II.
Het eerste middel en de bespreking daarvan(identificatie verdachte)
4. Het middel klaagt dat (1) het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de gebruiker is geweest van een tweetal telefoonnummers met daaraan gekoppeld de Whatsapp-accounts onder de namen ‘ [verdachte] ’ en ‘Broertje’ en (2) dit evenmin uit de bewijsvoering kan worden afgeleid zodat het oordeel van het hof dat dit wel het geval is, ook in het licht van hetgeen de verdediging daarover naar voren heeft gebracht, onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is.
Bewezenverklaring, en bewijsvoering met betrekking tot de identificatie
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op tijdstippen in de periode van 1 juni 2016 tot en met 19 september 2016 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Amsterdam en/of in Suriname en/of op Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, de onder - de al dan niet reeds veroordeelde drugskoeriers - [betrokkene 4] en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 5] aangetroffen grote hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne.”
6. De vaststellingen van de rechtbank waarmee het hof zich heeft verenigd houden het volgende in (hier met weglating van de voetnoten):
“Vaststelling identiteit verdachte [verdachte]
Bevindingen
Uit de analyse van de onder [medeverdachte] in beslag genomen telefoon van het merk Samsung Galaxy, komt naar voren dat vanaf 20 mei 2016 tot en met de dag van [medeverdachte] aanhouding op 19 september 2016, er nagenoeg dagelijks meerdere malen contact is via whats-app tussen de contactpersoon [verdachte] , telefoonnummer [telefoonnummer 1] , en de contactpersoon [medeverdachte] . In de whats-app is tevens te zien dat [verdachte] [medeverdachte] vaak broer noemt en dat [medeverdachte] weer regelmatig broertje noemt. Aan het contact [verdachte] is een profielfoto gekoppeld (van een negroïde man met een zonnebril):
Daarnaast is bij [medeverdachte] een telefoon van het merk Samsung Galaxy Grand Neo Plus in beslag genomen. Uit analyse van deze telefoon valt op te maken dat deze in de periode vanaf 26 december 2016 tot en met februari 2017 dagelijks contact heeft via whats-app tussen de contactnaam Broertje en de contactnaam [medeverdachte] .
Op 15 februari 2017 heeft [medeverdachte] tijdens een zaaksgericht verhoor aangegeven dat hij de gebruiker is van de accountnaam ‘ [medeverdachte] ’. Voornoemde whats-app profielfoto is door twee documentdeskundigen van de Koninklijke Marechaussee (KMar) vergeleken met een foto op een scan van een deel van een aanvraagformulier voor een Nederlands reisdocument op naam van [verdachte] . Gelet op de overeenkomsten van het gelaat, op beide foto's trekken deze documentdeskundigen de conclusie dat de personen op de twee verschillende afdrukken van de gelaatsfoto’s één en dezelfde persoon moeten zijn.
Op 4 oktober 2017 heeft [verdachte] tijdens zijn verhoor bij de KMar verklaard dat hij vaak op het adres van zijn nichtje, [betrokkene 6] , in [plaats] logeert. Tijdens de raadkamerbehandeling van de zaak van [verdachte] op 18 oktober 2017 in het kader van de vordering gevangenhouding, heeft zijn toenmalige raadsman, mr. B.R. Koenders, tevens aangegeven dat [verdachte] bij [betrokkene 6] op het adres [a-straat 1] te [plaats] kan verblijven. Ter zitting is vervolgens een handgeschreven briefje op naam van [betrokkene 6] overhandigd waarin zij verklaart dat [verdachte] gedurende het proces bij haar kan verblijven. Uit onderzoek naar het telefoonnummer in gebruik bij [betrokkene 6] (nummer [telefoonnummer 2] ) komt naar voren dat dit nummer in de periode van 22 maart 2016 tot en met 8 mei 2017 zeven keer contact heeft gehad met het telefoonnummer [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ) en in de periode 14 november 2016 tot en met 8 mei 2017 één keer met het nummer [telefoonnummer 3] (Broertje). Zowel het nummer [telefoonnummer 1] als nummer [telefoonnummer 3] zijn (whats-app) contacten in de telefoon van verdachte [medeverdachte] . Het nummer [telefoonnummer 1] staat in de telefoon opgeslagen onder de naam “ [verdachte] ”. Het telefoonnummer [telefoonnummer 3] staat opgeslagen onder de naam “Broertje”.
Op 8 januari 2017 vindt er tussen Broertje en [medeverdachte] een whats-app gesprek plaats waarin wordt gesproken over het adres gelegen aan de [b-straat 1] te [plaats] . Uit bevraging in de Basisregistratie Personen komt naar voren dat [verdachte] twee maal op dit adres ingeschreven heeft gestaan. Inmiddels is [verdachte] geëmigreerd naar Paramaribo, Suriname.
In de periode van 11 januari 2017 tot en met 12 januari 2017 vindt er tussen Broertje en [medeverdachte] een whatsapp gesprek plaats waarin op 11 januari 2017 Broertje tegen [medeverdachte] zegt dat hij hem morgen ziet. Op 12 januari 2017 laat Broertje aan [medeverdachte] weten: “Was moe 7 u geland”. Uit onderzoek naar de passagierslijsten van de KLM is gebleken dat op 18 augustus 2016 en op 11 januari 2017 [verdachte] aan boord van de KL0713 respectievelijk de KL0736 zat. De vlucht KL0736 had als tijdstip van landen 06.56 uur. Het telefoonnummer [telefoonnummer 1] van [verdachte] heeft op 18 augustus 2016 een aantal malen telefonisch contact vanaf Schiphol, waarvan het laatste contact 11.22 uur is geweest. Hierna zijn er geen telefonische contacten meer zichtbaar. Gebleken is dat de KL0713 op 18 augustus 2016 te 11.25 uur is vertrokken vanaf Schiphol.
