Conclusie
In 2020 heeft een psychiater bij [verweerder] in het kader van een rijbewijskeuring morfineafhankelijkheid geconstateerd, op grond waarvan is besloten tot ontzegging van de rijbevoegdheid aan [verweerder] . Volgens [verweerder] is hierdoor zijn beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval toegenomen. Klaverblad heeft daarop in de onderhavige procedure een verklaring voor recht gevorderd dat het vonnis uit 2019 gezag van gewijsde heeft met betrekking tot het oordeel dat voor [verweerder] sprake is van een beroepsongeschiktheid van 3,6%.
1.Feiten
A-G] ten tijde van het onderzoek van [orthopedisch chirurg] geen morfine maar Brufen gebruikte. Dat er sindsdien een verslechtering is opgetreden, heeft hij niet gesteld en ook verder heeft hij niet onderbouwd waarom thans morfinegebruik noodzakelijk is. Dit had van hem, nu de in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundigen morfinegebruik niet noodzakelijk achten en zijn stelling in die zin afwijkt, wel verwacht mogen worden. (...) De rechtbank acht de bezwaren van [verweerder] onvoldoende om in afwijking van het onderbouwde rapport van [verzekeringsarts] , dat inzichtelijk en consistent is, aannemelijk te achten dat [verzekeringsarts] [bedoeld zal zijn: [verweerder] ,
A-G] niet zonder morfinegebruik kan of dat hij zonder morfinegebruik niet twee uur achtereen zou kunnen zitten in een steun gevende stoel.”
misbruik van geneesmiddelen (opioïden)”.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
op de datum van dat vonnissprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% en de vordering van Klaverblad voor het overige afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het oordeel in Procedure I over het beroepsongeschiktheidspercentage van 3,6 zag op de toen (dus op 13 november 2019) geldende situatie en
zich niet ook uitstrekt over de toekomst:
A-G] aangesloten bij het deskundigenoordeel van [verzekeringsarts] dat [verweerder] in een geschikte stoel twee uur aaneengesloten kon zitten, zonder verdere voorbehouden. De rechtbank achtte de bezwaren van [verweerder] , dat hij niet zonder morfinegebruik kon en in elk geval niet zonder gebruik daarvan twee uur zou kunnen zitten, onvoldoende onderbouwd. Ook de bezwaren van [verweerder] tegen het deskundigenrapport van [arbeidsdeskundige] , waarbij hij zich opnieuw op het standpunt stelde dat [arbeidsdeskundige] geen rekening heeft gehouden met de noodzaak van [verweerder] om morfine te gebruiken, zijn gemotiveerd verworpen, zodat het percentage beroepsongeschiktheid van 3,6% door de rechtbank werd overgenomen. In 4.18. van het vonnis is geconcludeerd dat daarmee de gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder] als gevolg van het ongeval (gedeeltelijk) beroepsongeschikt was, toewijsbaar was. Dat het percentage van 3,6% niet in het dictum is genoemd betekent, gelet op hetgeen hiervoor in 4.2. [over gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv Pro,
A-G] is overwogen, niet dat dit geen onderdeel uitmaakt van de inmiddels onherroepelijk geworden beslissing. Het vaststellen van dit arbeidsongeschiktheidspercentage was immers enerzijds nodig om tot toewijzing te komen van de gevorderde verklaring voor recht dat sprake was van (gedeeltelijke) beroepsongeschiktheid en anderzijds om tot het oordeel te komen dat de eveneens gevraagde verklaring voor recht dat het tot dan toe door Klaverblad verstrekte voorschot niet dekkend was werd afgewezen (r.o. 2.19 van het vonnis). Het vonnis, en het oordeel dat voor [verweerder] sprake was van een beroepsongeschiktheidspercentage van 3,6% dat (mede) de grondslag was om tot het dictum te komen, heeft dan ook gezag van gewijsde gekregen. In zoverre is het eerste onderdeel van de in conventie door Klaverblad gevraagde verklaring voor recht toewijsbaar.
