Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
3.Bespreking van het cassatiemiddel van de vrouw in beide zaken
zelfstandig dragendop het gerechtvaardigd kunnen vertrouwen van de man dat wil en verklaring van de vrouw overeenstemden. In dit oordeel ligt de op zichzelf juiste rechtsopvatting besloten dat ondanks het gegeven dat wil en verklaring van een partij niet (zouden) overeenstemmen, er toch een overeenkomst tot stand komt, wanneer sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen bij haar wederpartij [5] .
noodzakelijkwas voor de beoordeling van het geschil [6] . Het hof laat inderdaad in het midden in welke mate de man de vrouw informatie heeft gegeven en een aantal andere stellingen van de vrouw die subonderdeel I-0 onder de noemer hypothetisch feitelijke grondslag wil brengen, maar kon dat ook doen gelet op de even besproken zelfstandig dragende grondslag gebaseerd op gerechtvaardigd vertrouwen van de man. Van noodzakelijkheid voor de beoordeling van het geschil, zoals subonderdeel I-0 poneert, was hier zo bezien geen sprake; het middel van de vrouw licht ook niet toe waarom een vaststelling van die feiten noodzakelijk zou zijn voor de geschilbeoordeling [7] . Een deel van de stellingen die subonderdeel I-0 opvoert zijn ook impliciet verworpen door het hof met zijn oordeel dat de bij de wijzingen van de huwelijkse voorwaarden betrokken notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan. In cassatie kan dan niet als hypothetisch feitelijke grondslag worden aangenomen dat de vrouw in de veronderstelling verkeerde dat de wijzigingen gunstig voor haar waren en in haar belang, zoals subonderdeel I-0 ingang wil doen vinden. Maar ook los van die gerechtvaardigd vertrouwenssleutel zijn de door subonderdeel I-0 voorgedragen hypothetische feitelijke grondslagen niet relevant voor de vraag of de vrouw aan haar stelplicht heeft voldaan voor haar beroep op (oneigenlijke) dwaling, zoals het cassatiemiddel van de man in 2.14 aanvoert. Dat lijkt mij ook. Daarbij hoefde het hof niet verder in te gaan op de stellingen van de vrouw dat zij de man blind vertrouwde en wat de man haar had geadviseerd over het stellen van vragen bij de notaris, gelet op de wijze waarop het hof gerechtvaardigd vertrouwen bij de man aanneemt.
Belehrungspflichtvan de notaris uitgebreid nader aan de orde, maar als de notaris zijn taak
naar behorenverricht, dan is dat een belangrijk element om te kunnen aannemen dat de wil van partijen in een daarmee overeenstemmende verklaring is geopenbaard en dat er geen sprake is van wilsgebreken [8] . Datzelfde lijkt mij te moeten opgaan voor oneigenlijke dwaling (dat hierna ook in de bespreking nog aan bod komt). De vrouw heeft hier in feitelijke instanties ook geen standpunten over ingenomen. Zij heeft telkens tot uitgangspunt genomen dat de notarissen
nietaan hun zorgplicht hebben voldaan [9] . Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat nu het hof tot het oordeel komt dat de notarissen de vrouw
welvoldoende hebben voorgelicht, niet kan worden gezegd dat haar wil niet in overeenstemming was met haar verklaring of dat er sprake is van wilsgebreken. Zoals uit de bespreking van met name
subonderdeel II-2.1volgt, slagen in mijn ogen overigens deels klachten over het oordeel dat de ministerie verlenende notarissen hier aan hun zorgplicht hebben voldaan, namelijk voor wat betreft de tweede wijziging van de huwelijkse voorwaarden, en belangrijker nog en los daarvan, zie ik ook de klacht over het verwerpen van het beroep op wederzijdse dwaling met betrekking tot de tweede wijziging doel treffen (
subonderdeel II.2.6).
Zeeuwse notaris-arrest [10] een redelijke bewijslastverdeling in een geval als dit kan meebrengen dat de man had dienen te bewijzen dat de vrouw de strekking en de gevolgen van de akte kon overzien. Omdat die mogelijkheid van een andere bewijslastverdeling in de rechtspraak is erkend, had die hier gelet op de draconische gevolgen voor de vrouw moeten worden toegepast. Dat heeft het hof ofwel miskend, ofwel is zijn oordeel daarover ontoereikend gemotiveerd, aldus deze klacht.
Zeeuwse notarisheeft de Hoge Raad bevestigd dat weliswaar volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro jo. art. 6:228 lid 1 BW Pro de bewijslast met betrekking tot feiten die een beroep op dwaling kunnen opleveren rust op degene die zich op dwaling beroept, maar dat in een specifiek geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere bewijslastverdeling kan voortvloeien. Het ging in die zaak om een uitzonderlijke situatie waarin de man in strijd met het vertrouwen dat de vrouw in hem als haar echtgenoot (in een goede huwelijksrelatie) en als notarieel jurist in een vertrouwensfunctie mocht stellen, hoogst onzorgvuldig heeft gehandeld, doordat hij had verzuimd haar goed en onpartijdig voor te lichten over de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte. De Hoge Raad geeft ook aan dat de slotzin van art. 150 Rv Pro een op de eisen van redelijkheid en billijkheid gegronde uitzonderingsbepaling is en dat bij de toepassing daarvan in het algemeen terughoudendheid moet worden betracht.