Overwegingen
Gelet op het door de verdediging van [verdachte] ingebrachte onderzoeksrapport van 7 november 2017, waarbij de bevindingen van de documentdeskundigen ter discussie zijn gesteld, overweegt de rechtbank dat de herkenning in dit rapport niet zo stellig is als in het hiervoor genoemde proces-verbaal van de ID-desk van de KMar. Het onderzoeksrapport levert echter geen contra indicatie op dat de twee personen op de betreffende foto’s niet dezelfde personen zouden kunnen zijn. De rechtbank zal dit proces-verbaal van herkenning, in samenhang met de overige hiervoor opgesomde bewijsmiddelen, daarom wel voor het bewijs bezigen. Dat de gebruiker van het whats-app account [verdachte] daaraan een profielfoto van iemand anders dan zichzelf heeft gekoppeld acht de rechtbank, onder de genoemde omstandigheden niet aannemelijk. Daarbij heeft [verdachte] zich ten aanzien van alle hiervoor genoemde bevindingen op zijn zwijgrecht beroepen terwijl deze schreeuwen om een verklaring.
Conclusie
Gelet op al het voorgaande stelt de rechtbank vast dat [verdachte] de gebruiker is van telefoonnummer [telefoonnummer 1] en het daaraan gekoppelde whats-app accountnaam “ [verdachte] ” en dat hij de gebruiker is van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] en de daaraan gekoppelde whats-app accountnaam “Broertje”.”
7. Het hof heeft deze overwegingen als volgt aangevuld (hier met weglating van de voetnoten op één na):
“De identificatie van de verdachte
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de berichten die door of aan ‘Broertje’ en ‘ [verdachte] ’ zijn ontvangen/verstuurd, aan de verdachte te koppelen zijn. Het hof is echter van oordeel dat de rechtbank dit terecht heeft vastgesteld en overweegt daartoe, in aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, als volgt.
Op basis van de volgende samenloop van omstandigheden bestaan sterke aanwijzingen dat met ‘ [verdachte] ’ en ‘Broertje’ dezelfde persoon bedoeld wordt: [verdachte] en Broertje hebben volgtijdelijk zeer veel contact met [medeverdachte] , de gebruikers spreken [medeverdachte] op dezelfde wijze aan (Broer en [medeverdachte] ) en [medeverdachte] spreekt de gebruikers op dezelfde wijze aan (Broertje). Bovendien hebben de aan [verdachte] en Broertje gekoppelde telefoonnummers volgtijdelijk contact met de nicht van de verdachte ( [betrokkene 6] ) en hebben beide nummers contact met vijf overeenkomstige telefoonnummers.
Uit het dossier blijkt dat [verdachte] op 18 augustus 2016 met vlucht KL0713 van Schiphol naar Suriname reist en dat Broertje op 12 januari 2017 met vlucht KL036 Curaçao naar Nederland reist.Ten aanzien van de vlucht naar Suriname overweegt het hof in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank dat [verdachte] op 17 augustus 2016 antwoordt op de vraag “Ga je morgen loesoe’ met ‘Ai denk het’. Op 19 augustus 2016 vraagt [medeverdachte] aan [verdachte] of hij veilig is aangekomen. Daarna gaan er apps over en weer over personen die bezocht moeten worden. Daarbij wordt in ieder geval één Surinaams telefoonnummer uitgewisseld. Uit een vergelijking van de passagierslijsten blijkt dat de verdachte de enige persoon is wiens naam zowel op de lijst van de hiervoor genoemde vlucht naar Suriname als op de lijst van de hiervoor genoemde vlucht naar Curaçao voorkomt.
Het hof is op basis van het vorenstaande, in samenhang met hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen, van oordeel dat vastgesteld kan worden dat de verdachte telkens de gebruiker is geweest van het telefoonnummer met de daaraan gekoppelde WhatsApp accountnaam “ [verdachte] ” en het telefoonnummer met daaraan gekoppeld de WhatsApp accountnaam “Broertje” en bovendien ook degene is geweest die de berichten met genoemde accountnamen heeft verzonden aan de medeverdachte [medeverdachte] .”
8. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van bevindingen met nummer 16-900117/122 van 8 mei 2017 houdt onder meer in:
“In de telefoon van verdachte [medeverdachte] zijn door het onderzoeksteam onder andere afbeeldingen aangetroffen van twee personen, welke later werden herkend als zijnde verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Voornoemde foto s zijn middels de applicatie whatsapp met de naam:
[telefoonnummer 1] @s.whatsapp.net [verdachte]verstuurd naar de telefoon van verdachte [medeverdachte] .
[…]
Vervolgens blijkt dat op 18 augustus 2016 dit nummer nog een aantal malen telefonisch contact heeft vanaf Schiphol. Het laatste telefonisch contact van voornoemd telefoonnummer is op 18 augustus 2016 te 11.22 uur geweest, via een telecommast welke volgens het DCS geplaatst is op de volgende locatie:
Locatienaam KPN-618032342
Adres PIER G
Plaats Schiphol Luchthaven
Hierna zijn er geen telefonische contacten meer zichtbaar op voornoemd telefoonnummer. Het vermoeden bij het onderzoeksteam is dat “ [verdachte] ' op 18 augustus 2016 vanaf Schiphol uitgereisd is met de KL0713 naar Paramaribo Suriname. Uit bevraging in het Centraal Informatie Systeem Schiphol is gebleken dat de KL0713 op 18 augustus 2016 te 11:25 uur is vertrokken vanaf Schiphol.
[…]
Na de aanhouding van [medeverdachte] op 14 februari 2017 zijn de bij hem inbeslaggenomen telefoons geanalyseerd. Uit analyse van de onder [medeverdachte] inbeslaggenomen telefoon van het merk Samsung type GT-i9060iGalaxy Grand Neo plus is op te maken dat deze telefoon zeer veel Whatsapp-gesprekken/contact heeft met contactnaam “Broertje” voorzien van het telefoonnummer + [telefoonnummer 3] .
