefoonnummer [002] . Na onderzoek bleek dat " [naam 3] " aangever/slachtoffer [aangever] bleek te zijn. Ik zag dat [verdachte] ( [verdachte] ) alleen maar getypte berichten had verstuurd en " [naam 3] " ( [aangever] ) voornamelijk spraakberichten had verstuurd. Ik zag en hoorde dat beide personen elkaar uitdaagde, beledigde en bedreigde.
Ik zag en hoorde dat " [naam 3] " om 16.53 uur een spraakbericht verstuurde naar [verdachte] : "Ik hoef jou niet te zoeken. Weet je wat het is ik weet waar je zit te (niet duidelijk te verstaan maar lijkt op) […] .
(...)
Ik zag dat [verdachte] (verdachte [verdachte] ) op 08-09- 2019 tussen 12.43 uur en 17.04 uur een gesprek had met "Verkrachte kromme kanker neus [aangever] ". Ik zag dat "Verkrachte kromme kanker neus [aangever] " in Whatsapp stond gekoppeld aan het telefoonnummer [003] . Na onderzoek bleek dat "Verkrachte kromme kanker neus [aangever] " aangever [aangever] was.
Ik zag en hoorde dat [verdachte] om 17.04 uur een spraakbericht verstuurde naar "Verkrachte kromme kanker neus [aangever] ". Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: "Ik zie jou zo meteen gozertje. Kom lekker naar de rol (onduidelijk wat er gezegd wordt). Vertrapte kanker lijf kanker vadertje". Ik zag dat dit bovenstaande spraakbericht het laatste bericht was geweest die verdachte [verdachte] had gestuurd.
7. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 9 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, district Rijnmond Zuid-West met nr. 2019235422, documentcode 1909091218.A01. Dit procesverbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 1-3 doorgenummerd zaaksdossier):
als de op 9 september 2019 afgelegde verklaring van [aangever] :
Ik wil aangifte doen van poging moord. Dit strafbare feit vond plaats op 8 september 2019 omstreeks 20:15 uur. Ik bevond mij in de woning gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] .
Toen gisteren de deurbel ging en ik een schim voor de deur zag staan dacht ik nog, het zal toch niet waar zijn. Toen ik de deur open deed zag ik [verdachte] en ik zag de loop van een wapen. Ik probeerde de deur dicht te duwen, dit lukte niet. Ik hoorde toen het eerste schot, vervolgens hoorde ik de ruit barste en voelde de eerste kogel door mijn borst en vlak daarna de tweede in mijn borst.
8.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, districtsrecherche Rijnmond Zuid-West met nr. 2019270265, documentcode 1909091300.V. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (blz. 4-8 doorgenummerd zaaksdossier):
als de op 9 september 2019 afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
V: Kun jij nog een keertje vertellen wat er allemaal gebeurd is gisteren?
G: Er werd twee keer aangebeld. [aangever] ging de deur open doen. Ik hoorde vervolgens een doffe dreun en vervolgens hoorde ik 'Au' roepen en ik hoorde 'paf, paf paf. Ik zag vervolgens een zwarte schim weglopen.
9.
Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 8 september 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, districtsrecherche Rijnmond Zuid-West met nr. PL1700-2019270265-4. Dit procesverbaal houdt onder meer in (blz. 34-35 doorgenummerd zaaksdossier):
als de op 8 september 2019 afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :
Ik zat rond 20:40 uur achter mijn laptop aan de eettafel van mijn woning. Ik hoorde opeens uit het niets 3 doffe knallen. Ik keek hierop direct achterom door de voorruit van mijn woning, die uitzicht heeft op de woning [b-straat 1] te [plaats] .
Hierop zag ik een man staan. Ik zag dat de man iets wegstopte onder zijn kleding. Wat ik heel bijzonder vond aan de reactie van deze man was dat hij heel rustig de straat uit liep. Alsof het dagelijkse kost voor hem was. Hij verblikte of verbloosde niet.
10.
Een geschrift, zijnde Medische Informatie/Letselbeschrijving, d.d. 23 oktober 2019, opgemaakt en ondertekend door P.M.P. van Dorst, forensisch arts. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
Betreffende: [alias] - [aangever]
Letselbeschrijving en conclusie
Informatie ontvangen van Erasmus MC betreffende opname op 08-09-2019.
2 wonden aan de voorzijde van rechterzijde van de borstkas. 5 wonden op de onderrug. Er werd röntgenonderzoek verricht waarbij 1 kogel gezien werd in de rechterzijde van de romp, 1 kogel net onder de huid ter hoogte van de onderste rib aan de linker voorzijde van de romp en 1 kogel net onder de huid ter plaatse van de rechter flank. Verder werd er 1 kogel in de buik gezien welke de onderkant van de nier geraakt heeft.
11.