kanop grond van de redelijkheid en billijkheid de bewijslast anders verdelen dan uit de hoofdregel voortvloeit. Dat kan gerechtvaardigd zijn op grond van de bijzondere omstandigheden van het geval. De feitenrechter moet per geval de afweging maken of daar voldoende klemmende argumenten voor zijn, maar dient daarin terughoudend te zijn. Het oordeel om al dan niet af te wijken van de hoofdregel op grond van de redelijkheid en billijkheid in het concrete geval is zodanig vermengd met feitelijke aspecten, dat dat in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst [11] . Het hof heeft in onze zaak kennelijk onvoldoende aanleiding gevonden om de bewijslast om te keren. Dat is op zich aan de feitenrechter voorbehouden en in het licht van de verschillen met
Zeeuwse notarisniet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht naar ik meen.
Zeeuwse notariswaren kras, met name door de notariële kennisvoorsprong van de man, die ook nog eens op het kantoor van de passerende notaris werkte en op het punt stond om dat kantoor over te nemen. Partijen waren in gemeenschap van goederen getrouwd en vervolgens staande huwelijk huwelijkse voorwaarden overeengekomen, waarin werd bepaald dat tussen hen geen enkele gemeenschap van goederen zou bestaan. De man had bovendien zelf de tekst van de akte opgesteld. In die akte werd als motief voor de wijziging vermeld het (toekomstig) beroep van de man als notaris en beperking van risico’s die konden voortvloeien uit dat ondernemerschap. De vrouw had vooraf geen concept van de akte ontvangen en zij was niet deugdelijk voorgelicht door de passerende notaris. De vrouw in
Zeeuwse notarisheeft niet kunnen overzien wat de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte waren en zij had geen nadere onderzoeksplicht, omdat zij als leek erop mocht vertrouwen dat haar echtgenoot, met wie de relatie destijds goed was, haar mede gelet op zijn vertrouwensfunctie goed en op onpartijdige wijze had ingelicht over de werkelijke gevolgen van de akte. Cassatie tegen het door rechtbank en hof geslaagd geachte beroep op dwaling van de vrouw werd in dit arrest verworpen.
subonderdeel II-2.6. De rechtsklacht gaat al helemaal niet op en van ontoereikende motivering is in het licht van hoe
Zeeuwse notarismoet worden opgevat evenmin sprake. Daar ketst subonderdeel I-I.1 op af.
doorslaggevendebetekenis toe te kennen aan het schenden van zo’n verplichting tussen echtelieden, als een notaris wèl aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De notaris dient immers naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht. Dat de notaris zijn taak naar behoren heeft verricht, is dan een belangrijk element voor het oordeel dat de wil van de partijen in een daarmee overeenstemmende verklaring is geopenbaard en het ligt dan niet voor de hand dat er sprake is van wilsgebreken [17] . Dat brengt denk ik mee dat het hof hier niet behoefde in te gaan op de in de klacht bedoelde stelplicht van de man. Daar ketst deze klacht dan op af, maar daar zou in een zaak als deze ook anders over kunnen worden gedacht.
subonderdeel II-0dat het dwalingsoordeel van het hof voortbouwt op hetgeen is aangevallen in I-0 t/m I-III, mist zelfstandige betekenis, zodat dit niet nader besproken hoeft te worden. Die klacht treft geen doel.
onder II-1ais dat voor zover het hof in rov. 2.8 niet alleen de overweging van de rechtbank heeft herhaald, maar tevens een omschrijving heeft gegeven van het partijdebat over dwaling in hoger beroep, het hof dan art. 24 Rv Pro heeft miskend, alsook de devolutieve werking van het appel en dat dat oordeel ook onbegrijpelijk is. De vrouw heeft volgens de klacht wel een beroep op (eigenlijke) dwaling gedaan, naast haar beroep op oneigenlijke dwaling [19] . Dit tast volgens de klacht ook rov. 2.15 aan, die hierop voortbouwt.
beterop zou worden, terwijl zij in werkelijkheid vrijwel alles waar zij op basis van de huwelijkse voorwaarden uit 1997 recht op had prijs gaf (met inbegrip van verrekening, pensioen en bescherming tegen negatief vermogen van de man) [20] . Volgens de klacht behandelt het hof dus de verkeerde grondslag en oordeelt op basis daarvan dat de vrouw geen omstandigheden heeft aangetoond om haar stellingen op dit punt te onderbouwen. Daarnaast klaagt de vrouw in subonderdeel II-1b dat het hof in rov. 2.15 heeft miskend dat de vrouw naast haar beroep op eigenlijke dwaling ook beroep heeft gedaan op oneigenlijke dwaling [21] , zodat het oordeel om die reden niet toereikend is gemotiveerd.
geenruimte is voor een slagend dwalingsberoep. Daarmee zijn de aangedragen gronden voor dwaling impliciet verworpen en dat lijkt mij goed te volgen. Wat er verder zij van de specifieke door de klacht als element b. aangeroerde omstandigheid in dit verband dat de vrouw heeft gesteld dat de man in 2009 niet het herstel van het huwelijk voor ogen had, maar al voorsorteerde op de echtscheiding, lijkt er mij belang in cassatie te ontbreken bij dit deel van de klachten uit subonderdeel II-1b, gelet op de dragende wijze waarop het hof het dwalingsberoep van de vrouw afwijst (daargelaten de hierna te bespreken in mijn ogen slagende klacht uit subonderdeel II-2-6 over het oordeel over wederzijdse dwaling met betrekking tot de tweede wijziging van de huwelijkse voorwaarden uit 2016).