[…]
Ik, verbalisant, heb naar aanleiding van bovenstaande whats-app berichten het vermoeden dat:
- 'Broertje' op 12 januari 2017 in Nederland geland is
[…]
Door het onderzoeksteam, is uitgezocht welke vluchten er op 12 januari 2017 omstreeks 07.00 uur op Schiphol geland zijn vanuit Curaçao.
Dit bleek de volgende vlucht te zijn:
- KL0736 met als tijdstip landen omstreeks 06.56 uur.
[…]
Analyse/overeenkomsten passagierslijsten
Ik verbalisant, zag, dat op de passagierslijst van de KL0713 van zondag 18 augustus 2016 onderstaande persoon voorkwam:
2016-08-18 KL 0713 PHBFA AMS PBM [verdachte] M [geboortedatum] -1983
Tevens zag ik, verbalisant, dat op de passagierslijst van de KL0736 van woensdag 11 januari 2017 onderstaande persoon voorkwam:
- vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam op woensdag 11 januari 2017
2017-01-11 KL073C PHBPB CUR AMS [verdachte] M [geboortedatum] -1933
Resume
Het onderzoeksteam kan uit bovenstaande analyse van de passagierslijsten van zowel de vlucht KL0713 van Amsterdam naar Paramaribo op 18 augustus 2016 en de vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam op 11 januari 2017 opmaken dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] aan boord zat.”
Verweer van de verdediging
9. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 februari 2022 heeft de raadsman van de verdachte aldaar allereerst overeenkomstig de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota het woord tot verdediging gevoerd. In de pleitnota zijn door de griffier letters aangebracht die corresponderen met de opmerkingen die de raadsman ter terechtzitting ter aanvulling van dat verweer heeft gemaakt (zie daarvoor randnummer 10) en die ik hieronder vetgedrukt heb gemarkeerd.De pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De rechtbank is ervan uitgegaan dat [verdachte] en Broertje één en dezelfde persoon zijn. Het idee is dat dit cliënt is. Maar is dat terecht?
h.
Als eerste valt op dat de gebruikersnaam van de toestellen verschilt. Er is een [verdachte] . Kennelijk had [verdachte] eerst een bepaald nr, en nam hij toen een nieuwe in gebruik. Dat werd het nr [verdachte] . Als [verdachte] daarna weer een nieuw nr. neemt, dan zou je denken dat het nr. de naam krijgt [verdachte] .
Verder had [verdachte] een bepaalde profielfoto; een profielfoto van een donkere man met kaal hoofd, met zonnebril, varend in een boot op een rivier. We zien die foto niet terug bij Broertje. Geen kale donkere man, geen rivier, geen boot. Als [verdachte] een nieuw nr. neemt, dan verwacht je dat hij een vergelijkbare profielfoto zou plaatsen bij zijn nieuwe nr. Dat is echter niet het geval.
[verdachte] had een Nederlands nummer. Broertje had een Surinaams nummer. Ook dat is een belangrijk verschil.
In de praktijk zie je de politie en/of het OM aan de hand van een aantal zaken nummers aan verdachten koppelen. Al die zaken en/of omstandigheden die ik in andere zaken zie, zie ik hier niet. Als eerste zijn de toestellen niet bij client en/of zijn omgeving aangetroffen.
i.Daarnaast zijn er geen gesprekken en/of spraakberichten waarin de stem van cliënt herkend kan worden. Er zijn geen namen, bijnamen of andere zaken genoemd in de gesprekken die een koppeling met cliënt maken. Er kan niet gezegd worden aan de hand van zendmastgegevens en/of printgegevens dat de toestellen van [verdachte] en Broertje op dezelfde locatie aanwezig waren, laat staan een locatie die aan cliënt gekoppeld kan worden. Het is niet zo dat dezelfde mensen met dezelfde frequentie gebeld werden door [verdachte] en Broertje.
j.
Zijn [verdachte] en Broertje dezelfde persoon? Het feit dat [medeverdachte] met beide nrs. contact heeft over mogelijk drugssmokkel, is voor het beantwoorden van die vraag volstrekt irrelevant. Net zoals we bij de drugssmokkel in deze zaak verschillende koeriers zien terugkomen, zou je verschillende contacten kunnen hebben die helpen bij het organiseren, stroomlijnen, ondersteunen en/of begeleiden van de drugssmokkel. Het OM spreekt vaak van de georganiseerde drugssmokkel en spreekt van een keten van personen die de smokkel mogelijk maken. Zeer wel mogelijk zijn [verdachte] en Broertje twee verschillende personen.
Als we dan inloggen op de namen [verdachte] en Broertje, dan zien wij dat dit twee namen zijn die niet aan cliënt gekoppeld kunnen worden. Client is geen broer of broertje van [medeverdachte] . Client is geen [verdachte] en gebruikt die naam ook niet. [verdachte] zou volgens [medeverdachte] [betrokkene 14] zijn, [betrokkene 14] is een Surinaamse familienaam. Een connectie met die familie heeft cliënt niet. In Suriname en/of Surinaamse kringen krijgen personen al snel bijnamen. De bijnaam [verdachte] zou kunnen passen bij iemand die de woorden “ […] ” in zijn naam heeft (net zoals ik weleens “Roetje” genoemd word wegens de woorden Roet in mijn naam en ex-president Wijdenbosch “Bosje” genoemd werd). Client heeft geen “ […] ” in zijn naam. De nam [verdachte] zou kunnen passen bij iemand die opvallend mager/bottig is. Client is niet mager. Nooit geweest.
In Suriname en in Surinaamse kringen lopen meerdere “ [verdachte] ” rond. Zelfs op social media kan je er meerdere vinden. Ik voeg enkele voorbeelden bij de pleitnota. Client is daar geen van.
