Conclusie
1.[eiseres 1] Ltd. (hierna: [eiseres 1] ),
[eiser 2], en samen met [eiseres 1] :
[eiseres 3], in vrouwelijk enkelvoud),
[eiser 3]),
1.[verweerder 1] (hierna: [verweerder 1] ),
[verweerster 2]),
[OK-bestuurder],en samen met [verweerster 2] :
[verweerster], in vrouwelijk enkelvoud),
[verweerster 4]),
[OK-beheerder]of de
OK-beheerder).
OK) bij beschikking een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van [verweerster 2] . Bij wege van onmiddellijke voorziening heeft de OK toen ook, onder meer, [OK-bestuurder] als bestuurder van [verweerster 2] benoemd. Nadien heeft de OK, bij afzonderlijke beschikking van 6 december 2023, een verzoek van [eiseres 1] om bepaalde nadere onmiddellijke voorzieningen te treffen, afgewezen en het zelfstandige tegenverzoek van [verweerster] om bepaalde nadere onmiddellijke voorzieningen te treffen, toegewezen (met enige aanpassing). Tegen deze toewijzing komen [eiseres 3] en [eiser 3] in cassatie op, m.i. zonder succes.
1.Feiten
beschikking). Ik merk daarover het volgende op.
juli-beschikking). Daar verwijs ik kortheidshalve naar. Ik volsta hier met het citeren van de (beknopte) samenvatting daarvan die de OK geeft in rov. 2.1, tweede alinea van de beschikking:
[eiseres 1] verzoekt de Ondernemingskamer thans andere, althans nadere onmiddellijke voorzieningen te treffen, die er in essentie toe strekken dat de invloed van [eiseres 1] (al dan niet via [eiser 2] ) op het beleid binnen de [verweerster 2] -groep wordt vergroot en die van de OK-bestuurder en [betrokkene 1] op dat beleid verdwijnt, althans wordt beperkt. [verweerster 2] en de OK-bestuurder verzoeken de Ondernemingskamer daarentegen juist om (bij wijze van nadere onmiddellijke voorzieningen) aan [eiseres 3] en [eiser 3] bepaalde ge- en verboden op te leggen, teneinde een effectieve werking van de eerder door de Ondernemingskamer getroffen onmiddellijke voorzieningen te waarborgen”.
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
mei-beschikking). Daarbij heeft de OK het verzoek van [verweerster] en van [eiseres 3] en [eiser 3] tot het treffen van nadere onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a lid 2 BW afgewezen. Van de mei-beschikking is cassatieberoep ingesteld. Dit maakt geen deel uit van de onderhavige cassatieprocedure.
474g-uitspraak). Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat [eiseres 3] en [eiser 3] geen dwangsommen hebben verbeurd. Het art. 474g Rv-verzoek van [verweerster] is afgewezen.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen over het recht van enquête
Bespreking van de klachten
voorzieningen (i)-(ii)).
nr. 1.1.1wordt geklaagd dat de OK met het geven van de voorzieningen (i)-(ii) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Vooreerst omdat deze voorzieningen het recht van [eiseres 3] en [eiser 3] op rechtsbescherming in de kern aantasten, welk fundamentele recht van hoger orde is dan ‘gewone’ wetgeving en is neergelegd in onder meer art. 6 en Pro 13 EVRM en art. 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. [39] Door deze voorzieningen ontstaat immers “een gat in de rechtsbescherming”, nu: voorziening (i) “bewerkstelligt dat [eiseres 3] en [eiser 3] zich niet langer vrijuit tegen [verweerder 1] , [verweerster 2] en [OK-bestuurder] kunnen verdedigen in de nog lopende enquêteprocedure, en
de factoook niet in enige andere Nederlandse procedure tegen [verweerder 1] , [verweerster 2] of [OK-bestuurder] ”; en voorziening (ii) “bewerkstelligt dat [eiseres 3] en [eiser 3] zonder voorafgaande toestemming van [OK-bestuurder] en [verweerder 1] geen uitlatingen kunnen doen in enige Nederlandse procedure tegen een contractuele wederpartij van de Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschap”. Verder, zo vervolgt het subonderdeel hier, ligt in dit niet bieden van rechtsbescherming door de OK een miskenning besloten van de grenzen van haar bevoegdheid om onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW op te leggen, van de aard van de enquêteprocedure [40] en van de beginselen van de Nederlandse procedure op tegenspraak in het algemeen. Het staat niet ter vrije bepaling van de rechter of en jegens welke partijen zulke rechtsbescherming van een partij bestaat, de rechter moet een partij (ambtshalve) gelegenheid geven het processuele debat te voeren en mag haar daarin niet belemmeren door met financiële sancties verzwaarde verboden.