A-G] (zoals hiervoor aangehaald in 2.9 [zie ook randnummer 1.7 hiervoor,
A-G]) dat vaststaat dat [verweerder] ten tijde van het onderzoek van [orthopedisch chirurg] geen morfine maar Brufen gebruikte, dat niet is gesteld dat er sindsdien een verslechtering is opgetreden en dat [verweerder] niet had gesteld en onderbouwd waarom
thans(dus ten tijde van het wijzen van het vonnis) morfinegebruik noodzakelijk is. Nu de mogelijke toekomstige ontwikkeling (vanaf de datum van het vonnis) van de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] geen deel uitmaakte van “de rechtsbetrekking in geschil” in de zin van artikel 236 lid 1 Rv Pro is daarover in het vonnis ook geen voor partijen bindende beslissing gegeven en heeft het in het vonnis genoemde arbeidsongeschiktheidspercentage voor zijn beroep van 3,6% voor de toekomst dan ook geen gezag van gewijsde. Dit deel van de vordering van Klaverblad zal dan ook worden afgewezen.”
dat [verweerder] (gedeeltelijk) beroepsongeschikt is geraakt door het ongeval”. Dit dictum berust volgens het hof (mede) op de beslissing dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6%, welke beslissing weer mede berust op de overweging van de rechtbank dat [verweerder] , die had aangevoerd dat het voor hem noodzakelijk was morfine te gebruiken omdat andere pijnstillers onvoldoende werkten, toch ook andere pijnstillers kon gebruiken dan morfine, zoals hij dat eerder ook deed. Volgens het hof (nog steeds in rov. 3.12.) was “[w]
at betreft de rijbevoegdheid (…) wel aan de orde dat bij morfinegebruik niet gereden mocht worden maar was geen sprake van morfineafhankelijkheid en ontzegging van de rijbevoegdheid die door het CBR na het vonnis is gegeven.”
A-G] classificatie, die maakt dat [verweerder] geen andere pijnstiller dan morfine kan gebruiken en hem de rijbevoegdheid is ontzegd. In dit licht heeft Klaverblad onvoldoende onderbouwd dat in Procedure I is geoordeeld over de noodzaak van morfinegebruik in het algemeen, niet alleen vanwege pijnbestrijding maar ook vanwege een ontstane afhankelijkheid. Dat spreekt te meer nu deze andere aangevoerde grondslag (morfineafhankelijkheid; niet morfinegebruik voor pijnbestrijding) pas na het vonnis in Procedure I is vastgesteld en ook het verlies van rijbevoegdheid van na het vonnis dateert. Het gezag van gewijsde staat er niet aan in de weg dat [verweerder] deze aangevoerde feitelijke grondslag (als)nog aan de rechter voorlegt, die dan moet beoordelen of dit leidt tot een ander percentage beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval en wat dit betekent voor de mogelijk door Klaverblad te vergoeden schade. Dit staat in de weg aan ruimere toewijzing van Klaverblads vordering dan de rechtbank heeft gedaan.”
intermezzoin rov. 3.15.-3.16. waarin het hof kort gezegd heeft geoordeeld dat het geen beslissing zal geven over de kosten van een door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige en rekenkundige; zie hierover ook randnummers 3.16-3.20 hierna) – tot de conclusie gekomen dat het hoger beroep van Klaverblad niet slaagt (rov. 3.17.-3.18.).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding en leeswijzer
cassatieklachten”). Onderdeel I bevat motiveringsklachten gericht tegen rov. 3.13. van het bestreden arrest. Onderdeel II richt zich, eveneens met motiveringsklachten, tegen rov. 3.14. van het bestreden arrest. Aan de weergave van deze onderdelen gaat in de procesinleiding de opmerking vooraf dat het door het hof in rov. 3.10. van het bestreden arrest uiteengezette beoordelingskader over gezag van gewijsde als bedoeld in art. 236 lid 1 Rv Pro (geciteerd in randnummer 2.4 hiervoor) in cassatie onbestreden (“
juist” en “
correct (…) weergegeven”; zie randnummer 3.1. van de procesinleiding) is. De conclusie van de procesinleiding op pagina 13 bevat tot slot nog een voortbouwklacht.