Voor wat de naam broertje betreft, geldt dat niet enkel in moslim-kringen iedereen een broer of broeder is, dan wel genoemd wordt, doch dat dit ook geldt in Surinaamse kringen. Als je redelijk contact met iemand hebt, dan spreek je zo een persoon al snel aan als broer. Het is een naam die geen enkel onderscheidend vermogen heeft. En inderdaad, ook [medeverdachte] zelf noemt meerdere personen broer.
Ik verwijs behalve naar de gesprekken die [medeverdachte] gevoerd zou hebben met zijn mobiele telefoons, ook naar zijn eigen verklaring (p, 237). Ik noem [betrokkene 15] broer. Ik noem mijn zwager broer. Ik noem een collega van mij broer.
k.
Dan de overige elementen die gebruikt zijn om een koppeling te maken tussen de toestellen en cliënt.
Beide nummers zouden contact hebben gehad met het nummer van [betrokkene 6] , een nicht van cliënt waar hij ook zou kunnen verblijven. Maar legt [betrokkene 6] een belastende verklaring af tegen cliënt? Koppelt [betrokkene 6] cliënt aan de toestellen? Nee!
l.
Er is gesproken in de app over het adres [b-straat] . Maar woont cliënt daar? Nee! Woonde hij daar ten tijde van het apen? Nee! Heeft hij daar, zoals in het vonnis en in het dossier gesteld wordt, twee keren ingeschreven gestaan? Nee! Een verzoek om de bewoners van [b-straat] te horen, werd door uw hof afgewezen. Overigens, kijkend naar de gesprekken, had met het over [b-straat 1] of [b-straat 2] ?
m.
Op 18 augustus 2016 is het toestel van [verdachte] in de omgeving van Schiphol te zien. Vanaf 11.22 uur zijn er geen contacten meer, terwijl er om 11.25 uur een vliegtuig met daarin een persoon die gebruik gemaakt heeft van de naam [verdachte] , vertrok vanaf Schiphol.
Was die [verdachte] client? Is het dezelfde [verdachte] ? En als het een persoon zou zijn, reizend met dezelfde gegevens als van client, staat dan vast dat dan inderdaad cliënt op die vlucht zat?
n.
We moeten voorzichtig zijn. We hebben geen camerabeelden. Wat we wel hebben, is het gegeven dat [medeverdachte] en Broertje op zoek zijn naar een vals identiteitsbewijs. Op 3 januari 2017 te 17.33.23 uur appt Broertje met [medeverdachte] met de vraag “Heb je een fromoe id Ofzo nee he”, waarop [medeverdachte] aangeeft: “Nee mang. Maar kan kijken om wat te fixen daarvoor.”
Een gesprek dat in deze zaak niet door het OM benoemd wordt. Wel een extreem belangrijk gesprek. Een Fromoe ID is een vals identiteitsbewijs.
Heeft cliënt op de vlucht van 18 augustus 2016 gezeten? We weten het niet!
o.
Op basis hiervan valt de bewijsconstructie al in duigen.
Voor het overige ook van belang dat het onderzoeksteam aan de hand van de zendmasten aanvankelijk een heel ander persoon in het oog. Een persoon die aan de hand van die zendmasten qua woonplaats én meer aan het toestel kon worden gekoppeld. Een persoon met antecedenten. Met praten dan over [betrokkene 16] . De telefoon straalt onder meer aan bij zijn eigen woning, bij zijn ouders, bij zijn ouderlijke woning én op Schiphol als hij op reis gaat. [betrokkene 16] is iemand met antecedenten.
p.
Wat zegt het, als een toestel op Schiphol aanstraalt op het moment dat jij vertrekt? Het kan betekenen dat jij inderdaad van Schiphol vertrekt. Het kan ook betekenen dat jij door die persoon met dat toestel naar Schiphol bent gebracht. Het kan betekenen dat de persoon die het toestel gebruikt, langs Schiphol rijdt, dan wel in de omgeving van Schiphol is. Het kan zijn dat het toestel meegenomen wordt door een ander.
Het is in deze niet zo dat wij kunnen zeggen dat na de landing van de KL in Suriname, het telefoontoestel weer in de lucht ging. Dat na de landing van de KL in Suriname, er weer gesprekken met dat telefoontoestel gevoerd werden.
q.
Dus zelfs als wij ervan uit zouden willen gaan dat de gebruiker van het nummer op 18 augustus 2016 inderdaad op een vliegtuig stapte, is het maar de vraag waar die vlucht naartoe ging. Rond 11.30 vertrokken vele toestellen op die 18e augustus 2016.
Dan de profielfoto.
Er is in hoger beroep sprake van een zgn. “voortbouwend appel”. In eerste aanleg is een deskundigenrapport ingebracht; een deskundigenrapport waar terecht naar verwezen is. Je kan niet zo makkelijk stellen zoals het onderzoeksteam dat doet, dat cliënt de persoon op de profielfoto is. De herkenning van de verbalisanten wordt enorm genuanceerd.
r.
Omdat je maar een bepaald deel van het gezicht ziet én de persoon een zonnebril op zijn gezicht heeft die ogen en wenkbrauwen bedekt, kan je niet komen tot een volledig positieve herkenning. Ja, er is een, gelijkenis. Maar betekent dit dat het dezelfde persoon is? In de VS zat Richard Jones 17 jaren onterecht vast op basis van een door een dubbelganger gepleegd delict. We moeten uitkijken met “herkenningen”.
Maar zelfs als cliënt op de foto te zien zou zijn, is dat dan belastend? Behalve de persoon die op cliënt lijkt, zie je ook een rivier en een deel van een boot op de foto. Het kan ook zo zijn dat de persoon die de foto geplaatst heeft, een watersportliefhebber is en dat de,foto niet primair geplaatst is in verband met de persoon die erop staat, maar wel in verband met de omgeving van die persoon.
s.
