Conclusie
NVM)
[verweerder 5])
FundaBelang c.s.)
(2 t/m 6 hierna:
[verweerders 2 t/m 6])
8 NVM Holding B.V. (hierna: NVM Holding)
NVM Holding c.s.)
9 Stichting Administratiekantoor Funda (hierna: STAK Funda)
OK). Daarbij heeft zij onder meer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Funda (in het bijzonder bekend van de door haar geëxploiteerde gelijknamige website, waarop woningen en andere onroerende zaken worden aangeboden). Daarvan heeft NVM principaal cassatieberoep ingesteld, heeft NVM Holding incidenteel cassatieberoep ingesteld en hebben FundaBelang c.s. voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. M.i. zonder vrucht.
1.Feiten
beschikking). [1] Zie onder 1.1-1.65 hierna. Daaraan gaat in rov. 2 een inleiding vooraf, die ik citeer:
2. Inleiding
Wegener): 25 aandelen C.
[betrokkene 1]). Funda heeft een raad van commissarissen (hierna: de
rvc) die, eveneens sinds 2018, gevormd wordt door [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), [betrokkene 3] (hierna:
[betrokkene 3]) en [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]). Bestuurder van NVM Holding is [betrokkene 5] (hierna:
[betrokkene 5]). Voorzitter van het algemeen bestuur van NVM is [betrokkene 6] (hierna:
[betrokkene 6]). Bestuurders van STAK Funda zijn [betrokkene 7] (hierna:
[betrokkene 7]), [betrokkene 8] en [betrokkene 9] .
Licentieovereenkomst). Op grond van de Licentieovereenkomst heeft Funda een exclusieve licentie voor het gebruik op funda.nl van de NVM Woning Databank (met aanboddata van koop en huur van woningen, hierna: de
Woning Databank) en de NVM Archief Databank (met historische gegevens over Nederlands onroerend goed, hierna: de
Archief Databank). Ingevolge art. 2 sub a van Pro de Licentieovereenkomst geldt als beginsel dat:
TIARA). Alle door de makelaars aangeleverde data worden in dit systeem ingeladen en vervolgens ontsloten aan Funda. Dit systeem was tot 2018 in beheer bij NVM. In 2018 heeft zij NVM Brainbay B.V. (hierna:
Brainbay) opgericht en TIARA bij Brainbay ondergebracht. Brainbay is vanaf dat moment verantwoordelijk voor het beheer en de ontwikkeling van TIARA en daarmee voor de Archief Databank en de Woning Databank.
GA), hebben door de jaren heen hun interesse kenbaar gemaakt om te investeren in Funda. Funda heeft met verschillende partijen gesproken om te bezien of zij een bijdrage konden leveren aan het verder bestendigen van het langetermijnsucces van Funda.
Nota Toekomstvisie). Op grond van dit beleidsplan zou Funda net als andere deelnemingen onder directe NVM-leiding komen te staan.
[betrokkene 10]), heeft in een brief van 5 oktober 2016 aan NVM zijn zorgen over dit beleidsplan geuit, met name waar het de onafhankelijke positie van Funda betreft:
Project Oslo).
Project Pluto). Project Pluto heeft als doel:
A Brand New NVM).
Het feit dat certificaathouders alleen aan personen en ondernemingen kunnen verkopen die aan specifieke kwaliteitseisen voldoen (NVM Kantoren, NVM makelaars/-taxateurs en medewerkers van NVM en haar deelnemingen) beperkt de vraag naar certificaten en biedt met name voor groot-certificaathouders slechts een beperkte mogelijkheid om uit te stappen. Daarbij bestaat onder certificaathouders de overtuiging dat de prijs die op deze wijze voor de certificaten kan worden verkregen, niet correspondeert met de waarde ontwikkeling van de aandelen funda van de STAK. Met name de certificaathouders van het eerste uur geven aan te hebben gekocht met de verwachting op enig moment ook van deze waarde ontwikkeling te kunnen profiteren. Uiteindelijk zijn zij degenen die het mogelijk hebben gemaakt dat funda destijds is opgericht en het kapitaal had om ook in moeilijke jaren overeind te blijven. Het is dan ook een te begrijpen wens dat de mogelijkheid ontstaat om (ook) buiten de huidige kring van certificaat-gerechtigden te zoeken naar kopers.
McKinsey) heeft ingeschakeld om haar te ondersteunen bij het visievormingstraject.
- On the short term our revenue and our ability to invest comes under pressure
Axeco) aangesteld als M&A-adviseur, om haar te ondersteunen bij de uitwerking en toetsing van de voorkeursrichting. Axeco heeft onder meer geadviseerd over de propositie voor een mogelijke derde aandeelhouder. Daarnaast is McKinsey gevraagd te adviseren over de wijze waarop de integratie van Funda met Realworks B.V. (hierna:
Realworks) en andere deelnemingen en activiteiten zou kunnen plaatsvinden.
2. Opzetten externe constructies voor inkoop van certificaten (...)
3. Vanuit NVM zelf certificaten inkopen (...)
2.Procesverloop
In feitelijke instantie (bij de OK)
3.Bespreking van het principale cassatieberoep van NVM
middellijkaandeelhouder van Funda of in enige andere hoedanigheid (en voor zover de bezwaren en de verzoeken van FundaBelang c.s. en Funda daarop betrekking hebben). Het subonderdeel klaagt dat dit oordeel dan getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of niet naar behoren is gemotiveerd.