positieve werkingvan het gezag van gewijsde) of een vordering moet afwijzen vanwege het gezag van gewijsde van een eerdere beslissing (de
negatieve werkingvan het gezag van gewijsde). [21] Het gezag van gewijsde mag niet ambtshalve door de rechter worden toegepast, toepassing is alleen toegestaan wanneer daarop door een van de partijen een beroep is gedaan. [22] In de onderhavige Procedure II heeft Klaverblad een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het vonnis van 13 november 2019 in Procedure I; dat beroep op het gezag van gewijsde vormt zelfs de kern van de onderhavige Procedure II (zie randnummers 2.1 en 2.3 hiervoor).
objectieveen de
subjectieveomvang. De objectieve omvang van het gezag van gewijsde ziet op de elementen van de rechterlijke uitspraak die bindende kracht in een ander geding hebben. De subjectieve omvang bepaalt ten aanzien van wie de binding werkt. [23] Het gaat in de onderhavige Procedure II dus over de objectieve omvang. [24] De subjectieve omvang is niet aan de orde en blijft verder buiten beschouwing ( [verweerder] en Klaverblad zijn steeds de partijen).
de rechtsbetrekking in geschilbetreffen. Het gaat dan om beslissingen waarin de rechter aan bepaalde feiten bepaalde rechtsgevolgen heeft verbonden, waarbij het niet uitmaakt of de beslissingen zijn neergelegd in het dictum, dan wel uitsluitend deel uitmaken van de overwegingen. Het moet daarbij wel gaan om beslissingen – zowel de procesrechtelijke als de materieelrechtelijke – die noodzakelijk zijn ter bepaling van de concrete rechtsverhouding van partijen en het dictum dragen. [25]
hetzelfde geschilpuntweer aan de orde wordt gesteld. Het begrip geschilpunt moet niet te beperkt worden opgevat. [26] Ook als een nieuw juridisch kader wordt gehanteerd, kan in een volgende procedure hetzelfde geschilpunt aan de orde zijn. Aan het oordeel dat de koopprijs is verschuldigd omdat het verweer van gedaagde koper dat de gekochte zaak wegens het ontbreken van bepaalde eigenschappen niet voldoet aan de conformiteitseis niet opgaat, kan gezag van gewijsde toekomen in een nieuw geding waarin de koper vernietiging van de koopovereenkomst vordert op grond van dwaling vanwege het ontbreken van bepaalde eigenschappen van die zaak. Hoewel het in het eerste geding gaat om het recht op de koopprijs en niet om het recht op vernietiging van de koopovereenkomst draait het in het nieuwe geding materieel opnieuw om de vraag of bepaalde eigenschappen van de gekochte zaak ontbreken. [27] Zo is het voor een geslaagd beroep op het gezag van gewijsde niet nodig dat in beide procedures de (insteek van de) vordering dezelfde is. [28]
IV-Groep/Zwitserleven [29] heeft Uw Raad verduidelijkt dat het antwoord op de vraag of in het eerdere geding sprake is geweest van beslissingen aangaande een geschilpunt dat dezelfde rechtsbetrekking betreft als in het andere geding, afhankelijk is van de grondslag van de vordering of het verweer, het processuele debat en de gegeven beslissingen. Dat vergt uitleg van de in de eerdere procedure gedane uitspraak, mede in het licht van de gedingstukken waarop de uitspraak berust. Het inroepen van gezag van gewijsde zal er niet aan in de weg staan dat in een ander geding dezelfde of een soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook reeds in de eerdere procedure aangevoerd had kunnen worden. [30]
[…] / […] [31] van belang. Ook uit dit arrest kan worden afgeleid dat het gezag van gewijsde niet in de weg staat aan een nieuwe procedure wanneer die is gegrond op een nieuwe feitelijke grondslag in de zin van feiten en omstandigheden die zich pas na de eerste procedure hebben voorgedaan. [32] Dit ligt echter genuanceerd(er); of sprake is van een nieuwe feitelijke grondslag vergt uitleg van het vonnis in de eerdere procedure in verhouding tot de ‘nieuwe’ feiten en omstandigheden. Ik laat hierover Veegens aan het woord:
Abstract-logisch zou kunnen worden gesteld dat alleen een onbewezenverklaring van het beweerde recht door het bijgebrachte bewijsmateriaal is uitgesproken en bijgevolg een herhaalde vordering steunende op nieuwe bewijsmiddelen kan worden toegelaten. Praktisch-juridisch gaat
A-G] is overwogen dat [verweerder] ten tijde van het onderzoek door [orthopedisch chirurg] geen morfine gebruikte (r.o. 4.14.)[.] Onder 4.16. is vervolgens overwogen dat de noodzaak voor morfinegebruik door [verweerder] in die procedure niet was onderbouwd. De rechtbank heeft met die volgens [verweerder] aanwezige noodzaak bij haar beslissing dan ook geen rekening gehouden. [verweerder] stelt thans, onder verwijzing naar het onder 2.10 genoemde besluit van het CBR, dat voor hem (inmiddels) een noodzaak bestaat tot het gebruik van morfine, althans dat inmiddels in het rapport van [psychiater] van 28 mei 2020 is vastgesteld dat bij hem sprake is van morfineafhankelijkheid en dat daarom in het besluit van 21 augustus 2020 zijn rijbevoegdheid is ontzegd. Volgens [verweerder] staan beide omstandigheden in causaal verband tot het ongeval waarvoor Klaverblad aansprakelijkheid heeft erkend. In geschil is nu tussen partijen of sprake is van morfineafhankelijkheid, wat de betekenis is van de overwegingen in het vonnis daarover en over het arbeidsongeschiktheidspercentage, of sprake is van nieuwe omstandigheden en in hoeverre het oordeel in het vonnis over het arbeidsongeschiktheidspercentage gezag van gewijsde heeft, ook ten aanzien van de periode na het vonnis, en of (nog steeds) vast staat dat sprake is van 3,6% arbeidsongeschiktheid voor zijn beroepsuitoefening als gevolg van het ongeval. De rechtbank overweegt dat de wens van [verweerder] om, bij deze omstandigheden, (reeds nu) informatie te verkrijgen over de mate van arbeidsongeschiktheid vanaf het moment van ontzegging van de rijbevoegdheid, uitgaande van zijn gestelde en door Klaverblad betwiste morfineafhankelijkheid, en daarover een voorlopig deskundigenonderzoek te verzoeken, geen misbruik van recht oplevert. Dat inmiddels na indiening van het verzoekschrift, door Klaverblad een bodemzaak aanhangig is gemaakt [de onderhavige Procedure II,
A-G] waarin een verklaring voor recht wordt gevraagd en waarbij een deel van voornoemde geschilpunten aan de orde komt maakt dat niet anders. Of [verweerder] inmiddels inderdaad in de door hem gestelde mate lijdt aan morfineafhankelijkheid en [in] hoeverre dit in causaal verband staat met het ongeval kan in het kader van deze verzoekschriftprocedure niet worden vastgesteld, maar dit neemt niet weg dat niet kan worden geoordeeld dat het belang ontbreekt bij een deskundigenoordeel over of en in hoeverre dit het percentage arbeidsongeschiktheid anders maakt. Het verzoek tot benoeming van een arbeids[des]kundige zal dan ook worden toegewezen.”
A-G):
A-G] de schadeafwikkeling weer opgepakt en gezamenlijk [verzekeringsarts] verzocht een onafhankelijk verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren en een functionele mogelijkhedenlijst in te vullen voor drie verschillende situaties, rekening houdende met het ongeval van 18 februari 2015 en rekening houdende met een [verweerder] op 24 oktober 2015 overkomen scooterongeval. Uit het definitieve rapport van 28 september 2017 wordt geciteerd:
4. Anamnese(…)
Huidige medicatie:Seretide, Monteluklast en
morfinesulfaat 30 mg. Betrokkene gebruikt de morfine zo nodig. Als hij moet werken gebruikt hij tot 2 tabletten per dag. Als hij niet hoeft te werken, slikt hij ze niet. (…)
6.6 Beschouwing
A-G] blijkt geen verschil ten aanzien van ‘statische houdingen’ waaronder zitten, in de situatie met of zonder het scooterongeval van 24 oktober 2015.
Zonder morfine heeft patiënt naar eigen zeggen op dit moment nog te veel pijnen ervaart beperkingen om te kunnen functioneren zowel in adl [activiteiten van het dagelijks leven,
A-G] als zijn werk.”
om vervolgens uit te komen op morfine.”