Maar zelfs als zou concluderen dat de foto is geplaatst in verband met de persoon die erop staat, dan is het nog de vraag of je dat gegeven in deze specifieke zaak niet zelfs als een ontlastend element zou kunnen zien. De persoon die de foto geplaatst heeft, zou dan een familielid kunnen zijn. Iemand met dezelfde genen. Iemand uit de omgeving van cliënt. Vandaar ook dat je dan andere minieme aanwijzingen hebt die ook -mede- aan cliënt gekoppeld kunnen worden.
Maar zelfs als het cliënt zou zijn op die foto, wat zegt dat? Ik heb cliënten die mij appen met als profielfoto Bouterse, Scarface, Beyonce, en/of de overleden George Floyd, Tupac en Che Guevara, Taghi en anderen. Als ik zo een appje ontvang, heb ik niet het idee dat ik met Beyonce of één van de andere namen die ik noemde, aan het appen was.
Op het moment dat iemand een ander in “het zonnetje” wil zetten, bijvoorbeeld omdat hij of zij jarig is, geslaagd is voor een opleiding, dan wel gewoon omdat hij of zij blij is met zijn partner, kind, neef, dan wel buurman, kan zo iemand de foto van die persoon, al dan niet tijdelijk, op zijn profiel plaatsen. Een gebruiker van een toestel kan tenslotte ook om hele andere reden de foto van een ander op zijn profiel, plaatsen. Dat zie je mensen doen die juist hun eigen identiteit verborgen willen houden. Honderden via whatsapp opgelichte Nederlanders kunnen hierover meepraten.
t.
We moeten dus concluderen dat de foto op het profiel van [verdachte] nietszeggend is en dat onduidelijk is of [verdachte] en Broertje dezelfde persoon zijn.
Dan de vlucht vanuit Curacao naar Nederland op 11 januari 2017. De teksten “ik zie je morgen” en “Was moe 7 u geland” zouden voldoende zijn voor het vaststellen dat cliënt de persoon zou zijn die het toestel gebruikt?
u.
Broertje zou, gesprek 6-1-2017, te 18.52.48 uur, via via komen. Wat betekent dat?
Ik zou zeggen inderdaad een vlucht via Duitsland, Portugal, eventueel de VS, etc.
v.
Moet dan het gegeven dat cliënt en [medeverdachte] voor dezelfde werkgever gewerkt hebben, dan wel dat een auto die cliënt ooit in zijn bezit gehad heeft, maken dat hij ineens wel te maken heeft met de drugssmokkel? Het één staat toch totaal los van het ander? Dat je ergens werkt, wil niet zeggen dat je contact met elkaar hebt, dan wel elkaar kent. Werkten ze op dezelfde afdeling? Werkten ze daar op hetzelfde moment? Hoeveel mensen werkten daar? Zonder deze vragen te beantwoorden, kan je nimmer zeggen en stellen dat de heren elkaar kenden.
Met cliënt heb ik wat onderzoek gedaan. Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte] daar pas op 1 december 2010 in dienst is getreden. Client werkte, zoals hij dat gereconstrueerd heeft, tot en met 2009 bij Skynet.
De auto tenslotte, ging niet rechtstreeks over van cliënt op [medeverdachte] .
w.
Ook de verklaring van [medeverdachte] is niet belastend, integendeel. [verdachte] zou [betrokkene 14] zijn.
[verdachte] is [betrokkene 14] , herhaalt [medeverdachte] ((p. 250 PD [medeverdachte] ). [betrokkene 14] zou hij enkele jaren terug hebben ontmoet (p. 253). [verdachte] is dus geen collega, zoals het onderzoeksteam denkt.
Op de vorige zitting heeft [medeverdachte] (in zijn eigen zaak) uitdrukkelijk aangegeven cliënt niet te kennen en geen (app)contact met hem te hebben. Client is dus niet de “ [verdachte] ” dan wel het “Broertje” waar hij contact mee had.
Mijn standpunt is dat de verklaring van [medeverdachte] zeer ontlastend is.
Er zijn overigens nog meer interessante aspecten aan de verklaring van [medeverdachte] , en er zijn meer interessante zaken terug te vinden in de vraagstelling van de verbalisanten aan [medeverdachte] .
Zo zegt [medeverdachte] verder dat hij met zoveel personen whats-app contacten heeft (p. 250) en lijken de verbalisanten heel duidelijk ook rekening te houden dat [medeverdachte] met meerdere organisaties contact heeft (p. 252, de verbalisanten zeggen letterlijk in hun vraagstelling dat ze denken dat er meerdere koeriers, al dan niet voor meerdere organisaties, zijn aangekomen die dag).
Voor wat de naam “Broertje” betreft, geldt naast hetgeen eerder aangevoerd werd, tevens dat cliënt nergens in de politiesystemen als “Broertje” aangeduid wordt. In de politiesystemen is géén harde informatie opgenomen dat de bijnaam van cliënt “ [verdachte] ” zou zijn.
[…]
President, geacht college. Ik rond af. Ik verzoek u cliënt vrij te spreken van deze tenlastelegging.
aa.”
