ECLI:NL:PHR:2023:627

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
26 juni 2023
Zaaknummer
22/00642
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OwArt. 1 lid 4 OwArt. 359 lid 2 SvArt. 365a SvArt. 416 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen invoer cocaïne via Schiphol ondanks betwisting identificatie verdachte

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte is veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van cocaïne in Nederland. Het hof baseerde zijn oordeel op uitgebreide bewijsmiddelen, waaronder whatsapp-gesprekken, camerabeelden, zendmastgegevens en verklaringen van betrokkenen.

De verdediging voerde aan dat de identificatie van de verdachte als gebruiker van de telefoonnummers en whatsapp-accounts 'verdachte' en 'Broertje' onvoldoende was gemotiveerd en dat het hof ten onrechte had aangenomen dat deze accounts aan de verdachte toebehoorden. Ook werd betwist dat de verdachte op de genoemde vluchten zat en dat de whatsapp-gesprekken betrekking hadden op strafbare feiten.

De Hoge Raad overweegt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom het de bewijsmiddelen heeft gewogen zoals het deed en waarom het tot de conclusie kwam dat de verdachte de gebruiker was van de telefoonnummers en accounts. Het hof heeft de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien en geoordeeld dat de verdachte en medeverdachte nauw en bewust hebben samengewerkt aan de invoer van cocaïne. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest.

De zaak illustreert de toepassing van het begrip medeplegen in drugssmokkelzaken en de wijze waarop digitale communicatie en andere bewijsmiddelen worden gebruikt om betrokkenheid vast te stellen. De Hoge Raad benadrukt de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter bij de waardering van bewijs en de motiveringsplicht bij verwerping van uitdrukkelijke onderbouwde verweren.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplegen invoer cocaïne wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00642
Zitting27 juni 2023
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 22 februari 2022 het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 12 april 2018 bevestigd met uitzondering van de opgelegde straf en met dien verstande dat enkele bewijsoverwegingen van de rechtbank zijn aangevuld of vervangen en de bewijsmiddelen en toegepaste wettelijke voorschriften verder zijn aangevuld, een en ander zoals in het arrest beschreven onder het hoofd “Vonnis waarvan beroep”. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en zes maanden (met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr) wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet [1] gegeven verbod, meermalen gepleegd”.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/00635. Ook in die zaak zal ik vandaag concluderen.
3. Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
II.
Het eerste middel en de bespreking daarvan(identificatie verdachte)
Middel
4. Het middel klaagt dat (1) het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van een tweetal telefoonnummers met daaraan gekoppeld de Whatsapp-accounts onder de namen ‘ [verdachte] ’ en ‘Broertje’ en (2) dit evenmin uit de bewijsvoering kan worden afgeleid zodat het oordeel van het hof dat dit wel het geval is, ook in het licht van hetgeen de verdediging daarover naar voren heeft gebracht, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Bewezenverklaring, en bewijsvoering met betrekking tot de identificatie
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2016 tot en met 19 september 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of in Suriname en/of op Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, de onder - de al dan niet reeds veroordeelde drugskoeriers - [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 5] aangetroffen grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne.”
6. De vaststellingen van de rechtbank waarmee het hof zich heeft verenigd houden het volgende in (hier met weglating van de voetnoten):
“Vaststelling identiteit verdachte [verdachte]
Bevindingen
Uit de analyse van de onder [medeverdachte] in beslag genomen telefoon van het merk Samsung Galaxy, komt naar voren dat vanaf 20 mei 2016 tot en met de dag van [medeverdachte] aanhouding op 19 september 2016, er nagenoeg dagelijks meerdere malen contact is via whats-app tussen de contactpersoon [verdachte] , telefoonnummer [telefoonnummer 1] , en de contactpersoon [medeverdachte] . In de whats-app is tevens te zien dat [verdachte] [medeverdachte] vaak broer noemt en dat [medeverdachte] weer regelmatig broertje noemt. Aan het contact [verdachte] is een profielfoto gekoppeld (van een negroïde man met een zonnebril):
Daarnaast is bij [medeverdachte] een telefoon van het merk Samsung Galaxy Grand Neo Plus in beslag genomen. Uit analyse van deze telefoon valt op te maken dat deze in de periode vanaf 26 december 2016 tot en met februari 2017 dagelijks contact heeft via whats-app tussen de contactnaam Broertje en de contactnaam [medeverdachte] .
Op 15 februari 2017 heeft [medeverdachte] tijdens een zaaksgericht verhoor aangegeven dat hij de gebruiker is van de accountnaam ‘ [medeverdachte] ’. Voornoemde whats-app profielfoto is door twee documentdeskundigen van de Koninklijke Marechaussee (KMar) vergeleken met een foto op een scan van een deel van een aanvraagformulier voor een Nederlands reisdocument op naam van [verdachte] . Gelet op de overeenkomsten van het gelaat, op beide foto's trekken deze documentdeskundigen de conclusie dat de personen op de twee verschillende afdrukken van de gelaatsfoto’s één en dezelfde persoon moeten zijn.
Op 4 oktober 2017 heeft [verdachte] tijdens zijn verhoor bij de KMar verklaard dat hij vaak op het adres van zijn nichtje, [betrokkene 6] , in [plaats] logeert. Tijdens de raadkamerbehandeling van de zaak van [verdachte] op 18 oktober 2017 in het kader van de vordering gevangenhouding, heeft zijn toenmalige raadsman, mr. B.R. Koenders, tevens aangegeven dat [verdachte] bij [betrokkene 6] op het adres [a-straat 1] te [plaats] kan verblijven. Ter zitting is vervolgens een handgeschreven briefje op naam van [betrokkene 6] overhandigd waarin zij verklaart dat [verdachte] gedurende het proces bij haar kan verblijven. Uit onderzoek naar het telefoonnummer in gebruik bij [betrokkene 6] (nummer [telefoonnummer 2] ) komt naar voren dat dit nummer in de periode van 22 maart 2016 tot en met 8 mei 2017 zeven keer contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) en in de periode 14 november 2016 tot en met 8 mei 2017 één keer met het nummer [telefoonnummer 3] (Broertje). Zowel het nummer [telefoonnummer 1] als nummer [telefoonnummer 3] zijn (whats-app) contacten in de telefoon van verdachte [medeverdachte] . Het nummer [telefoonnummer 1] staat in de telefoon opgeslagen onder de naam “ [verdachte] ”. Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] staat opgeslagen onder de naam “Broertje”.
Op 8 januari 2017 vindt er tussen Broertje en [medeverdachte] een whats-app gesprek plaats waarin wordt gesproken over het adres gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] . Uit bevraging in de Basisregistratie Personen komt naar voren dat [verdachte] twee maal op dit adres ingeschreven heeft gestaan. Inmiddels is [verdachte] geëmigreerd naar Paramaribo, Suriname.
In de periode van 11 januari 2017 tot en met 12 januari 2017 vindt er tussen Broertje en [medeverdachte] een whatsapp gesprek plaats waarin op 11 januari 2017 Broertje tegen [medeverdachte] zegt dat hij hem morgen ziet. Op 12 januari 2017 laat Broertje aan [medeverdachte] weten: “Was moe 7 u geland”. Uit onderzoek naar de passagierslijsten van de KLM is gebleken dat op 18 augustus 2016 en op 11 januari 2017 [verdachte] aan boord van de KL0713 respectievelijk de KL0736 zat. De vlucht KL0736 had als tijdstip van landen 06.56 uur. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [verdachte] heeft op 18 augustus 2016 een aantal malen telefonisch contact vanaf Schiphol, waarvan het laatste contact 11.22 uur is geweest. Hierna zijn er geen telefonische contacten meer zichtbaar. Gebleken is dat de KL0713 op 18 augustus 2016 te 11.25 uur is vertrokken vanaf Schiphol.
Overwegingen
Gelet op het door de verdediging van [verdachte] ingebrachte onderzoeksrapport van 7 november 2017, waarbij de bevindingen van de documentdeskundigen ter discussie zijn gesteld, overweegt de rechtbank dat de herkenning in dit rapport niet zo stellig is als in het hiervoor genoemde proces-verbaal van de ID-desk van de KMar. Het onderzoeksrapport levert echter geen contra indicatie op dat de twee personen op de betreffende foto’s niet dezelfde personen zouden kunnen zijn. De rechtbank zal dit proces-verbaal van herkenning, in samenhang met de overige hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, daarom wel voor het bewijs bezigen. Dat de gebruiker van het whats-app account [verdachte] daaraan een profielfoto van iemand anders dan zichzelf heeft gekoppeld acht de rechtbank, onder de genoemde omstandigheden niet aannemelijk. Daarbij heeft [verdachte] zich ten aanzien van alle hiervoor genoemde bevindingen op zijn zwijgrecht beroepen terwijl deze schreeuwen om een verklaring.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het daaraan gekoppelde whats-app accountnaam “ [verdachte] ” en dat hij de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] en de daaraan gekoppelde whats-app accountnaam “Broertje”.”
7. Het hof heeft deze overwegingen als volgt aangevuld (hier met weglating van de voetnoten op één na):
“De identificatie van de verdachte
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de berichten die door of aan ‘Broertje’ en ‘ [verdachte] ’ zijn ontvangen/verstuurd, aan de verdachte te koppelen zijn. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank dit terecht heeft vastgesteld en overweegt daartoe, in aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, als volgt.
Op basis van de volgende samenloop van omstandigheden bestaan sterke aanwijzingen dat met ‘ [verdachte] ’ en ‘Broertje’ dezelfde persoon bedoeld wordt: [verdachte] en Broertje hebben volgtijdelijk zeer veel contact met [medeverdachte] , de gebruikers spreken [medeverdachte] op dezelfde wijze aan (Broer en [medeverdachte] ) en [medeverdachte] spreekt de gebruikers op dezelfde wijze aan (Broertje). Bovendien hebben de aan [verdachte] en Broertje gekoppelde telefoonnummers volgtijdelijk contact met de nicht van de verdachte ( [betrokkene 6] ) en hebben beide nummers contact met vijf overeenkomstige telefoonnummers.
Uit het dossier blijkt dat [verdachte] op 18 augustus 2016 met vlucht KL0713 van Schiphol naar Suriname reist en dat Broertje op 12 januari 2017 met vlucht KL036 Curaçao naar Nederland reist. [2] Ten aanzien van de vlucht naar Suriname overweegt het hof in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank dat [verdachte] op 17 augustus 2016 antwoordt op de vraag “Ga je morgen loesoe’ met ‘Ai denk het’. Op 19 augustus 2016 vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] of hij veilig is aangekomen. Daarna gaan er apps over en weer over personen die bezocht moeten worden. Daarbij wordt in ieder geval één Surinaams telefoonnummer uitgewisseld. Uit een vergelijking van de passagierslijsten blijkt dat de verdachte de enige persoon is wiens naam zowel op de lijst van de hiervoor genoemde vlucht naar Suriname als op de lijst van de hiervoor genoemde vlucht naar Curaçao voorkomt.
Het hof is op basis van het vorenstaande, in samenhang met hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, van oordeel dat vastgesteld kan worden dat de verdachte telkens de gebruiker is geweest van het telefoonnummer met de daaraan gekoppelde WhatsApp accountnaam “ [verdachte] ” en het telefoonnummer met daaraan gekoppeld de WhatsApp accountnaam “Broertje” en bovendien ook degene is geweest die de berichten met genoemde accountnamen heeft verzonden aan de medeverdachte [medeverdachte] .”
8. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen met nummer 16-900117/122 van 8 mei 2017 houdt onder meer in:
“In de telefoon van verdachte [medeverdachte] zijn door het onderzoeksteam onder andere afbeeldingen aangetroffen van twee personen, welke later werden herkend als zijnde verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Voornoemde foto s zijn middels de applicatie whatsapp met de naam:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]verstuurd naar de telefoon van verdachte [medeverdachte] .
[…]
Vervolgens blijkt dat op 18 augustus 2016 dit nummer nog een aantal malen telefonisch contact heeft vanaf Schiphol. Het laatste telefonisch contact van voornoemd telefoonnummer is op 18 augustus 2016 te 11.22 uur geweest, via een telecommast welke volgens het DCS geplaatst is op de volgende locatie:
Locatienaam KPN-618032342
Adres PIER G
Plaats Schiphol Luchthaven
Hierna zijn er geen telefonische contacten meer zichtbaar op voornoemd telefoonnummer. Het vermoeden bij het onderzoeksteam is dat “ [verdachte] ' op 18 augustus 2016 vanaf Schiphol uitgereisd is met de KL0713 naar Paramaribo Suriname. Uit bevraging in het Centraal Informatie Systeem Schiphol is gebleken dat de KL0713 op 18 augustus 2016 te 11:25 uur is vertrokken vanaf Schiphol.