In dat geval heeft de OK miskend dat weliswaar niet alleen beleid en/of gedragingen van de beleidsbepalende organen (bestuur en raad van commissarissen) van de vennootschap (die voorwerp is van de enquêteprocedure; in casu Funda) onderwerp van de enquêteprocedure (en het eventueel daarop volgende onderzoek) kunnen zijn, maar dat het wel moet gaan om beleid en/of gedragingen van organen van de vennootschap (zoals de algemene vergadering) of van (rechts)personen die deel uitmaken van die organen (zoals een meerderheidsaandeelhouder). Dat beleid en/of die gedragingen moeten (voor de toepassing van het enquêterecht) worden toegerekend aan de vennootschap en kunnen gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van de vennootschap te twijfelen. Beleid en/of gedragingen van anderen (zoals een (rechts)persoon die enkel middellijk aandeelhouder van de vennootschap is; in casu NVM) kunnen geen onderwerp van de enquêteprocedure (en het eventueel daarop volgende onderzoek) zijn, althans in ieder geval niet indien die anderen niet behoren tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de vennootschap zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW Pro. Beleid en/of gedragingen van die anderen kunnen immers (voor de toepassing van het enquêterecht) niet toegerekend worden aan de vennootschap en kunnen geen gegronde redenen opleveren om aan een juist beleid of juiste gang van zaken van de vennootschap te twijfelen. Dit is de
eerste klacht.
Althans heeft de OK miskend dat het voorgaande in elk geval geldt voor het beleid en/of de gedragingen van een (rechts)persoon (zoals in casu NVM) die slechts middellijk aandeelhouder is van de vennootschap en die (i) geen bestuurder is van de (directe) meerderheidsaandeelhouder (moedermaatschappij) van de vennootschap (in casu de directe meerderheidsaandeelhouder NVM Holding) en/of (ii) niet met de vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de
tweede klacht.
Indien de OK het voorgaande niet heeft miskend, is haar oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. In cassatie staat immers vast dat NVM geen orgaan van Funda vormt, geen deel uitmaakt van een orgaan van Funda, slechts middellijk aandeelhouder is van Funda, geen bestuurder is van NVM Holding, en niet met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de
derde klacht.
Indien de OK van oordeel zou zijn dat NVM behoort tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Funda zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW Pro, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting en/of is dat oordeel niet naar behoren gemotiveerd vanwege de in subonderdeel 3.7 uiteengezette redenen. Dit is de
vierde klacht.
Inleidende opmerkingen
middellijk(meerderheids)aandeelhouder van een vennootschap gericht en categorisch heeft willen uitsluiten van het bereik van het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in enquêterechtelijke zin, [14] en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro onderwerp kan zijn van een enquêteprocedure ten aanzien van die vennootschap [15] (en onderwerp kan zijn van het eventueel daarop volgende onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro). [16] Althans in ieder geval indien die (rechts)persoon geen bestuurder is van een onmiddellijke (meerderheids)aandeelhouder van die vennootschap [17] en/of niet met die vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dat staat niet in die parlementaire geschiedenis, [18] noch in de regeling van het enquêterecht zelf. M.i. geeft die parlementaire geschiedenis veeleer blijk van een opener benadering, in lijn ook met de tekst van die regeling. [19] Dus een benadering waarin de mogelijkheid bestaat, met inachtneming van de feiten en omstandigheden in het concrete geval, het doen en laten van een (rechts)persoon als
middellijk(meerderheids)aandeelhouder van een vennootschap te laten vallen onder het bereik van het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in enquêterechtelijke zin, [20] en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro onderwerp kan zijn van een enquêteprocedure ten aanzien van die vennootschap (en onderwerp kan zijn van het eventueel daarop volgende onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van die vennootschap in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro). [21] Ook als die (rechts)persoon geen bestuurder is van een onmiddellijke (meerderheids)aandeelhouder van die vennootschap [22] en/of niet met die vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW, wat ter zake geen algemeen geldende, ‘harde’ voorwaarde(n) is/zijn. Dit mede gezien de geciteerde verwijzingen in die parlementaire geschiedenis naar “het gedrag van een of meerdere personen die bij de rechtspersoon betrokken zijn (zoals aandeelhouders)” als onderdeel van “het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon”. En naar gedrag van “een individuele aandeelhouder” als zodanig “waarmee hij het reilen en zeilen en/of het aanzien van de rechtspersoon raakt” (gedrag dat “de gang van zaken binnen de vennootschap voldoende sterk raakt”, dat “de gang van zaken van de rechtspersoon schaadt”), welk gedrag de OK ter zake kan betrekken. Ook bij zo’n middellijke (meerderheids)aandeelhouder van die vennootschap als zodanig [23] laat zich immers best voorstellen, afhankelijk van de feiten en omstandigheden in het concrete geval, dat sprake is van een dergelijke ‘persoon die bij de rechtspersoon betrokken is’. En van zulk ‘gedrag waarmee hij het reilen en zeilen en/of aanzien van de rechtspersoon raakt’, al dan niet via een onmiddellijke (meerderheids)aandeelhouder van die vennootschap. Zo’n opener benadering strookt tevens met de benadrukking in die passages:
(…).” [44]
Deze uitleg van “beleid en gang van zaken” is, nu de criteria voor het gelasten van een onderzoek en de reikwijdte van het onderzoek gelijkgetrokken zijn, ook relevant voor de vraag wiens handelen reden kan zijn voor het gelasten van een onderzoek. Ook het handelen van een derde kan aanleiding zijn tot het bevelen van een onderzoek, indien en voor zover sprake is van aanmerkelijke invloed op het beleid van of de gang van zaken in de vennootschap. (…).” [46]
NJ1990, 466 (Ogem) is overwogen, onder meer de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, waarbij in de eerste plaats is te denken aan de verantwoordelijkheid van de onderscheiden organen van de rechtspersoon.
