ECLI:NL:HR:2010:BJ3571
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- W.F. Groos
- M.A. Loth
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep cassatie inzake vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel
In deze zaak stond de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel centraal. De verdediging stelde dat het hof niet uitdrukkelijk had beslist op een verzoek tot nader onderzoek en dat het voordeel hooguit € 483.799,- kon bedragen, gebaseerd op fiscale aanslagen en een vermogensvergelijking.
Het hof had het voordeel vastgesteld op € 379.954,25, gebaseerd op schattingen van omzet, verzamellijsten en verklaringen van betrokkenen. De Hoge Raad oordeelde dat het middel dat het hof niet had beslist op het verzoek tot nader onderzoek, geen belang had omdat het hof een lager bedrag had vastgesteld dan door de verdediging was gesteld.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar dat dit geen rechtsgevolgen had in deze zaak. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde het oordeel van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 379.954,25.