[…]
Na de aanhouding van [medeverdachte] op 14 februari 2017 zijn de bij hem inbeslaggenomen telefoons geanalyseerd. Uit analyse van de onder [medeverdachte] inbeslaggenomen telefoon van het merk Samsung type GT-i9060iGalaxy Grand Neo plus is op te maken dat deze telefoon zeer veel Whatsapp-gesprekken/contact heeft met contactnaam “Broertje” voorzien van het telefoonnummer + [telefoonnummer 3] .
[…]
Ik, verbalisant, heb naar aanleiding van bovenstaande whats-app berichten het vermoeden dat:
- 'Broertje' op 12 januari 2017 in Nederland geland is
[…]
Door het onderzoeksteam, is uitgezocht welke vluchten er op 12 januari 2017 omstreeks 07.00 uur op Schiphol geland zijn vanuit Curaçao.
Dit bleek de volgende vlucht te zijn:
- KL0736 met als tijdstip landen omstreeks 06.56 uur.
[…]
Analyse/overeenkomsten passagierslijsten
Ik verbalisant, zag, dat op de passagierslijst van de KL0713 van zondag 18 augustus 2016 onderstaande persoon voorkwam:
2016-08-18 KL 0713 PHBFA AMS PBM [verdachte] M [geboortedatum] -1983
Tevens zag ik, verbalisant, dat op de passagierslijst van de KL0736 van woensdag 11 januari 2017 onderstaande persoon voorkwam:
- vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam op woensdag 11 januari 2017
2017-01-11 KL073C PHBPB CUR AMS [verdachte] M [geboortedatum] -1933
Resume
Het onderzoeksteam kan uit bovenstaande analyse van de passagierslijsten van zowel de vlucht KL0713 van Amsterdam naar Paramaribo op 18 augustus 2016 en de vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam op 11 januari 2017 opmaken dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] aan boord zat.”
Verweer van de verdediging
9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2022 heeft de raadsman van de verdachte aldaar allereerst overeenkomstig de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota het woord tot verdediging gevoerd. In de pleitnota zijn door de griffier letters aangebracht die corresponderen met de opmerkingen die de raadsman ter terechtzitting ter aanvulling van dat verweer heeft gemaakt (zie daarvoor randnummer 10) en die ik hieronder vetgedrukt heb gemarkeerd. [3] De pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De rechtbank is ervan uitgegaan dat [verdachte] en Broertje één en dezelfde persoon zijn. Het idee is dat dit cliënt is. Maar is dat terecht?
h.
Als eerste valt op dat de gebruikersnaam van de toestellen verschilt. Er is een [verdachte] . Kennelijk had [verdachte] eerst een bepaald nr, en nam hij toen een nieuwe in gebruik. Dat werd het nr [verdachte] . Als [verdachte] daarna weer een nieuw nr. neemt, dan zou je denken dat het nr. de naam krijgt [verdachte] .
Verder had [verdachte] een bepaalde profielfoto; een profielfoto van een donkere man met kaal hoofd, met zonnebril, varend in een boot op een rivier. We zien die foto niet terug bij Broertje. Geen kale donkere man, geen rivier, geen boot. Als [verdachte] een nieuw nr. neemt, dan verwacht je dat hij een vergelijkbare profielfoto zou plaatsen bij zijn nieuwe nr. Dat is echter niet het geval.
[verdachte] had een Nederlands nummer. Broertje had een Surinaams nummer. Ook dat is een belangrijk verschil.
In de praktijk zie je de politie en/of het OM aan de hand van een aantal zaken nummers aan verdachten koppelen. Al die zaken en/of omstandigheden die ik in andere zaken zie, zie ik hier niet. Als eerste zijn de toestellen niet bij client en/of zijn omgeving aangetroffen.
i.Daarnaast zijn er geen gesprekken en/of spraakberichten waarin de stem van cliënt herkend kan worden. Er zijn geen namen, bijnamen of andere zaken genoemd in de gesprekken die een koppeling met cliënt maken. Er kan niet gezegd worden aan de hand van zendmastgegevens en/of printgegevens dat de toestellen van [verdachte] en Broertje op dezelfde locatie aanwezig waren, laat staan een locatie die aan cliënt gekoppeld kan worden. Het is niet zo dat dezelfde mensen met dezelfde frequentie gebeld werden door [verdachte] en Broertje.
j.
Zijn [verdachte] en Broertje dezelfde persoon? Het feit dat [medeverdachte] met beide nrs. contact heeft over mogelijk drugssmokkel, is voor het beantwoorden van die vraag volstrekt irrelevant. Net zoals we bij de drugssmokkel in deze zaak verschillende koeriers zien terugkomen, zou je verschillende contacten kunnen hebben die helpen bij het organiseren, stroomlijnen, ondersteunen en/of begeleiden van de drugssmokkel. Het OM spreekt vaak van de georganiseerde drugssmokkel en spreekt van een keten van personen die de smokkel mogelijk maken. Zeer wel mogelijk zijn [verdachte] en Broertje twee verschillende personen.
Als we dan inloggen op de namen [verdachte] en Broertje, dan zien wij dat dit twee namen zijn die niet aan cliënt gekoppeld kunnen worden. Client is geen broer of broertje van [medeverdachte] . Client is geen [verdachte] en gebruikt die naam ook niet. [verdachte] zou volgens [medeverdachte] [betrokkene 14] zijn, [betrokkene 14] is een Surinaamse familienaam. Een connectie met die familie heeft cliënt niet. In Suriname en/of Surinaamse kringen krijgen personen al snel bijnamen. De bijnaam [verdachte] zou kunnen passen bij iemand die de woorden “ […] ” in zijn naam heeft (net zoals ik weleens “Roetje” genoemd word wegens de woorden Roet in mijn naam en ex-president Wijdenbosch “Bosje” genoemd werd). Client heeft geen “ […] ” in zijn naam. De nam [verdachte] zou kunnen passen bij iemand die opvallend mager/bottig is. Client is niet mager. Nooit geweest.
In Suriname en in Surinaamse kringen lopen meerdere “ [verdachte] ” rond. Zelfs op social media kan je er meerdere vinden. Ik voeg enkele voorbeelden bij de pleitnota. Client is daar geen van.
Voor wat de naam broertje betreft, geldt dat niet enkel in moslim-kringen iedereen een broer of broeder is, dan wel genoemd wordt, doch dat dit ook geldt in Surinaamse kringen. Als je redelijk contact met iemand hebt, dan spreek je zo een persoon al snel aan als broer. Het is een naam die geen enkel onderscheidend vermogen heeft. En inderdaad, ook [medeverdachte] zelf noemt meerdere personen broer.
Ik verwijs behalve naar de gesprekken die [medeverdachte] gevoerd zou hebben met zijn mobiele telefoons, ook naar zijn eigen verklaring (p, 237). Ik noem [betrokkene 15] broer. Ik noem mijn zwager broer. Ik noem een collega van mij broer.
k.
Dan de overige elementen die gebruikt zijn om een koppeling te maken tussen de toestellen en cliënt.
Beide nummers zouden contact hebben gehad met het nummer van [betrokkene 6] , een nicht van cliënt waar hij ook zou kunnen verblijven. Maar legt [betrokkene 6] een belastende verklaring af tegen cliënt? Koppelt [betrokkene 6] cliënt aan de toestellen? Nee!
l.
Er is gesproken in de app over het adres [b-straat] . Maar woont cliënt daar? Nee! Woonde hij daar ten tijde van het apen? Nee! Heeft hij daar, zoals in het vonnis en in het dossier gesteld wordt, twee keren ingeschreven gestaan? Nee! Een verzoek om de bewoners van [b-straat] te horen, werd door uw hof afgewezen. Overigens, kijkend naar de gesprekken, had met het over [b-straat 1] of [b-straat 2] ?
m.
Op 18 augustus 2016 is het toestel van [verdachte] in de omgeving van Schiphol te zien. Vanaf 11.22 uur zijn er geen contacten meer, terwijl er om 11.25 uur een vliegtuig met daarin een persoon die gebruik gemaakt heeft van de naam [verdachte] , vertrok vanaf Schiphol.
Was die [verdachte] client? Is het dezelfde [verdachte] ? En als het een persoon zou zijn, reizend met dezelfde gegevens als van client, staat dan vast dat dan inderdaad cliënt op die vlucht zat?
n.
We moeten voorzichtig zijn. We hebben geen camerabeelden. Wat we wel hebben, is het gegeven dat [medeverdachte] en Broertje op zoek zijn naar een vals identiteitsbewijs. Op 3 januari 2017 te 17.33.23 uur appt Broertje met [medeverdachte] met de vraag “Heb je een fromoe id Ofzo nee he”, waarop [medeverdachte] aangeeft: “Nee mang. Maar kan kijken om wat te fixen daarvoor.”
Een gesprek dat in deze zaak niet door het OM benoemd wordt. Wel een extreem belangrijk gesprek. Een Fromoe ID is een vals identiteitsbewijs.
Heeft cliënt op de vlucht van 18 augustus 2016 gezeten? We weten het niet!
o.
Op basis hiervan valt de bewijsconstructie al in duigen.
Voor het overige ook van belang dat het onderzoeksteam aan de hand van de zendmasten aanvankelijk een heel ander persoon in het oog. Een persoon die aan de hand van die zendmasten qua woonplaats én meer aan het toestel kon worden gekoppeld. Een persoon met antecedenten. Met praten dan over [betrokkene 16] . De telefoon straalt onder meer aan bij zijn eigen woning, bij zijn ouders, bij zijn ouderlijke woning én op Schiphol als hij op reis gaat. [betrokkene 16] is iemand met antecedenten.
p.
Wat zegt het, als een toestel op Schiphol aanstraalt op het moment dat jij vertrekt? Het kan betekenen dat jij inderdaad van Schiphol vertrekt. Het kan ook betekenen dat jij door die persoon met dat toestel naar Schiphol bent gebracht. Het kan betekenen dat de persoon die het toestel gebruikt, langs Schiphol rijdt, dan wel in de omgeving van Schiphol is. Het kan zijn dat het toestel meegenomen wordt door een ander.
Het is in deze niet zo dat wij kunnen zeggen dat na de landing van de KL in Suriname, het telefoontoestel weer in de lucht ging. Dat na de landing van de KL in Suriname, er weer gesprekken met dat telefoontoestel gevoerd werden.
q.
Dus zelfs als wij ervan uit zouden willen gaan dat de gebruiker van het nummer op 18 augustus 2016 inderdaad op een vliegtuig stapte, is het maar de vraag waar die vlucht naartoe ging. Rond 11.30 vertrokken vele toestellen op die 18e augustus 2016.
Dan de profielfoto.
Er is in hoger beroep sprake van een zgn. “voortbouwend appel”. In eerste aanleg is een deskundigenrapport ingebracht; een deskundigenrapport waar terecht naar verwezen is. Je kan niet zo makkelijk stellen zoals het onderzoeksteam dat doet, dat cliënt de persoon op de profielfoto is. De herkenning van de verbalisanten wordt enorm genuanceerd.
r.
Omdat je maar een bepaald deel van het gezicht ziet én de persoon een zonnebril op zijn gezicht heeft die ogen en wenkbrauwen bedekt, kan je niet komen tot een volledig positieve herkenning. Ja, er is een, gelijkenis. Maar betekent dit dat het dezelfde persoon is? In de VS zat Richard Jones 17 jaren onterecht vast op basis van een door een dubbelganger gepleegd delict. We moeten uitkijken met “herkenningen”.
Maar zelfs als cliënt op de foto te zien zou zijn, is dat dan belastend? Behalve de persoon die op cliënt lijkt, zie je ook een rivier en een deel van een boot op de foto. Het kan ook zo zijn dat de persoon die de foto geplaatst heeft, een watersportliefhebber is en dat de,foto niet primair geplaatst is in verband met de persoon die erop staat, maar wel in verband met de omgeving van die persoon.
s.
Maar zelfs als zou concluderen dat de foto is geplaatst in verband met de persoon die erop staat, dan is het nog de vraag of je dat gegeven in deze specifieke zaak niet zelfs als een ontlastend element zou kunnen zien. De persoon die de foto geplaatst heeft, zou dan een familielid kunnen zijn. Iemand met dezelfde genen. Iemand uit de omgeving van cliënt. Vandaar ook dat je dan andere minieme aanwijzingen hebt die ook -mede- aan cliënt gekoppeld kunnen worden.
Maar zelfs als het cliënt zou zijn op die foto, wat zegt dat? Ik heb cliënten die mij appen met als profielfoto Bouterse, Scarface, Beyonce, en/of de overleden George Floyd, Tupac en Che Guevara, Taghi en anderen. Als ik zo een appje ontvang, heb ik niet het idee dat ik met Beyonce of één van de andere namen die ik noemde, aan het appen was.