Rov. 4.3, eerste zin begrijp ik zo dat de OK daarmee niet meer bedoelt dan wat daar staat, ingegeven door die bezwaren en verzoeken van FundaBelang c.s. en Funda. Erop neerkomend dat nu NVM feitelijk geen onmiddellijk (meerderheids)aandeelhouder van Funda is, handelen van NVM in zo’n hoedanigheid evenmin onderwerp van deze enquêteprocedure kan zijn. Immers, nu NVM “geen aandeelhouder van Funda is”, kan haar handelen “in zoverre dan ook geen onderwerp van deze enquêteprocedure zijn”, aldus de OK. Daarbij zij bedacht dat op het punt van het aandeelhouderschap in Funda deze verzoekers in de procedure bij de OK niet steeds even scherp onderscheid hebben gemaakt tussen NVM en NVM Holding, in welk licht dat oordeel van de OK in rov. 4.3, eerste zin zich laat verstaan. [57] Over hetgeen ter zake geldt voor zover die bezwaren en verzoeken betrekking hebben op het handelen van NVM als middellijk (meerderheids)aandeelhouder van Funda, welke hoedanigheid NVM feitelijk wel heeft (naar de OK met zoveel woorden onderkent elders in de beschikking, zoals in rov. 4.25, voorlaatste zin), lees ik niets in rov. 4.3, eerste zin.
Iets anders is dat, naar de OK (dus) met zoveel woorden onderkent elders in de beschikking, NVM wel middellijk (meerderheids)aandeelhouder van Funda is. Dat, naar de OK overweegt elders in de beschikking (zie rov. 4.36-4.38), NVM Holding c.s. als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders van Funda vallen binnen de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro bezien vanuit Funda als rechtspersoon (vennootschap), in welk verband op NVM Holding c.s. in de gegeven feiten en omstandigheden een zorgvuldigheidsplicht rust jegens specifiek Funda, STAK Funda en de certificaathouders. En dat, naar de OK ten grondslag legt aan haar beoordeling elders in de beschikking (culminerend in rov. 4.44), het aan die werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro onderworpen doen en laten van NVM en NVM Holding als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders van Funda valt onder het bereik van Funda’s beleid en gang van zaken in enquêterechtelijke zin, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro onderwerp kan zijn van deze enquêteprocedure (en onderwerp kan zijn van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Funda in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro). [58] Dit een en ander valt uiteraard niet los te zien van de door de OK vastgestelde feiten en omstandigheden, mede in rov. 3.1-3.65, 4.25-4.27, 4.32-4.33 en 4.37-4.44.
subonderdeel 3.4.
eerste klachtin essentie en primair propageert, is het níet zo dat het doen en laten (“het beleid en/of de gedragingen”) van NVM als
middellijkmeerderheidsaandeelhouder van Funda per definitie valt/vallen buiten het bereik van Funda’s beleid en gang van zaken in enquêterechtelijke zin, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro onderwerp kan zijn van deze enquêteprocedure (en onderwerp kan zijn van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Funda in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro). Dit laatste is niet op voorhand uitgesloten, naar de OK dus met juistheid aanneemt in de beschikking. De contraire opvatting waarvan de klacht uitgaat, vindt derhalve geen steun in het recht. Zie onder 3.5.1-3.5.7 hiervoor. Daarbij komt dat, naar het klaarblijkelijke oordeel van de OK in de beschikking, met inachtneming van de feiten en omstandigheden in dit concrete geval:
tweede klachtloopt dan vast in het voetspoor van de eerste klacht. Zie onder 3.7.2 hiervoor. Het oordeel van de OK, met inachtneming van de feiten en omstandigheden in dit concrete geval, dat het aan die werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro onderworpen doen en laten van NVM in genoemde hoedanigheid valt onder het bereik van Funda’s beleid en gang van zaken in enquêterechtelijke zin, en aldus van hetgeen in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro onderwerp kan zijn van deze enquêteprocedure (en onderwerp kan zijn van het bevolen onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van Funda in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro), geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omdat de OK daarbij zou miskennen dat NVM (i) geen bestuurder is van NVM Holding [61] en/of (ii) niet met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. De onder (i)-(ii) genoemde omstandigheden, waaraan de OK geenszins voorbijziet in de beschikking en die ter zake geen algemeen geldende, ‘harde’ voorwaarde(n) behelzen, staan niet zonder meer [62] in de weg aan genoemd oordeel van de OK. Zie onder 3.5.1-3.5.7 hiervoor.
derde klachtloopt dan vast in het voetspoor van de eerste klacht en de tweede klacht. Zie onder 3.7.2-3.7.3 hiervoor. De onderhavige klacht vertrekt immers vanuit de onjuiste premisse dat wat is aangevoerd in de eerste klacht althans de tweede klacht steun vindt in het recht en dat de OK “het voorgaande niet heeft miskend”. Dit in de eerste klacht en de tweede klacht aangevoerde staat evenwel niet in de weg aan genoemde oordeel van de OK. [63] Waarbij zij - terecht - niet redeneert, evenmin in rov. 4.3, eerste zin, vanuit een rechtsopvatting waarin een obstakel voor dat oordeel wordt gevormd door de wel degelijk door haar onderkende omstandigheden dat NVM “geen orgaan vormt van Funda, geen deel uitmaakt van een orgaan van Funda, slechts middellijk aandeelhouder is van Funda, geen bestuurder is van NVM Holding en niet met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW”. Kortom: hetgeen de klacht aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie dat het oordeel van de OK zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is.