Ik zag patiënt op 3 mei ivm bijwerkingen morfine tabletten in combinatie met autorijden. Ik heb de morfine toen omgezet naar morfine pleisters.Ik weet niet hoe het gegaan is en hoe het met de huidige bijwerkingen gaat en of patiënt deze medicatie nog gebruikt, aangezien patiënt mij daarna niet meer geconsulteerd heeft.””
A-G):
A-G] klachten/beperkingen opgelopen die tot gevolg hebben dat hij zijn beroep als rijinstructeur niet meer kan uitoefenen. [verweerder] verwijst daarbij naar het rapport van [orthopedisch chirurg] , die concludeert dat causaal verband bestaat tussen de klachten van [verweerder] en het ongeval. Partijen zijn volgens [verweerder] gebonden aan deze conclusie, nu het rapport in gezamenlijke opdracht is uitgebracht. [orthopedisch chirurg] komt tot een percentage blijvende invaliditeit van 7%. [verzekeringsarts] , die door partijen is ingeschakeld, concludeert dat [verweerder] beperkt is in het zitten, waardoor hij maximaal 2 uur aaneengesloten rijles kan geven.
[verzekeringsarts] heeft daarbij echter niet, althans onvoldoende, meegewogen dat [verweerder] dit alleen kan doen als hij morfine gebruikt tegen de pijn, terwijl morfinegebruik verboden is bij het besturen van een auto en ook bij het geven van rijlessen. Niet alleen de noodzaak tot gebruik van morfine maakt hem beroepsongeschikt, maar ook de vastgestelde beperkingen maken het voor hem onmogelijk om rijlessen te geven, nu een actieve houding daarvoor vereist is, maar de benodigde steun gevende stoel niet geplaatst kan worden in een auto waarmee rijexamens moeten worden afgelegd.
[verweerder] concludeert daarom dat hij als gevolg van het ongeval beroepsongeschikt is geraakt en dat hij schade lijdt die Klaverblad moet vergoeden, schade die met de reeds betaalde voorschotten onvoldoende is gedekt.
[verweerder] acht zich niet gebonden aan de conclusies uit het rapport van [arbeidsdeskundige], omdat dit rapport volgens hem geen juiste weerspiegeling geeft van de medische omstandigheden (de vastgestelde blijvende invaliditeit van 7%) en de bevindingen op aannames zijn gebaseerd.
Het feit dat hij (in beperkte mate en met gebruikmaking van morfine als pijnstilling) toch rijlessen is blijven geven, komt voort uit financiële noodzaak en een poging om zijn rijschool draaiende te houden. Dit doet volgens [verweerder] niet af aan het feit dat hij lichamelijk niet meer in staat is om zijn beroep uit te oefenen.
Klaverblad betwist voorts dat [verweerder] genoodzaakt is om morfine te gebruiken als pijnstilling en dat dit morfinegebruik zou leiden tot beroepsongeschiktheid. Klaverblad concludeert dat partijen gebonden zijn aan de rapporten van [verzekeringsarts] en [arbeidsdeskundige] en dat daaruit ook volgt dat [verweerder] volledig arbeidsgeschikt is voor zijn beroep.(…)”
noodzakelijkwas. Vervolgens is de rechtbank ingegaan op het rapport van [arbeidsdeskundige] , heeft zij de bezwaren van [verweerder] dat [arbeidsdeskundige] geen rekening heeft gehouden met zijn morfinegebruik eveneens verworpen en heeft zij de conclusie van [arbeidsdeskundige] dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% overgenomen (onderstrepingen van mij,
A-G):
Bestaan er als gevolg van de vastgestelde klachten beperkingen?4.12. Ter vaststelling van de beperkingen hebben partijen gezamenlijk [verzekeringsarts] de opdracht gegeven tot een verzekeringsgeneeskundig onderzoek, waarbij het rapport van [orthopedisch chirurg] als uitgangspunt is genomen. (…) [verzekeringsarts] heeft in zijn rapport opgenomen dat hij, gezien de anamnestische gegevens en observationele bevindingen, bij [verweerder] een lichte beperking bij langer durende statische belasting, zoals bij staan en zitten, aannemelijk acht. Volgens [verzekeringsarts] kan [verweerder] een uur tot maximaal 2 uur in een goede steun gevende stoel zitten, waarna [verweerder] 5-10 minuten moet bewegen.
op een punt na: [verweerder] stelt dat [verzekeringsarts] bij zijn conclusie dat [verweerder] 1-2 uur aaneengesloten kan zitten, niet heeft meegenomen dat [verweerder] dit alleen kan bij gebruik van morfine als pijnstilling.