nr. 1.1.2wordt geklaagd dat de toewijzing door de OK van de voorzieningen (i)-(ii) onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd. En wel omdat zij daarbij geen (kenbare) aandacht heeft besteed aan de (“gelet op het voorgaande essentiële”) stelling van [eiseres 3] en [eiser 3] dat de onmiddellijke voorzieningen uit het tegenverzoek niet kunnen worden toegewezen, nu zij “het recht moeten behouden om zich te verweren”. Die stelling laat zich niet anders uitleggen dan dat [eiseres 3] en [eiser 3] zich uitdrukkelijk hebben beroepen op het recht op rechtsbescherming.
nr. 1.1.1.
[betrokkene 1]) enige betaling voor hun werkzaamheden ontvangen en om [betrokkene 1] als bestuurder van een bepaalde Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschap (en haar Duitse dochtervennootschappen) vleugellam te maken.
niet [53] “dat [eiseres 3] en [eiser 3] zich niet langer vrijuit tegen [verweerder 1] , [verweerster 2] en [OK-bestuurder] kunnen verdedigen in de nog lopende enquêteprocedure, en
de factoook niet in enige andere Nederlandse procedure tegen [verweerder 1] , [verweerster 2] of [OK-bestuurder] ”. Hiermee bedoelt het subonderdeel [54] dat door die voorziening [eiseres 3] en [eiser 3] in feite op straffe van verbeurte van een dwangsom “ervan worden weerhouden om op effectieve wijze” die (enquête)procedure te kunnen voortzetten, want “kunnen worden aangesproken voor
iedereuitlating of gedraging tegen eenieder, die ook maar enige twijfel over de OK-bestuurder kan doen rijzen - zelfs indien dit vaststaande feiten zou betreffen en ook als dat via advocaten gebeurt”. [55] Voorziening (i) is evenwel kenbaar aanmerkelijk toegespitster, en daarmee beperkter in reikwijdte, dan het subonderdeel (dat abstraheert van rov. 3.23-3.30) het hier doet voorkomen. Zie onder 3.14.5 sub a hiervoor.
niet [56] “dat [eiseres 3] en [eiser 3] zonder voorafgaande toestemming van [OK-bestuurder] en [verweerder 1] geen uitlatingen kunnen doen in enige Nederlandse procedure tegen een contractuele wederpartij van de Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschap”. Hiermee bedoelt het subonderdeel [57] dat door die voorziening [eiseres 3] en [eiser 3] op straffe van verbeurte van een dwangsom “worden weerhouden van ieder contact met
eeniederuit de (aanzienlijke, en wellicht voor [eiseres 3] en [eiser 3] niet eens vooraf volledig kenbare) kring van contractuele wederpartijen van de Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschappen”. [58] Ook voorziening (ii) is evenwel kenbaar aanmerkelijk toegespitster, en daarmee beperkter in reikwijdte, dan het subonderdeel (dat dus abstraheert van rov. 3.23-3.30) het hier doet voorkomen. Daarbij geldt, als gezegd, dat de OK in die voorziening wel degelijk aanwijsbaar een beperking aanbrengt van de daarin bedoelde uitlating of handeling. Zie onder 3.14.5 sub b hiervoor.
nr. 1.1.2.
nr. 1.2.2wordt ingegaan op art. 8 EVRM Pro. Aangevoerd wordt dat [eiseres 3] en [eiser 3] wat betreft hun persoonlijke levenssfeer “in feite een contactverbod” krijgen ten aanzien van een groot aantal personen, “zijnde de contractuele wederpartijen van de Duitse groepsvennootschap”. Want “[t]ot hen”, dus die groep contractuele wederpartijen, mag door [eiseres 3] en [eiser 3] “geen woord worden gesproken”. De OK miskent dat zo’n contactverbod vereist dat sprake is van een reële dreiging van een (stelselmatige) schending van de persoonlijke levenssfeer van de ‘belaagde’ om het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht te kunnen beperken. In dit geval ontbreekt die rechtvaardiging geheel. Want het verbod wordt opgelegd met het oog op de ondernemingsbelangen van [verweerster 2] en het functioneren van [OK-bestuurder] . Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat “het verbieden van ieder contact (dus bijvoorbeeld ook: een begroeting)” zodanig bijdraagt aan het doel van de onmiddellijke voorzieningen dat zij de erdoor bewerkstelligde mate van aantasting van de persoonlijke levenssfeer van [eiseres 3] en [eiser 3] rechtvaardigen.