vierde klacht, die steunt op subonderdeel 3.7, loopt dan vast in het voetspoor van de eerste klacht. Zie onder 3.7.2 hiervoor. Zoals daar uiteengezet, strandt genoemd subonderdeel.
subonderdeel 3.5.
exitvoor de certificaathouders. Daarbij geldt dat de certificaathouders aan de bij de oprichting van Funda in 2000 gewekte verwachtingen en de gemaakte afspraken zoals die blijken uit het prospectus, de statuten van STAK Funda en de administratievoorwaarden in beginsel niet een recht kunnen ontlenen om hun certificaten anders dan via het interne handelsplatform, tegen marktwaarde te mogen verkopen. Tegelijkertijd stelt het belang van de certificaathouders bij een optimalisatie van de waarde van hun certificaten een beperking aan de vrijheid van NVM Holding c.s. om hun zeggenschap over Funda te gebruiken om de belangen van de NVM-leden te dienen. Concreet betekent dit dat als NVM Holding c.s. ten behoeve van de NVM-leden beperkingen willen stellen aan de vrijheid van het bestuur van Funda om haar eigen strategie te bepalen en zij daarmee verhinderen dat Funda optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden die haar platform biedt om nieuwe diensten aan te bieden, NVM Holding c.s. de certificaathouders een mogelijkheid zullen moeten bieden om de reële waarde van hun certificaten te realiseren. Dit betekent dat NVM Holding c.s. een keuze moeten maken. Of zij laten het bestuur van Funda de vrijheid om haar eigen strategie te bepalen, ook als dit mogelijk strijdig is met de belangen van de NVM-leden, of zij bieden de certificaathouders een
exit-mogelijkheid die recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. Daarbij geldt dat zolang NVM Holding c.s. die keuze niet maakt, zij de autonomie van het bestuur van Funda om haar eigen strategie te bepalen en uit te voeren zullen moeten respecteren. De Ondernemingskamer stelt vast dat NVM Holding c.s., ondanks alle inspanningen sinds 2016 die keuze nog steeds niet hebben gemaakt.
(…)
4.40 De Ondernemingskamer acht voldoende aannemelijk dat het feit dat NVM Holding c.s. in de loop der jaren niet in staat zijn gebleken om een helder besluit te nemen over de toekomst van de aandeelhoudersstructuur, de positie van Funda en een mogelijke
exitvoor de certificaathouders, in toenemende mate een wissel trekt op de verhoudingen binnen Funda en een belemmering vormt voor het bestendige succes van de door Funda gedreven onderneming.
(…)
exitvoor de certificaathouders, in samenhang bezien met de invloed die dat heeft gehad en heeft op de ontwikkeling en de uitvoering van de strategie van Funda en de door haar gedreven onderneming, een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Funda, die een onderzoek rechtvaardigt. De Ondernemingskamer zal dat onderzoek bevelen vanaf 22 september 2016, het moment waarop NVM de Nota Toekomstvisie presenteerde. Het staat de onderzoeker vrij om ook andere gebeurtenissen en gebeurtenissen van vóór 22 september 2016 bij zijn of haar onderzoek te betrekken voor zover die een licht kunnen werpen op hetgeen hiervoor is overwogen.”
middellijkaandeelhouder is van een vennootschap en waaraan in de statuten van de vennootschap niet wordt gerefereerd (bijvoorbeeld door de toekenning van bepaalde bevoegdheden), niet behoort tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de vennootschap (in casu Funda) zijn betrokken in de zin van art. 2:8 lid 1 BW Pro. De OK heeft miskend dat op grond van art. 2:8 BW Pro op die middellijke aandeelhouder als zodanig “dus ook” geen zorgvuldigheidsplicht (jegens de vennootschap, de stichting administratiekantoor als minderheidsaandeelhouder en de houders van certificaten in de vennootschap) kan rusten als door de OK aangenomen, waarvan de schending (mede) een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van die vennootschap. Dit is de
eerste klacht.
Het subonderdeel klaagt verder dat de OK althans heeft miskend dat “het voorgaande” in ieder geval geldt indien de middellijk aandeelhouder (i) geen bestuurder is van de (directe) meerderheidsaandeelhouder (moedermaatschappij) van de vennootschap (in casu de directe meerderheidsaandeelhouder NVM Holding) en/of (ii) niet met de vennootschap is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW. Dit is de
tweede klacht.
derde klacht.
middellijk(meerderheids)aandeelhouder (in casu NVM) in zijn relatie tot de vennootschap waarin hij slechts middellijk aandeelhouder is (in casu Funda) en tot de directe (minderheids)aandeelhouder en de certificaathouders van die vennootschap en tot meer in het algemeen degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van die vennootschap zijn betrokken als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro. Voor zover de OK die rechtsregels (uitgangspunten) in rov. 4.37 e.v. heeft toegepast op NVM als middellijk meerderheidsaandeelhouder van Funda (in haar relatie tot Funda, STAK Funda en de certificaathouders), heeft de OK dat “dus” ten onrechte gedaan. Die uitgangspunten (rechtsregels), en de in dat kader voor de (meerderheids)aandeelhouder uit art. 2:8 BW Pro voortvloeiende verplichtingen (als door de OK in rov. 4.36 genoemd), gelden voor de directe (meerderheids)aandeelhouder in zijn relatie tot de vennootschap waarin hij rechtstreeks aandelen houdt en tot de (minderheids)aandeelhouders en de certificaathouders van die vennootschap en tot meer in het algemeen degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van die vennootschap zijn betrokken als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW Pro, maar gelden niet voor een middellijk (meerderheids)aandeelhouder, althans niet voor een middellijk (meerderheids)aandeelhouder als bedoeld in subonderdeel 3.7.