Op het moment dat iemand een ander in “het zonnetje” wil zetten, bijvoorbeeld omdat hij of zij jarig is, geslaagd is voor een opleiding, dan wel gewoon omdat hij of zij blij is met zijn partner, kind, neef, dan wel buurman, kan zo iemand de foto van die persoon, al dan niet tijdelijk, op zijn profiel plaatsen. Een gebruiker van een toestel kan tenslotte ook om hele andere reden de foto van een ander op zijn profiel, plaatsen. Dat zie je mensen doen die juist hun eigen identiteit verborgen willen houden. Honderden via whatsapp opgelichte Nederlanders kunnen hierover meepraten.
t.
We moeten dus concluderen dat de foto op het profiel van [verdachte] nietszeggend is en dat onduidelijk is of [verdachte] en Broertje dezelfde persoon zijn.
Dan de vlucht vanuit Curacao naar Nederland op 11 januari 2017. De teksten “ik zie je morgen” en “Was moe 7 u geland” zouden voldoende zijn voor het vaststellen dat cliënt de persoon zou zijn die het toestel gebruikt?
u.
Broertje zou, gesprek 6-1-2017, te 18.52.48 uur, via via komen. Wat betekent dat?
Ik zou zeggen inderdaad een vlucht via Duitsland, Portugal, eventueel de VS, etc.
v.
Moet dan het gegeven dat cliënt en [medeverdachte] voor dezelfde werkgever gewerkt hebben, dan wel dat een auto die cliënt ooit in zijn bezit gehad heeft, maken dat hij ineens wel te maken heeft met de drugssmokkel? Het één staat toch totaal los van het ander? Dat je ergens werkt, wil niet zeggen dat je contact met elkaar hebt, dan wel elkaar kent. Werkten ze op dezelfde afdeling? Werkten ze daar op hetzelfde moment? Hoeveel mensen werkten daar? Zonder deze vragen te beantwoorden, kan je nimmer zeggen en stellen dat de heren elkaar kenden.
Met cliënt heb ik wat onderzoek gedaan. Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte] daar pas op 1 december 2010 in dienst is getreden. Client werkte, zoals hij dat gereconstrueerd heeft, tot en met 2009 bij Skynet.
De auto tenslotte, ging niet rechtstreeks over van cliënt op [medeverdachte] .
w.
Ook de verklaring van [medeverdachte] is niet belastend, integendeel. [verdachte] zou [betrokkene 14] zijn.
[verdachte] is [betrokkene 14] , herhaalt [medeverdachte] ((p. 250 PD [medeverdachte] ). [betrokkene 14] zou hij enkele jaren terug hebben ontmoet (p. 253). [verdachte] is dus geen collega, zoals het onderzoeksteam denkt.
Op de vorige zitting heeft [medeverdachte] (in zijn eigen zaak) uitdrukkelijk aangegeven cliënt niet te kennen en geen (app)contact met hem te hebben. Client is dus niet de “ [verdachte] ” dan wel het “Broertje” waar hij contact mee had.
Mijn standpunt is dat de verklaring van [medeverdachte] zeer ontlastend is.
Er zijn overigens nog meer interessante aspecten aan de verklaring van [medeverdachte] , en er zijn meer interessante zaken terug te vinden in de vraagstelling van de verbalisanten aan [medeverdachte] .
Zo zegt [medeverdachte] verder dat hij met zoveel personen whats-app contacten heeft (p. 250) en lijken de verbalisanten heel duidelijk ook rekening te houden dat [medeverdachte] met meerdere organisaties contact heeft (p. 252, de verbalisanten zeggen letterlijk in hun vraagstelling dat ze denken dat er meerdere koeriers, al dan niet voor meerdere organisaties, zijn aangekomen die dag).
[…]
Voor wat de naam “Broertje” betreft, geldt naast hetgeen eerder aangevoerd werd, tevens dat cliënt nergens in de politiesystemen als “Broertje” aangeduid wordt. In de politiesystemen is géén harde informatie opgenomen dat de bijnaam van cliënt “ [verdachte] ” zou zijn.
[…]
President, geacht college. Ik rond af. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van deze tenlastelegging.
aa.
10. Ter terechtzitting heeft de raadsman in aanvulling op de pleitnota nog onder meer het volgende medegedeeld, waarbij (als gezegd) de, door mij vetgedrukte, letters corresponderen met die welke door de griffier op de pleitnota zijn aangebracht:

h.Of [verdachte] , of [verdachte] , of [verdachte] . Je zou toch in ieder geval ‘ [verdachte] ’ erbij zetten? Uit het feit dat met een andere gebruikersnaam wordt geappt, moet kunnen worden afgeleid dat het kennelijk een andere persoon is.
i.Vaak zie je dat mobiele telefoons aanstralen bij zendmasten in de omgeving van de verdachten. Betreffende mijn cliënt zitten er uitdrukkelijk geen zendmastgegevens in het dossier die de telefoons plaatsen op plekken die aan mijn cliënt te koppelen zijn.
j.Er is niet geschreven over verjaardagen, over de gezondheid van de moeder van mijn cliënt, over het kinderdagverblijf of over zijn nicht [betrokkene 6] . Zulke zaken, waarmee je iemand kan koppelen aan een toestel, zie je normaal heel vaak terugkomen. Die koppeling kan in deze zaak op geen enkele manier worden gemaakt. Is er gekeken of er gebeld is met de moeder van mijn cliënt, die extreem belangrijk voor hem is? Is er gebeld met het kinderdagverblijf in Suriname? Mijn cliënt heeft namelijk gezegd dat hij daarbij betrokken is en dat hij het kinderdagverblijf eigenlijk van zijn moeder heeft overgenomen. Zijn zulke gesprekken gevoerd? Kan je aan de hand van de gegevens zien dat er met een bepaalde-frequentie met een bepaalde vriendin is gebeld? Kan je zien dat [verdachte] en Broertje op dezelfde locaties aanwezig waren? Kan je zien dat met die accounts vergelijkbare mensen werden gebeld? Dat is allemaal niet te zien. Hoezo zijn [verdachte] en Broertje dan dezelfde persoon? In bepaalde dossiers zie je de namen Langa en Rasta terugkomen, maar niet in elk dossier. Je ziet ook niet in elk dossier Driver of Organiser langskomen, de taxichauffeur van [betrokkene 3] . Ook zie je niet in elk dossier [betrokkene 3] terugkomen. Ik zeg dit, omdat het van belang is om te beseffen dat met drugssmokkel op verschillende momenten meerdere mensen los van elkaar bezig zijn en dat meerdere mensen los-vaste samenwerkingsverbanden hebben met elkaar. Het is niet zo dat iemand standaard met een andere persoon samenwerkt, of dat een persoon altijd bezig is als een andere persoon ook bezig is. Dat de gesprekken van [verdachte] en Broertje allebei over drugs lijken te gaan, betekent niet dat zij dezelfde persoon zijn.
k.Ook in de whatsappgesprekken zie je op meerdere plekken ‘broer’ staan.
l.Mijn cliënt verbleef regelmatig bij [betrokkene 6] , maar er zijn geen zendmastgegevens waaruit blijkt dat [verdachte] en/of Broertje daar waren. Ik heb contact gelegd met [betrokkene 6] . [betrokkene 6] kende een Surinaams telefoonnummer van mijn cliënt, niet zijnde een van de nummers die in het dossier naar voren komen. Ik meen dat zonder een verhoor van [betrokkene 6] , met het gegeven dat zij kennelijk heeft gebeld met het nummer van [verdachte] en het nummer van Broertje, niet is af te leiden dat mijn cliënt die nummers gebruikte. Je zou alleen kunnen zeggen dat mensen kennelijk dicht bij elkaar in de buurt zijn, dus dat mijn cliënt er dicht bij hangt.
m.Met Broertje is een gesprek gevoerd over [b-straat 1] en daarna iets wat ik zie als een typefout. Heeft de verbalisant die de gesprekken heeft overgetypt daar een fout gemaakt of heeft de persoon die het bericht verstuurde het letterlijk zo getypt? Gaat het dus wel over het adres [b-straat 1] ? Ik kan het nu niet meer toetsen, want het OM heeft die gesprekken van [verdachte] laten vernietigen, althans niet goed veilig gesteld. Je ziet staan: ‘ [b-straat 1] ’ en daaronder: ‘ [b-straat 2] vongensmih’. Ik denk dat het laatste woord verkeerd getypt is. Met een beetje fantasie is daarin te lezen ‘volgens mij [b-straat 2] ’. Met andere woorden: het gegeven dat we het nu niet meer kunnen toetsen, maakt dat ik het op deze manier meen te kunnen en mogen brengen.
n.Geen aanvulling.
o.Er is hier sprake van personen die, blijkens de whatsappgesprekken, bezig zijn met het zoeken naar valse identiteitsbewijzen. De rechtbank op Schiphol behandelt regelmatig zaken van personen die met valse identiteitsbewijzen reizen. Wat betekent dan het gegeven dat een persoon genaamd [verdachte] met die geboortedatum met het vliegtuig gereisd heeft? Je kan niet zeggen dat het mijn cliënt is geweest. Het hof kan er niet vanuit gaan dat hij op 18 augustus 2016 heeft gevlogen. De gegevens van mijn cliënt zijn wel aan die vlucht te koppelen, maar zijn persoon niet.
p.[betrokkene 16] zat op de vlucht. Niet is nader gemotiveerd waarom [betrokkene 16] is losgelaten. Er is niet gekeken naar de connecties tussen [betrokkene 16] en [medeverdachte] . [betrokkene 16] was aanvankelijk zo belangrijk voor het onderzoeksteam: eerst zou hij mogelijk [verdachte] zijn. Het OM spreekt over alternatieve scenario’s. Mijn cliënt heeft niets te schetsen, want hij weet niets. Uit het dossier blijkt een heel duidelijk alternatief, namelijk [betrokkene 16] . Die heeft de telefoon bediend waarmee de belastende gesprekken gevoerd zijn. Met fantasie is de telefoon van [verdachte] aan deze zaken te koppelen, maar in de telefoon van Broertje zie ik niets wat relevant is voor deze specifieke zaken. Volgens de verbalisanten zou [betrokkene 16] [verdachte] zijn.
q.Er is niets, bijvoorbeeld zendmastgegevens, wat de telefoon in Suriname kan plaatsen.
r.Het zou kunnen dat mijn cliënt de persoon op de foto is, maar de manier waarop dat aanvankelijk is gesteld, klopt niet. Je ziet maar een bepaald deel van het gezicht. Dan kun je zaken missen. Een zonnebril werkt hetzelfde als het balkje waarmee mensen in de krant onherkenbaar worden gemaakt.
s.Degene die de foto heeft geplaatst kan ook een natuurliefhebber zijn, een liefhebber van een rivier in Suriname of een liefhebber van speedboten. Mijn cliënt had overigens geen speedboot op zijn naam.
t.We weten dat er sprake kan zijn van identiteitsfraude. Er zijn personen die bewust een foto van een ander in hun profiel zetten om de boel op te lichten. We moeten voorzichtig zijn om aan de hand van een profielfoto te zeggen dat iemand de gebruiker is van dat profiel. Het kan zijn dat deze foto is gebruikt om een dwaalspoor te creëren. Het hof dient zich niet te laten leiden door de profielfoto en de vlucht naar Suriname.
u.Is dit voldoende om te zeggen dat mijn cliënt op die vlucht zat? Ik zag op de vluchtlijst dat mijn zusje toevallig ook op die vlucht zat, net als een andere persoon die is doodgeschoten in een parkeergarage in Amsterdam. Er zijn heel veel personen die op die vlucht zaten. Als het al gaat om die specifieke vlucht, betekent dat niet dat het mijn cliënt is geweest die geappt heeft.
v.Uit de woorden ‘via via’ blijkt mijn inziens dat het niet een rechtstreekse vlucht is geweest van Curaçao naar Nederland. Het onderzoeksteam geeft aan dat de vlucht uit Curaçao om 6.56 uur is geland. Maar hoe laat is die vlucht vertrokken? In appberichten van rond een uur of 5 staat: ‘ik vertrek zo’. Op dat moment was het op Curaçao rond een uur of 1. Toen is er geen vlucht vertrokken. Hoe beter je naar de zaak kijkt, hoe meer je moet zeggen: de verbalisanten hebben te snel bepaalde conclusies getrokken. Er zijn te veel onduidelijkheden. In mijn optiek is niets belastend aan de gesprekken en de analyse. Op de vlucht van 18 augustus 2016 naar Suriname zat nog een andere [betrokkene 17] , zo volgt uit de vluchtlijst. Misschien zat de oom van [verdachte] ook op de vlucht? Gebruikte die oom misschien de betreffende telefoon? Is hij de reden van de connectie met [betrokkene 6] en die andere nicht? Er worden te makkelijk conclusies getrokken.
w.De auto laat enkel zien dat we spreken over mensen die zich kennelijk min of meer in dezelfde kringen bewegen. Niets meer en niets minder. Het zegt niets over de betrokkenheid van mijn cliënt bij drugssmokkel.