Tegen geen van de voornoemde overwegingen heeft [verweerder] gemotiveerde bezwaren geuit. Uit de door [verweerder] overgelegde berichten van zijn [huisarts] blijktweliswaar dat [verweerder] in februari 2018 naar eigen zeggen zonder morfine te veel pijn ervaart om te kunnen functioneren en dat hij, nadat hij eerst andere pijnstillers heeft gebruikt, in ieder geval tot het consult van 3 mei 2019 morfinepleisters heeft gebruikt, maar
niet dat dit in verband met zijn rugklachten ook daadwerkelijk noodzakelijk was, dat daar geen alternatieven voor bestonden of dat bijvoorbeeld Brufen niet ook afdoende zou kunnen zijn. De huisarts geeft daar in zijn brieven geen oordeel over.
Verder heeft [verweerder] geen bezwaren geuit tegen de bevindingen van [verzekeringsarts] dan zijn enkele stelling dat hij de morfine nodig heeft. Van die stelling heeft hij echter geen verdere onderbouwing gegeven. Vast staat dat hij ten tijde van het onderzoek van [orthopedisch chirurg] geen morfine maar Brufen gebruikte. Dat er sindsdien een verslechtering is opgetreden, heeft hij niet gesteld en ook verder heeft hij niet onderbouwd waarom thans morfinegebruik noodzakelijk is. Dit had van hem, nu de in gezamenlijk overleg ingeschakelde deskundigen morfinegebruik niet noodzakelijk achten en zijn stelling in die zin afwijkt, wel verwacht mogen worden.(…)
De rechtbank acht de bezwaren van [verweerder] onvoldoende om in afwijking van het onderbouwde rapport van [verzekeringsarts] , dat inzichtelijk en consistent is, aannemelijk te achten dat [verzekeringsarts] [bedoeld zal zijn: [verweerder] ,A-G] niet zonder morfinegebruik kan of dat hij zonder morfinegebruik niet twee uur achtereen zou kunnen zitten in een steun gevende stoel.
steltdat het rapport is gebaseerd op aannames ten aanzien van de juiste stoel, dat de actieve houding van een rijinstructeur onderbelicht is, dat het door [orthopedisch chirurg] vastgestelde percentage blijvende invaliditeit niet is meegenomen en
dat [arbeidsdeskundige] geen rekening heeft gehouden met de noodzaak om morfine te gebruiken en de gevolgen daarvan voor deelname aan het verkeer.
Conclusie ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid4.17. De rechtbank acht het rapport van [arbeidsdeskundige] verder consistent en overtuigend en neemt de conclusie dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6% over.
niet relevantvoor het vaststellen van de mate van beroepsongeschiktheid van [verweerder] als gevolg van het ongeval op 3,6%, in de zin dat het morfinegebruik van [verweerder] niet tot een grotere mate van beroepsongeschiktheid als gevolg van het ongeval dan 3,6% kon leiden.
A-G):
novum”, dat zou bestaan uit de – door [verweerder] zelf uitgelokte – beslissing van de medisch adviseur van het CBR, die [verweerder] vanwege het morfinegebruik ongeschikt achtte voor alle rijbewijzen. In de stellingname van [verweerder] vormt dit immers helemaal geen nieuw gegeven. Het tegendeel is het geval. In de hierboven beschreven procedure heeft [verweerder] steeds het standpunt ingenomen dat hij in verband met het morfinegebruik niet meer kon en mocht rijden. Die stelling is, als onderdeel van de rechtsverhouding tussen partijen, beoordeeld en verworpen door de rechtbank.
Wederom moet worden vastgesteld dat [verweerder] heeft verzuimd althans nagelaten om hoger beroep in te stellen. In een eventueel hoger beroep had [verweerder] in beginsel alsnog een nadere onderbouwing van zijn stellingen in het geding kunnen brengen. Nu echter geen hoger beroep is ingesteld – maar het vonnis gezag [bedoeld zal zijn: kracht, zie randnummer 1.10 hiervoor,
A-G] van gewijsde heeft verkregen – is er voor [verweerder] geen mogelijkheid meer om zijn stellingen nader te onderbouwen.”