Inleidende opmerkingen
Van belang is daarbij de ook uit de tekst van art. 2:8 BW Pro blijkende bedoeling van de wetgever het toepassingsgebied van die bepaling “wat algemener te maken” dan onder art. 2:7 BW Pro (oud), waarin “niet de algemene formule [werd] gebezigd van degenen die bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken, doch worden genoemd de leden, de aandeelhouders en de houders van certificaten die met medewerking van de vennootschap zijn uitgegeven (…) en zij die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon”. Aldus is tot uitdrukking gebracht dat ook anderen dan leden van organen van de rechtspersoon en houders van bewilligde certificaten onder de kring van betrokken personen vallen. In de wetsgeschiedenis is ook met zoveel woorden benadrukt dat een “ruime kring” voor art. 2:8 BW Pro “niet schadelijk [is], integendeel”.
NJ2011/167 (Staalbankiers)). Overigens kan een wetsbepaling die van openbare orde is niet door de rechter buiten werking worden gesteld. Toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid komt in de rechtspraak minder vaak voor dan toepassing van de aanvullende werking. Let op het verschil in formulering van art. 2:8 lid 1 en Pro lid 2 BW. Voor de aanvullende werking is het voldoende, dat zulks gevorderd wordt door de redelijkheid en de billijkheid. Voor de beperkende werking blijft een regel buiten toepassing , indien toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is . Er geldt een hogere drempel voor de beperkende werking dan voor de aanvullende werking. Als de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een regel dwingend recht betreft, dan dienen hoge eisen te worden gesteld aan de motivering van het rechterlijk oordeel (zie het hierboven genoemde
Staalbankiersarrest).
(…)
NJ2002, 296 ( […] )).” [73]
Onder deze omstandigheden, die zich hier voordoen, kan eerder dan in andere gevallen sprake zijn van de mogelijkheid van een vermenging van de belangen van de vennootschap en van sommige van deze personen, zodat er reden is daarop attent te zijn en met de nodige zorgvuldigheid te voorkomen dat ontoelaatbare verstrengeling van belangen ontstaat. Aldus verstaan geeft het bestreden oordeel van de Ondernemingskamer niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.” [75]
grondnorm. [78] Ook het daar bedoelde open, buigzame, intrinsiek contextuele karakter van die bepaling is daarbij relevant. Gelijk de gedachte dat de in art. 2:8 BW Pro opgenomen begrenzingen steeds ruim en welwillend dienen te worden uitgelegd, alsmede het feit dat ik in de parlementaire geschiedenis van art. 2:8 BW Pro nergens iets lees waaruit dwingend volgt dat genoemde mogelijkheid niet bestaat. Verder wijs ik op art. 3:12 BW Pro, dat via art. 3:15 BW Pro mede invulling geeft aan art. 2:8 BW Pro en luidt:
Als gezegd - zie onder 3.5.7 hiervoor - gaat de OK daarin ervan uit dat NVM Holding c.s. als (middellijk) meerderheidsaandeelhouders van Funda vallen binnen de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro bezien vanuit Funda als rechtspersoon (vennootschap), in welk verband op NVM Holding c.s. in de gegeven feiten en omstandigheden een zorgvuldigheidsplicht rust jegens specifiek Funda, STAK Funda en de certificaathouders. Wat uiteraard niet los te zien valt van de door de OK vastgestelde feiten en omstandigheden, mede in rov. 3.1-3.65, 4.25-4.27, 4.32-4.33 en 4.37-4.44. Daarbij gaat het dus niet alleen om NVM Holding als onmiddellijk meerderheidsaandeelhouder van Funda, maar ook om NVM als middellijk meerderheidsaandeelhouder van Funda, via NVM Holding. [81] Dit laatste moet worden bezien tegen de achtergrond van (de initiërende rol van NVM in) de ontstaansgeschiedenis van Funda, een vennootschap met in essentie besloten verhoudingen. [82] En in het licht van de hechte wijze waarop NVM Holding c.s. zich ter zake als Funda’s (middellijke) meerderheidsaandeelhouders gedurende jaren, met (aanwending van) de daarmee gepaard gaande zeggenschap [83] en onder eindregie van NVM, [84] hebben opgesteld in verhouding tot Funda, haar minderheidsaandeelhouder STAK Funda en de certificaathouders. Welke opstelling sterk is getoonzet door (de behartiging van) de belangen van het NVM-concern als verstaan door NVM Holding c.s., waarin begrepen die van de NVM-leden. En minst genomen aanmerkelijke invloed heeft gehad op het reilen en zeilen bij Funda, specifiek (de bepaling en uitvoering van) haar strategie en de door haar gedreven onderneming. Hetgeen onlosmakelijk verbonden is met Funda’s beleid en gang van zaken in enquêterechtelijke zin. Zie in het bijzonder de vaststellingen in rov. 3.1-3.65, 4.25 en 4.37-4.44. Daarbij komt tevens relevantie toe aan de onder 3.12.5 hiervoor bedoelde organisatorische verbondenheid van Funda met haar (middellijke) meerderheidsaandeelhouders NVM Holding c.s., zoals vastgesteld in rov. 4.32-4.33. En aan het gegeven dat de voordrachten tot benoeming van [betrokkene 4] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als commissarissen van Funda - welke personen ook zijn benoemd tot commissarissen van Funda - tot stand zijn gekomen uit het eigen netwerk van NVM, zoals vastgesteld in rov. 3.29. Verder is voor deze structurele betrokkenheid van (ook) NVM bij Funda en haar organisatie niet zonder betekenis dat de bestuurders van STAK Funda - als gezegd de minderheidsaandeelhouder van Funda - worden benoemd en ontslagen door het bestuur van NVM, zoals vastgesteld in rov. 3.9 en 3.60-3.65. En dat NVM voor haar inkomsten inmiddels grotendeels afhankelijk is van de van Funda te ontvangen dividenden, zoals vastgesteld in rov. 3.36 en 4.26-4.27.