10. Ter terechtzitting heeft de raadsman in aanvulling op de pleitnota nog onder meer het volgende medegedeeld, waarbij (als gezegd) de, door mij vetgedrukte, letters corresponderen met die welke door de griffier op de pleitnota zijn aangebracht:
“
h.Of [verdachte] , of [verdachte] , of [verdachte] . Je zou toch in ieder geval ‘ [verdachte] ’ erbij zetten? Uit het feit dat met een andere gebruikersnaam wordt geappt, moet kunnen worden afgeleid dat het kennelijk een andere persoon is.
i.Vaak zie je dat mobiele telefoons aanstralen bij zendmasten in de omgeving van de verdachten. Betreffende mijn cliënt zitten er uitdrukkelijk geen zendmastgegevens in het dossier die de telefoons plaatsen op plekken die aan mijn cliënt te koppelen zijn.
j.Er is niet geschreven over verjaardagen, over de gezondheid van de moeder van mijn cliënt, over het kinderdagverblijf of over zijn nicht [betrokkene 6] . Zulke zaken, waarmee je iemand kan koppelen aan een toestel, zie je normaal heel vaak terugkomen. Die koppeling kan in deze zaak op geen enkele manier worden gemaakt. Is er gekeken of er gebeld is met de moeder van mijn cliënt, die extreem belangrijk voor hem is? Is er gebeld met het kinderdagverblijf in Suriname? Mijn cliënt heeft namelijk gezegd dat hij daarbij betrokken is en dat hij het kinderdagverblijf eigenlijk van zijn moeder heeft overgenomen. Zijn zulke gesprekken gevoerd? Kan je aan de hand van de gegevens zien dat er met een bepaalde-frequentie met een bepaalde vriendin is gebeld? Kan je zien dat [verdachte] en Broertje op dezelfde locaties aanwezig waren? Kan je zien dat met die accounts vergelijkbare mensen werden gebeld? Dat is allemaal niet te zien. Hoezo zijn [verdachte] en Broertje dan dezelfde persoon? In bepaalde dossiers zie je de namen Langa en Rasta terugkomen, maar niet in elk dossier. Je ziet ook niet in elk dossier Driver of Organiser langskomen, de taxichauffeur van [betrokkene 3] . Ook zie je niet in elk dossier [betrokkene 3] terugkomen. Ik zeg dit, omdat het van belang is om te beseffen dat met drugssmokkel op verschillende momenten meerdere mensen los van elkaar bezig zijn en dat meerdere mensen los-vaste samenwerkingsverbanden hebben met elkaar. Het is niet zo dat iemand standaard met een andere persoon samenwerkt, of dat een persoon altijd bezig is als een andere persoon ook bezig is. Dat de gesprekken van [verdachte] en Broertje allebei over drugs lijken te gaan, betekent niet dat zij dezelfde persoon zijn.
k.Ook in de whatsappgesprekken zie je op meerdere plekken ‘broer’ staan.
l.Mijn cliënt verbleef regelmatig bij [betrokkene 6] , maar er zijn geen zendmastgegevens waaruit blijkt dat [verdachte] en/of Broertje daar waren. Ik heb contact gelegd met [betrokkene 6] . [betrokkene 6] kende een Surinaams telefoonnummer van mijn cliënt, niet zijnde een van de nummers die in het dossier naar voren komen. Ik meen dat zonder een verhoor van [betrokkene 6] , met het gegeven dat zij kennelijk heeft gebeld met het nummer van [verdachte] en het nummer van Broertje, niet is af te leiden dat mijn cliënt die nummers gebruikte. Je zou alleen kunnen zeggen dat mensen kennelijk dicht bij elkaar in de buurt zijn, dus dat mijn cliënt er dicht bij hangt.
m.Met Broertje is een gesprek gevoerd over [b-straat 1] en daarna iets wat ik zie als een typefout. Heeft de verbalisant die de gesprekken heeft overgetypt daar een fout gemaakt of heeft de persoon die het bericht verstuurde het letterlijk zo getypt? Gaat het dus wel over het adres [b-straat 1] ? Ik kan het nu niet meer toetsen, want het OM heeft die gesprekken van [verdachte] laten vernietigen, althans niet goed veilig gesteld. Je ziet staan: ‘ [b-straat 1] ’ en daaronder: ‘ [b-straat 2] vongensmih’. Ik denk dat het laatste woord verkeerd getypt is. Met een beetje fantasie is daarin te lezen ‘volgens mij [b-straat 2] ’. Met andere woorden: het gegeven dat we het nu niet meer kunnen toetsen, maakt dat ik het op deze manier meen te kunnen en mogen brengen.
n.Geen aanvulling.
o.Er is hier sprake van personen die, blijkens de whatsappgesprekken, bezig zijn met het zoeken naar valse identiteitsbewijzen. De rechtbank op Schiphol behandelt regelmatig zaken van personen die met valse identiteitsbewijzen reizen. Wat betekent dan het gegeven dat een persoon genaamd [verdachte] met die geboortedatum met het vliegtuig gereisd heeft? Je kan niet zeggen dat het mijn cliënt is geweest. Het hof kan er niet vanuit gaan dat hij op 18 augustus 2016 heeft gevlogen. De gegevens van mijn cliënt zijn wel aan die vlucht te koppelen, maar zijn persoon niet.
p.[betrokkene 16] zat op de vlucht. Niet is nader gemotiveerd waarom [betrokkene 16] is losgelaten. Er is niet gekeken naar de connecties tussen [betrokkene 16] en [medeverdachte] . [betrokkene 16] was aanvankelijk zo belangrijk voor het onderzoeksteam: eerst zou hij mogelijk [verdachte] zijn. Het OM spreekt over alternatieve scenario’s. Mijn cliënt heeft niets te schetsen, want hij weet niets. Uit het dossier blijkt een heel duidelijk alternatief, namelijk [betrokkene 16] . Die heeft de telefoon bediend waarmee de belastende gesprekken gevoerd zijn. Met fantasie is de telefoon van [verdachte] aan deze zaken te koppelen, maar in de telefoon van Broertje zie ik niets wat relevant is voor deze specifieke zaken. Volgens de verbalisanten zou [betrokkene 16] [verdachte] zijn.
q.Er is niets, bijvoorbeeld zendmastgegevens, wat de telefoon in Suriname kan plaatsen.