nr. 1.2.3wordt ingegaan op art. 10 EVRM Pro. Aangevoerd wordt dat de voorzieningen (i)-(ii) ook inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting. Want [eiseres 3] en [eiser 3] wordt ten aanzien van deze zelfde groep contractuele wederpartijen “in zijn geheel verboden om te spreken, zowel in schriftelijke als in gesproken vorm” (voorziening (ii)). En [eiseres 3] en [eiser 3] wordt daarnaast verboden “tegen eenieder te spreken, voor zover dat spreken enige twijfel zou kunnen doen ontstaan over het bestuur bij [verweerster 2] door [OK-bestuurder] ” (voorziening (i)). [eiseres 3] en [eiser 3] zullen zich als gevolg daarvan “bijvoorbeeld ook niet in privé, onder familie en vrienden, kunnen uitspreken over hun mening over de ‘gerechtvaardigdheid’ van de procedure”. Volstrekt onduidelijk is hoe het verbieden van (ook) dergelijke uitspraken op enige wijze gerechtvaardigd is, laat staan dat dergelijke verboden op zodanig substantiële wijze bijdragen aan het doel van de onmiddellijke voorzieningen dat zij de erdoor bewerkstelligde mate van inbreuk op de vrijheid van meningsuiting rechtvaardigen.
nr. 1.2.5wordt geconcludeerd dat “[h]et voorgaande” meebrengt dat de OK bij haar beoordeling of en in hoeverre de voorzieningen (i)-(ii) moeten worden toegewezen, gelet op de gevolgen ervan voor [eiseres 3] en [eiser 3] , een afweging had moeten maken tussen enerzijds de inmenging van het recht op een persoonlijke levenssfeer respectievelijk de vrijheid van meningsuiting die de gevraagde voorzieningen opleveren en anderzijds het met die voorzieningen nagestreefde doel. Door dit niet (kenbaar) te doen, geeft de OK blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van art. 8 en Pro 10 EVRM en haar bevoegdheid om onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a lid 2 BW op te leggen.
nr. 1.2.6wordt nog toegevoegd dat voor zover in de beschikking de onder 3.16.5 hiervoor bedoelde afweging (“voornoemde afweging”) besloten ligt, het daarop berustende oordeel onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd is. Want de inhoud van de voorzieningen (i)-(ii) laat geen andere conclusie toe dan dat minder ingrijpende maatregelen beschikbaar waren, waarmee de OK het beoogde doel had kunnen bereiken. Daarom is hetzij sprake van een te vergaande inbreuk op art. 8 en Pro 10 EVRM (“de in het voorgaande ingeroepen grondrechten”), hetzij onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd waarom de (ernstige) aantasting van die grondrechten van [eiseres 3] en [eiser 3] waartoe die voorzieningen leiden voldoen aan de daaraan te stellen voorwaarden.
de factoeen contactverbod wordt opgelegd ten aanzien van een brede en hen niet geheel bekende groep”.
nr. 1.4.1wordt geklaagd dat de OK met het treffen van de voorzieningen (i)-(ii) heeft miskend dat zij niet bevoegd is voorzieningen te treffen voor zover zij “een grensoverschrijdend (quasi)procedeerverbod” inhouden betreffende procedures in EU-lidstaten. Want de voorzieningen (i)-(ii) laten zich niet anders uitleggen “dan dat zij mede een dergelijk verbod inhouden”. Voorziening (i) “weerhoudt [eiseres 3] en [eiser 3] immers mede om in Duitsland in procedures te ageren tegen of over de OK-bestuurder [OK-bestuurder] ”. En voorziening (ii) “weerhoudt [eiseres 3] en [eiser 3] immers mede om in Duitsland te procederen tegen de contractuele wederpartijen van de Duitse groepsvennootschappen”.
nr. 1.4.2wordt uitgewerkt dat de OK miskent dat “dergelijke (quasi)procedeerverboden” onverenigbaar zijn met Verordening (EU) nr. 12/15/2012, oftewel de Brussel I-bis verordening. Vertrekpunt daarbij is dat wanneer een gerecht een partij “op straffe van sanctiemaatregelen verbiedt om bij een buitenlands gerecht een vordering in te stellen of voort te zetten”, afbreuk wordt gedaan aan de bevoegdheid van dit buitenlandse gerecht het geschil te beslechten. Dit vormt, als beide staten EU-lidstaten zijn, een inmenging in de rechtsmacht van dit buitenlandse gerecht die onverenigbaar is met het stelsel van voornoemde verordening.