[...]
aa.De rechtbank heeft veel waarde gehecht aan de telefoons van Broertje en [verdachte] . Deze telefoons kunnen niet aan mijn cliënt worden toegerekend. Niet kan worden gezegd dat [verdachte] en Broertje dezelfde persoon zijn en niet kan worden gezegd dat mijn cliënt [verdachte] of Broertje is. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat mijn cliënt de knoppen van de telefoon heeft bediend en dat hij de berichten heeft verzonden heeft en met [medeverdachte] heeft gesproken. Er zijn in het dossier ook andere namen genoemd. Er blijft te weinig over om de accounts aan mijn cliënt te koppelen, waardoor enkel vrijspraak kan volgen. Bij een bewezenverklaring neemt u een levensgrote kans om een onschuldige persoon te veroordelen. Er is onvoldoende zekerheid. Ik snap het gemak van het OM en de rechtbank niet om hem als dader aan te wijzen. Er zijn reële alternatieven en gigantische gaten in de bewijsvoering. Dat dient te leiden tot vrijspraak.
Met name in de zaak [betrokkene 5] kan je niet zeggen dat de persoon die geappt heeft een rol als medepleger of zelfs als medeplichtige heeft. Ik meen dat ook in de andere zaakdossiers, gezien de berichten die via whatsapp gestuurd zijn, niet gezegd kan worden dat [verdachte] een medepleger is. Het is ook maar de vraag of [verdachte] medeplichtig is. Hoe je het ook wendt of keert, mijn cliënt dient voor alle tenlastegelegde feiten te Worden vrijgesproken.”
Juridisch kader
11. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Over de keuzes die de feitenrechter daarin maakt hoeft hij in beginsel geen verantwoording af te leggen. Ook de motiveringsplicht van de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wil het ingenomen standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dan dient het duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht. [4] Is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en wijkt de rechter in zijn vonnis of arrest van dit standpunt af, dan is hij gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de aard van hetgeen aan de orde is gesteld en de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [5]
Bespreking van het middel
12. De steller van het middel noemt in haar toelichting vijf “wezenlijke onderdelen van het verweer van de verdediging” waarop het hof niet (genoegzaam) zou hebben gerespondeerd.
13. Voor zover de steller van het middel de opvatting is toegedaan dat elk van (althans een aantal van) die onderdelen een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert en het hof heeft verzuimd op elk van die (bedoelde) onderdelen dienovereenkomstig te reageren, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Er is geen sprake van dat die onderdelen elk op zichzelf een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de hier bedoelde zin zijn en zo is het ook niet ter terechtzitting door de verdediging ingestoken. De onderdelen waarop de steller van het middel heeft ingezoomd zijn de argumenten die de verdediging ten grondslag heeft gelegd aan haar uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet de gebruiker is geweest van de accountnamen [verdachte] en Broertje.
14. Het gaat de steller van het middel om de volgende vijf “onderdelen van” (dat wil zeggen argumenten in) het verweer van de verdediging:
- de profielfoto bij het account [verdachte] is niet een foto van de verdachte, dan wel de foto van de verdachte kan door een ander zijn gebruikt;
- er zijn verschillende redenen aangevoerd die leiden tot de conclusie dat het niet de verdachte, dan wel [verdachte] of Broertje is geweest die 18 augustus 2016 op de vlucht KL0713 van Schiphol naar Suriname en 11 januari 2017 op de vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam zat;
- de telefoon van [verdachte] behoort toe aan [betrokkene 16] en de telefoon van Broertje aan [betrokkene 18] ;
- noch uit het contact met [betrokkene 6] , noch uit het gesprek tussen Broertje en [medeverdachte] waarin [b-straat 1] wordt genoemd, kan worden afgeleid dat de verdachte aan de bedoelde accounts te koppelen is;
- uit niets volgt dat achter [verdachte] en Broertje dezelfde persoon schuilgaat.
15. Het hof heeft zich allereerst verenigd met de volgende vaststellingen en overwegingen van de rechtbank:
i) tussen 20 mei 2016 en 19 september 2016 is er veel contact geweest tussen de whatsapp-accounts [verdachte] en [medeverdachte] ;
ii) [verdachte] noemt [medeverdachte] vaak Broer en [medeverdachte] noemt [verdachte] geregeld Broertje;
iii) vergelijkend onderzoek van de profielfoto van [verdachte] met de foto op (kort gezegd) een aanvraagformulier voor een Nederlands reisdocument op naam van de verdachte door twee documentdeskundigen van de Koninklijke Marechaussee heeft geleid tot hun vaststelling dat het om één en dezelfde persoon gaat;
iv) [betrokkene 6] – bij wie de verdachte naar eigen zeggen vaak verblijft – heeft in de periode van 22 maart 2016 tot en met 8 mei 2017 zeven keer met het aan [verdachte] gekoppelde telefoonnummer en één keer met het aan Broertje gekoppelde telefoonnummer contact gehad;
(v) op 18 augustus 2016 heeft [verdachte] telefonisch contact vanaf Schiphol, waarbij het laatste contact om 11:22 plaatsvond;
(vi) op 18 augustus 2016 vertrekt om 11:25 uur vlucht KL0713 naar Suriname, met aan boord de verdachte;
(vii) op 8 januari 2017 spreken Broertje en [medeverdachte] via whatsapp over de [b-straat 1] te [plaats] , op welk adres de verdachte eerder ingeschreven heeft gestaan;
(viii) op 11 januari 2017 bericht Broertje aan [medeverdachte] dat hij hem morgen ziet en op 12 januari 2017 laat Broertje aan [medeverdachte] weten dat hij om 7 uur is geland;
(ix) op 12 januari 2017 is om 06:55 uur de vlucht KL0736 uit Curaçao met de verdachte aan boord op Schiphol geland;
(x) het door de verdediging ingebracht onderzoeksrapport betreffende de profielfoto van [verdachte] alsmede de foto op het genoemde aanvraagformulier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat deze twee personen niet dezelfde kunnen zijn;
(xi) de stelling dat de gebruiker van het whatsapp account [verdachte] daaraan een profielfoto van iemand anders dan zichzelf heeft gekoppeld, is onder de genoemde omstandigheden niet aannemelijk;
(xii) de verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen terwijl de hierboven genoemde bevindingen om een verklaring schreeuwen.
16. Het hof heeft aan die opsomming het volgende toegevoegd:
(xiii) [verdachte] en Broertje hebben volgtijdelijk zeer veel contact met medeverdachte [medeverdachte] , [verdachte] en Broertje spreken [medeverdachte] op dezelfde wijze aan (Broer en [medeverdachte] ), terwijl medeverdachte [medeverdachte] omgekeerd de gebruikers op ‘dezelfde’ wijze aanspreekt (Broertje);
(xiv) ook hebben de aan [verdachte] en Broertje gekoppelde telefoonnummers volgtijdig contact met [betrokkene 6] en hebben beide nummers contact met vijf overeenkomstige telefoonnummers;
(xv) tussen 17 augustus 2016 en 19 augustus 2016 hebben [verdachte] en [medeverdachte] berichten aan elkaar gestuurd die betrekking hebben op a. een vertrek van [verdachte] en de aankomst van [verdachte] , b. de te bezoeken personen en c. de uitwisseling van een Surinaams telefoonnummer;
(xv) wat betreft de vlucht KL0713 op 18 augustus 2016 naar Suriname en de vlucht KL0736 op 12 januari 2017 uit Curaçao komt enkel de naam van de verdachte op beide passagierslijsten voor.
17. Het hof is met (bevestiging van) het voorgaande – (i) tot en met (xv), ook in onderlinge samenhang beschouwd – ruimschoots op het onderhavige uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ingegaan en heeft daarmee in het bijzonder de redenen opgegeven die tot de verwerping van dat standpunt hebben geleid. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de onderdelen (argumenten) waarop de steller van het middel ziet, deels speculatief zijn en/of zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor de beoordeling waarvan in de cassatieprocedure geen ruimte is. De gevolgtrekkingen van het hof dat 1. de verdachte de gebruiker was van de genoemde telefoonnummers/accounts, 2. hij [verdachte] en Broertje is en 3. hij op de genoemde KLM-vluchten zat, kunnen zonder meer uit het tot het bewijs gebezigde bewijsmateriaal (o.m. het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2017) worden afgeleid. Derhalve is ook de tweede in het middel vervatte klacht ongegrond.
18. Het middel faalt in beide onderdelen.

III.Het tweede middel en de bespreking daarvan (medeplegen)

Middel

19. Het tweede middel komt met twee klachten op tegen de bewezenverklaring van medeplegen. Meer in het bijzonder zou 1) het hof niet de wettige bewijsmiddelen hebben genoemd waaraan het de in de bewijsoverweging genoemde feiten en omstandigheden heeft ontleend die redengevend zijn voor de bewezenverklaring van medeplegen en 2) het oordeel dat sprake is van medeplegen en/of het meermalen plegen van het feit niet genoegzaam uit de bewijsvoering kunnen volgen.
Bewijsvoering met betrekking tot het medeplegen
20. Het door het hof bevestigde promis-vonnis van de rechtbank bevat, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, de volgende bewijsoverwegingen (hier met weglating van de voetnoten):
“3.2. Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
Zaaksdossier C1
Op 4 september 2016 is [betrokkene 1] met een aantal familieleden, waaronder [betrokkene 2] , vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Tijdens een douanecontrole werden in een op haar naam staande witte koffer van het merk Princess-meerdere zakjes bonbons aangetroffen. Na het openen van één van de zakjes werd een bonbon doormidden gesneden, waarbij een witte substantie werd waargenomen. Bij het testen van deze witte substantie met een MMC-cocaïnetest trad een positief resultaat op. In de zwart/witte koffer van het merk Atlantica werden vervolgens pakjes met koekjes en een apart pakket aangetroffen. Bij deze controle gaf [betrokkene 1] ongevraagd aan dat zij naast haar eigen witte Princess koffer twee koffers van de bagageband heeft afgehaald die niet op haar naam stonden, namelijk de zwart/witte koffer van het merk Atlantica en een zwarte koffer van het merk Samsonite. Voordat de twee koffers van haar kleindochter, [betrokkene 2] , aan een controle werden onderworpen werd [betrokkene 2] emotioneel en zei: "
Oma heeft mij gevraagd of ik chocolaatjes voor haar wilde meenemen omdat haar eigen koffers te vol zaten. Ik heb meerdere spulletjes van haar gekregen en in mijn beide koffers gestopt. De blauwe staat op naam van mijn zoontje.” In beide koffers van [betrokkene 2] , een paarse en een blauwe, werden meerdere pakketjes etenswaren aangetroffen met daarin een witkleurig substantie. Bij het testen van de witte substantie met een MMC-cocaïnetest trad een positief resultaat op. In de koffer van het merk Samsonite werden plastic zakken aangetroffen met daarin etenswaren.
Het nettogewicht van de in de koffer van het merk Princes op naam van [betrokkene 1] aangetroffen -9- pakketten bevindende witte stof bedroeg 3.422,5 gram. Representatieve monsters van de witte stof in deze pakketten zijn ter analyse verzonden naar het Douane Laboratorium in Amsterdam. Uit onderzoek van dit laboratorium is gebleken dat dit opgestuurde onderzoeksmateriaal telkens cocaïne bevat.
Het nettogewicht van de in de blauwe en paarse koffers op naam van [betrokkene 1] aangetroffen -8- pakketten bevindende witte stof bedroeg 3.209,5 gram. Representatieve monsters van de witte stof in deze pakketten zijn ter analyse verzonden naar het Douane Laboratorium in Amsterdam. Uit onderzoek van dit laboratorium is gebleken dat het opgestuurde onderzoeksmateriaal telkens cocaïne bevat.
Tijdens de aanhouding van [medeverdachte] d.d. 19 september 2016 werd een Samsung mobieIe telefoon aangetroffen. Uit de analyse van de gesprekken in de telefoon is naar voren gekomen dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 3 september 2016 tot en met 6 september 2016 via de Whatsapp regelmatig contact met elkaar hebben, waarin onder meer wordt gesproken over foto’s. Deze whats-app gesprekken verliepen als volgt:
Datum, Tijd (UTC+2)
Soort
Wederpartij
Inhoud
03-09-2016 17:41:35 t/m 17:41:40
ontvangen
[verdachte]
“Morgen broer” “Stuur foto’s”
03-09-2016 17:43:36 t/m 17:45:22
ontvangen
[verdachte]
“Ok” “Is goed. Voor jou altijd.”