Belehrungspflicht, omdat dat getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, zo
onderdeel II.2.1.Het hof gaat volgens de klacht uit van een onjuiste, want te lichte maatstaf voor de
Belehrungspflicht.Zoals art. 43 lid 1 Wet Pro op het notarisambt (WN) sinds 1999 voorschrijft, houdt dit in dat de notaris niet alleen aan partijen de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven, maar zo nodig ook wijst op de gevolgen die voor partijen of een of meer van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Deze zwaarwegende zorgplicht vereist een actieve opstelling van de notaris. Daar komt bij dat de notaris niet alleen tot taak heeft te onderzoeken of de wil aanwezig is tot het aangaan van bepaalde rechtshandelingen, maar ook op welke wijze die wil is gevormd [25] . Dat de betrokken notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan, volgt volgens de klacht geenszins uit hun getuigenverklaringen: daaruit volgt dat geen van hen onderzoek heeft gedaan naar de wijze waarop de wil bij de vrouw is gevormd. De zorgplicht gaat veel verder dan dat concepten met toelichting aan partijen worden toegezonden en dat de inhoud met partijen wordt besproken, zoals het hof in rov. 2.9 aangeeft. Nu de vrouw in de veronderstelling verkeerde dat zij er door de wijzigingen beter op werd, is haar wat passieve houding ten overstaan van de notarissen te verklaren en hadden deze door onderzoek boven tafel moeten krijgen dat zij in die verkeerde veronderstelling verkeerde middels inlichting over de strekking en uitwerking van die wijzigingen. Het hof miskent volgens de klacht dat zeker als het om ingrijpende wijzigingen gaat, waarbij een partij vergaand afstand van allerlei rechten doet, de notaris zich ervan dient te vergewissen dat partijen zich bewust zijn van de concrete financiële omvang van de rechten die worden prijsgegeven. Als men navraag had gedaan bij de vrouw naar de reden van dit vergaand prijsgeven en zij had geantwoord in de veronderstelling te verkeren dat zij er financieel op vooruit zou gaan, dan hadden de notarissen haar uit die droom moeten helpen en moeten uitleggen welke rechten zij prijsgaf. De notaris had de vrouw dan moeten uitleggen dat het niet zo was dat haar financiële positie gelijkwaardiger zou worden aan die van de man. Ook had de notaris volgens het onderdeel moeten nagaan of de ene partij afhankelijk was van de andere en in het geval van afhankelijkheid zijn ministerie moeten weigeren, waarbij volgens de klacht een feit van algemene bekendheid is dat in affectieve relaties veelvuldig sprake is van ongelijkwaardige relaties waarbij de ene partij sterk afhankelijk is van de andere. Dan moet juist de notaris ook dat aspect onderzoeken om te onderzoeken of de ene partij zich door de sterke partij laar ‘inpakken’. Uit de getuigenverklaringen of door het hof behandelde argumenten volgt niet dat de notarissen aan deze strenge eisen hebben voldaan. Zij hebben geen onderzoek gedaan naar de wijze waarop de wil bij de vrouw is gevormd. Simpelweg uit het feit dat partijen hebben getekend heeft notaris [notaris 2] afgeleid dat zij overeenstemming hadden en heeft notaris [notaris 1] afgeleid dat ‘het wel goed zat’ en er dus geen reden was om niet te passeren.
zo nodigwijzen op de gevolgen die uit de inhoud van de akte voortvloeien, ook wel de waarschuwingsplicht genoemd [26] .
Groningse huwelijkse voorwaarden [32] , dat heeft geleid tot art. 43 WN Pro [33] , heeft de waarschuwingsplicht in ons recht geïntroduceerd. De functie van de notaris in het rechtsverkeer brengt mee dat hij beroepshalve gehouden is ‘naar vermogen te voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van juridische onkunde en feitelijk overwicht’. Het ging in die zaak om de positie van notaris X ten opzichte van zijn ondeskundige cliënte Y, die was gehuwd met notaris Z. De financiële positie van notaris Z had de aandacht getrokken van de Kamer van Toezicht en op voorstel van notaris X, die in de Kamer van Toezicht zat, had Z ermee ingestemd de bestaande huwelijkse voorwaarden te verruilen voor de wettelijke gemeenschap om op die manier het vermogen van Y te kunnen aanwenden voor de betaling van de schulden van Z. Na een echtscheiding vijf jaar later blijkt dat het vermogen van Y inderdaad bijna volledig is gebruikt voor de betaling van de schulden van notaris Z. Y spreekt notaris X aan tot schadevergoeding. De vraag is of notaris X verplicht was om te wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en om zich ervan te vergewissen of Y wist dat Z zich in een slechte financiële positie bevond. De Hoge Raad oordeelde dat de omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de notaris beroepshalve is gehouden tot het geven van verdergaande informatie dan de op dat moment in art. 30 lid 2 Nw Pro voorgeschreven opgave van de zakelijke inhoud van de akte. De notaris had hier dienen te wijzen op specifieke aan de voorgenomen rechtshandeling verbonden risico’s en hij had zich dienen te vergewissen dat die voldoende onder ogen werden gezien. Van de notaris wordt dan ook een actieve rol verwacht [34] .