Illustratief is het door NVM Holding c.s. bij de OK gevoerde verweer tegen de door FundaBelang c.s., Funda en STAK Funda aangevoerde bezwaren [85] als weergegeven in rov. 4.16-4.22, waaronder:
(…)
4.18 NVM Holding c.s. bestrijden dat deze pas op de plaats de belangen van Funda en van de certificaathouders schaadt. Voor NVM Holding c.s. is uitgangspunt dat het bestuur van Funda bij het bepalen van de strategie van de onderneming het juiste gewicht dient toe te kennen aan het concernbelang, waarin begrepen het belang van de NVM-leden. Funda is immers onderdeel van de NVM-Groep: zij is in 2000 ontwikkeld in een bestaande BV uit de NVM-Groep ter versterking van de commerciële activiteiten van NVM en haar leden. Sinds 2000 hebben NVM Holding c.s. bovendien als (middellijk) meerderheidsaandeelhouder de doorslaggevende zeggenschap over Funda. Tal van personen die een functie binnen NVM Holding c.s. vervulden hebben tot 2018 deel uitgemaakt van de rvc van Funda, terwijl ook de huidige commissarissen door NVM Holding c.s. zijn geselecteerd. Het bestuur van STAK Funda wordt benoemd door het bestuur van NVM. Het platform van Funda is bovendien afhankelijk van data die door NVM en haar leden wordt geleverd, terwijl NVM-leden nog altijd Funda’s grootste klantengroep vormen. Ook vindt op operationeel niveau veel samenwerking en afstemming plaats in diverse overlegorganen. De autonome rol die Funda voor zichzelf opeist, bestaat kortom niet. Met een beroep op de afstand die NVM Holding c.s. aan Funda gunt, oefent Funda druk op NVM Holding uit om een deel van haar belang te verkopen, terwijl zij weigert besluiten die een belangrijke verandering van het karakter van Funda betreffen ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor te leggen. NVM Holding heeft deze discussie uiteindelijk beslecht door te bewerkstelligen dat toekomstige besluitvorming rondom Project Oslo wordt onderworpen aan haar goedkeuring (zie 3.58).
(…)
4.20 NVM Holding c.s. bestrijden dat NVM Holding verstrekkende informatieverzoeken heeft gedaan, dat zij Funda hinderen in haar bedrijfsvoering, oneigenlijke druk op de rvc van Funda uitoefenen en onrust onder het personeel aanwakkeren. De in dat kader door Funda genoemde voorbeelden betreffen de normale bedrijfsvoering en samenwerking tussen Funda, de overige deelnemingen en de NVM-leden. Dat daarbij soms frictie ontstaat, is normaal en niet het gevolg van oneigenlijk handelen van NVM Holding c.s. in hun hoedanigheid van (middellijk) meerderheidsaandeelhouder. NVM Holding c.s. bestrijden ook dat certificaathouders zijn benadeeld. De certificaathouders wisten van meet af aan dat hun certificaten zeer beperkt verhandelbaar zouden zijn en dat zij geen recht zouden kunnen doen gelden op een verkoop aan derden of een andere vorm van exit.”
subonderdeel 3.6.
subonderdeel 3.7.
eerste klachtloopt vast op het volgende. In onder meer de bestreden oordelen in de beschikking brengt de OK tot uitdrukking dat het in dit concrete geval gezien de daarin gegeven feiten en omstandigheden passend is Funda’s middellijke meerderheidsaandeelhouder NVM, hoewel strikt genomen niet vallend onder degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Funda zijn betrokken, [86] voor doeleinden van art. 2:8 lid 1 BW Pro wel op een lijn (en aldus gelijk) te stellen met diegenen, zodat NVM ook behoort tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Funda. En de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro wat betreft Funda in dit geval dus tevens NVM omvat. Met die feiten en omstandigheden heeft de OK naar ik begrijp het oog op hetgeen ik samenvattend weergaf onder 3.12.6 hiervoor, wat voor zich spreekt en een specifieke kleur geeft aan de onderhavige constellatie. Gelet ook op hetgeen ik uiteenzette onder 3.12.1-3.12.5 hiervoor, getuigt dit oordeel van de OK m.i. niet van een onjuiste rechtsopvatting. [87] Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
tweede klachten de
derde klachtstranden, en wel in het verlengde van de eerste klacht. Zie onder 3.15.1 hiervoor. Die feiten en omstandigheden als betrokken door de OK rechtvaardigen haar klaarblijkelijke oordeel dat het in dit concrete geval passend is Funda’s middellijke meerderheidsaandeelhouder NVM, hoewel strikt genomen niet vallend onder degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Funda zijn betrokken, voor doeleinden van art. 2:8 lid 1 BW Pro wel op een lijn (en aldus gelijk) te stellen met diegenen, zodat NVM ook behoort tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Funda. En de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro wat betreft Funda in dit geval dus tevens NVM omvat. Daarvoor is dus niet tevens nodig dat NVM bestuurder is van NVM Holding en/of met Funda is verbonden in een groep in de zin van art. 2:24b BW, wat ter zake ook geen algemeen geldende, ‘harde’ voorwaarde(n) is/zijn. Daarop strandt de
eersteklacht. De OK stelt aldus kenbaar vast dat en waarom volgens haar NVM ook behoort tot de in art. 2:8 lid 1 BW Pro bedoelde kring van betrokkenen bij Funda. En de werkingssfeer van art. 2:8 lid 1 BW Pro wat betreft Funda in dit geval dus tevens NVM omvat. Dat oordeel behoefde dus geen nadere motivering om niet onbegrijpelijk te zijn. Daarop strandt de
tweedeklacht.
subonderdeel 3.8.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep van NVM Holding
;exit
-modaliteiten”
een reële mogelijkheid om die waarde door verkoop te realiseren. (…).
