Conclusie
Inleiding
Het eerste middel en de bespreking daarvan(identificatie verdachte)
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]verstuurd naar de telefoon van verdachte [medeverdachte] .
h.
i.Daarnaast zijn er geen gesprekken en/of spraakberichten waarin de stem van cliënt herkend kan worden. Er zijn geen namen, bijnamen of andere zaken genoemd in de gesprekken die een koppeling met cliënt maken. Er kan niet gezegd worden aan de hand van zendmastgegevens en/of printgegevens dat de toestellen van [verdachte] en Broertje op dezelfde locatie aanwezig waren, laat staan een locatie die aan cliënt gekoppeld kan worden. Het is niet zo dat dezelfde mensen met dezelfde frequentie gebeld werden door [verdachte] en Broertje.
j.
n.
t.
u.
v.
w.
aa.”
h.Of [verdachte] , of [verdachte] , of [verdachte] . Je zou toch in ieder geval ‘ [verdachte] ’ erbij zetten? Uit het feit dat met een andere gebruikersnaam wordt geappt, moet kunnen worden afgeleid dat het kennelijk een andere persoon is.
III.Het tweede middel en de bespreking daarvan (medeplegen)
Middel
Oma heeft mij gevraagd of ik chocolaatjes voor haar wilde meenemen omdat haar eigen koffers te vol zaten. Ik heb meerdere spulletjes van haar gekregen en in mijn beide koffers gestopt. De blauwe staat op naam van mijn zoontje.” In beide koffers van [betrokkene 2] , een paarse en een blauwe, werden meerdere pakketjes etenswaren aangetroffen met daarin een witkleurig substantie. Bij het testen van de witte substantie met een MMC-cocaïnetest trad een positief resultaat op. In de koffer van het merk Samsonite werden plastic zakken aangetroffen met daarin etenswaren.
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie wordt uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen vervoeren. Ook wordt informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moeten worden.
NJ1992/774 en HR 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225. Ik meen dat zo een gevolgtrekking ook wat de onderhavige zaak betreft niet kan worden gemaakt. Dat het hof de bedoelde zinsnede heeft geschrapt, is naar mijn inzicht niet problematisch, aangezien dit, denk ik, niet meebrengt dat ‘binnen het grondgebied brengen’ hier in een beperkte betekenis dient te worden verstaan. Art. 1, vierde lid, Ow is een begripsbepaling (en niet een zelfstandig misdrijf), die zegt wat onder ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ mede is begrepen. Daarbij komt dat het hof met betrekking tot de rol en de inbreng van de verdachte bij de drugstransporten overweegt dat de verdachte – ter voorbereiding van het ophalen van de koeriers door [medeverdachte] dan wel het controleren door [medeverdachte] of de koeriers met de verdovende middelen veilig zijn aangekomen – [medeverdachte] informatie en aanwijzingen heeft gegeven over de tijdstippen dat [medeverdachte] op Schiphol aanwezig moet zijn/blijven en over de goederen die [medeverdachte] van de koeriers moet overnemen, en dat de verdachte met [medeverdachte] intensief contact heeft onderhouden over de aankomst van de koeriers en de verdere gang van zaken. Uit deze overweging kan mijns inziens worden afgeleid dat de onderhavige bewezenverklaring van ‘binnen het grondgebied brengen’ het ruime toepassingsbereik zoals gegeven in art. 1, vierde lid, Ow bedoelt te bestrijken.
NJ1992/774 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat de in art. 1, vierde lid, Ow voorkomende term ‘handeling’ niet slechts betrekking heeft op handelingen verricht nadat de in de Opiumwet bedoelde middelen feitelijk binnen Nederland zijn gebracht, maar ook op handelingen die al zijn verricht voordat de middelen daadwerkelijk binnen het grondgebied zijn gebracht. In die zaak ging het om het huren van een auto voor het verdere vervoer van hasjiesj binnen Nederland. De Hoge Raad liet het oordeel in stand dat dit medeplegen van de invoer van hasj oplevert. Voorts overwoog de Hoge Raad in het arrest van 10 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1694,
NJ1993/225 dat te dezen niet nodig is dat uit de bewijsmiddelen zou kunnen volgen dat de verdachte daarnaast op een bepaalde manier betrokken was bij of een relatie had met het daadwerkelijk binnen Nederland brengen zelf. [6]
NJ2015/390, m.nt. Mevis, 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,
NJ2016/413, m.nt. Rozemond [7] heeft de Hoge Raad algemene beschouwingen gewijd aan de deelnemingsvorm medeplegen in verhouding tot de deelnemingsvorm medeplichtigheid. Uit deze arresten blijkt dat voor de kwalificatie medeplegen vereist is dat sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking en dat de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad heeft hiervoor geen algemene regels gegeven, maar tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaft door het formuleren van aandachtspunten. De rechter kan bij de vorming van zijn oordeel of sprake is van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang daarvan, de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij zal de bijdrage van de medepleger in de regel worden geleverd tijdens het begaan van een strafbaar feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal, wil medeplegen van een delict niettemin kunnen worden aangenomen, moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grotere rol in de voorbereiding. Als het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, zoals het verstrekken van inlichtingen, het op de uitkijk staan, het helpen bij de vlucht, dan dient de rechter de bewezenverklaring van het medeplegen in de bewijsvoering – dat wil zeggen in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – nauwkeurig te motiveren. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven. [8] Het ontbreken van lijfelijke aanwezigheid of het ontbreken van een uitvoeringshandeling hoeft het aannemen van medeplegen niet in de weg te staan als het gaat om handelingen voor en/of tijdens de uitvoering van het strafbare feit en de verdachte daarmee een sturende of leidende rol heeft gespeeld voor de uitvoering ervan. [9] Ook in die situaties komt het echter aan op de precieze motivering waarom er sprake is van medeplegen.