Belehrungspflicht,een vakterm ontleend aan het Duitse recht [35] . Een kleine rechtsvergelijkende exercitie leert dat de algemene informatieplicht van de Duitse notaris haar grondslag vindt in § 17 van het Beurkundungsgezetz (BeurkG). § 17 lid 1 bepaalt dat de notaris de wil van partijen onderzoekt, een zakelijke uitleg geeft en partijen voorlicht over de juridische gevolgen van de rechtshandeling, waarbij hij ervoor waakt dat een partij niet wordt benadeeld door onervarenheid of onbekendheid [36] . Bij twijfel over de werkelijke wil van partijen zal de notaris deze twijfel met partijen moeten bespreken, zo bepaalt § 17 lid 2: als de notaris twijfelt aan de juridische effectiviteit van de akte, moet hij dat ook met partijen bespreken. Indien partijen desondanks willen doorzetten, dan neemt de notaris de door hem gegeven voorlichting en de betreffende verklaringen van partijen op in de akte [37] . Deze informatieplicht strekt niet verder dan het uiteenzetten van de
juridischedraagwijdte van de rechtshandeling. Naast de algemene informatieplicht bestaat onder bijzondere omstandigheden ook een ‘
erweiterte Belehrungspflicht’. Deze plicht rust op de notaris als hij op grond van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval het vermoeden heeft dat een cliënt schade zal lijden waarop hij door een gebrek aan juridische kennis niet bedacht is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een onervaren cliënt een verhoudingsgewijze grotere financiële prestatie levert dan de wederpartij zonder dat daar zekerheid tegenover staat. De notaris zal in dat geval ook moeten wijzen op de
financiëlegevolgen van een rechtshandeling [38] .
Belehrungsplichtin Nederland voor de notaris een waarschuwingsplicht behelst voor de risico’s van een voorgenomen rechtshandeling, hangt af van de omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om de onderlinge verhouding tussen partijen, hun verhouding tot de notaris en hun ervaring en deskundigheid [39] . In het algemeen kan worden gezegd dat de notaris een versterkte zorgplicht in acht heeft te nemen, als de transactie in kwestie kenbare risico’s met zich brengt en er aanwijzingen zijn dat in ieder geval een van de partijen zich dat niet gerealiseerd heeft, of daarvan een verkeerde voorstelling heeft [40] . Van de notaris wordt een actieve houding verwacht en hij zal bij de uitoefening van zijn werkzaamheden alert moeten zijn op onevenwichtigheden tussen partijen. Als de notaris risico’s van financiële of andere aard opmerkt en reden heeft om te vermoeden dat een van de betrokkenen die risico’s niet onder ogen ziet of de afspraken daarover verkeerd begrijpt, dan is de notaris verplicht om te informeren. De notaris zal die partij moeten inlichten over de risico’s en soms zelfs expliciet moeten waarschuwen [41] . Dat is zeker het geval als een van de partijen onvoldoende deskundig is, of op een andere manier onder druk wordt gezet of wordt beïnvloed [42] .
in alle gevallenvan onevenwichtigheid door kennis of afhankelijkheid zijn ministerie moet weigeren. De voorlichtings- of waarschuwingsplicht strekt er toe om
misbruik te voorkomen.
van welk concreet bedrag de vrouw afstand doet,lijkt me (flink) door te schieten. Dat kan binnen en conform de geldende norm best meer in abstracto. Een notaris kan ook op een andere manier toereikend waarschuwen voor de omvang van de financiële risico’s voor de vrouw gemoeid met de beoogde wijzigingen, zonder een concreet bedrag te noemen [43] .
uitdrukkelijkgeoordeeld dat op de notaris een
waarschuwingsplichtrustte, maar dan moet bezien worden of niet materieel is getoetst of de notaris daar in feite aan heeft voldaan, in welk geval het hofoordeel goed te volgen is en er geen motiveringsgebreken aan kleven.
