Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Procesgang en omvang van het hoger beroep
in casuniet aangewezen achtte.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, dat na terugwijzing door de Hoge Raad de strafbepaling voor feit 3 opnieuw bepaalde. De verdachte was veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van hennepteelt en valsheid in geschrift. Na vernietiging van het eerdere arrest door de Hoge Raad was de strafbepaling voor feit 3 opnieuw aan het hof opgedragen.
De verdediging voerde aan dat het hof onterecht het vonnis waarvan beroep vernietigde en een andere strafbepaling oplegde, onvoldoende motiveerde, niet inging op het standpunt van de verdediging en geen rekening hield met de overschrijding van de redelijke termijn. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatiemiddel.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof bij de strafbepaling op grond van art. 423 lid 4 Sv Pro geen strafoplegging in formele zin verrichtte, maar moest bepalen welk deel van de oorspronkelijke straf aan feit 3 moest worden toegerekend. Het hof mocht daarbij geen omstandigheden betrekken die na de zitting van de rechtbank waren ontstaan. De Hoge Raad vond dat het hof voldoende had gemotiveerd waarom de straf op 23 maanden werd gesteld en dat het oordeel over de redelijke termijn begrijpelijk was.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en bevestigde daarmee de strafbepaling van het hof. De beslissing tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep door het hof werd als een kennelijke misslag gezien, maar dit leidde niet tot cassatie. De strafbepaling blijft gehandhaafd zonder mogelijkheid tot voorwaardelijke straf of aftrek wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de strafbepaling van 23 maanden gevangenisstraf opgelegd door het hof.