r.Het zou kunnen dat mijn cliënt de persoon op de foto is, maar de manier waarop dat aanvankelijk is gesteld, klopt niet. Je ziet maar een bepaald deel van het gezicht. Dan kun je zaken missen. Een zonnebril werkt hetzelfde als het balkje waarmee mensen in de krant onherkenbaar worden gemaakt.
s.Degene die de foto heeft geplaatst kan ook een natuurliefhebber zijn, een liefhebber van een rivier in Suriname of een liefhebber van speedboten. Mijn cliënt had overigens geen speedboot op zijn naam.
t.We weten dat er sprake kan zijn van identiteitsfraude. Er zijn personen die bewust een foto van een ander in hun profiel zetten om de boel op te lichten. We moeten voorzichtig zijn om aan de hand van een profielfoto te zeggen dat iemand de gebruiker is van dat profiel. Het kan zijn dat deze foto is gebruikt om een dwaalspoor te creëren. Het hof dient zich niet te laten leiden door de profielfoto en de vlucht naar Suriname.
u.Is dit voldoende om te zeggen dat mijn cliënt op die vlucht zat? Ik zag op de vluchtlijst dat mijn zusje toevallig ook op die vlucht zat, net als een andere persoon die is doodgeschoten in een parkeergarage in Amsterdam. Er zijn heel veel personen die op die vlucht zaten. Als het al gaat om die specifieke vlucht, betekent dat niet dat het mijn cliënt is geweest die geappt heeft.
v.Uit de woorden ‘via via’ blijkt mijn inziens dat het niet een rechtstreekse vlucht is geweest van Curaçao naar Nederland. Het onderzoeksteam geeft aan dat de vlucht uit Curaçao om 6.56 uur is geland. Maar hoe laat is die vlucht vertrokken? In appberichten van rond een uur of 5 staat: ‘ik vertrek zo’. Op dat moment was het op Curaçao rond een uur of 1. Toen is er geen vlucht vertrokken. Hoe beter je naar de zaak kijkt, hoe meer je moet zeggen: de verbalisanten hebben te snel bepaalde conclusies getrokken. Er zijn te veel onduidelijkheden. In mijn optiek is niets belastend aan de gesprekken en de analyse. Op de vlucht van 18 augustus 2016 naar Suriname zat nog een andere [betrokkene 17] , zo volgt uit de vluchtlijst. Misschien zat de oom van [verdachte] ook op de vlucht? Gebruikte die oom misschien de betreffende telefoon? Is hij de reden van de connectie met [betrokkene 6] en die andere nicht? Er worden te makkelijk conclusies getrokken.
w.De auto laat enkel zien dat we spreken over mensen die zich kennelijk min of meer in dezelfde kringen bewegen. Niets meer en niets minder. Het zegt niets over de betrokkenheid van mijn cliënt bij drugssmokkel.
[...]
aa.De rechtbank heeft veel waarde gehecht aan de telefoons van Broertje en [verdachte] . Deze telefoons kunnen niet aan mijn cliënt worden toegerekend. Niet kan worden gezegd dat [verdachte] en Broertje dezelfde persoon zijn en niet kan worden gezegd dat mijn cliënt [verdachte] of Broertje is. Het is onvoldoende duidelijk geworden dat mijn cliënt de knoppen van de telefoon heeft bediend en dat hij de berichten heeft verzonden heeft en met [medeverdachte] heeft gesproken. Er zijn in het dossier ook andere namen genoemd. Er blijft te weinig over om de accounts aan mijn cliënt te koppelen, waardoor enkel vrijspraak kan volgen. Bij een bewezenverklaring neemt u een levensgrote kans om een onschuldige persoon te veroordelen. Er is onvoldoende zekerheid. Ik snap het gemak van het OM en de rechtbank niet om hem als dader aan te wijzen. Er zijn reële alternatieven en gigantische gaten in de bewijsvoering. Dat dient te leiden tot vrijspraak.
Met name in de zaak [betrokkene 5] kan je niet zeggen dat de persoon die geappt heeft een rol als medepleger of zelfs als medeplichtige heeft. Ik meen dat ook in de andere zaakdossiers, gezien de berichten die via whatsapp gestuurd zijn, niet gezegd kan worden dat [verdachte] een medepleger is. Het is ook maar de vraag of [verdachte] medeplichtig is. Hoe je het ook wendt of keert, mijn cliënt dient voor alle tenlastegelegde feiten te Worden vrijgesproken.”
11. Het is vaste rechtspraak dat de feitenrechter – binnen de door de wet getrokken grenzen – vrij is om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Over de keuzes die de feitenrechter daarin maakt hoeft hij in beginsel geen verantwoording af te leggen. Ook de motiveringsplicht van de tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Wil het ingenomen standpunt de verplichting tot beantwoording scheppen, dan dient het duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren te worden gebracht.Is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv en wijkt de rechter in zijn vonnis of arrest van dit standpunt af, dan is hij gehouden in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de aard van hetgeen aan de orde is gesteld en de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.
Bespreking van het middel
12. De steller van het middel noemt in haar toelichting vijf “wezenlijke onderdelen van het verweer van de verdediging” waarop het hof niet (genoegzaam) zou hebben gerespondeerd.
13. Voor zover de steller van het middel de opvatting is toegedaan dat elk van (althans een aantal van) die onderdelen een zelfstandig uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv oplevert en het hof heeft verzuimd op elk van die (bedoelde) onderdelen dienovereenkomstig te reageren, faalt de klacht bij gebrek aan feitelijke grondslag. Er is geen sprake van dat die onderdelen elk op zichzelf een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de hier bedoelde zin zijn en zo is het ook niet ter terechtzitting door de verdediging ingestoken. De onderdelen waarop de steller van het middel heeft ingezoomd zijn de argumenten die de verdediging ten grondslag heeft gelegd aan haar uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verdachte niet de gebruiker is geweest van de accountnamen [verdachte] en Broertje.