eerste wijziginguit 2009 betreft. Uit het proces-verbaal van het getuigenverhoor van notaris [notaris 1] en kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] kan het hof namelijk hebben afgeleid dat de vrouw door hen
is gewaarschuwdvoor de verregaande nadelige gevolgen die de wijziging in 2009 voor haar konden hebben. Notaris [notaris 1] heeft verklaard dat bij de besprekingen het concept en de gevolgen zijn besproken. Ook heeft hij verklaard dat een apart gesprek met de vrouw heeft plaatsgevonden. De reden hiervoor was volgens hem de aard van de wijzigingen. De vrouw gaf een mogelijk recht op waarvan ze de omvang niet kende [44] . De kandidaat-notaris heeft daarnaast verklaard dat het een opvallende zaak was, omdat de huwelijkse voorwaarden werden gewijzigd in een voor de vrouw niet zo gunstige zin. Ook heeft zij verklaard dat zij telefonisch contact heeft gehad met de vrouw en haar in dat gesprek heeft gevraagd om los van haar man op kantoor te komen om de verregaande negatieve gevolgen van de akte te bespreken. Verder is in de bespreking voor het tekenen van de akte de inhoud van de akte uitgelegd, ook in begrijpelijke taal voor juridische leken (‘Jip en Janneke taal’ volgens het p-v), en denkt de kandidaat-notaris dat zij tegen de vrouw hebben gezegd: “Nu spaart u evenveel als uw man en straks spaart u niet meer”. Verder verklaart de kandidaat-notaris dat zij tijdens de bespreking de indruk had dat partijen achter de inhoud van de akte stonden [45] . Door de vrouw te wijzen op de verregaande negatieve gevolgen en tegen haar te zeggen dat zij niet langer meer net als haar man zal sparen, heeft de notaris lijkt mij in weerwil van de klacht wel degelijk laten blijken dat het niet zo was dat de financiële positie van de vrouw door de wijzigingen in 2009 gelijkwaardiger zou worden aan die van de man. Op basis van deze verklaringen is het
nietonbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht dat het hof heeft geoordeeld dat de vrouw tijdens de bespreking
is gewaarschuwden dat de notaris bij de eerste wijziging
aan de op hem rustende zorgplicht heeft voldaan. Zoals Helder bepleit, gaat de zorgplicht van de notaris in dit soort kwesties niet zo ver, dat actief een evenwichtiger huwelijksgoederenregime dient te worden bevorderd [46] . Evenmin geldt naar Nederlands recht de Duitse praktijk, waarbij een notaris in zo’n geval in de akte opneemt waar hij voor heeft gewaarschuwd. Informatieplicht en wilscontrole is wat maximaal kan worden verlangd en daar is bij de eerste wijziging aan voldaan, zo kon het hof in mijn optiek uit deze getuigenverhoren zonder schending van motiveringsregels afleiden. Dat daar feitelijk ook een ander oordeel uit had kunnen rollen, maakt het gegeven oordeel nog niet onbegrijpelijk in cassatie-technisch opzicht.
subonderdeel II.2.6over
wederzijdse dwalingten tijde van de tweede wijziging doel treft, bestaat bij de nu te bespreken klacht over de zorgplicht van de notaris, als ik het goed zie, geen belang in cassatie en kan die kwestie in wezen blijven rusten. Zie hierna in 3.61-3.66.
wel. Het hof overweegt daarover dat notaris [notaris 2] heeft verklaard dat hij een bespreking heeft gevoerd met beide partijen en dat mede aan de hand daarvan een concept-akte is opgemaakt. Ook heeft hij verklaard dat zowel de eerste bespreking als de bespreking bij het ondertekenen van de akte
moeizaam zijn verlopen, omdat de vrouw zich wat
afzijdig hielden weinig vragen stelde, maar dat hij niet het gevoel had dat de vrouw meer informatie nodig had dan die in de besprekingen is gegeven. Hieruit blijkt
nietdat het hof heeft getoetst of de vrouw is gewaarschuwd voor of zelfs maar is geïnformeerd over de voor haar opnieuw zeer nadelige gevolgen van de tweede wijziging van de huwelijkse voorwaarden. Vooral omdat opviel dat de vrouw er moeizaam bij te betrekken was, lag hier een
wilscontroleplichtin de rede, in ieder geval stevig doorvragen, ook al omdat deze nadelige wijziging natuurlijk culmineert met de al eerder aangegane verslechterde huwelijksgoederenrechtelijke positie van de vrouw door de eerdere wijziging uit 2009. Het hof had behoren te onderzoeken of de notaris hier ten minste had doorgevraagd en/of expliciet had gewaarschuwd voor potentiële nadelige consequenties,
indien en voor zover voor hem kenbaar wasdat er risico’s voor de vrouw waren verbonden aan deze wijziging. Dat heeft het hof in mijn ogen niet kenbaar gedaan.
niette kunnen worden afgeleid uit de betreffende getuigenverklaring van de notaris [47] . Op de vraag of de ontwerpakte direct goed was, heeft hij geantwoord dat het maar om één zin ging en dat het niet zo ingrijpend was. Ook heeft de notaris verklaard dat het gesprek niet gemakkelijk was, omdat hij het gevoel had dat het niet goed landde. De notaris gaf in het verhoor aan dat de vrouw zich wat afzijdig hield en dat je dan als notaris veel moeite moet doen om iemand mee te nemen. Er werden weinig tot geen vragen gesteld door de vrouw. Dit gold ook voor het tweede gesprek. De notaris heeft verder aangegeven dat hij de onderbouwing van het advies van financieel adviseur [pensioenspecialist] over de woning en de mogelijkheid van het ontstaan van een negatief saldo begrijpelijk en logisch vond. Hij is dus afgegaan op wat het financiële advies aangaf [48] . Ook heeft de notaris verklaard dat de wijziging ter beperking van een mogelijk nadeel van de vrouw zou zijn,
dus dat de wijziging volgens hem in haar voordeel was. Bij de hierna volgende bespreking van
subonderdeel II.2.6over wederzijdse dwaling zal blijken dat alle partijen daarvan uitgingen, zodat sprake was van wederzijdse dwaling. Zie hierna in 3.61-3.66. De vraag rijst of er
voor de notaris kenbare risico’sten nadele van de vrouw waren verbonden aan deze tweede wijziging en hij hier dus op moest wijzen of voor moest waarschuwen. Daar is als gezegd niets kenbaars over overwogen in de bestreden beschikking.