NJ2017/459, m.nt. Rozemond. In die zaak had de verdachte eerst met zijn auto een vrouw naar Schiphol gebracht voor haar vlucht naar Paraguay en stond hij haar een aantal dagen later met zijn auto op Schiphol op te wachten om haar op te halen. Dit was op verzoek van een derde die hem daarvoor een beloning in het vooruitzicht had gesteld. De vrouw werd op Schiphol aangehouden met cocaïne in haar koffer. De verdachte wist dat de vrouw bij terugkeer smokkelwaar bij zich zou hebben en werd door het hof veroordeeld wegens medeplegen. Het afhalen van de vrouw op Schiphol diende volgens het hof te worden aangemerkt als een op het verdere vervoer van cocaïne gerichte handeling. De Hoge Raad oordeelde dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte zo nauw en bewust met anderen had samengewerkt dat hij zich schuldig had gemaakt aan het bewezenverklaarde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, niet uit de bewijsvoering was af te leiden, mede gelet op verdachtes rol die daaruit naar voren kwam. Een andere uitspraak die ik in die conclusie aanhaalde, is HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond. In die zaak waren tussen zakken koffiebonen in een container sportassen met een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De container was verscheept van Nederland naar Antwerpen, in Antwerpen van het schip geladen en daarna naar een bedrijf gebracht waar de cocaïne in de sporttassen werd ontdekt. De verdachte werd enkele weken later op Schiphol aangehouden en bleek in het bezit van een mobiele telefoon met pinggesprekken met anderen over die container (dat stond volgens het hof buiten redelijke twijfel vast). Uit de pinggesprekken bleek naar het oordeel van het hof dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of verspreiding van die cocaïne en dat hij daarbij nauw en bewust had samengewerkt met anderen die bij het cocaïnetransport betrokken waren. De Hoge Raad zag dat anders. Hij overwoog vooreerst dat de vaststellingen van het hof er in de kern op neerkwamen dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van de zending cocaïne ten behoeve van het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. Vervolgens oordeelde hij dat uit de rol van de verdachte niet zonder meer kon worden afgeleid dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht had geleverd aan het binnen het grondgebied (c.q. buiten het grondgebied) van Nederland brengen van cocaïne en dat de vaststellingen van het hof in dat verband niet volstonden voor het bewezenverklaarde medeplegen.
in ieder afzonderlijk drugstransport[door de verdachte] moet zijn geleverd” en dat aldus beschouwd uit de bewijsvoering niet van zo een bijdrage blijkt, maar telkens slechts gedragingen naar voren komen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.
NJ2017/459, m.nt. Rozemond en HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460, m.nt. Rozemond).
voorafgaandaan de drugstransporten genoemd in elk van de vier zaaksdossiers informatie is uitgewisseld in de vorm van foto’s van de bagage en van de personen die de middelen vervoerden, dan wel in de vorm van versluierd taalgebruik dat blijkens de aard en de strekking ervan ziet op de personen die de middelen (zouden gaan) vervoeren. Ik noem in dat verband ook de, voor het bewijs gebruikte, verklaring van [betrokkene 5] , dat hij door medeverdachte [medeverdachte] benaderd is om cocaïne naar Nederland te smokkelen. Daarnaast is, aldus het hof, informatie uitgewisseld over geldbedragen die verstrekt moesten worden. Het hof benadrukt dat reeds gelet op het aantal onderlinge contacten de samenwerking tussen de verdachten zonder meer intensief is te noemen en dat de handelingen die de verdachte en [medeverdachte] hebben verricht essentieel en onmisbaar zijn geweest voor het goede verloop van de invoer van de drugs. Alles bij elkaar genomen zijn dit geen gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht.
Slotsom