Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Rechtskundige kern van de zaak en strekking van de conclusie
de beschouwingin
onderdeel 6. Na een inleiding (6.1-6.3) en de vaststelling dat in cassatie inderdaad een rechtskundige kwestie voorligt (6.4), start ik met een nadere analyse van het oordeel van het Hof (6.5-6.13). Ik merk daarbij op dat de ‘hele dagen’-opvatting van het Hof vragen oproept (6.10-6.12): geldt de opvatting alleen in verband met reisdagen of breder?; waarop is de (kennelijke) ‘afronding naar boven’ gebaseerd?; hoe werkt de opvatting uit indien op een werkdag zowel in de woonstaat als de staat van de werkgever is gewerkt?
noemeralleen (hele) dagen mogen worden meegenomen (en dat daarom hetzelfde voor de
tellerheeft te gelden). Ik meen echter dat dit niet uit HR BNB 2006/52 volgt. Ten eerste moet de in HR BNB 2006/52 juist geachte berekeningswijze van de breuk worden gezien in de context van die zaak (waarin het alleen om hele dagen ging), en niet als een allesomvattende regel (6.18). De aanvullende regel in datzelfde arrest voor ziektedagen illustreert dat laatste (6.19). Ten tweede betwijfel ik of uit de gegeven regel voor de noemer in dat arrest wel volgt dat de noemer bestaat uit hele dagen (6.20-6.21). Voor het eerste of het tweede biedt bovendien het gevalstype van een deeltijd-dienstbetrekking steun (6.22-6.24). Het is naar mijn mening evident dat in de noemer rekening moet worden gehouden met de factor deeltijd. Dit vindt ook steun in het arrest HR BNB 1998/52, dat bovendien laat zien dat de noemer kan bestaan uit een niet-(afge)ronde hoeveelheid dagen. Nu de noemer uit niet-hele dagen kan bestaan, valt niet in te zien dat dit voor de teller anders zou zijn (6.25). Dat in de teller ook niet-hele dagen meegenomen kunnen worden, vindt steun in HR BNB 2015/191. Los van de bespiegelingen over HR BNB 2006/52, meen ik dat het uitgaan van alleen hele dagen in de teller (en de daarbij aan de orde komende afronding) niet in overeenstemming is met het uitgangspunt van art. 15(1) Verdrag dat de heffingsbevoegdheid van de werkstaat beperkt is tot het loon dat toerekenbaar is aan de dienstbetrekking voor zover fysiek uitgeoefend in de werkstaat (6.27).
cassatieberoepvan de Staatssecretaris
gegrondis.
2.De feiten, het geschil en oordelen feitenrechters
De feiten
tellervan de breuk om te berekenen voor welk deel van het reguliere [A] -loon Nederland een aftrek ter voorkoming van dubbele belasting moet verlenen op grond van art. 15 Belastingverdrag Pro Nederland-Saoedi-Arabië (Verdrag). Meer specifiek gaat het om de vraag of de reisdagen 28 februari 2018, 19 november 2018 en 21 november 2018 (hierna ook: de reisdagen) als halve of als hele dagen in de teller moeten worden meegenomen. In cijfers uitgedrukt: is de tijdsevenredige toerekeningsbreuk 71,5/158 (standpunt Inspecteur/Staatssecretaris) of 73/158 (uiteindelijk standpunt belanghebbende [4] )?
3.Het geding in cassatie
4.Het Verdrag en het Commentaar op het OESO-Modelverdrag
voor zoverdat toerekenbaar is aan de uitoefening van de dienstbetrekking in Saoedi-Arabië. Hoewel niet met zoveel woorden uit de Nederlandse tekst van art. 15(1) Verdrag volgt dat het alleen om dat deel gaat (er staat: “beloningen verkregen ter zake van een dienstbetrekking”), is dat uitgangspunt naar mijn mening juist; ik kom daarop terug (4.18-4.20).
cumulatiefzijn, geldt de uitzondering op de uitzondering dus niet, en daarmee de uitzondering (de regel van werkstaatheffing) wél, indien aan één of meer van de drie ‘negatieve’ voorwaarden niet is voldaan. Dat komt overeen met de drie direct gestelde
alternatieve, ‘positieve’ [25] , voorwaarden voor werkstaatheffing in de tweede volzin van art. 15(1) Verdrag. Ook de Vakstudie gaat er trouwens van uit dat het verschil in formulering geen inhoudelijke gevolgen heeft. [26]
geenindicatie dat het OESO-Modelverdrag 2005 níet tot uitgangspunt heeft gediend voor art. 15(1) Verdrag.
eendienstbetrekking” in de tweede volzin (
curs.MP). De Engelse tekst geeft al een aanknopingspunt dat het inderdaad om alleen het deel gaat dat betrekking heeft op de uitoefening in Saoedi-Arabië, de werkstaat. Die tekst (zie 4.3) spreekt immers over “remuneration derived from
suchemployment” (
curs.MP), waarmee sterker het verband wordt gelegd met “the employment is exercised in the other Contracting State” in de voorafgaande volzin.
5.Tijdsevenredige toerekeningsbreuk
Inleiding
terechtheeft laten vallen, omdat hij die dag in het geheel niet in Saoedi-Arabië is geweest” (
curs.MP). Iets anders is of wat het Hof heeft geoordeeld over reisdagen de trekken heeft van een
light-versie van de Tokio-leer (vgl. Rouwers in 5.20 hierna). Ik kom daarop terug in 6.30-6.32.
noemervan de tijdsevenredige toerekeningsbreuk berekent, ervoor dat daarin een niet-rond getal staat (186,7).
tellerdat ook.
noemer, geldt hetzelfde – zie tweede gedachtestreepje – dus ook voor de
teller.