Een proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ( [b-straat 1] [plaats] ) d.d. 7 oktober 2019 van de politie Eenheid Rotterdam, met nr. PL1700-2019270265-23. Dit procesverbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (niet doorgenummerd):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaren:
Op 8 september 2019 zijn wij verzocht te gaan naar de [b-straat 1] te [plaats] , binnen de gemeente [plaats] . Dit naar aanleiding van een schietincident.
Hier werden wij aangesproken door [verbalisant 2] , Districtsrecherche. Hij deelde ons samengevat mede:
- Dat op het adres een vrouw woont;
- Dat zij een nieuwe relatie heeft met een man die om de twee weken in het weekend op het adres verblijft;
- Dat er vanavond bij de voordeur werd aangebeld, dat haar vriend open deed en in de loop keek van een vuurwapen;
- Dat er 5 of 6 keer zou zijn geschoten;
- Dat haar vriend meerdere keren is geraakt;
- Dat er 4 hulzen zijn aangetroffen op straat, op de stoep en in de voortuin;
- Dat er ter plaatse uit de rug van het slachtoffer, door het Mobiel Medisch Team, een projectiel was gehaald.
Wij zagen dat de voordeur van de woning was geopend. Wij zagen dat in de voordeur twee ruiten zaten. Wij zagen dat in de bovenste ruit zich drie beschadigen bevonden. Wij zagen dat deze beschadigingen de kenmerken hadden van schotbeschadigingen, waarbij een projectiel met hoge snelheid de ruit doorboort.
Op het wegdek troffen wij een huls aan met de bodemstempel "32 AUTO Hornady". Wij hebben de huls veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAND3426NL.
Onder de Renault, op het wegdek, zagen wij drie hulzen liggen met de bodemstempel "32 AUTO Hornady". Wij hebben de hulzen veiliggesteld, gewaarmerkt en respectievelijk voorzien van SIN AAND3432NL, AAND3433NL en AAND3434NL. Op het trottoir, zagen wij twee hulzen liggen met de bodemstempel "32 AUTO Hornady". Wij hebben de hulzen veiliggesteld, gewaarmerkt en respectievelijk voorzien van SIN AAND3427NL en AAND3428NL
In de voortuin van de voornoemde woning, in een perkje, zagen wij twee hulzen liggen met de bodemstempel "32 AUTO Hornady". Wij hebben de hulzen veiliggesteld, gewaarmerkt en respectievelijk voorzien van SIN AAND3429NL en AAND3430NL.
Op de vloer in de hal troffen wij een projectiel aan. Wij hebben dit projectiel veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAND3435NL.
Op de vloer in de hal, troffen wij nabij de vuilniszak en de woonkamerdeur een projectiel aan. Dit projectiel hebben wij veiliggesteld, gewaarmerkt en voorzien van SIN AAND3436NL.
Op de vloer in de hal, troffen wij een gele plastic fles aan. In deze fles zagen wij een (schot)beschadiging. In de fles troffen wij een hoeveelheid vloeistof aan met daarin een projectiel. Wij hebben dit projectiel veiliggesteld en voorzien van SIN AAND3.437NL.
CONCLUSIE
Op grond van het ingestelde onderzoek concluderen wij:
- Dat er zeer waarschijnlijk ten minste acht keer is geschoten
- Dat bij het schieten zeer waarschijnlijk is gericht op de woning aan de [b-straat 1] te [plaats] , zeer waarschijnlijk op de voordeur en/of hal
- Dat minimaal twee projectielen zeer waarschijnlijk de ruit in de voordeur hebben doorboord
12.
Een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, nr. 2019.12.18.254, d.d. 14 februari 2020, opgemaakt en ondertekend door de deskundige ing. M.E. Bestebreurtje, deskundige wapens en munitie. Dit rapport houdt onder meer in - zakelijk weergegeven -:
als relaas van deze deskundige:
Er zijn aanwijzingen gevonden dat de zeven hulzen [AAND3426NL, -27NL, -28NL, -29NL, -32NL, -33NL en -34NL], kaliber 7,65mm Browning van het merk Hornady, zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen. Vermoedelijk betreft dit een semi-automatisch werkend pistool van het kaliber 7,65mm Browning van het merk Fabrique Nationale, modellen 1910 of 1922 of een hiervan afgeleid model.
– Er zijn aanwijzingen gevonden dat de twee gedeformeerde kogels [AAND3435NL en -36NL] en de twee kogelmanteldelen [AAMW7836NL en AAND3437NL], het best passend bij het kaliber 7,65mm Browning, zijn verschoten met hetzelfde vuurwapen. De systeemsporen in de kogels en kogelmanteldelen passen onder andere bij pistolen van het merk Fabrique Nationale, modellen 1.910 of 1922 of een hiervan afgeleid model.”
4. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2022 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
“Poging tot moord
19. De rechtbank Rotterdam heeft cliënt op 27 november 2020 vrijgesproken van het primair onder feit 1 ten laste gelegde. Volgens de rechtbank kon de poging tot moord niet worden bewezen nu onvoldoende is gebleken dat cliënt voorbedachte raad had met betrekking tot het schieten.
20. Hierover is door de verdediging in eerste aanleg ook voldoende opgemerkt. In de kern komt dat op het volgende neer.
21. Cliënt is vanaf moment één eerlijk geweest: zijn actie was een reactie. Cliënt ging naar [aangever] toe met de gedachte dat de ruzie kon worden uitgesproken en dat het na een gesprek klaar zou zijn met de dreigementen. Het idee dat de ruzie uitgesproken kon worden was geen gek idee. Daar het juist [aangever] zelf was die in ieder geval twee keer een ultimatum heeft gesteld aan cliënt voor het komen uitspreken van het conflict.
22. Het idee dat de ruzie uitgesproken moest worden was wat cliënt betreft kraakhelder. Ondanks dat [aangever] tot aan 8 september al talloze bedreigingen had geuit, ging [aangever] in de middag van 8 september 2019 rond 17:00 uur te ver. Het moest opgelost worden. De dreigementen kwamen zowel via Facebook, als via WhatsApp, als via sms. Cliënt heeft daarover weliswaar, vanaf het eerste moment, eerlijk toegegeven: hij heeft niet altijd gehandeld zoals dat zou moeten en ook hij heeft vervelende en zelfs heftige dingen geschreven. Dit was echter altijd in reactie op de berichten van [aangever] .
23. Meest heftig was het voor cliënt dat de dreigementen van [aangever] zich ook zeer expliciet tot zijn kinderen en zijn toenmalige vrouw richtten.
24. Cliënt was daarbij bekend met het agressieve karakter van [aangever] door zijn contact met hem in de facebookgroepen en de verhalen die hij direct van personen heeft gehoord. Zo heeft cliënt bijvoorbeeld direct van een vrouw gehoord dat zij door [aangever] onder dreiging van een vuurwapen is meegenomen in de auto van [aangever] , dat zij is meegenomen naar een afgelegen parkeerterrein en dat zij daar moest knielen en [aangever] haar, terwijl hij zijn wapen zegen haar hoofd hield, bedreigd heeft dood te schieten.
25. Dit alles bracht met zich dat cliënt de bedreigingen van meet af aan zeer serieus nam. Eén ding gaf cliënt echter een veilig gevoel: [aangever] wist niet waar hij, zijn toenmalige vrouw en zijn kinderen woonden.
26. Dit veranderde echter rond 17:00 uur op 8 september 2019. Rond dit tijdstip noemde [aangever] in een van zijn dreigementen het huisadres van cliënt. Op dit moment wist cliënt dat het conflict uitgesproken moest worden. Dit kon volgens cliënt enkel door het in persoon spreken met [aangever] . Door op afstand te communiceren escaleerde het conflict immers al dagen. Daarbij had [aangever] cliënt meermaals een ultimatum gesteld om het gesprek uit te praten als mannen bij hem thuis. Ondanks dat hier natuurlijk ook een dreigende toon vanuit gaat, zag cliënt deze geboden openingen nu wel als kans.
27. Cliënt heeft het met zijn toenmalige vrouw besproken dat hij naar [plaats] ging om het conflict uit te spreken en is de auto in gestapt met de gedachte dat hij de ruzie ook daadwerkelijk uit kon spreken. Een gedachte die steun vindt in de verklaring van de toenmalige vrouw van cliënt.
28. Het valt niet te ontkennen dat cliënt een geladen vuurwapen bij zich had tijdens de autorit en later aan de deur bij [aangever] . Het is echter nooit de bedoeling geweest om dit wapen te gebruiken en werd door cliënt enkel meegenomen om zichzelf tegen [aangever] te kunnen beschermen. [aangever] had immers uitgebreid gesproken over het feit dat hij meerdere wapens in het bezit zou hebben. Sterker, [aangever] heeft expliciet gedreigd dat hij zijn wapens zou gebruiken. Deze expliciete dreiging bracht cliënt ertoe om, ondanks zijn goede bedoeling, zijn wapen wel ter beschermen mee te nemen. Bewust, om eventuele escalatie te voorkomen, droeg hij, zoals hij zelf consistent en duidelijk verklaard heeft, zijn wapen verdekt in zijn zak.
29. Met als doel om de ruzie uit te spreken komt hij na een lange rit aan in [plaats] . Wat volgt gebeurt in een zeer kort tijdsbestek.
30. Cliënt parkeert zijn auto, loopt naar de deur, belt aan en ziet door het niet transparante glas een persoon naar de deur komen.