nr. 1.4.3wordt daaraan toegevoegd dat de voorzieningen (i)-(ii), door “ [eiseres 3] en [eiser 3] op meerdere wijzen de toegang tot de rechter van een lidstaat (Duitsland) vrijwel bloot - dat wil zeggen: los van de verdere inhoudelijke elementen van de eventueel voorliggende kwestie(s) - te ontzeggen”, inbreuk maken op de door voornoemde verordening geüniformeerde bevoegdheidssystematiek. De toewijzing van die voorzieningen “heeft mede tot gevolg dat de OK de bevoegdheid van een gerecht van een andere verdragsluitende staat heeft getoetst”. De OK heeft miskend dat zo’n toetsing niet tot haar bevoegdheden behoorde. “Zodoende kan de toewijzing van voorzieningen (i) en (ii) ook om die reden niet in stand blijven”.
voorzieningen) voor zover gericht jegens hem. En tegen de daaraan ten grondslag liggende overwegingen in rov. 3.24-3.31.
nr. 2.1.0wordt deels geciteerd uit rov. 3.24 van de beschikking, en wel als volgt:
nr. 2.1.1wordt vooreerst geklaagd dat de OK met dit oordeel en de voorzieningen voor zover gericht tegen [eiser 2] heeft miskend dat [eiser 2] slechts onderwerp kan zijn van (onmiddellijke) voorzieningen voor zover het gaat om (i) een rol van [eiser 2] bij [verweerster 2] (als vennootschap waarop de enquête betrekking heeft), of (ii) een rol (a) die inhoudt dat “
hij” (dus: [eiser 2] zelf) zich op de voet van art. 2:8 BW Pro jegens [verweerster 2] dient te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid en (b) die valt binnen de territoriale reikwijdte van het enquêterecht. [65] De OK heeft (i) noch (ii) vastgesteld. Hiervoor is in ieder geval onvoldoende dat [eiser 2] ’ handelen “niet los kan worden gezien” van jointventurepartner [eiseres 1] , die immers niet het onderwerp is van de enquête. Hij heeft geen zitting in een van de organen van [verweerster 2] . Dat [eiseres 1] de plicht heeft zich op grond van art. 2:8 lid 1 BW Pro jegens [verweerster 2] en al degenen die bij haar organisatie zijn betrokken te gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, zoals de OK overweegt in rov. 3.24, maakt dit niet anders, omdat (zoals de OK onderkent in rov. 3.24) [eiser 2] “niet namens [eiseres 1] optreedt”. Voor zover de OK het oog heeft op [eiser 2] ’ rol als bestuurder van de met [verweerster 2] verbonden buitenlandse vennootschappen, en heeft bedoeld dat hij in die rol op de voet van art. 2:8 BW Pro zich jegens [verweerster 2] dient te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, geldt dat de OK ten onrechte niet heeft vastgesteld dat de vereiste verbondenheid bestaat en verder de territoriale reikwijdte van het enquêterecht heeft miskend. Het oordeel van de OK dat erop neerkomt dat de territoriale reikwijdte van het enquêterecht niet aan het opleggen van de voorzieningen jegens [eiser 2] in de weg staat, is hierom onjuist (met name voor zover het diens rol bij buitenlandse vennootschappen betreft) en onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (met name voor zover het gaat om haar mogelijke oordeel dat [eiser 2] een rol speelt die binnen de territoriale reikwijdte van het enquêterecht valt en hij zich als zodanig bevindt binnen de personele reikwijdte van art. 2:8 BW Pro).
nr. 2.1.2wordt gewezen op de vaststelling in rov. 3.24 dat [eiser 2] “fungeert als bestuurder van de Duitse groepsvennootschappen”. En opgemerkt dat de OK daarin (ten onrechte) overweegt dat de onmiddellijke voorzieningen zich kunnen richten jegens [eiser 2] “ook voor zover het handelingen betreft die [eiser 2] verricht, al dan niet in zijn rol van bestuurder van een Duitse groepsvennootschap”. Aldus heeft zij beslist dat het handelen waarop die voorzieningen zien ook [eiser 2] ’ handelingen betreft op het niveau van de
Duitsedochtervennootschappen, namelijk die hij als bestuurder van die vennootschappen verricht. Dit getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, want is in tegenspraak met het - door de OK in rov. 3.6 [66] en 3.24, laatste zin terecht onderkende - uitgangspunt dat buitenlandse vennootschappen geen onderwerp kunnen zijn van het enquêterecht zodat in verband met die vennootschappen ook geen onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen.