A-G):
nieuwe vordering” in te stellen. Dit is juridisch onjuist: er is een gezag van gewijsde of niet, en in het eerste geval is een nieuwe vordering/procedure over de beoordeelde en vastgestelde rechtsverhouding nimmer mogelijk.
Bovendien moet direct worden vastgesteld, dat de stellingen van [verweerder] met betrekking tot zijn zogenaamde morfine-afhankelijkheid helemaal geen nieuwe vordering en geen ‘novum’ opleveren. In de 2018-2019 procedure hééft [verweerder] immers al gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is; daarbij hadden zijn stellingen (…) betreffende het morfinegebruik en de morfine-afhankelijkheid betrekking op
dezelfde grondslag(onrechtmatige daad) alsmede op
dezelfde vordering(volledige arbeidsongeschiktheid) alsook op
dezelfde schadesoort(een beweerdelijk verlies van arbeidsvermogen). Die stellingen zijn door de rechtbank beoordeeld en onjuist bevonden.
novum”. Die betekenis is zeer beperkt en speelt uitsluitend in cassatie een rol. In feitelijke instanties is een procespartij gerechtigd (…) om,
zolang de feitelijke instanties nog niet tot een einde zijn gekomen, nieuwe stellingen van feitelijke en juridische aard aan te voeren (in hoger beroep geldt wel de beperking van de één-conclusie-regel). In cassatie (…)
kracht van gewijsdeis gegaan. Ook als zich daarna een nieuw feit of zogenaamd “
novum” zou voordoen, dan is het in civiele zaken procesrechtelijk niet mogelijk om de
onherroepelijk vastgestelde rechtsverhoudingtussen partijen opnieuw aan de rechter voor te leggen. Alleen indien zich gronden voor
herroepingin de zin van artikel 382 Rv Pro zouden voordoen, kan de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak worden aangetast. In casu doen zich evident geen gronden voor herroeping voor.
gezag van gewijsdeheeft verkregen. Ergo, een zogenaamd novum is dan irrelevant en kan geen grond opleveren voor een nieuwe vordering/procedure.
De door [verweerder] genoemde uitspraken leiden niet tot een andere uitkomst. In die uitspraken hebben zich andere processituaties voorgedaan die in casu niet aan de orde zijn. Een daarvan is de situatie dat onvoldoende is aangevoerd om de rechter in staat te stellen een inhoudelijke beslissing te nemen. Uit het vonnis d.d. 13 november 2019 blijkt eenduidig dat door partijen meer dan voldoende was aangevoerd om de rechter in staat te stellen de vordering betreffende de arbeidsongeschiktheid te beoordelen.”
ook al wordt nieuw bewijsmateriaal bijgebracht of de grondslag nader onderbouwd”.
Indien [verweerder] het niet eens zou zijn geweest met de verwerping van zijn stellingen dat hij morfine gebruikte en dat hij dit gebruik moest melden hetgeen zou leiden tot ontzegging van de rijbevoegdheid, dan had [verweerder] tegen het vonnis hoger beroep moeten instellen. Nu [verweerder] heeft verzuimd dat te doen, kan hij dat niet herstellen in een latere procedure.”
A-G):
N.B.: zowel in de 2018-2019 procedure als thans baseert [verweerder] zijn standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is, op de consequenties van het morfinegebruik (niet op de rugkwetsuur als zodanig, die volgens [orthopedisch chirurg] wel enige maar vrij geringe beperkingen met zich meebracht).
rechtsbetrekking” waarover in 2019 is geoordeeld.
procespartijenredelijkerwijs hebben moeten begrijpen, zulks in het licht van hun eigen stellingen in de procedure (het partijdebat) en de daarop betrekking hebbende overwegingen van de rechter. Het zijn immers de procespartijen die, op basis van hetgeen zij in dat licht bezien hebben kunnen/moeten begrijpen als strekking van de rechterlijke uitspraak, dienen te beoordelen of het instellen van hoger beroep geraden is. Welnu, op basis van (rov. 4.14 van) het 2019-vonnis was voor partijen niet kenbaar en konden zij redelijkerwijs niet aannemen of begrijpen, dat de beslissing met betrekking tot de 3,6% arbeidsongeschiktheid slechts betrekking zou hebben op de periode tot aan de datum van het vonnis dat op 13 november 2019 is uitgesproken.” [57]
uit een oogpunt van logica en consistentie”) eveneens betrekking. [59] Ik meen dat het onderdeel in zoverre doel treft. Het hof heeft in rov. 3.13. van het bestreden arrest onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Rov. 3.13. van het bestreden arrest is onbegrijpelijk, omdat regels van logica zijn miskend. Ik licht dat toe.