31. Wanneer de deur opengaat ziet hij [aangever] staan. Vrijwel direct na openen van de deur, smijt [aangever] de deur dicht. In tegenstelling tot zijn verklaring is de deur daadwerkelijk dichtgegooid. Dit blijkt wat de verdediging betreft uit het feit dat de vriendin van [aangever] een doffe dreun hoort voordat zij schoten hoort. Wanneer cliënt, zoals [aangever] verklaart, met zijn voet de deur had tegengehouden dan had de vriendin van [aangever] nooit een doffe dreun kunnen horen.
32. Direct nadat de deur is dichtgegooid ziet cliënt door het niet transparante glas, terwijl hij nog vlak voor de deur staat, dat [aangever] vlak achter de deur blijft staan en hij naar zijn rechterheup grijpt. Cliënt schrikt van deze handeling van [aangever] en heeft gereageerd door te schieten. Cliënt handelde in een hevige gemoedsopwelling.
33. Cliënt heeft het wapen uit zijn zak gehaald en heeft, enkel om zichzelf te verdedigen, geschoten. Het feit dat cliënt meermaals heeft geschoten, maar [aangever] , gelukkig, niet fataal heeft geraakt, bevestigt in de visie van de verdediging daarbij dat voorbedachte rade is uitgesloten. Tevens bevestigt de wijze van schieten dat sprake was van een noodweersituatie waarin cliënt reageert, waarop de verdediging later terugkomt.
34. Wat betreft voorbedachte rade geldt immers dat uit het standaardarrest van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijzen van voorbedachte raad vast moet komen te staan dat de verdachte zich heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid had na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kan geven. Niet mag worden gehandeld uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.
35. Wat betreft de verdediging is in de onderhavige zaak nu juist sprake van één van de puurste vormen van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, Cliënt zag [aangever] een beweging maken en reageerde. Uit niets blijkt dat cliënt tot aan het moment dat hij [aangever] naar zijn heup zag grijpen een plan heeft gehad te schieten, laat staan dat sprake was van een plan [aangever] te verwonden dan wel te doden. Sterker, cliënt was enkel van plan te praten met [aangever] en heeft dit plan expliciet uitgesproken naar zijn toenmalige vrouw. Doorredenerend kan gesteld worden dat wanneer cliënt dit plan tot schieten, dan wel verwonden, dan wel doden, wel gehad had, hij wel anders gehandeld had. Het had dan immers in de reden gelegen dat hij direct wanneer hij [aangever] gezien zou hebben gericht geschoten zou hebben. Dit laatste is echter niet het geval, zo blijkt ten eerste uit het feit dat de vriendin van [aangever] eerst een doffe dreun hoort en dan pas schoten hoort. Ten tweede blijkt dit wat de verdediging betreft uit de wijze waarop [aangever] geraakt is. De schotwonden passen wat betreft de verdediging geenszins bij het scenario dat cliënt met zijn wapen getrokken, gericht richting op het hoofd van [aangever] , voor de deur zou hebben staan wachten tot [aangever] open zou doen. In dit scenario zouden de schotwonden, mede door de korte afstand tot de deur, nooit op verschillende plekken in de onderbuik en rug zijn beland.
36. Alleen al om deze reden is en kan van het geplande scenario daarom geen sprake zijn. Cliënt heeft in een milliseconde, in reactie op de actie van [aangever] , besloten te schieten - en heeft zich hierover verder ook niet kunnen beraden.
37. Natuurlijk kan hier niet worden voorbijgegaan aan het feit dat cliënt vanaf zijn woning tot aan [plaats] een lange weg heeft af moeten leggen. Hij heeft daarbij veel tijd gehad om na te denken. Tijd alleen is echter, zo blijkt uit het aangehaalde standaardarrest, onvoldoende om voorbedachte rade aan te nemen. Juist omdat cliënt expliciet tegen zijn toenmalige vrouw heeft gezegd dat hij enkel naar [plaats] ging om te praten en ook, zoals hiervoor geduid, uit de feitelijke omstandigheden niet blijkt dat dit anders zou zijn, stelt de verdediging zich op het standpunt dat de tijd die de reis heeft geduurd op zichzelf onvoldoende is om voorbedachte rade aan te nemen.
38. Er is verder geen enkel bewijsmiddel dat de voorbedachte raad in het geval van cliënt wel zou ondersteunen. Zoals ook door de rechtbank is geoordeeld, staat recht tegenover de verklaring van [aangever] dat cliënt onmiddellijk bij het openen van de deur is begonnen met schieten, de verklaring van cliënt, dat hij in reactie op een actie van [aangever] is begonnen met schieten. Geen van beide verklaringen, zo stelt ook de rechtbank, vindt steun in overige bewijsmiddelen. De rechtbank streept beide verklaring om deze reden tegen elkaar weg.