nr. 2.1.3wordt toegevoegd dat ook uit (de formulering van) de onmiddellijke voorzieningen in het dictum blijkt dat de OK (mede) het oog heeft op handelen op het niveau van die Duitse vennootschappen. De voorzieningen zijn niet los te zien van [eiser 2] ’ hoedanigheid van bestuurder van die Duitse vennootschappen en laten zich dan ook niet anders uitleggen dan dat de OK hiermee ingrijpt in de vennootschappelijke verhoudingen binnen die Duitse vennootschappen waarvan [eiser 2] bestuurder is. Nu de OK hiertoe niet bevoegd is, getuigt het geven van deze voorzieningen (in zoverre) van een onjuiste rechtsopvatting.
nr. 2.1.4worden, tot slot, nog pijlen gericht op rov. 3.24, laatste zin. Dit oordeel is rechtens onjuist op grond van wat in nrs. 2.1.1-2.1.3 is aangevoerd. Dit oordeel, de daarop steunende oordelen in rov. 3.25-3.30 en de daarop gebaseerde onderdelen van het dictum kunnen daarom niet in stand blijven. Deze oordelen zijn ook onverenigbaar met de vooropstelling van de OK in rov. 3.6. In het licht van deze oordelen is het oordeel van de OK in rov. 3.24 althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, nu niet valt in te zien hoe deze oordelen zich verhouden tot de toewijzing van de onmiddellijke voorzieningen jegens [eiser 2] op het niveau van die Duitse vennootschappen. De OK had zich dan ook inzake “de voorlopige voorzieningen jegens [eiser 2] ” niet-ontvankelijk moeten verklaren.
Funda-beschikking van de Hoge Raad, geciteerd onder 3.7 hiervoor. [71] In de literatuur is bij duiding van de beschikking de nadruk ook wel gelegd op (i), wat mogelijk impliceert - glashelder is dit niet - dat in die lezing volgens de OK [eiser 2] niet (ook) bij (ii) valt onder dit bereik van art. 2:8 lid 1 BW Pro. [72] Wat daarvan zij, m.i. valt volgens de OK [eiser 2] dus ook bij (ii) onder dit bereik: zie hiervoor.
nr. 2.1.1.
hij” (dus: [eiser 2] zelf) zich op de voet van art. 2:8 BW Pro jegens [verweerster 2] dient te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid en (b) die valt binnen de territoriale reikwijdte van het enquêterecht.
op het niveau van [eiseres 1]lees ik in nr. 2.1.1 ter uitwerking alleen dat weliswaar jointventurepartner [eiseres 1] (waarvan [eiser 2] ’ handelen niet los kan worden gezien) onder voornoemde bereik van art. 2:8 lid 1 BW Pro valt, maar de OK in rov. 3.24 onderkent dat [eiser 2] “niet namens [eiseres 1] optreedt”. Met de geciteerde woorden heeft de OK evenwel het oog op de rol van [eiser 2] op het niveau van Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschappen en onderscheidt zij deze rol van [eiser 2] ’ rol op het niveau van [eiseres 1] , waarbij hij volgens de OK dus wel namens [eiseres 1] optreedt. Nu in nr. 2.1.1 ter uitwerking derhalve niets wordt aangevoerd dat betrekking heeft op het daadwerkelijke oordeel van de OK over de rol van [eiser 2] op het niveau van [eiseres 1] , loopt het subonderdeel in zoverre daarop al vast.
op het niveau van Duitse [verweerster 2] -groepsvennootschappenbereik ik geen andere uitkomst: ook in zoverre strandt het subonderdeel. Dienaangaande bevat nr. 2.1.1 ter uitwerking niet meer dan dat de OK: (
i) ten onrechte niet vaststelt dat de vereiste verbondenheid tussen [verweerster 2] en die Duitse vennootschappen bestaat, wat kennelijk terugslaat op de onder 3.27.2 sub (ii).(a) hiervoor bedoelde eis; en (
ii) verder de territoriale reikwijdte van het enquêterecht miskent, wat kennelijk terugslaat op de onder 3.27.2 sub (ii).(b) hiervoor bedoelde eis. Die uitwerking onder (
i)-(
ii) moet kennelijk worden bezien in het licht van de inleiding op het subonderdeel.
i) het volgende.
