Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Bewijsmiddelen
Standpunt van de verdediging
uit de bewijsmiddelen moet blijkendat de verdachte
nietbij haar keel is gegrepen, is tevergeefs voorgesteld, omdat hiermee een eis wordt gesteld die het recht niet kent.
tweedeaanranding door de aangever (waarbij de verdachte bij haar keel zou zijn gepakt) en niet van de eerdere mishandeling van de verdachte door de aangever in de portiekflatwoning. In cassatie kan niet met succes een verweer worden gevoerd dat ter terechtzitting niet is voorgedragen.
3.Het tweede middel
Vordering van het openbaar ministerie
waaromde WMO- en WLZ-indicaties en haar aanmelding voor het leer- en werktraject in gevaar komen als de verdachte langer dan voorzien in de gevangenis moet verblijven. Sterker nog, de raadsvrouw van de verdachte heeft aangegeven dat het werk- en leertraject kan uitmonden in een vaste baan waarmee zij mogelijk al
tijdenshaar verblijf op de bba-afdeling kan starten. Gezien de strenge maatstaf die de Hoge Raad hanteert ten aanzien van de vraag of een betoog inzake de strafmaat kan worden aangemerkt als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, meen ik dat van een dergelijk standpunt in de onderhavige zaak niet kan worden gesproken, omdat de aangedragen argumenten de vereiste indringendheid missen.