(…)
4.37 (…) Verder behoort tot de relevante omstandigheden dat het succes van Funda mede te danken is aan de financiering door certificaathouders die op dit moment geen reële
exit-mogelijkheid hebben, terwijl
verschillende derde partijen serieuze interesse hebben getoond om het belang van de certificaathouders tegen een hoge prijs over te nemen. (…).
4.38 (…) Tegelijkertijd stelt het belang van de certificaathouders bij
een optimalisatie van de waarde van hun certificateneen beperking aan de vrijheid van NVM Holding c.s. om hun zeggenschap over Funda te gebruiken om de belangen van de NVM-leden te dienen. Concreet betekent dit dat als NVM Holding c.s. ten behoeve van de NVM-leden beperkingen willen stellen aan de vrijheid van het bestuur van Funda om haar eigen strategie te bepalen en zij daarmee verhinderen dat Funda optimaal gebruik maakt van de mogelijkheden die haar platform biedt om nieuwe diensten aan te bieden, NVM Holding c.s. de certificaathouders een mogelijkheid zullen moeten bieden om
de reële waarde van hun certificaten te realiseren. Dit betekent dat NVM Holding c.s. een keuze moeten maken. Of zij laten het bestuur van Funda de vrijheid om haar eigen strategie te bepalen, ook als dit mogelijk strijdig is met de belangen van de NVM-leden, of zij bieden de certificaathouders
eenexit-mogelijkheid die recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. (…).
(…)
4.43 Tegelijkertijd is voor de certificaathouders nog steeds niet duidelijk of, en zo ja, in welke vorm aan hen de mogelijkheid van een
exitzal worden geboden. Het interne handelsplatform is al sinds 2019 gesloten. De in juli 2021 genoemde
voorkeursoptie voor toetreding van een derde aandeelhouderlijkt weer uit beeld te zijn. De mogelijkheid van een
inkoop van € 15-20 miljoen aan certificatenis nog onduidelijk en lijkt in ieder geval onvoldoende om
alle certificaathouders die dat willen uit te kopen voor een bedrag dat recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. (…).”
exit-mogelijkheid te bieden, dan is rechtens onjuist en/of zonder nadere motivering onbegrijpelijk dat die
exit-mogelijkheid zou moeten zijn gebaseerd op - kort gezegd - een (door derde partijen geïndiceerde) hoge prijs van het belang van de certificaathouders, de ‘geoptimaliseerde’ waarde van de certificaten, de reële waarde van de certificaten, of de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda (hierna: de
‘prijs-varianten’), en die (mogelijk) zou moeten worden gerealiseerd door de toetreding van een derde aandeelhouder en/of door inkoop door NVM Holding van certificaten (hierna: de
‘exit-modaliteiten’).”
Inleidende opmerkingen
Terug naar het onderdeel
subonderdeel 2.1. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, ziet het vooreerst eraan voorbij dat de OK met haar onder 4.7.1 hiervoor weergegeven oordeel niet miskent wat in de gegeven omstandigheden art. 2:8 lid 1 BW Pro vermag. Zie ook onder 3.12.1-3.12.6 hiervoor. Naar volgt uit 4.7.1 hiervoor maakt de OK met dit oordeel ook (voldoende begrijpelijk) duidelijk waarom in bedoeld geval op NVM Holding c.s., en dus ook op NVM Holding, de plicht rust de certificaathouders een exit-mogelijkheid te bieden die recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. Daarmee is de OK evenmin “té veel op de stoel van de aandeelhouder/ondernemer gaan zitten”.
subonderdeel 2.2. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, ziet het vooreerst eraan voorbij dat aan het onder 4.7.1 hiervoor weergegeven oordeel van de OK naar de aard niet in de weg staat de omstandigheid dat “de certificaathouders aan de bij de oprichting van Funda in 2000 gewekte verwachtingen en de gemaakte afspraken zoals die blijken uit het prospectus, de statuten van STAK Funda en de administratievoorwaarden in beginsel niet een recht kunnen ontlenen om hun certificaten anders dan via het interne handelsplatform, tegen marktwaarde te mogen verkopen”. [93] Met dit oordeel is, niettegenstaande die omstandigheid en ook zonder nadere motivering, (voldoende) begrijpelijk waarom volgens de OK in bedoeld geval op NVM Holding c.s. de plicht rust de certificaathouders die exit-mogelijkheid te bieden. Verder gaat ook hier op hetgeen ik uiteenzette onder 4.8.1 hiervoor.
subonderdeel 2.3. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, ziet het vooreerst eraan voorbij dat bedoelde omstandigheid naar de aard niet in de weg staat aan het onder 4.7.1 hiervoor weergegeven oordeel van de OK. Welke omstandigheid de OK dus geen aanleiding gaf tot een nog weer nadere motivering van dit oordeel. Hetzelfde geldt voor het beroep dat het subonderdeel doet op de door de OK in rov. 3.10 vastgestelde kenmerken van de certificaten, de verwijzingen daarnaar door NVM Holding c.s. in feitelijke instantie [94] en de in rov. 3.11 vermelde versoepeling, waarna het subonderdeel weer aansluiting zoekt bij genoemde omstandigheid. Verder gaat ook hier op hetgeen ik overigens uiteenzette onder 4.8.1-4.8.2 hiervoor.