Funda-beschikking van de Hoge Raad betrekt, geciteerd onder 3.7 hiervoor;
i) bedoelde verbondenheid besloten. [77] De OK stelt die aldus wel degelijk (afdoende) vast.
Funda-beschikking van de Hoge Raad aan bod. [78] Maar uit die passages in de inleiding volgt niet meer, voor zover hier relevant, dan dat de Hoge Raad in rov. 3.7 aldaar zou hebben geoordeeld dat zowel het handelen van een organisatorisch verbonden rechtspersoon (in die casus een middellijk aandeelhouder) als “dat van degenen die met laatstgenoemde rechtspersoon in de door artikel 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde relatie staan” onder de reikwijdte van art. 2:8 lid 1 BW Pro kan vallen. De geciteerde woorden in die passages zijn evenwel niet te vinden in (rov. 3.7 van) deze
Funda-beschikking, [79] noch in andere rechtspraak (van Hoge Raad en OK) en literatuur die wordt genoemd in de inleiding. [80] Dit is logisch, mede gezien de economische werkelijkheid waarop de Hoge Raad wijst in rov. 3.4 van de
Funda-beschikking. Want bij die rechtspersoon kan het ook gaan om een rechtspersoon naar buitenlands recht waarbij van zo’n “door artikel 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde relatie”, dus op het niveau van die rechtspersoon zelf, geen sprake is. Voor zover in die passages nog wordt gesuggereerd - het staat er niet - dat blijkens rov. 3.7 van deze
Funda-beschikking louter sprake kan zijn van zo’n organisatorisch verbonden entiteit [81] bij een zuivere ‘rechtspersoon’, [82] zoals naar Nederlands recht de in Boek 2 BW geregelde privaatrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in art. 2:3 BW Pro, gaat dit m.i. evenmin op. Zo’n categorische benadering valt evenmin te lezen in (rov. 3.7 van) deze
Funda-beschikking, noch in die andere rechtspraak en literatuur als genoemd in de inleiding. Dit is eveneens logisch, mede gezien die economische werkelijkheid. Want ook andere entiteiten dan zo’n ‘rechtspersoon’, zoals personenvennootschappen (al dan niet met rechtspersoonlijkheid), [83] kunnen via voornoemde schakel van organisatorische verbondenheid op een voor art. 2:8 lid 1 BW Pro betekenisvolle wijze betrokken zijn bij de organisatie van de in die bepaling genoemde rechtspersoon.
i) af.
ii) het volgende.
common lawvan Engeland en Wales, zou belanghebbende onder 1 ( [eiseres 1] ), [eiser 2] [ [eiser 2] , A-G] en [eiser 3] , alsmede hun Duitse advocaten, wellicht een sanctie hebben getroffen vanwege
contempt of court. (…) Heel in het kort komt het erop neer dat belanghebbenden onder 1 tot en met 3, mede met behulp van hun Duitse advocaten, op een onaanvaardbare manier en met gebruikmaking van ontoelaatbare middelen, er alles aan doen om de OK-bestuurder en [betrokkene 1] , de door de OK-bestuurder benoemde bestuurder van de Duitse topholding van verweerster (…), het functioneren onmogelijk te maken. (…) belanghebbenden onder 1 tot en met 3 [hebben] het gezag van de Ondernemingskamer op het spel gezet. Zou hun de voet niet dwars zijn gezet, dan zouden zij de beschikking van de Ondernemingskamer waarin zij vaststelde dat er gronden zijn voor twijfel aan een juist beleid en dat ingrijpen noodzakelijk was, in wezen onderuit hebben gehaald. Dat de Ondernemingskamer dat met de vorenstaande duidelijke beschikking in evenzo duidelijke bewoordingen niet heeft laten gebeuren, is net zo vanzelfsprekend als belangrijk”.
ii) wel gewezen: op (parlementaire geschiedenis van) art. 2:344 BW Pro; op de overweging van de Hoge Raad “dat slechts de in art. 2:344 BW Pro aangewezen rechtspersonen voorwerp kunnen zijn van een enquête als geregeld in afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek”; [88] en op rechtspraak van de OK waarin zij, kort gezegd, aansluit bij die overweging (en andere overwegingen van de Hoge Raad in de desbetreffende beschikking). [89] Uit dit een en ander zou volgen dat: [90]
ii) af.
nr. 2.1.2.
nr. 2.1.3.
nr. 2.1.4.