03-09-2016 17:45:55 t/m 17:46:03
verzonden
[verdachte]
“ [betrokkene 8] gaat ook gaan d” “Ge” “Geel”
03-09-2016 17:46:28 t/m 17:46:36
verzonden
[verdachte]
“Ok geen probleem.” “Dan zie ik hem daar”
03-09-2016 17:46:36
ontvangen
[verdachte]
“Daarna moet hij je die dingen geven”
03-09-2016 17:49:56
verzonden
[verdachte]
“Ok. Broertje”
03-09-2016 22:50:51 t/m 22:51:11
ontvangen
[verdachte]
“Broer” “Heb foto’s” “Zo” “ [betrokkene 7] ” “Zal je kijke” “Gaat laat weg” “Toch geel”
03-09-2016 22:51:18
verzonden
[verdachte]
“Ok geen probleem”
03-09-2016 22:51:26 t/m 22:51:31
ontvangen
[verdachte]
“Oké jij check” “Tijd wel toch”
03-09-2016 22:51:37 t/m 22:52:14
verzonden
[verdachte]
“Stuur ze wanneer je t heb” “Ja heb al gekeken” “Maar check [betrokkene 7] weer” “Alleen kijken toch”
03-09-2016 22:52:26 t/m 22:52:34
ontvangen
[verdachte]
“Ai daar petten” “Je hoort waar”
03-09-2016 22:52:46
verzonden
[verdachte]
“Ok”
04-09-2016
Datum, Tijd (UTC+2)
Soort
Wederpartij
Inhoud
04-09-2016 6:07:39 t/m 6:28:33
verzonden
[verdachte]
“Ok seti” “Waar moet ik ze petten.”
04-09-2016 13:44:57 t/m 13:45:08
ontvangen
[verdachte]
“ [betrokkene 8] overleggen” “Hij weet” “Hoelaat” “Komt het”
04-09-2016 13:45:23 t/m 13:46:18
verzonden
[verdachte]
“Is er al” “ [betrokkene 8] weet niets” “Hij zou zelf niet hier komen” “Ik heb hem
04-09-2016 13:46:41 t/m 13:47:20
ontvangen
[verdachte]
“Doe brada zou zeker laatste moment” “Bellen” “Kijk dat ze bijde dingen bij ze hebben hoor”
04-09-2016 13:47:43 t/m 13:48:08
verzonden
[verdachte]
“Ok” “Oma heeft geen begeleiding toch?”
04-09-2016 13:49:06 t/m 13:49:17
ontvangen
[verdachte]
“No niet dat ik weet” “Waarom”
04-09-2016 13:50:14 t/m 13:59:54
verzonden
[verdachte]
“Ok” “Bijna leeg hier hoor”
04-09-2016 14:03:47 t/m 14:03:51
ontvangen
[verdachte]
“Dus nog niets” “is wel lang man”
04-09-2016 14:06:56
verzonden
[verdachte]
“Jaa”
04-09-2016 14:07:06 t/m 14:07:13
ontvangen
[verdachte]
“Maar zijn in grote” “Ploeg” “Dus niemand komt”
04-09-2016 14:14:22 t/m 14:14:34
verzonden
[verdachte]
“Er komen geen mensen uit su meer” “Moet ik nog ff wachten”
04-09-2016 14:15:58 t/m 14:16:12
ontvangen
[verdachte]
“Sang” Wat is dit man” “Maar was ie optiid no”
04-09-2016 14:16:29
verzonden
[verdachte]
“Ja ik was op tijd”
04-09-2016 14:17:28
ontvangen
[verdachte]
“Dus niemand meer komt”
04-09-2016 14:19:07
verzonden
[verdachte]
“Nee man”
04-09-2016 14:20:29 t/m 14:31:07
ontvangen
[verdachte]
“Ze waren7 persoon zo” “Heel raar” “Broer”
04-09-2016 14:32:10 t/m 14:32:15
verzonden
[verdachte]
“Nee man heb geen enkele ploeg gezien” “Ai heel raar”
04-09-2016 14:33:22 t/m 14:33:28
ontvangen
[verdachte]
“Maar nupas zegt hij me ook hou niet van ploeg” “Dalijk 1 verpest alels”
04-09-2016 14:34:06
verzonden
[verdachte]
“Ok”
04-09-2016 14:34:14
uitgaand
[verdachte]
Outgoing call
04-09-2016 20:52:06
verzonden
[verdachte]
“Broertje”
In voornoemde telefoon zijn tevens afbeeldingen aangetroffen van etenswaren, gelijkend op de etenswaren die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bij zich hadden.
Ook zijn foto’s aangetroffen waarop dezelfde koffers te zien zijn waarin de verdovende middelen zijn gevonden die verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met zich voerden, alsmede foto’s waarop [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te zien zijn. Zij droegen op deze foto’s dezelfde kleding als op het moment dat ze zijn aangehouden. Op 4 september 2016 tussen 5:22:51 en 5:23:33 uur ontving [medeverdachte] van [verdachte] op de whatsapp deze 5 foto’s van deze koffers en verdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Zaaksdossier C2
Op 18 september 2016 om 09.30 uur werd [betrokkene 3] , komende van vlucht KL0714 vanuit Paramaribo (Suriname) op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aangehouden. In haar grijze koffer van het merk Monsca was een zakje ‘noodles’ opgeborgen en na controle werd daarin een pakket aangetroffen met daarin een witte substantie die een sterk chemische lucht afgaf. Bij het testen van de witte substantie uit dit pakket met een MMC-testset trad een positieve kleurreactie op, zodat het vermoeden ontstond dat het cocaïne zou kunnen zijn.
Uiteindelijk werden in de koffer 14 pakketten verpakt in zakjes etenswaar aangetroffen met daarin een witte stof die qua kleur en samenstelling leek op cocaïne. Het nettogewicht van de in de pakketten bevindende witte stof bedroeg 6.903,1 gram. Veertien monsters van de witte stof in deze pakketten zijn ter analyse verzonden naar het Douane Laboratorium in Amsterdam. Uit onderzoek aldaar is gebleken dat het opgestuurde onderzoeksmateriaal telkens cocaïne bevatte. Getuige [betrokkene 2] heeft voorts verklaard dat [betrokkene 3] en haar oma bewust bezig waren met de smokkel van verdovende middelen.
Op camerabeelden is gezien dat [medeverdachte] op 18 september 2016 om 07.48 uur over Plaza Shopping Center Schiphol loopt in de richting van de informatiebalie van Aankomsthal 3. Vervolgens is te zien dat [medeverdachte] in Aankomsthal 4 loopt en positie inneemt achter het aldaar gesitueerde dranghekje bij de schuifdeuren. [medeverdachte] houdt zich vervolgens steeds enkele minuten op op verschillende locaties nabij de schuifdeuren in Aankomsthal 4.
Om 09:34 uur is te zien dat [medeverdachte] wederom positie inneemt ter hoogte van het dranghek voor de uitgang van Aankomsthal 4. Uit Whatsapp-chatgesprekken van de onder [medeverdachte] in beslaggenomen mobiele telefoon, betreffende de Samsung Note 2, telefoonnummer [telefoonnummer 4] , met als contact naam [medeverdachte] , is gebleken dat [medeverdachte] een chatgesprek had met contact [verdachte] en contact [betrokkene 9] . [medeverdachte] heeft van [verdachte] , via een chatgesprek, een foto alsmede een filmpje ontvangen waarop [betrokkene 3] te zien is op de dag van haar aanhouding. Dat dit beeldmateriaal is gemaakt op 18 september 2016 blijkt uit het feit dat zij op dat moment werd begeleid door een collega in burger, die zowel op de foto als op het filmpje staat afgebeeld. Dezelfde foto alsmede het filmpje heeft [medeverdachte] op zijn beurt via een chatgesprek gedeeld met zijn contact [betrokkene 9] . In het chatgesprek met [betrokkene 9] werd het volgende gezegd door contact [betrokkene 9] tegen [medeverdachte] ; “Het heeft echt wreed een haartje gescheeld” en “Je was echt heeeel dichtbij”. [medeverdachte] stelt tevens in dit chatgesprek dat degene die het filmpje gemaakt heeft, recht achter hem stond.
Om 09:38:11 uur is op de beelden te zien dat een verbalisant van het Drugs Team Schiphol van de KMar in burger de aangehouden [betrokkene 3] voortduwt in een rolstoel. Op dat moment brengt de man met de rastaharen zijn hand omhoog. [medeverdachte] staat op dat moment enkele meters voor de man met de rastaharen. Voornoemde verbalisant in burger slaat rechts af in de richting van de spandoekenautomaat in Aankomsthal 4. De man met de rastaharen richt op dat zelfde moment zijn hand op [betrokkene 3] en beweegt zijn arm mee in de richting van de collega in burger en [betrokkene 3] tijdens hun verplaatsing door Aankomsthal 4.
De foto en het filmpje, aangetroffen op de mobiele telefoon van [medeverdachte] , zijn genomen vanuit dezelfde hoek als de locatie waar de man met de rastaharen zich ophield op het moment dat de verbalisant in burger en [betrokkene 3] in Aankomsthal 4 arriveren. [medeverdachte] geeft tijdens zijn chatgesprek met contact [betrokkene 9] aan dat degene die het filmpje heeft gemaakt recht achter hem stond.
Op de camerabeelden is te zien dat de man met de rastaharen op dat moment enkele meters achter [medeverdachte] stond.
Op de snapshot van het filmpje is exact dezelfde pilaar te zien waar de man met de rastaharen tegenaan geleund stond. Nadat [betrokkene 3] is afgevoerd, verlaten [medeverdachte] en de man met de rastaharen, separaat van elkaar de luchthaven via dezelfde route als ze gekomen zijn.
In de chatsessie in de periode van 18 september 2016 tot en met 19 september 2016 tussen [verdachte] en [medeverdachte] worden op 18 september 2016 de volgende berichten, vlak na de aankomst van [betrokkene 3] uit Suriname op Schiphol, gestuurd:
Van [medeverdachte] aan [verdachte] :
09:39 uur: “Oma is er”
Van [verdachte] aan [medeverdachte] :
09:46 uur: “Oke top”
09:56 uur: “pet oma thuis pak alles behalve kleren”
“kijk goed”
“paar zijn “los”
09:57 uur: “later krijgt ze der pap”
“Of pak hele kof weg”
Op 18 september 2016 om 12:08 uur stuurt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Ik ben hier bij oma. Ze zeggen dat borgoe oma heeft genomen hoor.”
Om 22:06 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte] :
“Is pijnlijk”
“Was zo blij”
“Toen je me zij ze is er”
Hierop antwoordt [medeverdachte] aan [verdachte] : “Broer ik voel t ook. Toen ik daar was en ik hoorde dat oma gepakt was, ik heb bijna gehuild. Dan zeg ik je veel.”
In de telefoon van [medeverdachte] is tevens een foto van een notitie aangetroffen met daarop een naam, telefoonnummer en een adres geschreven. De naam die onder andere op deze notitie staat weergegeven is de naam [betrokkene 3] , welke overeenkomt met de naam van [betrokkene 3] . Ook het telefoonnummer [telefoonnummer 5] , aangetroffen bij [betrokkene 3] tijdens haar aanhouding, komt overeen met het telefoonnummer dat op de notitie staat weergegeven. Het adres op de notitie, [c-straat 1] , [postcode] te [plaats] is het adres waar [betrokkene 3] staat ingeschreven bij de gemeentelijke basis administratie.
Daarnaast is in de telefoon een foto aangetroffen waarop onder meer een tweetal periodes staan weergegeven, alsmede onder meer “vorige ticket 700” en “handgeld 500”.
Deze reisperiodes komen overeen met de data waarop [betrokkene 3] vanuit Amsterdam naar Paramaribo en vanuit Paramaribo naar Amsterdam is gereisd, namelijk 23 augustus 2016 en 17 september 2016.
Het communicatienummer + [telefoonnummer 5] , in gebruik bij [betrokkene 3] , heeft in de periode van 6 augustus 2016 tot en met 29 augustus 2016 88 keer contact gehad met het communicatienummer + [telefoonnummer 6] in gebruik bij [medeverdachte] . Ook het nummer + [telefoonnummer 7] , in gebruik bij [betrokkene 3] , heeft in de periode 25 augustus 2016 tot en met 29 augustus 2016 20 keer contact gehad met het nummer + [telefoonnummer 6] in gebruik bij [medeverdachte] .