A-G]: Het moet om rechtens relevante nieuwe omstandigheden gaan. Hier is sprake van een onderbouwd novum, niet van zomaar een kleine wijziging.
A-G]: U merkt op dat het petitum luidt dat voor recht wordt verklaard dat het vonnis dat [verweerder] 3,6% arbeidsongeschikt is, kracht van gewijsde heeft gekregen. Nu het punt ter sprake is gekomen is het wenselijk om duidelijkheid te krijgen over het feit of het dictum ruimte laat voor een wijziging. U vraagt of het petitum zo moet worden gelezen dat ook wordt gevraagd voor recht te verklaren dat het oordeel c.q. de beslissing dat voor [verweerder] sprake is van een arbeidsongeschiktheid voor zijn beroep van 3,6%, zoals is uitgesproken in de tussen partijen gevoerde procedure met zaaknummer NL18.7462, ook op de toekomst ziet. Ik wil inderdaad dat het zo wordt gelezen.
(…)”
A-G):
nergensaangevoerd, dat het dictum in het 2019-vonnis slechts betrekking zou hebben op de situatie tot aan het vonnis en dat dáárom een nieuwe procedure niet in strijd kwam met het gezag van gewijsde van de eerdere procedure.
Zelfs op het moment dat de rechter ter zitting van 16 maart 2022 eigener beweging aan partijen de vraag voorlegde of de eerdere beslissing zich slechts uitstrekt tot de datum van de uitspraak of ook over de toekomst – (…) [zie randnummer 3.37 hiervoor,
A-G] – werd namens [verweerder] niet gesteld dat sprake was van de eerste variant, maar werd net als voorheen gesteld dat sprake zou zijn van een novum (wat echter in de door de rechter bedachte variant niet relevant is).
Dit alles spreekt boekdelen. Uit al deze stellingen van [verweerder] , tot en met de zitting op 16 maart 2022, blijkt dat [verweerder] in het 2019-vonnis bepaald geen tijdsbepaling heeft ontdekt of gelezen en dus al helemaal niet een onderscheid heeft gezien in een periode vóór respectievelijk ná het vonnis.”
beperktestrekking van de beslissing in het vonnis in Procedure I expliciet tot uitdrukking had gebracht. Evenzo had het voor de hand gelegen dat, als de rechtbank in Procedure I zou hebben bedoeld dat het percentage beroepsongeschiktheid in de toekomst nooit meer (dus ook niet als zich een nieuwe feitelijke grondslag zou voordoen) aan verandering onderhevig zou kunnen zijn, zij die
verstrekkendeuitleg in het vonnis tot uitdrukking zou hebben gebracht (het hof heeft daarop in rov. 3.14. van het bestreden arrest terecht gewezen). Het een noch het ander heeft de rechtbank in het vonnis in Procedure I gedaan. Zo bezien is het oordeel van het hof in rov. 3.14. van het bestreden arrest dus goed te volgen.
en tevens voor recht verklaart dat dit oordeel ook op de toekomst ziet” immers niks toe, nu het erom gaat of met de in randnummers 1.11-1.12 hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden al dan niet sprake is van een nieuwe feitelijke grondslag. Uit de bespreking van onderdeel 1 volgt reeds dat het hof op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat die feiten en omstandigheden een nieuwe feitelijke grondslag opleveren.
dat dit oordeel ook op de toekomst ziet”(zie randnummer 3.37 hiervoor) kan volgens mij, gelet op het niet onbegrijpelijke oordeel in rov. 3.14. van het bestreden arrest (zie randnummer 3.40 hiervoor), achterwege blijven (zie ook randnummers 3.41-3.42 hiervoor).