subonderdeel II-2.6) – en ik denk dat dat belang er niet is en deze kwestie in wezen zou kunnen blijven rusten – zou dat ertoe leiden dat het hof met betrekking tot de tweede wijzigingen van de huwelijkse voorwaarden uit 2016 ofwel blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting over de reikwijdte van de zorgplicht van de notaris hier, ofwel daarover een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven. De klachten van het hier besproken onderdeel slagen dan inhoudelijk voor zover het de wijziging uit 2016 betreft.
Belehrungspflicht.
Belehrungspflichtverwijs ik naar de bespreking
subonderdeel II.2.1; ten aanzien van de eerste wijziging uit 2009 faalt de klacht. De klacht ten aanzien van notaris [notaris 2] behoeft gezien het slagen van de klacht onder II.2.1 voor zover het de tweede wijziging uit 2016 betreft geen afzonderlijke bespreking meer; de klacht slaagt hier ook, voor zover daar nog belang bij bestaat in cassatie gelet op het slagen van
subonderdeel II.2.6over wederzijdse dwaling.
Belehrungspflichtafdoende uit de verslaglegging door de notaris moet blijken en dat deze informatie voor partijen beschikbaar dient te zijn. Dat zou onderdeel zijn van de rechtsbescherming die de notaris hier moet bieden: de partij die onvoldoende beschermd acht kan daar bewijs uit putten, terwijl de partij die zich wil daartegen wil verdedigen, zich daar ook op kan beroepen.
in relatie tot de vrouw, lijkt mij niet zonder meer evident en dit wordt in het middel ook niet overtuigend onderbouwd. Daar stuit deze rechtsklacht al op af. Weliswaar volgt uit HR 19 februari 206, ECLI:NL:HR:2016:288, NJ 2016/295, rov. 3.4.5 dat het geen aantekening houden van de betreffende besprekingen
voor risico van de notariskomt, maar onze zaak is geen procedure tegen de notaris. De klacht voert ook geen vindplaatsen aan uit de stukken in feitelijke instanties waar de vrouw dit zou hebben opgebracht. Of de verslaglegging door de notaris toereikend is of niet, kan de rechter mogelijk bij de beoordeling of aan diens zorgplicht is voldaan meewegen, maar het raakt niet aan de kern in deze zaak, waarin het hof uit de getuigenverklaringen afleidt of de notarissen aan hun zorgplicht hebben voldaan jegens de vrouw, welke bewijswaardering aan de feitenrechter is. Daargelaten of de in de klacht geponeerde norm bestaat, ontbeert de vrouw naar mij voorkomt vanuit relativiteitsoogpunt ook belang bij deze klacht in cassatie. Op dit een en ander ketst deze klacht af.
Belehrungspflicht. Dat treft om de volgende redenen geen doel.
subonderdeel II.2.5is dat het oordeel in rov. 2.9-2.12 dat notaris [notaris 1] en kandidaat-notaris [kandidaat-notaris] zich naar behoren van hun taak hebben gekweten te meer onjuist, althans onbegrijpelijk is in het licht van het feit dat de kandidaat-notaris de houding van de vrouw kwalificeerde als ‘lauwe loene’. Zelfs indien zij deze uitdrukking niet in de eigenlijke betekenis van ‘slechte zaken; tegenspoed; geen resultaat’ bedoelde, maar als onverschillig, dan nog had de akte moeten worden opgeschort totdat zij en de notaris zich ervan hadden vergewist dat de vrouw bekend was met de wijzigingen en dat ook uitdrukkelijk wenste.
Belehrungspflichtkan hebben voldaan.
Belehrungspflichtverwijs ik naar de bespreking van subonderdeel II.2.1. De klacht treft hier in het voetspoor daarvan ook doel.
dezelfde onjuiste veronderstelling is uitgegaan als de dwalende, tenzijzij ook bij een juiste voorstelling van zaken niet had behoeven te begrijpen dat de dwalende daardoor van het sluiten van de overeenkomst zou worden afgehouden [59] . Uit hetgeen de man en notaris [notaris 2] zelf hebben verklaard blijkt dat partijen van dezelfde onjuiste veronderstelling zijn uitgegaan. De rechts-, althans motiveringsklacht treft volgens mij dan ook doel.
haar beroep op dwaling verder onderbouwdmet de stelling dat de man bij het sluiten van de wijzigingsakten (waaronder die in 2016) van
eenzelfde onjuiste veronderstellingis uitgegaan als de vrouw. Het hof is hier ofwel van een onjuiste rechtsopvatting over wederzijdse dwaling uitgegaan, ofwel is onbegrijpelijk dat het hof hier niet op in is gegaan bij de beoordeling van het beroep op dwaling in rov. 2.15, zodat de daarop gerichte klacht doel treft. Dat van toepasselijkheid van de ‘tenzij-clausule’ hier sprake zou kunnen zijn, valt niet in te zien. Als deze klacht inderdaad doel treft, bestaat, als eerder besproken, geen belang meer bij de zorgplichtklacht uit
subonderdeel I.2.2voor zover het de wijziging uit 2016 betreft, ook al treft die klacht volgens mij inhoudelijk doel.
