ECLI:NL:HR:1997:AA3269
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- Urlings
- Zuurmond
- Fleers
- Beukenhorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berekeningswijze toerekening arbeidsinkomen bij grensarbeid Duitsland-Nederland
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en werkzaam als verkoper bij een Duitse onderneming met een kantoor in Nederland, kreeg voor 1990 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 61.952. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd deze aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 54.353 met een aftrek elders belast van ƒ 10.483.
De discussie betrof de juiste berekeningswijze van het inkomen toe te rekenen aan de in Duitsland verrichte arbeid. De Inspecteur rekende 28 dagen verblijf in Duitsland toe aan de inkomsten, uitgaande van 28/365 dagen, terwijl het Hof de breuk stelde op 28/261 werkdagen. Beide partijen stelden cassatieberoep in tegen het Hofarrest.
De Hoge Raad oordeelde dat de noemer van de breuk voor toerekening van het inkomen aan de in Duitsland verrichte arbeid moet worden bepaald door het totale aantal werkdagen en niet door het aantal kalenderdagen. Dagen waarop geen arbeid werd verricht, zijn zonder betekenis voor de toerekening. Tevens werd geoordeeld dat het vertrouwen dat belanghebbende aan een inspecteursbrief ontleende, niet in rechte beschermd kon worden.
De Hoge Raad verwierp beide cassatieberoepen en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten. Hiermee werd het Hofarrest bekrachtigd dat de berekening van het aan Duitsland toe te rekenen inkomen op basis van werkdagen juist was.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp beide cassatieberoepen en bevestigde de berekeningswijze van het aan in Duitsland verrichte arbeid toe te rekenen inkomen op basis van werkdagen.