Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
NJ2023/43, m.nt. Vellinga.
NJ2023/43, m.nt. Vellinga verwezen, maar niet iets nieuws aangevoerd wat een ander licht op de kwestie zou kunnen werpen. Ik meen derhalve dat het middel dan afstuit op hetgeen de Hoge Raad in dat arrest ter zake heeft overwogen (zie o.m. rov. 5.7).
Het tweede middel
De inzet van dit middel is beperkt tot bedrijfsvoertuigen en privé-voertuigen die bedrijfsmatig gebruikt worden door de onderzochte persoonen is verder beperkt tot die tijden die relevant zijn voor de onderzoeksopdracht. Het aanbrengen van een technisch hulpmiddel in iemands persoonlijke eigendommen zodat op elk moment een exact en volledig inzicht wordt verkregen van de plaatsen waar de geobserveerde is of is geweest, maakt een te grote inbreuk op de privacy en vindt doorgaans geen rechtvaardiging in de aard van de opdracht. (…)”
eerste deelklachtvoeren de stellers van het middel aan dat het “oordeel van het hof, dat het om een oordeel te geven over het al dan niet rechtmatig gebruikmaken van het peilbaken in de onderhavige specifieke situatie nader onderzoek vereist maar dat een dergelijk civielrechtelijk georiënteerd onderzoek de kaders van dit strafproces te buiten gaat en het hof zich dan ook onthoudt van een oordeel hierover onjuist althans onbegrijpelijk [is] nu deze vraag door de strafrechter zal moeten worden beoordeeld indien er – zoals i.c. het geval is – te dier zake verweer is gevoerd”. Betoogd wordt dat de verdediging al heeft aangegeven dat het plaatsen van een peilbaken een bijzondere opsporingsmethode is en dus ook in het wetboek van strafvordering is opgenomen, “zodat – alleen al hierom – niet is in te zien waarom sprake zou zijn van een 'civielrechtelijk georiënteerd onderzoek', wat daar ook onder moge worden verstaan”. De
tweede deelklachthoudt in dat ’s hofs oordeel “dat de verkregen peilbakengegevens niet van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek Hersbruck en de mogelijke betrokkenheid van de verdachte bij de hem tenlastegelegde brandstichtingen en stalking en deze evenmin van bepalende invloed zijn geweest op de (verdere) vervolging van de verdachte voor deze feiten voorts onbegrijpelijk [is] in het licht van alleen al de invloed van deze gegevens voor het bewijs en hetgeen is vastgesteld ten aanzien van de verzoeken van de politie en de vaststelling van het hof dat de politie door de beschikking te krijgen over deze gegevens waarschijnlijk een mogelijkheid heeft gehad om te
onderzoekenof deze op de een of andere manier zouden kunnen bijdragen aan de opheldering van een misdrijf”. Voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de verdachte onvoldoende in zijn belang is geschaad, is dat oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, aldus de stellers van het middel, nu vaststaat “dat op grove wijze inbreuk is gemaakt op de privacy van verdachte”. De deelklachten lenen zich mijns inziens voor een gezamenlijke bespreking.
NJ2021/169, m.nt. Jörg (zie hierboven het cursiefje ‘Het verweer van de verdediging’), en ook in de toelichting op het middel wordt dit arrest aangehaald. Daarin overweegt de Hoge Raad onder meer:
van 4 mei tot en met 6 mei 2018’heeft het hof (met de rechtbank) in weerwil van het verweer van de verdediging geoordeeld dat deze gegevens voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat niet is gebleken “dat de politie en/of het openbaar ministerie vóór of op 6 mei 2018 al op de hoogte was van de inzet van het peilbaken dan wel daarbij op enige manier betrokken was in de vorm van enig initiatief tot het plaatsen of geplaatst houden van het peilbaken”. De verdediging heeft wat deze periode betreft niets concreets aangevoerd omtrent een vermeend contact tussen het recherchebureau en de politie. Dat het hof, mede gelet daarop, tot het oordeel is gekomen dat er geen sprake is van enige betrokkenheid van de strafvorderlijke overheid met betrekking tot de peilbakengegevens over de periode van 4 mei tot en met 6 mei 2018 en dat [betrokkene 1] de gegevens later op eigen initiatief heeft overgedragen aan de politie, is dan ook niet onbegrijpelijk en in het licht van het verweer van de verdediging voldoende gemotiveerd. [6]
over de gehele periode van 2 mei tot en met 18 juni2018. Het hof heeft vastgesteld dat het particuliere recherchebureau op 1 mei 2018 is gestart met een onderzoek naar de gangen van de verdachte in verband met een mogelijke stalkingskwestie. Het hof gaat er klaarblijkelijk van uit dat het eerste contact met de strafvorderlijke overheid (officier van justitie S.B.G. Kierkels) plaatsvond op 14 mei 2018. Bij die gelegenheid is de officier van justitie geïnformeerd over de lopende observatie op de verdachte, maar kennelijk niet over de inzet van het peilbaken. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de directeur van het particuliere recherchebureau, [betrokkene 1] , op 28 mei 2018 een oriënterend gesprek heeft gevoerd met officier van justitie M.J.P. Beurskens. [betrokkene 1] heeft daar, aldus het hof, “verteld welke informatie hij had” en “medegedeeld dat het recherchebureau observaties heeft gedaan, waarbij ook sprake was van de inzet van technische hulpmiddelen, zoals een GPS-tracker”. Dit is volgens het hof het eerste moment waarop de inzet van het peilbaken aan de strafvorderlijke overheid is medegedeeld. Twee dagen later is het hele dossier, inclusief de peilbakengegevens over de periode van 4 tot en met 6 mei 2018, aan de politie overgedragen. Op 13 juli 2018 heeft verbalisant [verbalisant 1] contact gehad met [betrokkene 1] en hem verzocht om de gegevens over de gehele periode dat het peilbaken onder de auto van de verdachte zat over te dragen. Die overdracht heeft op 15 juli 2018 plaatsgevonden. Het hof heeft ook in dit verband vastgesteld dat noch “de politie, noch het openbaar ministerie, op enige manier betrokken was in de vorm van enig initiatief tot het plaatsen of geplaatst houden van het peilbaken in deze periode”.
nietvoor het bewijs van de tenlastegelegde feiten gebruikt en daarom is dat punt hier niet van belang.
observatiesdoor het particuliere recherchebureau [A] . Hierboven bleek al dat er een rechtsgevolg verbonden kan worden aan onrechtmatig handelen van een derde als deze handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. De verdediging heeft aangevoerd dat dat het geval is, onder meer nu ook de observaties niet zonder die peilbakengegevens uitgevoerd hadden kunnen worden. Het hof wijdt hieraan weinig woorden: deze observaties zijn niet door de politie of het openbaar ministerie geïnitieerd of gefaciliteerd, terwijl bovendien slechts een beperkt aantal dagen in de openbare ruimte is geobserveerd, waardoor geen sprake is van een grote inbreuk op de privacy van de verdachte. Daarbij laat het hof daar dat zijdens de verdachte niet is geconcretiseerd waaruit deze inbreuk in zijn geval dan zou hebben bestaan.
Het derde middel
Het vierde middel
Ambtshalve beoordeling
Slotsom