Platten v. Brown, 59 TC 408 and
Wilkie v. CIR, it was held that the correct allocation on a time-apportionment basis should employ units of days rather than hours. This decision contradicts those of the German Federal Tax Court, which also takes hours into consideration.”
F.J.F94/230, the Liège Court of Appeal held that – although the duration of the presence in the Work State is generally irrelevant, the employee’s presence in the Work State must be of sufficient duration to be able to state in reasonableness that the employment is exercised in that State.”
6.Beschouwing
Inleiding
vanuithet land van de werkgever ( [A] ), maar
naarhet land van de werkgever (zie 2.2). Ik ga er daarom van uit dat het Hof ook van opvatting is dat ook zo’n dag “moet (…) aangemerkt worden als een (hele) dag waarop is gewerkt”.
in hoeverrede reisdagen opgenomen kunnen worden in de teller, gegeven dat de reizen niet volledig in Saoedi-Arabië hebben plaatsgevonden en belanghebbende aldus slechts een deel van de (als werktijd geldende) reistijd fysiek in Saoedi-Arabië aanwezig was (vgl. Hof, rov. 5.14). Ik denk ook dat het Hof daarover heeft bedoeld te oordelen, gelet de overige overwegingen in rov. 5.15. Ik meen dat de passage daarom als volgt moet worden gelezen: “als een (hele) dag waarop in Saoedi-Arabië is gewerkt”. Dat sluit ook aan bij de door het Hof geciteerde overweging in HR BNB 2006/52 dat “de teller wordt gevormd door het aantal dagen waarop daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt”.
ofde werkstaat heffingsbevoegd is; de maatstaf is fysieke aanwezigheid op dagen die enig verband houden met werkzaamheden (dus ook weekenddagen waarop niet wordt gewerkt, etc., aldus HR BNB 2017/188 [78] ). Het doel van de toerekeningsbreuk is om tot een redelijke toerekening van het loon te komen in het kader van de verdeling van de heffingsbevoegdheid, i.e. om te berekenen
hoe grootde heffingsbevoegdheid van de werkstaat is; de maatstaf is de fysieke uitoefening van de werkzaamheden in de werkstaat. Dat zowel voor de 183-regeling als voor de teller van de toerekeningsbreuk dagen als tijdseenheid (kunnen) worden gehanteerd, betekent niet dat hetzelfde wordt gemeten (aanwezigheid resp. werktijd). [79]
enkel juist kan zijneen berekeningswijze die uitgaat van hele dagen.
geenalgemene voor alle gevallen dekkende c.q. allesomvattende regel heeft gegeven in rov. 3.3.5, vindt steun in rov. 3.3.7 van hetzelfde arrest. In die overweging geeft de Hoge Raad namelijk een nadere ‘regel’ voor hoe in de berekeningswijze moet worden omgegaan met ziektedagen. [80] Uit de nadere regel blijkt dat voor ziektedagen de regel voor de teller genuanceerd moet worden gelezen, namelijk dat onder “het aantal dagen waarop daadwerkelijk in de werkstaat is gewerkt” mede wordt begrepen “een dag waarop de werknemer, ware hij niet door ziekte verhinderd, krachtens de overeenkomst had gewerkt in de werkstaat”:
mutatis mutandis– evenzeer evident dat indien uit de overeengekomen arbeidsduur volgt dat een of meer doordeweekse dagen niet een volledige werkdag is, daarmee rekening moet worden gehouden in de noemer. Dit brengt mee dat de noemer wel degelijk kan zijn opgebouwd mede uit niet-hele werkdagen en dat bovendien ook het saldo in de noemer kan uitkomen op een niet-(afge)rond getal.
mutatis mutandis6.21 voor een niet-rond aantal vakantiedagen). De tweede mogelijkheid is dat de regel in rov. 3.3.5
niethet gevalstype van een deeltijd-dienstbetrekking ‘dekt’. In dat geval vormt het gevalstype een bevestiging van de opvatting in 6.18 dat de regel in rov. 3.3.5 moet worden gezien in de context van de zaak in HR BNB 2006/52, en dat indien de context anders is de regel ‘aangepast’ moet worden toegepast (evenals de regel ‘aangepast’ moet worden toegepast in het geval van ziektedagen, zij het in dat geval wat betreft de teller; zie 6.19). Ik merk daarbij op dat, zoals zojuist gezien (6.22-6.23), evident is dat in de noemer wél rekening moet worden gehouden met de factor deeltijd.
noemervan de toerekeningsbreuk wel degelijk uit niet-hele dagen bestaan. Daarmee ontvalt de belangrijkste pijler onder de redenering van het Hof dat in de
tellervan (hele) dagen moet worden uitgegaan. Bovendien: als in de noemer dagdelen kunnen worden meegenomen, dan valt niet in te zien waarom dat voor de teller anders zou zijn. Dat spoort overigens met een uitgangspunt dat het Hof en de Staatssecretaris (5.11) delen: te weten een werkwijze bij de teller die consistent is met die bij de noemer. Steun voor de opvatting dat (ook) in de teller niet-hele dagen kunnen worden meegenomen, is bovendien te vinden in HR BNB 2015/191 (zie 5.14-5.16).
nietdat het verplicht is om met kleinere eenheden dan een dag te werken en (dus)
evenmindat van de werkelijke uren die op een dag zijn gewerkt moet worden uitgegaan in plaats van werkdagen. Om het concreter te maken: stel dat een belastingplichtige (contractueel) een 8-urige werkdag heeft, maar op een bepaalde werkdag 10 uur werkt, waarvan 5 uur in de woonstaat (althans buiten de staat van de werkgever) en 5 uur in de staat van de werkgever. In zo’n geval kan van 0,5 dag in de teller worden uitgegaan.