Belehrungspflicht. Zo is aangevoerd dat zij niet is gewezen door de notarissen op de nadelige gevolgen van het opgeven van haar rechten op verrekening [61] , dat zij tussentijds verrekening kon vorderen [62] , zij voor de toekomst verrekening van overgespaarde winsten opgaf [63] en zij zou meedelen in door de man veroorzaakte verliezen [64] . Zij is volgens de klacht er al helemaal niet op gewezen dat al deze wijzigingen voor haar verstrekkende negatieve gevolgen hadden bij echtscheiding. De wel verschafte informatie is volgens de vrouw op z’n best abstract gebleven en niet concreet gemaakt.
subonderdeel II.2.2 en treft voor de wijziging uit 2009 geen doel, maar slaagt voor de wijziging uit 2016 om de al eerder besproken redenen. Ook voor wat betreft de tweede wijziging uit 2016 bestaat geen belang bij cassatie voor deze klacht, als
subonderdeel II.2.6over wederzijdse dwaling met betrekking tot de wijziging uit 2016 doel treft.
Belehrungspflichtverzaakt, de zelfstandige plicht rust om met voldoende informatie te komen om de vrouw uit de droom te helpen, zeker in een relatie tussen echtgenoten beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Dan kan geen sprake zijn van
gerechtvaardigdvertrouwen door de man, zoals het hof ten onrechte oordeelt.
Belehrungspflichtverzaakte. Dat zijn eigen conclusies van de vrouw en dat vormt geen hypothetisch feitelijke grondslag in cassatie. Daar stuit deze klacht op af.
subonderdeel II.2.9gaat over het oordeel in rov. 2.12 dat de man hier gelet op de medewerking van de vrouw na tussenkomst van de notarissen gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand kwam. Die bescherming ex art. 3:35 BW Pro komt de man in deze omstandigheden volgens de klacht niet toe, omdat ervan uit moet worden gegaan dat, ook gelet op punt I-0, de vrouw in de veronderstelling verkeerde dat zij beter werd van de wijziging, de man een kennisvoorsprong had, zodat hij ten aanzien van de wilsvorming ten opzichte van de vrouw niet te goeder trouw kon zijn. Iemand die weet dat een ander dwaalt, althans geen juist beeld heeft van de overeenkomst waarmee hij of zij instemt, kan zich niet beroepen op de bescherming van art. 3:35 BW Pro, ook omdat op de man een onderzoeksplicht rustte en hij zich daarvan niet heeft gekweten. De tweede klacht is dat indien en voor zover het hof zou hebben geoordeeld dat inschakeling van een notaris de man opeens te goeder trouw zou maken of zijn onderzoeksplicht doet vervallen, dat onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd is.
nietvoor de wijziging uit 2016 en als de klacht over wederzijdse dwaling uit
subonderdeel II.2.6doel treft, resteert ook hier niet langer belang bij de nu besproken deelklacht, als ik het goed zie. Mocht er wel belang resteren, betekent dat dat ook het oordeel over het gerechtvaardigd vertrouwen van de man dat berust op de aanname dat de notaris bij de tweede wijziging aan zijn zorgplicht heeft voldaan, niet in stand kan blijven, omdat daarvoor een toereikende motivering ontbreekt.
Belehrungspflicht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
subonderdeel I.2.6over wederzijdse dwaling voor zover dat ziet op de wijziging uit 2016. Als eerder besproken, ligt aantastbaarheid van rechtshandelingen als gevolg van wilsgebreken niet voor de hand, wanneer de notaris aan zijn zorgplicht heeft voldaan [67] . Voor wat betreft de eerste wijziging uit 2009 faalt de klacht daarom ook hier.
Belehrungspflichtvan de notaris.
subonderdeel III.5, dat een herhaling van zetten is uit subonderdeel II.2.9.
onaanvaardbaaris. Voor zover niet andermaal ten onrechte wordt gerefereerd in de klacht aan meerbedoelde hypothetisch feitelijke grondslag (in
subonderdeel IV.3, dat daarom ook hier feitelijke grondslag mist), richt deze klacht zich in
subonderdeel IV.1op de wijziging uit 2016, zodat wanneer het oordeel over wederzijdse dwaling wordt gecasseerd, aan deze klacht niet wordt toegekomen bij gebrek aan belang.