subonderdeel 2.4. Voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de beschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft, ziet het vooreerst eraan voorbij - waar het zich richt tegen rov. 4.43 - dat de OK met rov. 4.38 reeds (voldoende) begrijpelijk motiveert waarom in bedoeld geval op NVM Holding c.s. de plicht rust de certificaathouders die exit-mogelijkheid te bieden. Evenmin valt in te zien dat wat de OK overweegt in rov. 4.43 rechtens onjuist en/of niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd zou zijn in het licht van stellingen van NVM Holding c.s. “omtrent de verkoopmogelijkheid die NVM Holding c.s. (voor de korte termijn) aan de certificaathouders zou willen bieden”, waarop het subonderdeel zich daar beroept. [95] De OK overweegt daar niet dat “de (mogelijkheid van) inkoop van EUR 15-20 miljoen aan certificaten, eventueel gecombineerd met de heropening door STAK Funda van het interne handelsplatform, (voorlopig) geen afdoende, met de zorgvuldigheidsplicht ex art. 2:8 BW Pro strokende, exit-mogelijkheid zou vormen”. Zie onder 4.4 hiervoor. Aan wat de OK daar wel overweegt, [96] staan die stellingen van NVM Holding c.s. [97] niet in de weg. En wel reeds omdat uit die stellingen niet blijkt dat de - door de OK onderkende - mogelijkheid van inkoop van € 15-20 miljoen aan certificaten, anders dan de OK overweegt, wél voldoende lijkt
om alle certificaathouders die dat willen uit te kopen voor een bedrag dat recht doet aan de door geïnteresseerde investeerders ingeschatte waarde van Funda. [98]
subonderdeel 2.5.1. Dit ziet eraan voorbij dat de OK met de in rov. 4.37 (en 4.38) bedoelde “verschillende derde partijen” die “serieuze interesse hebben getoond om het belang van de certificaathouders tegen een hoge prijs over te nemen” voortbouwt op rov. 3.19-3.20. Daar wijst zij - in het kader van de feiten - op partijen, waaronder in 2016 investeerder GA, die door de jaren heen hun interesse kenbaar hebben gemaakt om te investeren in Funda. En stelt zij ook vast dat Funda met verschillende partijen heeft gesproken om te bezien of zij een bijdrage konden leveren aan het verder bestendigen van het langetermijnsucces van Funda. Alsmede dat de waarderingen van de onderneming van Funda op basis waarvan geïnteresseerde partijen zeiden te willen investeren (veel) hoger waren dan de waarde waartegen certificaten werden verhandeld tussen certificaathouders. Dit een en ander ligt in elkaars logische verlengde. Daaraan doet niet af wat de OK in rov. 4.14 weergeeft aan stellingen van Funda, waarbij geldt dat de verwijzing aldaar naar “indicatieve biedingen die externe bieders hebben laten doorschemeren” aansluit op het voorgaande en de bestreden verwijzing in rov. 4.37 naar die “verschillende derde partijen”, etc. niet onbegrijpelijk maakt.
subonderdeel 2.5.2. Dit neemt ten onrechte tot vertrekpunt dat de OK in rov. 4.37 met de daaruit aangehaalde passage [99] “bedoelt te zeggen dat de certificaathouders bij een
exitrecht zouden hebben op (kort gezegd) een evenredig aandeel in de (intrinsieke) waarde van de onderneming van Funda, zonder dat rekening wordt gehouden met factoren die in de onderhavige situatie een waardedrukkend effect (zouden kunnen) hebben op de waarde van de certificaten (zoals de omstandigheid dat NVM Holding grootaandeelhouder is en blijft)”. Het subonderdeel loopt dus reeds stuk op gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van de beschikking.
subonderdeel 2.6. Anders dan het subonderdeel aanvoert - onder verwijzing naar het in subonderdeel 2.3 opgemerkte inzake rov. 3.10 - miskent de OK met haar “te dezen bestreden overwegingen (en in het bijzonder met de rov. 4.38 en 4.43)” niet dat bij het bepalen van wat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW Pro inhoudt, zal moeten worden verdisconteerd wat de betrokkenen bij het regelen van hun rechtsverhoudingen voor ogen heeft gestaan. Het in het prospectus van 12 december 2000 vermelde omtrent de kenmerken van de certificaten als bedoeld in rov. 3.10, waaraan de OK blijkens rov. 4.38 geenszins voorbijziet, brengt immers nog niet mee dat wat in het onderhavige geval betrokkenen destijds bij het regelen van hun rechtsverhoudingen voor ogen heeft gestaan zich ‘dus’ niet laat rijmen met het onder 4.7.1 hiervoor weergegeven oordeel van de OK. Van een onjuiste rechtsopvatting van de OK als bedoeld in het subonderdeel is dan ook geen sprake.
subonderdeel 2.7. Dit behelst rechts- en motiveringsklachten met een op subonderdelen 2.1-2.6 voortbouwend karakter (“Het voorgaande betekent voorts”, etc.), gericht tegen het oordeel van de OK in rov. 4.44 dat sprake is van een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Funda, die een onderzoek rechtvaardigt. Subonderdelen 2.1-2.6 stranden als gezegd. Zie onder 4.8.1-4.8.7 hiervoor. Reeds daarop loopt het onderhavige subonderdeel vast.
Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van FundaBelang c.s.