Zaaksdossier C3
Op 19 september 2016 ontving Douane Schiphol Passagiers op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer een MMA-melding dat er op de binnenkomende vlucht van Surinam Airways met vluchtnummer PY 994 twee koffers aanwezig zijn met vermoedelijk verdovende middelen. Het zou mogelijk gaan om handbagage die als bagage was ingecheckt, zogenaamde “limited release bagage”. De limited release bagage werd gelost op bagageband 19A in bagagekelder West van terminal 3. Rijkspeurhond [hond] vertoonde verhoogde interesse in een zwart gestreepte rolkoffer, hetgeen zou kunnen inhouden dat er verdovende middelen in de koffer aanwezig zijn. Aan de koffer bevond zich een bagagelabel op naam gesteld van [betrokkene 10] . In de koffer werden diverse zakken met etenswaren aangetroffen, die massief aanvoelden. Vervolgens is met een fretboortje een opening gemaakt in een pakket met gedroogde vis. Bij het terugtrekken van het boortje bleef een witte substantie achter waarna het pakket werd geopend. Onder een laag visstukjes werd een crèmekleurig pakket aangetroffen. Hierop is besloten om de pakketten met vermoedelijk verdovende middelen te vervangen door drie zogenaamde neppakketten en een pak printpapier. De koffer werd vervolgens op bagageband 19A geplaatst om de bij de koffer behorende passagier te kunnen onderkennen. Nadat de zwart gestreepte rolkoffer op bagageband 19 was verschenen, werd deze er vanaf gehaald door een manspersoon met rastaharen die later [betrokkene 4] blijkt te zijn. [betrokkene 4] plaatste de zwart gestreepte rolkoffer op een bagagetrolley waarop reeds een zwarte rolkoffer en een bruine handtas lagen, waarna hij zich richting de uitgang begaf en zijn weg vervolgde in aankomsthal 4 in de richting van de Hema, waar hij contact maakte met een onbekende man die later [medeverdachte] blijkt te zijn. [betrokkene 4] en [medeverdachte] begaven zich tezamen, met de bagagetrolley en de zwart gestreepte rolkoffer, naar parkeergarage P1. Aldaar werden zij beiden aangehouden.
Uit de beschikbare camerabeelden van de Camera Toezicht Ruimte van de KMar blijkt dat Eseajas op 19 september 2016 om 12:34 uur met zijn bruine handtas vanaf aankomst 4 richting bagageband 19 loopt. Om 12:35 uur loopt hij bij het gedeelte waar de honderdprocentcontrole plaatsvindt bij bagageband 19. Op de door [betrokkene 4] meegevoerde bagagekar ligt zijn bruine handtas. Om 13:03 uur staat [betrokkene 4] bij bagageband 19 in afwachting van zijn ruimbagage. Om 13:10 uur haalt [betrokkene 4] zijn eigen zwarte rolkoffer van de band. Om 13:33 uur verschijnt de zwart gestreepte rolkoffer op de bagageband. Medewerkers van de KMar zien dat [betrokkene 4] de zwart gestreepte koffer van de band haalt. Om 13:40 uur is te zien dat [betrokkene 4] de douanecontrole middels de X-ray scan ondergaat en de zwarte koffer, de zwart gestreepte koffer en zijn bruine handtas op de band plaatst, waarna hij om 13:41 uur de douanecontrole passeert en zich in de richting van de uitgang begeeft. Om 13:42 uur verlaat hij de reclaimhal richting Schiphol Plaza, bij aankomsthal 4 en loopt in de richting van de Hema. Om 13:43 uur maakt [betrokkene 4] contact met [medeverdachte] en groet hij hem door middel van een vuist tegen vuist begroeting. [betrokkene 4] heeft een mobiele telefoon in zijn hand en toont iets daarop aan [medeverdachte] . Vervolgens is te zien dat [betrokkene 4] en [medeverdachte] om 13:44 uur gezamenlijk richting Schiphol Plaza Shopping Center lopen. In de zwart gestreepte rolkoffer die door [betrokkene 4] van de bagageband is gehaald, werden zes (6) pakketten/zakken aangetroffen met daarin een witte stof. Het totale nettogewicht daarvan bedroeg 4.911,2 gram. Hiervan zijn 22 representatieve monsters genomen. Door het Douanelaboratorium is het materiaal onderzocht en is vastgesteld dat het materiaal van alle bovenvermelde nummers cocaïne bevatte.
In de onder [medeverdachte] in beslag genomen telefoon van het merk Samsung worden onder meer whatsapp-gesprekken aangetroffen daterend uit de periode van 20 mei 2016 tot 19 september 2016 tussen “ [verdachte] ” en “ [medeverdachte] ”.
Onder meer werd op 5 september 2016 het volgende gesprek gevoerd:
05-09-2016
Datum, Tijd (UTC+2)
05-09-2016 14:26:07
verzonden
[verdachte]
“Broertje ik weet dat je strest. Maar laat ff weten als woensdag door gaat. Want als t niet door gaat ga ik gewoon werken.”
05-09-2016 14:31:49
ontvangen
[verdachte]
“Gaat door broer!”
05-09-2016 14:32:31
Verzonden
[verdachte]
“Ok”
05-09-2016 16:35:58
uitgaand
[verdachte]
Outgoing call
05-09-2016 18:34:56
ontvangen
[verdachte]
“Oom hes als je pet zeg je [betrokkene 11] ” “Hoe gaat het jongen” “Long time” “Heeft rasta later krijg ie alles” “Blouwe meer hoor”
05-09-2016 19:14:39
verzonden
[verdachte]
“Ok broertje”
Voorts werden op 7 september 2016 door [verdachte] aan [medeverdachte] afbeeldingen verstuurd van een persoon gelijkend op [betrokkene 4] . Eén van deze afbeeldingen is ter vergelijking aangeboden aan het gespecialiseerde bureau van de KMar, te weten de Sectie Identiteit- en Documentenonderzoek. Twee verbalisanten die tevens documentdeskundigen zijn, concluderen op basis van de onderlinge vergelijking van twee verschillende afdrukken van gelaatsfoto’s, te weten de afdruk van de foto die is aangetroffen in de mobiele telefoon van [medeverdachte] en de afdruk van de foto die is opgeslagen in de Strafrecht Keten Databank van [betrokkene 4] , dat de personen die staan afgebeeld op deze twee afdrukken, in werkelijkheid één en dezelfde persoon is.
In de whatsapp gesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] zijn in de periode van 18 september 2016 tot en met 19 september 2016 de volgende gesprekken in de telefoon van [medeverdachte] aangetroffen:
18-9-2016 om 23:00:48 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Morgen komt goed.
18-9-2016 om 23:00:55 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Is Rasta toch
18-9-2016 om 23:52:50 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Ai
18-9-2016 om 23:52:58 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Ken je hem zeker
18-9-2016 om 23:52:59 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Broer
19-9-2016 om 00:52:49 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Jaaaa
19-9-2016 om 00:55:39 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Wil je ook geen foto
19-9-2016 om 00:55:42 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Is geel he
19-9-2016 om 00:58:05 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Nee geen foto
19-9-2016 om 00:58:12 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Is rasta toch?
19-9-2016 om 00:58:17 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Oke
19-9-2016 om 00:58:19 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik wert wie t is
19-9-2016 om 00:58:35 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Waar heb je hem gezien dan
19-9-2016 om 01:04:39 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Je had al fotos gestuurd
19-9-2016 om 01:04:52 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Toen het niet meer doorging
19-9-2016 om 01:05:01 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Komt goed broertje
19-9-2016 om 01:58:49 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Broetje er is vandaag feest op school. Ze zijn bang voor een aanslag en daarom lezen ze alle apps en fotos van een ieder. Stuur die fotos van rasta voor niemand. Neem geen kans
19-9-2016 om 01:59:46 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik belde je maar je neemt niet op. [betrokkene 12] weet t ook. Ik regel t wel. Komt goed.
19-9-2016 om 13:45:35 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : We gaan weg
19-9-2016 om 13:45:43 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Oke
19-9-2016 om 13:45:52 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik spreek je O
19-9-2016 om 13:46:03 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Regel die campanile cvoor hem
19-9-2016 om 13:46:07 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Even voor 2 dgn
19-9-2016 om 13:46:18 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Hotel bijlmer
19-9-2016 om 13:46:20 uur: [verdachte] naar [medeverdachte] : Goedkope
19-9-2016 om 13:46:40 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Verder regel ik ai kost 60 eu ofzo een dag
19-9-2016 om 14:08:47 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Lees no oom hes de rest regel ik dat hij direct een plek heeft nu.
Uit onderzoek is gebleken dat op 19 september 2016 geen sprake was van een eventuele aanslag op een school. [medeverdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 4] aanvankelijk op een andere dag zou komen en dat om die reden de foto’s al aan hem verstuurd waren.
Zaaksdossier C4
Op 26 juli 2016 is [betrokkene 5] vanuit Suriname aangekomen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en is zijn bagage aan een douane controle onderworpen. In de koffer van [betrokkene 5] werd vervolgens een zak met etenswaar aangetroffen. Uit de zak werd een zogenaamde bonbon gehaald en open gemaakt. In de bonbon bevond zich een witte substantie, welke stof is getest door middel van een MMC cocaïne test, welke aangaf dat de stof vermoedelijk cocaïne bevatte. In totaal werd er 5.081,8 gram van de witte stof aangetroffen in de bagage van [betrokkene 5] . Monsters van de aangetroffen stof zijn voor nader onderzoek verzonden naar het Douanelaboratorium. Aldaar werd vastgesteld dat het materiaal cocaïne bevatte.
[betrokkene 5] heeft verklaard dat hij voor het drugstransport is benaderd door [medeverdachte] . Als hem vervolgens een foto van [medeverdachte] wordt getoond, bevestigt hij dat die persoon [medeverdachte] is. Volgens [betrokkene 5] heeft [medeverdachte] hem een aantal keer benaderd om drugs te gaan smokkelen en heeft hij daar uiteindelijk mee ingestemd. De volgende dag heeft [medeverdachte] hem opgehaald en zijn zij een paspoort voor [betrokkene 5] gaan aanvragen. [medeverdachte] heeft de koffer van [betrokkene 5] de dag voor vertrek opgehaald. [medeverdachte] heeft zijn paspoort en ticket gehouden voor vertrek. Op de dag van vertrek naar Suriname is er een foto van hem gemaakt en is hij onder meer samen met [medeverdachte] naar Schiphol gereden. Van [medeverdachte] kreeg hij die dag zijn ticket, paspoort en handgeld.
In de onder [medeverdachte] in beslag genomen telefoon van het merk Samsung GT-N7100 is onder andere een afbeelding aangetroffen van een afhaalbewijs van een spoedaanvraag paspoort op naam van [betrokkene 5] . Dit bestand is vastgelegd op 22 juni 2016 om 16:26 uur. Op de aan voornoemd afhaalbewijs bevestigde kwitantie is te zien dat deze is afgegeven op 22 juni 2016 te 12:57 uur. Op de dag dat het paspoort van [betrokkene 5] werd aangevraagd en betaald (22 juni 2016, 12.57 uur) straalt het telefoonnummer van [medeverdachte] in de periode 11.39.52 tot 14.39.43 uur vier keer een zendmast aan op de locatie Osdorpplein , de locatie van afgifte loket Nieuw-West waar het paspoort van [betrokkene 5] is afgegeven.
Daarnaast zijn in de telefoon afbeeldingen van paspoort foto’s van een persoon gelijkend op [betrokkene 5] , van een personaliapagina afkomstig van een verlopen en onbruikbaar gemaakt nationaal Nederlands paspoort op naam van [betrokkene 5] en afbeeldingen van foto’s van een onbruikbaar gemaakt visum op naam van [betrokkene 5] aangetroffen.
Tevens is er een afbeelding opgeslagen van ticketgegevens, waarvan de reisdata overeen komen met de oorspronkelijke reis data van [betrokkene 5] , namelijk vertrek datum 2 juli 2016 en terugreis datum 23 juli 2016. [betrokkene 5] heeft zijn verblijf vervolgens met twee dagen verlengd en is op 25 juli 2016 vanuit Suriname naar Nederland vertrokken. Daarbij is de afkorting KL te zien.