39. Voor wat betreft de verklaring(en) van [aangever] , geldt echter dat de rechtbank verder had mogen gaan. Zoals ook in eerste aanleg bepleit, meent de verdediging dat de rechtbank de verklaringen van [aangever] , door in eerste instantie de leugens over het bestaande conflict en de overige inconsistenties en onjuistheden in zijn verklaringen, onbetrouwbaar hadden moeten worden geacht en daarom niet voor het bewijs hadden mogen te worden gebezigd. De verdediging vraagt uw hof dit alsnog te doen.
40. [aangever] verklaart wisselend en inconsistent. Daarbij zijn zijn verklaringen, zoals hiervoor reeds benoemd, in strijd met de feitelijke waarnemingen van meer objectieve bronnen in het dossier, zo daar zijn de omschrijving van zijn verwondingen en de waarneming van zijn vriendin.
41. De inconsistenties tonen zich vooral in de details over de korte confrontatie tussen cliënt en [aangever] . Zo verklaart [aangever] wisselend over de manier waarop cliënt het wapen vast zou hebben gehad toen [aangever] cliënt, de manier waarop het wapen gericht was en zelfs over de kleur van het wapen. Met name dit laatste is opvallend daar [aangever] wisselt van zilverkleurig naar rood, terwijl het wapen, zo verklaart cliënt, eerder donkergrijs van kleur was. Dat [aangever] dit niet goed heeft kunnen zien, is echter heel logisch, daar cliënt het wapen pas tevoorschijn heeft gehaald nadat [aangever] de deur dichtgooide en naar zijn heup greep. [aangever] heeft het wapen dus maximaal door het niet transparante glas kunnen zien.
42. Ook verklaart [aangever] wisselend over de duur van het gesprek voor deur. Zo zou in de ene verklaring direct geschoten zijn en zou in de andere verklaring eerst nog het een ander tegen elkaar gezegd zijn. Met betrekking tot de situatie voor de schoten is eveneens opvallend dat [aangever] wisselend antwoordt op de vraag of hij cliënt direct herkende. Dit is met name opvallend, omdat [aangever] de ene keer verklaart dat hij cliënt niet direct herkende en hij de andere keer zegt dat hij hem direct zag door het stuk glas naast de deur. Zoals in het dossier te zien is, is dit glas volledig transparant. Er zou dus geen enkele twijfel over de herkenning moeten zijn, aangezien [aangever] en cliënt elkaar al meermaals ontmoet hadden.
43. Geconcludeerd moet wat de verdediging betreft worden dat [aangever] op essentiële punten inconsistent of zelfs aantoonbaar onjuist verklaard heeft bij de politie en de rechter-commissaris. De verdediging verzoekt uw hof dan ook zijn verklaringen als zijnde onbetrouwbaar niet te bezigen voor het bewijs.
44. Volgend op het voorgaand en gezien het feit dat verder ook geen ander bewijs voor voorbedachte rade bestaat, heeft de rechtbank wat betreft de verdediging terecht geoordeeld, dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor de primair onder 1 ten laste gelegde poging tot moord.
45. Dit wordt niet anders door hetgeen dat is aangedragen in de appelmemorie (en vandaag op zitting) van het Openbaar Ministerie. In de appelmemorie en in requisitoir gaat het Openbaar Ministerie namelijk, voornamelijk, in op het feit dat cliënt twee uur lang, met een wapen op zak, naar [aangever] is toegereden. Verder stellen zij dat uit het vrijwel directe gebruik van het wapen door cliënt, kan worden afgeleid dat cliënt een plan en een bedoeling had.
46. De verdediging meent meer dan afdoende te hebben betwist dat deze argumenten uw Hof met betrekking tot het primair onder 1 ten laste gelegde anders zouden moeten doen besluiten dan de rechtbank.”
4.1
Het bestreden arrest bevat voorts de volgende bewijsoverwegingen:
“Het oordeel van het hof
Het hof gaat uit van de volgende feiten:
De verdachte en [aangever] zijn bekenden van elkaar en waren op Facebook en Whatsapp actief in gezamenlijke groepen. Medio 2019 is tussen de verdachte en [aangever] een ruzie ontstaan als gevolg waarvan zij elkaar en elkaars partners over en weer telefonisch en via (spraak)berichten zijn gaan beledigen, bedreigen en uitdagen.
In de dagen voor 8 september 2019 zijn over en weer (spraak) berichten gestuurd waarin verdachte en [aangever] elkaar uitschelden en uitdagen om af te spreken.
