Conclusie
Nummer22/00402 P
Inleiding
De hoofdzaak
onder meerveroordeeld voor:
“opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”,
“het medeplegen van voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”,
“het medeplegen van stoffen en voorwerpen voorhanden hebben waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten”,
“het medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”,
Het eerste middel
“ondeugdelijk”is en dat ‘extrapolatie’ niet is toegestaan, ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Het verweer en de bewijsvoering
1.1. In eerste aanleg is - kort gezegd betoogd - dat de ontnemingsberekening ondeugdelijk is, omdat de opstellers van de financiële rapportage ervoor hebben voor gekozen om bij de berekening een onbetrouwbare steekproefmethode te hanteren en de resultaten ervan te extrapoleren.
."
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De toelichting op het middel
“ondeugdelijk”is en ‘extrapolatie’ niet is toegestaan. Daaraan doet volgens de steller van het middel niet af dat de betrokkene de conclusies die het hof aan de resultaten van de steekproef heeft verbonden, niet heeft betwist. Evenmin doet daaraan af dat de betrokkene heeft nagelaten om aan de hand van concrete, min of meer verifieerbare gegevens aan te voeren dat en waarom de schatting onjuist is.
Het beoordelingskader
schatten. Artikel 359 leden Pro 2 en 3 Sv, die ook op ontnemingsuitspraken van toepassing zijn, brengen in dit verband motiveringsverplichtingen mee en maken daarmee duidelijk dat de bedoelde schatting een
beredeneerdeschatting betreft. Artikel 6 EVRM Pro staat er daarbij niet aan in de weg dat de rechter gebruikmaakt van bewijsrechtelijke vermoedens (“
presumptions of fact or of law”). [1] Verder wijs ik erop dat geen rechtsregel – en met name niet artikel 6 EVRM Pro – zich ertegen verzet dat in zaken waarin de grondslag van de voordeelsontneming in rechte is komen vast te staan, de last van het leveren van bewijs omtrent de omvang van het voordeel tussen het OM en de betrokkene op redelijke en billijke wijze wordt verdeeld. [2]
De bespreking van het eerste middel
Het tweede middel
De bewijsvoering
hennepteelt
Ten aanzien van de hennepteelt
De toelichting op het middel
De bespreking van het middel
oogstop deze locatie, verricht door de betrokkene. De raadsman heeft hierbij het woord gevoerd overeenkomstig de door hem aan het hof overgelegde pleitnota, welke op hoofdlijnen hetzelfde inhoudt als hetgeen hij in eerste aanleg heeft betoogd.