Daarnaast is er een afbeelding aangetroffen waarop een persoon staat afgebeeld gelijkend op [betrokkene 5] , welke afbeelding er één is van een reeks van foto’s die werden vastgelegd op zaterdag 2 juli 2016. Op de voornoemde foto is een gedeelte te zien van een straatnaambord, waarop de tekst ‘ [d-straat] ’ te lezen valt. Na het raadplegen van het stratenboek van de gemeente [plaats] werd een straatnaam genaamd [d-straat] gevonden. Uit onderzoek in voornoemde straat blijkt dat daar een flatgebouw staat, welke onder meer is voorzien van een toegangsdeur van vermoedelijke kelderboxen. Vastgesteld is dat de toegangsdeur, de glazen raampjes die naast de toegangsdeur aanwezig zijn en het straatnaambord met daarop de [d-straat] , exact overeenkomen met de achtergrond van de foto waarop een persoon gelijkend op [betrokkene 5] stond afgebeeld. Vastgesteld is dat op [d-straat 1] [betrokkene 13] staat ingeschreven. [medeverdachte] is op 19 september 2016 naar de luchthaven Schiphol gekomen met een voertuig, merk Opel, type Corsa, voorzien van het kenteken [kenteken] , dat op naam is gesteld van [betrokkene 13] voornoemd. [medeverdachte] heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat het de Opel Corsa van zijn vriendin is. Verder zijn er afbeeldingen aangetroffen van het nieuwe paspoort van [betrokkene 5] waarop tevens zijn in- en uitreis data te zien zijn, namelijk 2 juli 2016 en 25 juli 2016 (oorspronkelijk 23 juli 2016).
Uit analyse van de zendmastgegevens blijkt tevens dat het telefoonnummer 06-86141716, in gebruik bij [medeverdachte] , op 2 juli 2016, de dag dat [betrokkene 5] is vertrokken naar Suriname, om 08:22:17 een zendmast heeft aangestraald op de locatie Osdorpplein 408 tot en met 46. Voornoemde zendmast ligt hemelsbreed ongeveer 290 meter af van het adres [d-straat] te [plaats] . Dit adres is ook de locatie waar de afbeelding van [betrokkene 5] is gemaakt, die op 02 juli 2016 te 09:31:54 uur is vastgelegd in de telefoon van [medeverdachte] .
Vervolgens is waar te nemen dat op 02 juli 2016 te 09:53:59 uur het telefoonnummer [telefoonnummer 8] , in gebruik bij [medeverdachte] , een zendmast op de locatie Schiphol aanstraalt.
In de onder [medeverdachte] in beslag genomen Samsung GT-N7100 werden in de periode van 26 juli 2017 tot en met 27 juli 2017 tussen [medeverdachte] en [verdachte] de volgende chatgesprekken aangetroffen:
26-7-2016 om 10:01:24 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : He
26-7-2016 om 10:19:16 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik heb nog hoop broertje
26-7-2016 om 10:19:40 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik ben er nog
26-7-2016 om 10:20:08 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Ok
26-7-2016 om 11:30:12 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik ben weg hoor broertje. Hoofdpijn denk ik hoor.
26-7-2016 om 11:45:52 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Stress
26-7-2016 om 11:45:55 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Man
26-7-2016 om 11:51:23 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Jaaa echt
26-7-2016 om 14:31:38 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Broertje. Ik heb nog niets gehoord hoor.
26-7-2016 om 14:49:25 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Sang
26-7-2016 om 14:50:49 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Kan nog steeds niet opstaan.
26-7-2016 om 14:51:13 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Broer ik ben helemaal kapot
26-7-2016 om 14:53:02 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Ja man zeg je man ziet goed uit alles
26-7-2016 om 14:53:14 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Andere mensen rasta
26-7-2016 om 14:53:22 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : En voelde zich lekker
26-7-2016 om 14:54:48 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ja ik heb t idee dat die emmer veilig is. Hij gaat ons bellen om t op te halen.
26-7-2016 om 14:54:59 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Iets klopt niet broetje
26-7-2016 om 19:15:53 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Fa niets
Het woord “Fa” wordt in de Surinaamse taal gebruikt om te vragen hoe het gaat.
26-7-2016 om 19:16:15 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Nee man broertje
26-7-2016 om 19:16:33 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : [betrokkene 19] gaat morgen voor me kijken wat er mis is
26-7-2016 om 19:17:10 uur [medeverdachte] naar [verdachte] : Ik heb alleen maar hoofdpijn. Ik ga douchen en slapen.
26-7-2016 om 19:17:15 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Ja mane
27-7-2016 om 12:27:20 uur [verdachte] naar [medeverdachte] : Fawaka
“Fawaka” is een Surinaamse woord dat in de Nederlandse taal betekent: “Hoe gaat het”.
Het telefoonnummer van [medeverdachte] straalt op 26 juli 2016 drie keer, namelijk om 09:20 uur, 09:24 uur en om 10:01 uur een telefoonpaal op Schiphol aan. Vlak voor en vlak na de aanhouding van [betrokkene 5] om 09:25 uur heeft het telefoonnummer van [medeverdachte] contact met een telefoonnummer. Ook het telefoonnummer van [betrokkene 5] heeft onder andere vlak voor diens aanhouding contact met ditzelfde telefoonnummer.
3.3.
Bewijsoverwegingen
Whatsapp-gesprekken
De rechtbank overweegt dat zij (meestal) niet zonder meer kan aannemen dat de whatsapp-gesprekken over bepaalde strafbare gedragingen gaan, als de verdachte dat ontkent of zich op zijn zwijgrecht beroept en anderen daarover niet rechtstreeks belastend verklaren. Als gelet op de daarin gebruikte woorden de betekenis van die gesprekken niet zonder meer duidelijk is, moet de rechter voorzichtig zijn bij het interpreteren daarvan. Die voorzichtigheid brengt mee dat moet worden onderzocht of die gesprekken in een met het oog op de bewijslevering betekenisvolle samenhang kunnen worden geplaatst. Dat houdt in dat wordt gekeken naar de inhoud en chronologie van die gesprekken en naar de kring van deelnemers daaraan. Ook wordt bezien hoe het overige bewijsmateriaal in het dossier zich tot die gesprekken verhoudt. Beoordeeld moet worden of de conclusie kan worden getrokken dat schijnbaar onschuldige gesprekken in werkelijkheid gaan over strafbare feiten. Bij die beoordeling kan ook van belang zijn wat er over de deelnemers aan de gesprekken, of over anderen die in die gesprekken worden genoemd, bekend is. Als bijvoorbeeld is gebleken dat zij op de één of andere manier bij het strafbare feit of soortgelijke strafbare feiten betrokken zijn, kan dat meewegen bij de interpretatie. Ten slotte kan de rechtbank onder omstandigheden ten nadele van de verdachte conclusies trekken uit zijn zwijgen of niet-verifieerbaar dan wel ongeloofwaardig verklaren naar aanleiding van aan hem gestelde vragen over de inhoud van door hem gevoerde telefoongesprekken.
Tot de conclusie dat de gesprekken gaan over strafbare gedragingen en dat de verdachte daaraan een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd, kan pas worden gekomen als op grond van het samenstel van alle relevante feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is.
Met betrekking tot zaaksdossier C1:
In de whatsapp-gesprekken wordt tussen [verdachte] en [medeverdachte] voor de aankomstdatum van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] onder meer gesproken over foto's. In de onder [medeverdachte] in beslag genomen telefoon zijn foto's aangetroffen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in de kleding die zij droegen op het moment van hun aanhouding op Schiphol op 4 september 2016 en foto’s van bagage die overeenkomt met de bagage die zij bij zich hadden, waarin de cocaïne werd vervoerd.
Met betrekking tot zaaksdossier C2:
In de whatsapp-gesprekken wordt tussen [verdachte] en [medeverdachte] voor de aankomstdatum van [betrokkene 3] onder meer gesproken over het feit dat oma er is op het moment dat [betrokkene 3] landt op Schiphol. Tevens ontvangt [medeverdachte] via [verdachte] op 18 september 2016 een filmpje en een screenshot van [betrokkene 3] die op dat moment, na naar aanhouding, in een rolstoel Aankomsthal 4 binnen wordt gereden. Vervolgens wordt op een later moment tussen [verdachte] en [medeverdachte] gesproken over ‘hoe pijnlijk het is” ( [verdachte] ) en dat “hij bijna moest huilen dat hij hoorde dat oma gepakt was” ( [medeverdachte] ), hetgeen bezwaarlijk anders uitgelegd kan worden dan dat de deelnemers aan het gesprek teleurgesteld waren dat [betrokkene 3] was aangehouden.
Met betrekking tot zaaksdossier C3
[betrokkene 4] is op 19 september 2016, een dag na de aankomt van [betrokkene 3] , op Schiphol aangekomen. In de whats-app gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] wordt na de “pijn” over de aanhouding van “oma” gesproken over het feit dat het morgen goed komt en over rasta. Verdachte [betrokkene 4] heeft rastahaar. In het gesprek wordt wederom gesproken over het feit dat het morgen feest op school is, over foto’s en over het feit dat er reeds foto’s verstuurd zijn en dat er geen nieuwe foto’s gestuurd moeten worden omdat “ze bang zijn voor een aanslag”. In de telefoon van [medeverdachte] is een foto van [betrokkene 4] aangetroffen die op een eerder moment was verstuurd. Op 19 september 2016 was er geen sprake van een aanslag op een school. Kennelijk wordt ermee bedoeld dat de vrees bestaat dat er meer aanhoudingen van drugskoeriers zullen worden verricht.
Met betrekking tot zaaksdossier C4
Uit de zendmastgegevens blijkt dat [medeverdachte] ten tijde van de aankomst van Gill'ard op Schiphol aanwezig is en rondom die periode wederom regelmatig contact onderhoudt met [verdachte] . In eerste instantie meldt [medeverdachte] dat hij het idee heeft dat de “emmer” veilig is. Met “de emmer” kan gezien de omstandigheid dat [medeverdachte] blijkens de zendmastgegevens op dat moment op Schiphol is, niet anders worden bedoeld dan de luchthaven. Op het moment dat duidelijk wordt dat [betrokkene 5] is aangehouden, wordt er gesproken over dat [betrokkene 19] gaat kijken wat er mis is en over het hebben van hoofdpijn.
De rechtbank is gelet hierop en in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5] op de betreffende dagen cocaïne hebben ingevoerd, van oordeel dat, ook als de whatsapp-gesprekken met de nodige voorzichtigheid worden beoordeeld, redelijkerwijs tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de onder de redengevende feiten en omstandigheden weergegeven gesprekken - in onderlinge samenhang bezien - betrekking hadden op het binnenhalen van drugskoeriers.
[verdachte] heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen en heeft geen enkele aannemelijke verklaring afgelegd, op grond waarvan met betrekking tot de whatsappgesprekken een andere conclusie zou moeten worden getrokken.”
21. Het hof heeft de overwegingen van de rechtbank over de nauwe en bewuste samenwerking door het volgende vervangen:
“Overwegingen van het hof
[…]
Nauwe en bewuste samenwerking
Uit de combinatie van de camerabeelden, de historische verkeersgegevens en de gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte] valt het volgende op te maken over de taakverdeling en samenwerking tussen de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte] en de koeriers. [medeverdachte] haalt de koeriers op dan wel controleert of zij veilig en met medebrenging van de verdovende middelen zijn aangekomen en [verdachte] geeft hem ter voorbereiding hierop informatie en geeft aanwijzingen over de tijdstippen dat [medeverdachte] op Schiphol aanwezig moet zijn/blijven en over de goederen die [medeverdachte] moet overnemen van de koeriers. Voorts blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ten tijde van de aankomst van de koeriers en na afloop daarvan contact onderhouden over de aankomst en de verdere gang van zaken. Meer in het bijzonder overweegt het hof dat
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie wordt uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen vervoeren. Ook wordt informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moeten worden.
De samenwerking tussen de verdachten is - reeds gelet op het aantal contacten - zonder meer intensief te noemen. De handelingen die [verdachte] en [medeverdachte] hebben verricht zijn bovendien essentieel en onmisbaar geweest voor het goede verloop van de invoer van de drugs. Hiermee is gebleken dat de verdachten elk ook reeds voorafgaand aan de feiten een essentiële bijdrage hebben geleverd aan het in Nederland brengen van de drugskoeriers en de drugs, waardoor zij met elkaar én met de drugskoeriers nauw en bewust hebben samengewerkt aan de opzettelijke invoer van de cocaïne.”
Juridisch kader
22. Bewezenverklaard is dat de verdachte in de periode van 1 juni 2016 tot en met 19 september 2016 tezamen en in vereniging met anderen meermalen telkens opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht de onder de drugskoeriers [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en P.G. [betrokkene 5] aangetroffen cocaïne. Dit feit is strafbaar gesteld in art. 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet, luidend:
“Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens art. 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;”
23. Het begrip ‘binnen het grondgebied brengen’ heeft (evenals ‘buiten het grondgebied brengen’) een extensieve betekenis en daardoor een ruim toepassingsbereik, zo blijkt uit het bepaalde in art. 1, vierde lid, Ow en de daarop betrekking hebbende rechtspraak. Dit vierde lid luidt als volgt:
“Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2 en 3, is begrepen: het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
24. In het verband van art. 1, vierde lid, Ow wordt gesproken van ‘verlengde invoer’. Deze verlengde invoer valt dus ook onder het voormelde begrip ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’. In de onderhavige zaak wordt dit op de volgende manier tot uitdrukking gebracht in de tenlastelegging: “opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland (al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet) heeft gebracht”. In de bewezenverklaring komt de toevoeging “(al dan niet als bedoeld in art. 1 lid 4 van Pro de Opiumwet)” niet voor.