Op 8 september 2019 rond 17:00 uur heeft [aangever] via een spraakbericht het gezin van de verdachte bedreigd en de verdachte laten weten dat hij wist waar hij woonde. Om 17.04 uur heeft nog een spraakbericht van verdachte naar [aangever] plaatsgevonden, waarin verdachte zegt: "ik zie jou zo meteen gozertje". De verdachte is vervolgens met een geladen vuurwapen naar de woning van [aangever] in [plaats] gereden.
Na ruim twee uur rijden is de verdachte daar rond 20:00 uur aangekomen. Hij heeft zijn auto in een zijstraat van de straat van de woning van [aangever] geparkeerd en hij heeft bij de woning van [aangever] aangebeld. [aangever] heeft de voordeur opengedaan. Hij zag de verdachte staan die een pistool op hem had gericht, waarop hij meteen geprobeerd heeft de voordeur te sluiten. De verdachte heeft vervolgens door de ruit van de voordeur acht schoten gelost, waarbij [aangever] door vier kogels in zijn buik, borst en rug is- getroffen. De verdachte is na het schietincident rustig naar zijn auto teruggelopen en vertrokken.
Voorbedachte raad
De vraag waarvoor het hof ziet zich gesteld is of hier sprake is van een poging moord of een poging doodslag. Het is vaste jurisprudentie dat voor de voorbedachten rade die vereist is voor een (poging tot) moord voldoende is dat vast is komen te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Het gaat hierbij om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval.
Het hof is van oordeel dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een poging moord opleveren. Verdachte is met een geladen vuurwapen in zijn auto gestapt en is naar de woning van het slachtoffer gereden. Hij heeft onderweg ruim twee uur kunnen nadenken over de te zetten stappen alvorens hij aanbelde bij het slachtoffer. Ter plaatse heeft geen nadere woordenwisseling plaatsgevonden na het openen van de voordeur door het slachtoffer, maar is door verdachte vrijwel direct op het slachtoffer geschoten hetgeen betekent dat verdachte het wapen al had doorgeladen voordat hij aanbelde bij het slachtoffer. Het verweer van de verdachte dat hij het wapen had meegenomen ter bescherming en dat hij dacht dat het slachtoffer naar zijn broeksband greep toen hij verdachte zag en dat hij daarom schoot, vindt het hof geenszins aannemelijk geworden, nu hiervoor geen enkele steun in het dossier kan worden gevonden.
Dit betekent dat, alles afwegend, naar het oordeel van het hof verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging moord.”
4.2
In de toelichting op het middel meen ik vijf deelklachten te kunnen onderscheiden. Volgens de stellers van het middel is de bewezenverklaring van de tenlastegelegde poging tot moord onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, omdat (1) het hof ten onrechte heeft aangenomen dat de verdachte zijn wapen reeds had doorgeladen voordat hij zijn auto instapte, (2) het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor het door de verdediging geschetste alternatieve scenario “geen enkele steun in het dossier kan worden gevonden”, (3) de voorbedachte raad niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, (4) het hof niet dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging geschetste alternatieve scenario en (5) het hof niet dan wel onvoldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging gevoerde betrouwbaarheidsverweer met betrekking tot de verklaring(en) van de aangever.
4.3
De eerste deelklacht berust op de opvatting dat het hof voor de bewezenverklaring van voorbedachte raad redengevend heeft geacht dat de verdachte zijn wapen reeds had doorgeladen voordat hij de auto instapte. De klacht mist echter feitelijke grondslag, nu het hof heeft geoordeeld dat de verdachte “met een geladen vuurwapen in zijn auto [is] gestapt” en “het wapen al had doorgeladen voordat hij aanbelde bij het slachtoffer”. Het hof heeft daarmee – zo begrijp ik zijn oordeel – gemeend dat zich op het moment dat de verdachte in de auto stapte patronen in het magazijn van het wapen bevonden (“geladen”), maar heeft – anders dan de stellers van het middel menen – in het midden gelaten of zich op dat moment ook reeds een patroon in de kamer van het wapen bevond (“doorgeladen”) - hetgeen naar het oordeel van het hof wel het geval moet zijn geweest voordat de verdachte bij het slachtoffer aanbelde. De eerste deelklacht faalt.
4.4
De tweede deelklacht richt zich tegen het oordeel van het hof dat het verweer dat de verdachte het wapen had meegenomen ter bescherming en dat hij dacht dat het slachtoffer naar zijn broeksband greep toen hij de verdachte zag en daarom schoot, geenszins aannemelijk is geworden, omdat daarvoor “geen enkele steun in het dossier kan worden gevonden”. Volgens de stellers van het middel – althans zo begrijp ik de klacht – zou dit oordeel onbegrijpelijk zijn omdat er “wel degelijk enige steun [was] voor het scenario van requirant”. De in de schriftuur aangehaalde feiten en omstandigheden ter onderbouwing van deze klacht, namelijk dat de verdachte vooraf met zijn toenmalige vrouw zou hebben besproken dat hij (slechts) met het slachtoffer zou gaan praten, dat de aard van de verwondingen van het slachtoffer volgens de raadsman lijkt te duiden op een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de verdachte en dat door een getuige voor het schieten een doffe bons is gehoord die volgens de raadsman op een dichtvallende deur lijkt te duiden, hebben echter geen betrekking op de reden voor het meenemen door de verdachte van het wapen noch zien deze op het – vermeende – grijpen naar de broeksband door de aangever. De aangehaalde feiten en omstandigheden doen aan het op die onderdelen toegespitste oordeel van het hof dan ook niet af. Onbegrijpelijk is dat oordeel evenmin. De tweede deelklacht faalt.
