Conclusie
ADVOCAAT-GENERAAL
1.Ten geleide
2.De belastingplicht van gemeenten; algemene opmerkingen
3.De regels
4.Separering of clustering van bezigheden?
Parlementaire geschiedenis
BNB2006/80 [10] waarnaar de Staatssecretaris verwees, betrof een stichting die een schilderijenmuseum en een winkel in het gebouw van dat museum exploiteerde. De stichting behaalde aanzienlijke exploitatieoverschotten en moest volgens u daarom verondersteld worden naar winst te streven. Anders dan het Hof, meende u dat de stichting ook met de museumactiviteiten een onderneming dreef. Het Hof had volgens u wel terecht geoordeeld dat de winkel een los van het te museum te beschouwen organisatie van kapitaal en arbeid was, en dat, gelet op de in de winkel verrichte activiteiten en de daarmee behaalde omzetten, zij ook daarmee een onderneming dreef. Uw weergave van ’s Hofs oordeel omvatte niet diens oordeel dat de winkel organisatorisch, ruimtelijk en naar de aard van de activiteit bezien, los stond van de tentoonstelling, maar ik meen dat u dat oordeel wel bevestigde:
Aanleiding
'Binnen zo'n zwembad lijkt mij de verhuur van kluisjes echter een activiteit die ondergeschikt is aan en daardoor op gaat in de hoofdactiviteit, de exploitatie van het zwembad zelf.'
Uitzondering: activiteiten worden tezamen getoetst aan de ondernemingscriteria indien zij geclusterd dienen te worden > zie hieronder.
1.Naar aard vergelijkbaar (Besluit van 23 december 2005, CRP 2005/2730)
2.Naar aard verschillend (Besluit van 23 december 2005, CPP 2005/2730)
Het begrip ‘onderneming’ voor de toepassing van de belastingplicht van overheidslichamen
4.1.2. Drijven van een onderneming
BNB1963/177 overwoog u als volgt in een geschil over vennootschapsbelastingheffing ten laste van een stichting:
BNB1981/299 [37] betrof een vof die het verkrijgen, exploiteren en vervreemden van onroerende goederen als doelstelling had. U bevestigde de juistheid van ’s Hofs oordeel:
BNB1994/319 [38] betrof een belanghebbende die 18 kamers in twee panden verhuurde en die als ondernemer aangemerkt wilde worden. Hij maakte de gemeenschappelijke ruimten zelf schoon, verrichte zelf alle onderhoudswerkzaamheden, inde de verschuldigde huren en deed de administratie. Het Hof zag daar geen onderneming in, maar ging daarbij volgens u van een onjuiste rechtsopvatting uit:
BNB2016/166 [41] overwoog u als volgt over de vraag of en zo ja, in hoeverre sprake was van ondernemingsvermogen in de zin van art. 35b(3) Successiewet in een geval waarin de belanghebbende van zijn ouders een schenking kreeg van 1/100e deel van één van de vijftig aandelen in een Holding die overigens geheel in handen van de ouders was. De inspecteur meende dat 90% van het vermogen van die Holding uit beleggingsvermogen bestond. U overwoog over het eventuele ondernemingskarakter van de exploitatie van onroerende zaken:
BNB2021/164 [42] oordeelde u dat de vraag of werkzaamheden naar aard en omvang onmiskenbaar ten doel hebben voordelen te behalen die het bij normaal vermogensbeheer opkomende rendement te boven gaan, alle werkzaamheden meetellen:
WFR1976/5258) meent dat het onderscheid tussen ondernemer en belegger gevonden moet worden in de vraag of de betrokkene al dan niet een zelfvervaardigde prestatie aanbiedt en daarmee een meerwaarde beoogt te scheppen boven passief rendement: [48]
Tuk(Handboek Wetgeving op de Omzetbelasting blz. 44) het formuleert: Bij vermogensbeheer stelt men zijn kapitaal in dienst van anderen, terwijl men bij bedrijfsuitoefening zelf met zijn kapitaal werkt om voor anderen prestaties te kunnen verrichten.
NLF2024/0005) vind het opvallend dat het Hof Den Bosch er in de zaak met rolnummer 23/04807 vanuit ging dat de gemeente reclameactiviteiten verricht. Zijns inziens verrichten de ondernemers die een concessie van de gemeente hebben gekregen de reclameactiviteiten. Hij acht ’s Hofs kwalificatie van de activiteiten en diens oordeel dat zij meer dan vermogensbeheer zijn onvoldoende gemotiveerd en vreest dat de discussie of het om normaal vermogensbeheer gaat, verzandt in een woordenspel met willekeurige en onvoorspelbare uitkomsten:
level playing field, kan Van Bakel [51] begrip opbrengen voor het oordeel van feitenrechters, waaronder die in onze zaken, dat de gemeentelijke reclame-activiteiten tot belastingplicht leiden, maar hij deelt de dogmatische kritiek van De Ruiter.
BNB1983/146 (zie onderdeel 5.20):
6.Vrijstelling voor ‘overheidstaken’
Vrijstelling overheidstaak of publiekrechtelijke bevoegdheid (….)
Carpaneto Piacentino: [63]
âmara Municipal do Porto [64] oordeelde het HvJ dat verhuur van parkeerruimte door een publiekrechtelijk lichaam een als overheid verrichte werkzaamheid is in de zin van art. 4(5) van de Zesde richtlijn als dat gebeurt binnen een specifiek voor publiekrechtelijke lichamen geldend juridisch regime. Dat is volgens het geval als de activiteit gebruikmaking van overheidsprerogatieven omvat:
7.De openingsbalans en het totale-winstbegrip
BNB1991/90 [69] oordeelde u dat als belastingplicht ontstaat doordat een stichting of vereniging ex art. 2(1)(d) Wet Vpb (oud)zijn werkzaamheden alsnog op het behalen van winst gaat richten, een redelijke wetstoepassing meebrengt dat op de openingsbalans geen rekening wordt gehouden met
goodwill, ontstaan doordat het lichaam ook vóór aanvang van de belastingplicht al winst kon behalen maar er toen niet naar streefde dat ‘winvermogen’ te benutten. Dat ‘winvermogen’ komt in dat geval volgens u pas tot uitdrukking in de winsten die nadien tijdens de belastingplicht worden behaald:
BNB2007/81 [70] herhaalde u dit standpunt ter zake van
merchandisingrechten en sponsoringopbrengsten voortvloeiend uit vóór aanvang van de belastingplicht gesloten sponsorcontracten. U precizeerde uw formulering: die rechten en sponsoringopbrengsten konden niet geactiveerd worden omdat zij zijn ‘gebaseerd op winstgenererend vermogen, verkregen door activiteiten die geacht zijn (…) te zijn verricht zonder ermee naar winst te hebben gestreefd’:
TFO2022/183.1, [74] na bespreking van HR BNB 1991/90 (
goodwill) en HR BNB 2007/81 (
merchandiserechten en sponsoringopbrengsten):
De Staat is één publiekrechtelijk rechtspersoon maar is meer belastingplichtigen