25. Nu het hof de in de tenlastelegging voorkomende zinsnede “((al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van Pro de Opiumwet)” in haar geheel buiten de bewezenverklaring heeft gelaten, en niet ‘(als bedoeld in art. 1 lid 4 van Pro de Opiumwet)’ heeft laten staan, zou dat wellicht tot de gedachte kunnen leiden dat het bewezenverklaarde ‘binnen het grondgebied brengen’ in de onderhavige zaak niet is gebezigd in de ruime betekenis die daaraan in art, 1, vierde lid, Ow wordt gegeven, zoals dat wel het geval was in de hierna (in randnummer 28) aan te halen arresten van HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992AB8028,
NJ1992/774 en HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225. Ik meen dat zo een gevolgtrekking ook wat de onderhavige zaak betreft niet kan worden gemaakt. Dat het hof de bedoelde zinsnede heeft geschrapt, is naar mijn inzicht niet problematisch, aangezien dit, denk ik, niet meebrengt dat ‘binnen het grondgebied brengen’ hier in een beperkte betekenis dient te worden verstaan. Art. 1, vierde lid, Ow is een begripsbepaling (en niet een zelfstandig misdrijf), die zegt wat onder ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ mede is begrepen. Daarbij komt dat het hof met betrekking tot de rol en de inbreng van de verdachte bij de drugstransporten overweegt dat de verdachte – ter voorbereiding van het ophalen van de koeriers door [medeverdachte] dan wel het controleren door [medeverdachte] of de koeriers met de verdovende middelen veilig zijn aangekomen – [medeverdachte] informatie en aanwijzingen heeft gegeven over de tijdstippen dat [medeverdachte] op Schiphol aanwezig moet zijn/blijven en over de goederen die [medeverdachte] van de koeriers moet overnemen, en dat de verdachte met [medeverdachte] intensief contact heeft onderhouden over de aankomst van de koeriers en de verdere gang van zaken. Uit deze overweging kan mijns inziens worden afgeleid dat de onderhavige bewezenverklaring van ‘binnen het grondgebied brengen’ het ruime toepassingsbereik zoals gegeven in art. 1, vierde lid, Ow bedoelt te bestrijken.
26. Blijkens HR 2 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:AB8028,
NJ1992/774 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de in art. 1, vierde lid, Ow voorkomende term ‘handeling’ niet slechts betrekking heeft op handelingen verricht nadat de in de Opiumwet bedoelde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht, maar ook op handelingen die al zijn verricht voordat de middelen daadwerkelijk binnen het grondgebied zijn gebracht. In die zaak ging het om het huren van een auto voor het verdere vervoer van hasjiesj binnen Nederland. De Hoge Raad liet het oordeel in stand dat dit medeplegen van de invoer van hasj oplevert. Voorts overwoog de Hoge Raad in het arrest van 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225 dat te dezen niet nodig is dat uit de bewijsmiddelen zou kunnen volgen dat de verdachte daarnaast op een bepaalde manier betrokken was bij of een relatie had met het daadwerkelijk binnen Nederland brengen zelf. [6]
27. In de (overzichts)arresten van 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ2015/390, m.nt. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. Rozemond [7] heeft de Hoge Raad algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm medeplegen in verhouding tot de deelnemingsvorm medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [8] Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. [9] Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen.
28. In mijn conclusie voorafgaand aan HR 26 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1791 ben ik nader op de onderhavige thematiek ingegaan en heb ik onder meer gewezen op HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302,
NJ2017/459, m.nt. Rozemond. In die zaak had de verdachte eerst met zijn auto een vrouw naar Schiphol gebracht voor haar vlucht naar Paraguay en stond hij haar een aantal dagen later met zijn auto op Schiphol op te wachten om haar op te halen. Dit was op verzoek van een derde die hem daarvoor een beloning in het vooruitzicht had gesteld. De vrouw werd op Schiphol aangehouden met cocaïne in haar koffer. De verdachte wist dat de vrouw bij terugkeer smokkelwaar bij zich zou hebben en werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen. Het afhalen van de vrouw op Schiphol diende volgens het hof te worden aangemerkt als een op het verdere vervoer van cocaïne gerichte handeling. De Hoge Raad oordeelde dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen had samengewerkt dat hij zich schuldig had gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, niet uit de bewijsvoering was af te leiden, mede gelet op verdachtes rol die daaruit naar voren kwam. Een andere uitspraak die ik in die conclusie aanhaalde, is HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond. In die zaak waren tussen zakken koffiebonen in een container sportassen met een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De container was verscheept van Nederland naar Antwerpen, in Antwerpen van het schip geladen en daarna naar een bedrijf gebracht waar de cocaïne in de sporttassen werd ontdekt. De verdachte werd enkele weken later op Schiphol aangehouden en bleek in het bezit van een mobiele telefoon met pinggesprekken met anderen over die container (dat stond volgens het hof buiten redelijke twijfel vast). Uit de pinggesprekken bleek naar het oordeel van het hof dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of verspreiding van die cocaïne en dat hij daarbij nauw en bewust had samengewerkt met anderen die bij het cocaïnetransport betrokken waren. De Hoge Raad zag dat anders. Hij overwoog vooreerst dat de vaststellingen van het hof er in de kern op neerkwamen dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. Vervolgens oordeelde hij dat uit de rol van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het binnen het grondgebied (c.q. buiten het grondgebied) van Nederland brengen van cocaïne en dat de vaststellingen van het hof in dat verband niet volstonden voor het bewezenverklaarde medeplegen.
Bespreking van het middel
29. De eerste in het middel vervatte klacht (ad 1) ziet op ’s hofs ‘vervangende overwegingen’ met betrekking tot het bewijs van de nauwe en bewuste samenwerking en houdt in dat het hof volstaan heeft met een bewijsredenering zonder dat het daarin (in voetnoten) heeft verwezen naar de wettige bewijsmiddelen waaraan het de in die bewijsredenering opgenomen feiten en omstandigheden heeft ontleend, terwijl het arrest evenmin is aangevuld met bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend als bedoeld in art. 365a jo 416 Sv.
30. Deze klacht mist evident doel. Het hof heeft met zoveel woorden in het arrest opgenomen dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, de medeverdachte en de drugskoeriers wordt afgeleid uit “de combinatie van camerabeelden, de historische verkeersgegevens en de gesprekken tussen [verdachte] (de verdachte) en [medeverdachte] (de medeverdachte)”. Wat betreft die ‘vervangende overwegingen’ over de nauwe en bewuste samenwerking heeft het hof kennelijk geen reden gezien nogmaals in voetnoten te verwijzen naar de specifieke bewijsmiddelen die daaraan ten grondslag liggen, omdat het duidelijk is dat het hof zijn oordeel over die samenwerking baseert op de in het vonnis onder 3.2 vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de onder 3.3 vermelde bewijsoverwegingen, in welke paragrafen telkens in voetnoten wordt verwezen naar de toepasselijke bewijsmiddelen waaruit de vaststellingen zijn afgeleid en waarmee het hof zich volledig heeft verenigd. [10]
31. Met betrekking tot de tweede klacht wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de voor medeplegen vereiste “bijdrage van voldoende gewicht
in ieder afzonderlijk drugstransport[door de verdachte] moet zijn geleverd” en dat aldus beschouwd uit de bewijsvoering niet van zo een bijdrage blijkt, maar telkens slechts gedragingen naar voren komen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.
32. In de bewijsoverwegingen, die het hof van de rechtbank heeft overgenomen, wordt nadrukkelijk opgemerkt dat:
- pas tot de conclusie kan worden gekomen dat de gesprekken over strafbare gedragingen gaan en dat de verdachte daaraan een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd “als op grond van het samenstel van alle relevante feiten en omstandigheden redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is”; en voorts
- de rechtbank gelet op hetgeen zij met betrekking tot de zaaksdossiers C1, C2, C3 en C4 samengevat heeft vastgesteld en in aanmerking genomen dat [betrokkene 1] , [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 5] op de betreffende dagen cocaïne hebben ingevoerd, van oordeel is dat, ook als de whatsapp-gesprekken met de nodige voorzichtigheid worden beoordeeld, redelijkerwijs tot geen andere conclusie kan worden gekomen dan dat de onder de redengevende feiten en omstandigheden weergegeven gesprekken – in onderlinge samenhang bezien – betrekking hadden op het binnenhalen van drugskoeriers.
33. Ik vermag niet in te zien waarom de feitenrechter deze redengevende feiten en omstandigheden niet in hun onderlinge verband en samenhang zou mogen bezien en het samenstel van deze redengevende feiten en omstandigheden niet zou kunnen betrekken bij de beantwoording van de vraag of de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , alles overziend, zodanig bewust en nauw met elkaar, en met de koeriers, hebben samengewerkt dat zulks medeplegen oplevert met betrekking tot het binnen het Nederlands grondgebied brengen van de vier hoeveelheden cocaïne.
34. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord in een overweging waarmee die van de rechtbank is vervangen. Meer dan de rechtbank accentueert het hof de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte met name tijdens de voorbereiding en de afhandeling van het delict en de aanwezigheid van medeverdachte [medeverdachte] op belangrijke momenten op Schiphol. Daarmee verschilt de onderhavige zaak met die welke zijn beschreven in randnummer 28 (HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302,
NJ2017/459, m.nt. Rozemond en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond).
35. Het hof heeft aangaande de betrokkenheid van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bij de drugstransporten het volgende vastgesteld en overwogen. [medeverdachte] is degene geweest die de koeriers ophaalde en controleerde of zij veilig en met medebrenging van de cocaïne waren aangekomen. De verdachte voorzag, ter voorbereiding daarvan, [medeverdachte] van informatie en gaf [medeverdachte] aanwijzingen over a. de tijdstippen waarop hij op Schiphol aanwezig moest zijn of blijven, b. de drugskoeriers en c. de goederen die [medeverdachte] van hen moest overnemen. Ook heeft het hof overwogen dat de verdachte en [medeverdachte] ten tijde van de aankomst van de koeriers en na afloop daarvan contact hebben onderhouden over de aankomst en de verdere gang van zaken. Uit de bewijsvoering blijkt dat het daarbij niet alleen gaat om gedragingen die te situeren zijn in het sluitstuk van het binnenhalen van koeriers. Het hof heeft er namelijk op gewezen dat ook al
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie is uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en van de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen (zouden gaan) vervoeren. Ik noem in dat verband ook de, voor het bewijs gebruikte, verklaring van [betrokkene 5] , dat hij door medeverdachte [medeverdachte] benaderd is om cocaïne naar Nederland te smokkelen. Daarnaast is, aldus het hof, informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moesten worden. Het hof benadrukt dat reeds gelet op het aantal onderlinge contacten de samenwerking tussen de verdachten zonder meer intensief is te noemen en dat de handelingen die de verdachte en [medeverdachte] hebben verricht essentieel en onmisbaar zijn geweest voor het goede verloop van de invoer van de drugs. Alles bij elkaar genomen zijn dit geen gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.
36. Op grond van het voorgaande meen ik dat ’s hofs bestreden oordeel – te weten dat de verdachten ieder niet alleen bij het binnenhalen van de koeriers op Schiphol, maar ook reeds daaraan voorafgaand een essentiële bijdrage hebben geleverd aan het in Nederland brengen van de drugskoeriers en de drugs, waardoor zij met elkaar én met de drugskoeriers nauw en bewust hebben samengewerkt aan de opzettelijke invoer van de cocaïne – wel degelijk uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Naar het mij voorkomt is de bewezenverklaring dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
37. Ook het tweede middel faalt.
IV.
Slotsom
38. Beide middelen falen. Het eerste middel kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
40. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Verder Ow.
2.Daarbij heeft het hof de volgende noot (4) geplaatst: “Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 16-900117/122 van 8 mei 2017, los stuk.” (Zie over dat proces-verbaal nader randnummer 8).
3.De letters h t/m w en aa.
4.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
5.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
6.Vgl. ook HR 26 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1170,
7.Zie ook HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
8.HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733, herhaald in o.a. HR 16 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1700.
9.HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387,
10.Ik merk nog op dat de rechtbank in het vonnis onder het cursiefje “Nauwe en bewuste samenwerking” kennelijk om dezelfde reden niet nog eens de bewijsmiddelen heeft aangehaald.