4.5
De derde, vierde en vijfde deelklacht hangen nauw met elkaar samen en lenen zich daarom voor een gezamenlijke bespreking.
4.6
Bij de beoordeling van deze deelklachten moet worden vooropgesteld hetgeen Uw Raad in een arrest van 15 oktober 2013 [1] met betrekking tot voorbedachte raad heeft overwogen:
“3.3 Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezenverklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.
Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder als de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven (vgl. HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, NJ 2012/518).
3.4
De achtergrond van het vereiste dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven, is dat ingeval vaststaat dat de verdachte die gelegenheid heeft gehad, het redelijk is aan te nemen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van die gelegenheid en dus daadwerkelijk heeft nagedacht over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (vgl. het overleg en nadenken dat in de wetsgeschiedenis is geplaatst tegenover de ogenblikkelijke gemoedsopwelling). Dat de verdachte daadwerkelijk heeft nagedacht en zich rekenschap heeft gegeven leent zich immers moeilijk voor strafrechtelijk bewijs, zeker in het geval dat de verklaringen van de verdachte en/of eventuele getuigen geen inzicht geven in wat voor en tijdens het begaan van het feit in de verdachte is omgegaan. Of in een dergelijk geval voorbedachte raad bewezen kan worden, hangt dan sterk af van de hierboven bedoelde gelegenheid en van de overige feitelijke omstandigheden van het geval zoals de aard van het feit, de omstandigheden waaronder het is begaan alsmede de gedragingen van de verdachte voor en tijdens het begaan van het feit. Daarbij verdient opmerking dat de enkele omstandigheid dat niet is komen vast te staan dat is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, niet toereikend is om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van voorbedachte raad.”
4.7
Verder heeft als uitgangspunt te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft. [2]
4.8
Tot slot geldt dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifieke gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [3] Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. [4]
4.9
In hoger beroep is door de verdediging naar voren gebracht dat de verklaringen van de aangever als onbetrouwbaar terzijde moeten worden geschoven, omdat deze op essentiële punten inconsistent zouden zijn. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de aangever wisselend zou hebben verklaard over het uiterlijk van het wapen en de manier waarop de verdachte het wapen zou hebben vastgehouden. Die inconsistenties zouden erop duiden dat de verdachte het wapen bij het openen van de deur – conform de verklaring van de verdachte – (nog) niet op de aangever had gericht en de aangever e.e.a. daarom niet goed heeft kunnen waarnemen. Het hof is aan dit verweer voorbijgegaan en heeft de verklaring van de aangever dat hij na het openen van de deur in de loop van een wapen keek, daarop tevergeefs geprobeerd heeft de deur dicht te duwen en – kort gezegd – vrijwel direct daarna door de verdachte werd beschoten, voor het bewijs gebruikt (bewijsmiddel 7).
4.1
Met betrekking tot de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van de partner van de aangever dat zij, nadat de aangever de deur had geopend, een doffe dreun en vervolgens ‘au’ en daarna ‘paf paf paf’ hoorde (bewijsmiddel 8) en de door haar tegenover de politie afgelegde verklaring dat haar vriend na het openen van de deur in de loop van een vuurwapen keek (bewijsmiddel 11), heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst. Dit scenario houdt in dat de verdachte naar de woning van de aangever is gereden om een ruzie uit te praten en dat hij een (geladen) vuurwapen had meegenomen omdat hij bang was voor de aangever. Nadat de verdachte had aangebeld en de aangever de deur had geopend, schrok deze laatste waarop hij vrijwel direct de deur dichtgooide. Toen de verdachte direct daarna door de glazen ruit van de deur zag dat de aangever naar zijn broeksband greep heeft de verdachte het wapen – dat hij tot dat moment in zijn zak zou hebben gedragen – uit zijn zak gehaald en is gaan schieten. Dit alternatieve scenario wordt volgens de verdediging ondersteund door de verklaring van de voormalige partner van de verdachte met wie hij voorafgaand aan het feit zou hebben besproken dat hij (slechts) met de aangever zou gaan praten, door de aard van de verwondingen van de aangever die volgens de raadsman lijkt te duiden op een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij de verdachte en door de verklaring van de partner van de aangever waarvan de waargenomen doffe dreun volgens de raadsman op de dichtvallende deur zou duiden.