14. Het gaat de steller van het middel om de volgende vijf “onderdelen van” (dat wil zeggen argumenten in) het verweer van de verdediging:
- de profielfoto bij het account [verdachte] is niet een foto van de verdachte, dan wel de foto van de verdachte kan door een ander zijn gebruikt;
- er zijn verschillende redenen aangevoerd die leiden tot de conclusie dat het niet de verdachte, dan wel [verdachte] of Broertje is geweest die 18 augustus 2016 op de vlucht KL0713 van Schiphol naar Suriname en 11 januari 2017 op de vlucht KL0736 van Curaçao naar Amsterdam zat;
- de telefoon van [verdachte] behoort toe aan [betrokkene 16] en de telefoon van Broertje aan [betrokkene 18] ;
- noch uit het contact met [betrokkene 6] , noch uit het gesprek tussen Broertje en [medeverdachte] waarin [b-straat 1] wordt genoemd, kan worden afgeleid dat de verdachte aan de bedoelde accounts te koppelen is;
- uit niets volgt dat achter [verdachte] en Broertje dezelfde persoon schuilgaat.
15. Het hof heeft zich allereerst verenigd met de volgende vaststellingen en overwegingen van de rechtbank:
i) tussen 20 mei 2016 en 19 september 2016 is er veel contact geweest tussen de whatsapp-accounts [verdachte] en [medeverdachte] ;
ii) [verdachte] noemt [medeverdachte] vaak Broer en [medeverdachte] noemt [verdachte] geregeld Broertje;
iii) vergelijkend onderzoek van de profielfoto van [verdachte] met de foto op (kort gezegd) een aanvraagformulier voor een Nederlands reisdocument op naam van de verdachte door twee documentdeskundigen van de Koninklijke Marechaussee heeft geleid tot hun vaststelling dat het om één en dezelfde persoon gaat;
iv) [betrokkene 6] – bij wie de verdachte naar eigen zeggen vaak verblijft – heeft in de periode van 22 maart 2016 tot en met 8 mei 2017 zeven keer met het aan [verdachte] gekoppelde telefoonnummer en één keer met het aan Broertje gekoppelde telefoonnummer contact gehad;
(v) op 18 augustus 2016 heeft [verdachte] telefonisch contact vanaf Schiphol, waarbij het laatste contact om 11:22 plaatsvond;
(vi) op 18 augustus 2016 vertrekt om 11:25 uur vlucht KL0713 naar Suriname, met aan boord de verdachte;
(vii) op 8 januari 2017 spreken Broertje en [medeverdachte] via whatsapp over de [b-straat 1] te [plaats] , op welk adres de verdachte eerder ingeschreven heeft gestaan;
(viii) op 11 januari 2017 bericht Broertje aan [medeverdachte] dat hij hem morgen ziet en op 12 januari 2017 laat Broertje aan [medeverdachte] weten dat hij om 7 uur is geland;
(ix) op 12 januari 2017 is om 06:55 uur de vlucht KL0736 uit Curaçao met de verdachte aan boord op Schiphol geland;
(x) het door de verdediging ingebracht onderzoeksrapport betreffende de profielfoto van [verdachte] alsmede de foto op het genoemde aanvraagformulier biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat deze twee personen niet dezelfde kunnen zijn;
(xi) de stelling dat de gebruiker van het whatsapp account [verdachte] daaraan een profielfoto van iemand anders dan zichzelf heeft gekoppeld, is onder de genoemde omstandigheden niet aannemelijk;
(xii) de verdachte heeft zich op zijn zwijgrecht beroepen terwijl de hierboven genoemde bevindingen om een verklaring schreeuwen.
16. Het hof heeft aan die opsomming het volgende toegevoegd:
(xiii) [verdachte] en Broertje hebben volgtijdelijk zeer veel contact met medeverdachte [medeverdachte] , [verdachte] en Broertje spreken [medeverdachte] op dezelfde wijze aan (Broer en [medeverdachte] ), terwijl medeverdachte [medeverdachte] omgekeerd de gebruikers op ‘dezelfde’ wijze aanspreekt (Broertje);
(xiv) ook hebben de aan [verdachte] en Broertje gekoppelde telefoonnummers volgtijdig contact met [betrokkene 6] en hebben beide nummers contact met vijf overeenkomstige telefoonnummers;
(xv) tussen 17 augustus 2016 en 19 augustus 2016 hebben [verdachte] en [medeverdachte] berichten aan elkaar gestuurd die betrekking hebben op a. een vertrek van [verdachte] en de aankomst van [verdachte] , b. de te bezoeken personen en c. de uitwisseling van een Surinaams telefoonnummer;
(xv) wat betreft de vlucht KL0713 op 18 augustus 2016 naar Suriname en de vlucht KL0736 op 12 januari 2017 uit Curaçao komt enkel de naam van de verdachte op beide passagierslijsten voor.
17. Het hof is met (bevestiging van) het voorgaande – (i) tot en met (xv), ook in onderlinge samenhang beschouwd – ruimschoots op het onderhavige uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging ingegaan en heeft daarmee in het bijzonder de redenen opgegeven die tot de verwerping van dat standpunt hebben geleid. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden. Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat de onderdelen (argumenten) waarop de steller van het middel ziet, deels speculatief zijn en/of zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor de beoordeling waarvan in de cassatieprocedure geen ruimte is. De gevolgtrekkingen van het hof dat 1. de verdachte de gebruiker was van de genoemde telefoonnummers/accounts, 2. hij [verdachte] en Broertje is en 3. hij op de genoemde KLM-vluchten zat, kunnen zonder meer uit het tot het bewijs gebezigde bewijsmateriaal (o.m. het proces-verbaal van bevindingen van 8 mei 2017) worden afgeleid. Derhalve is ook de tweede in het middel vervatte klacht ongegrond.
18. Het middel faalt in beide onderdelen.