uitzonderlijke omstandighedennodig [70] . In oudere rechtspraak is uitgemaakt dat het prijsgeven van pensioenaanspraken (waar
subonderdeel IV.2 ook aandacht voor vraagt) op zichzelf niet zo’n uitzonderlijke omstandigheid vormt [71] . Of daar in het huidige tijdsgewricht, bijna dertig jaar later, nog hetzelfde over zou moeten worden geoordeeld, is de vraag. De klacht acht het niet zijn gebleken van uitzonderlijke omstandigheden onjuist en onbegrijpelijk. Het zijn wel forse wijzigingen ten detrimente van de vrouw, maar als de bedoeling heeft voorgezeten om ‘het bedrijf’ van de man ‘er buiten’ te houden, zijn die naar ik meen nu ook weer niet zonder meer voldoende zwaar om de hoge drempel van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid over te komen en in die zin is van onjuistheid of ontoereikende motivering bezien door de cassatiebril geen sprake in mijn ogen. Het is bijvoorbeeld niet zo – subonderdeel IV.2 lijkt dat wel te suggereren – dat een afwijking van een verdeling en/of verrekening bij helfte zonder meer onaanvaardbaar is in de hierbedoelde sleutel van de derogerende werking.
nietaan te merken als een verdeling/verrekening op grond van een verrekenbeding zelf, zodat daarop
welde art. 6:228-230 BW van toepassing zijn; zoals hiervoor uiteengezet in 3.63, is dat juist. In rov. 2.18 heeft het hof vervolgens geoordeeld dat ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst
nietde algemene dwalingsleer van toepassing is. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:
wordt verrekend, dient op grond van artikel 1:135 lid 1 BW Pro deze verrekening bij helfte plaats te vinden, tenzij hiervan in de huwelijkse voorwaarden is afgeweken. Voor zover van dat laatste echter geen sprake is en de verrekening desondanks niet bij helfte plaatsvindt omdat een van partijen heeft gedwaald over de waarde van dat te verrekenen vermogen- of inkomen en die partij voor meer dat een vierde gedeelte is benadeeld, kan de verrekening van dat vermogen(s)- of inkomen(sbestanddeel) door die partij worden vernietigd. Als wordt bewezen dat die partij daarbij voor meer dan een kwart is benadeeld, wordt deze vermoed te hebben gedwaald over de waarde.
In die gevallen is op grond van artikel 1:135 lid 2 BW Pro in combinatie met de artikelen 3:196 en 199 BW niet de algemene dwalingsleer, geregeld in de artikelen 6:228-230 BW van toepassing(HR 15 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3767).’ [Onderstrepingen A-G]
vaststellingsovereenkomst, waarin de feitelijke wijze van verrekening (over het verleden) wordt vastgesteld,
nietonder de ‘gewone’ dwalingsregeling van art. 6:228 BW Pro te begrijpen, maar alleen onder de lex specialis van ar. 3:196 BW [73] . De primaire klacht stuit hierop af. De subsidiaire klacht over onaanvaardbaarheid naar eisen van redelijkheid en billijkheid van het beroep op het vervalbeding is alleen uitgewerkt met verwijzing naar het volgende subonderdeel, bij de bespreking waarvan we zullen zien dat dat geen doel treft, zodat hetzelfde geldt voor deze subsidiaire klacht hier.
verbeteringvan haar rechtspositie hadden geleid [75] .
Onderdeel VIis gericht tegen rov. 2.28 waarin het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de wijze van verdeling heeft gelast op de wijze als ook de rechtbank heeft gedaan, met dien verstande dat de minimumprijs van € 2.300.000,- komt te vervallen.
Subonderdeel VI-Iklaagt dat voor zover dit oordeel aldus moet worden begrepen dat het hof daarmee de wijze van verdeling vaststelt en daarbij rov. 4.19 van de beschikking van de rechtbank van 13 september 2019 bekrachtigt in die zin dat het aldus ook in hoger beroep oordeelt dat de restantschuld aan [A] B.V. bij helfte door partijen moet worden gedragen, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden onder schending van art. 24 Rv Pro. Dit geschilpunt maakt geen onderdeel uit van deze procedure.
nietover de vraag of beide partijen de restantschuld aan [A] B.V. moeten dragen. Daar loopt deze klacht op stuk.
Subonderdeel VI-IIklaagt dat het hof evenzeer in rov. 2.28 buiten het partijdebat treedt door de minimum verkoopprijs te laten vervallen. De vrouw voert aan dat dat door geen van partijen is bepleit en ook de vrouw belang heeft bij een zo hoog mogelijke opbrengst.
Onderdeel VIIis een loutere voortbouwende klacht (dat het slagen van (delen van) de eerdere klachten ook rov. 2.13, 3.1 en het dictum aantast) die geen afzonderlijke bespreking behoeft.
4.Bespreking van het cassatiemiddel van de man in beide zaken
feitelijkhebben verdeeld, ligt niet besloten dat zij een verdeling volgens art. 3:182 BW Pro zijn overeengekomen. Deze feitelijke verdeling met wederzijdse instemming impliceert niet zonder meer dat partijen het ook eens zijn geworden over de
financiële consequentiesdie de verdeling van de goederen voor ieder van hen heeft. Zodoende moet overeenstemming bereikt worden over beide aspecten, de feitelijke verdeling èn de financiële consequenties, aldus deze uitspraak.