4.11
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte, nadat hij om 17:04 uur een spraakbericht naar het slachtoffer stuurde waarin hij zegt: “ik zie jou zo meteen gozertje”, met een geladen vuurwapen naar de woning van het slachtoffer is gereden, waar hij, na ruim twee uur rijden, rond 20:00 uur is aangekomen. Het hof heeft verder vastgesteld dat na het openen van de voordeur door het slachtoffer geen nadere woordenwisseling heeft plaatsgevonden, maar door de verdachte vrijwel direct op het slachtoffer is geschoten. Daarbij zijn door de verdachte acht schoten door de ruit van de voordeur gelost, waarbij het slachtoffer door vier kogels in zijn buik, borst en rug is getroffen. De verdachte is vervolgens rustig naar zijn auto teruggelopen en vertrokken.
4.12
Het hof heeft verder geoordeeld dat het verweer dat de verdachte het wapen had meegenomen ter bescherming en dat hij dacht dat het slachtoffer naar zijn broeksband greep toen hij de verdachte zag en daarom schoot, geenszins aannemelijk is geworden, omdat daarvoor geen enkele steun in het dossier kan worden gevonden. Gelet hierop en gelet op hetgeen onder 4.6 tot en met 4.8 is vooropgesteld, is het op voornoemd samenstel van feiten en omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde voorts, ook in het licht van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario en het gevoerde betrouwbaarheidsverweer, geen nadere motivering. Daarbij neem ik in aanmerking dat de onder 4.10 genoemde redengevende feiten en omstandigheden niet strijdig zijn met de door de verdediging gestelde alternatieve toedracht en het hof ten aanzien van het overige – namelijk dat de verdachte het wapen had meegenomen ter bescherming en dat hij dacht dat het slachtoffer naar zijn broeksband greep en daarom schoot – heeft geoordeeld dat dit geenszins aannemelijk is geworden. In dat oordeel ligt voorts besloten dat het hof geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de als bewijsmiddel 7 gebezigde verklaring van de aangever, die steun vindt in de verklaringen van de partner van de aangever (bewijsmiddelen 8 en 11), zodat zowel het gevoerde betrouwbaarheidsverweer als het door de verdediging geschetste alternatieve scenario afdoende weerlegging vindt in de bewijsvoering. De derde, vierde en vijfde deelklacht falen.
4.13
Het middel faalt.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
5.2
Het cassatieberoep is op 28 april 2022 ingesteld. De stukken van het geding zijn – anders dan de stellers van het middel menen – op 19 oktober 2022 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van zes maanden [5] niet is overschreden. [6]
5.3
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6.Conclusie

6.1
Beide middelen falen en lenen zich mijns inziens voor afdoening met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Ik teken daarbij aan dat weliswaar de verdachte in eerste aanleg van het hem (impliciet) primair tenlastegelegde – opleverende moord – is vrijgesproken, maar wel is veroordeeld voor het op hetzelfde feitelijk gebeuren betrekking hebbende (impliciet) subsidiair tenlastegelegde, doodslag. Het verschil tussen beide delicten betreft in wezen een strafverzwarende omstandigheid (de voorbedachte raad), waarover door de rechter in eerste aanleg en in hoger beroep verschillend is geoordeeld. Aldus doet zich naar ik meen niet de zogenaamde Jaddoe-problematiek voor, waaromtrent de Hoge Raad zich in HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40 heeft uitgelaten. Het betreft hier immers niet een feit waarvoor de verdachte in eerste aanleg – geheel – was vrijgesproken. Afdoening met hantering van een verkorte motivering botst dan naar ik meen niet met art. 14 lid 5 IVBPR Pro. [7]
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963. Zie meer recent: HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1653.
2.HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359.
3.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413. De Hoge Raad verwijst hierbij naar zijn eerder jurisprudentie: HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
4.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498.
5.In het onderhavige geval geldt een inzendtermijn van zes maanden omdat de betrokkene in verband met de onderhavige zaak in voorlopige hechtenis verkeert. Zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.3.
6.De stellers van het middel zijn ten aanzien van de datum van ontvangst van de stukken van het geding door de Hoge Raad kennelijk doch ten onrechte uitgegaan van de datum waarop het dossier door de griffie in het portaal is geplaatst (te weten: 1 november 2022).
7.Ik verwijs hier graag naar de beschouwingen van de PG F.W. Bleichrodt in zijn conclusie voorafgaand aan het hierboven genoemde “Jaddoe-arrest” van de Hoge Raad, ECLI:NL:PHR:2022:1143, rov. 47-50.