ECLI:NL:PHR:2024:920

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
6 september 2024
Zaaknummer
22/02060
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 6:106 BWArt. 36f SrArt. 359 lid 2 SvArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bedreiging en immateriële schadevergoeding

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven en zware mishandeling, diefstal, belaging en overtreding van de Wet Dieren. Het hof legde een taakstraf en een schadevergoedingsmaatregel op.

In cassatie klaagt de verdachte over de bewijsvoering van de bedreigingen, met name over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de benadeelde familieleden, die mogelijk onderling beïnvloed zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging over deze beïnvloeding is verworpen, zodat het bewijs voor de mondelinge bedreiging onvoldoende is gemotiveerd en vernietiging vereist.

Daarnaast is er een klacht over de toewijzing van de immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij. De Hoge Raad stelt dat het hof niet duidelijk heeft gemotiveerd op welke grondslag uit artikel 6:106 BW Pro de vergoeding is toegekend en dat de concrete onderbouwing van de psychische schade ontbreekt. Hierdoor kan de beslissing over de schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel niet in stand blijven.

De Hoge Raad vernietigt het arrest daarom gedeeltelijk en wijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling van het bewezenverklaarde feit, de strafoplegging en de immateriële schadevergoeding, met verwerping van het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het bewezenverklaarde feit, de strafoplegging en de immateriële schadevergoeding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/02060
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1 De verdachte is bij arrest van 27 mei 2022 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-030857-20 wegens 1. "bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht en bedreiging met zware mishandeling", 2. “diefstal”, 3. “belaging” en in de zaak met parketnummer 10-267620-20 wegens “overtreding van artikel 2.10, eerste lid Wet Dieren” (het doden van een dier), veroordeeld tot een taakstraf van veertig uur, subsidiair twintig dagen hechtenis en met aftrek van voorarrest. Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] (gedeeltelijk) toegewezen en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. De vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2] heeft het hof niet-ontvankelijk verklaard.
1.2 Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en M.C. Levy, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft D.N. de Jonge, advocaat in Rotterdam, een verweerschrift ingediend tegen het tweede cassatiemiddel.
Het eerste middel
2.1 Het eerste middel heeft betrekking op feit 1 en valt uiteen in twee deelklachten. De
eerste deelklachtheeft betrekking op de bewezenverklaarde woordelijke bedreiging “maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood!” en houdt in dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot de verwerping van het door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot de beïnvloeding van de verklaringen van de [familie] .
2.2 Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“hij, in of omstreeks de periode 1 oktober 2016 tot en met 5 februari 2017 te [plaats] , althans in Nederland, [benadeelde 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde 1] dreigend de woorden toe te voegen “maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood!” en die [benadeelde 1] dreigend (via sms) de woorden toe te voegen:
- "ey ma pang pang ik weet waar je woont. Ik kom langs later met de Marokkanen buren praten laat ze je een kaulo koffoe op je hoofd geven" en/of
- "kom dezer dagen brieven brengen dan ik wacht beneden op je.. kom voor een pak rammel" en/of
- "pas op voor koffoe ik pak jullie" en/of
- "de marokkanen buren gaan jullie pakken heb met ze gepraat... laat ze je pakslaag geven” en/of
- "jullie hebben de verkeerde gekozen om mee te vechten" en/of
- "bij de beurzen moet je niet komen ik mep je mars samen met mijn miedium vrienden daar. Wees gewaarschuwd!" en/of
- "ik heb je al gezegd wat gaat gebeuren. 1 actie van jou en ik zet een grote voodoo op jou en/of
- "je adres heb ik al ik pak je hard als ik jouw kop zie op straat of op de beurs" en/of
- "ik pak je als ik je zie;"”
2.3 De bewijsmiddelen houden voor zover van belang in:

1. Het proces-verbaal van aangifted.d. 8 februari 2017 van de politie Eenheid Rotterdam, (…) inhoudende de verklaring van aangever [aangever] - zakelijk weergegeven -:
Ik ben namens de benadeelde mijn vader [benadeelde 1] gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van bedreiging te [plaats] waar wij wonen en op de paranormale beurzen in [plaats] en [plaats] . Wij leerden een man kennen die bekend is van televisie en die aanwezig is op paranormale beurzen in [plaats] en [plaats] .
In oktober 2016 begon [verdachte] mijn vader [benadeelde 1] op de paranormale beurs in [plaats] uit te schelden en te bedreigen met de woorden: "Maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood!"
In november 2016 kreeg mijn vader de eerste dreig sms'jes. In deze sms'jes stuurt hij (het hof begrijpt: de verdachte) de meest walgelijke dingen naar mijn vader. Ik overhandig u hierbij een kopie van alle sms'jes die mijn vader heeft gekregen. De sms'jes beginnen vanaf 7 december 2016 tot en met 5 februari 2017.
Wij voelen ons niet meer veilig. Wij zijn erg bang.
(…)
2. Het proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 28 november 2019 van de politie Eenheid Rotterdam (…), inhoudende de verklaring van [benadeelde 1] – zakelijk weergeven –:
Uw dochter, [aangever] deed op woensdag 8 februari 2017 aangifte ter zake bedreiging. Zij deed de aangifte in uw bijzijn. Dat deed zij omdat ik werd bedreigd door [verdachte] . Ik kwam [verdachte] weer tegen op een paranormale beurs in [plaats] . Ik vroeg hem mijn geld terug. [verdachte] stond op achter zijn bureau en maakte zich groot. Ik hoorde hem zeggen: "maak dat je weg komt, je gaat er aan, ik hak je kop eraf.” Ik werd hier erg bang van. Ik stond te trillen van angst. Ik was bang dat hij mij iets aan zou doen. Kort daarna ik denk 4 weken later begon [verdachte] mij te bedreigen en te beledigen via sms berichten. Deze berichten heeft, mijn dochter bij de aangifte gevoegd.
3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanlegd.d. 15 maart 2021, inhoudende - zakelijk weergegeven-:
De aangevers [familie] zijn bij mij geweest. Ik heb sms-berichten gestuurd. U vraagt mij waarom ik de sms’jes (…) verstuurd heb. Ik zeg u dat ik de aangevers zeker weten heb bedreigd.
Op de beurs in [plaats] heb ik hen gezien.”
2.4 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2022 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in (met overneming van voetnoten):

“Feit 1: bedreigingen [familie] :

Voor feit 1 verzoek ik u cliënt vrij te spreken. Nu de mondelinge bedreiging niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en de schriftelijke uitlatingen geen bedreigingen zijn in de juridische zin van het woord.
“maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood”
6. Om te beginnen met de mondelinge bedreiging die cliënt in oktober 2016 zou hebben geuit op de beurs. Cliënt ontkent dit tegen [benadeelde 1] te hebben gezegd.
7. Het bewijs voor dit feit wordt volledig gebaseerd op de verklaringen van de [familie] , namelijk door [benadeelde 1] , zijn echtgenote [betrokkene 1] en hun dochter [aangever] . Deze verklaringen zijn echter niet te beschouwen als op zichzelf staande verklaringen. Het lijkt er namelijk sterk op dat er onderlinge beïnvloeding heeft plaatsgevonden. Hierdoor hebben we niet drie op zichzelf staande verklaringen, maar vertellen alle getuigen elkaars verhaal na. De verklaringen komen dus in feite uit één en dezelfde bron.
 Om te beginnen blijkt uit de aangifte van dochter [aangever] dat zij aangifte doet voor haar vader. [1] Zij is zelf niet aanwezig geweest bij het voorval van de beurs. [2] De verklaring moet dus vooraf in ieder geval met vader besproken zijn. Het ligt echter voor de hand dat zij de aangifte en het voorval met het gehele gezin hebben besproken. Dit blijkt ook wel uit het feit dat ze in de “wij” vorm spreekt in de aangifte; [3]
 Wat ook opvalt is het grote tijdsverloop tussen de aangifte en de verklaringen van vader, moeder en het zusje. Na de aangifte zijn deze verklaringen pas zo’n 1,5 jaar later opgenomen. [4] De verklaring van vader ( [benadeelde 1] ) is zelfs pas op 28 november 2018 opgenomen. [5] Ruim 2 jaar na het voorval. Het is een feit van algemene bekendheid dat zulk groot tijdsverloop van invloed is op het geheugen. Na 1,5 tot 2 jaar is het bijna onmogelijk om exacte bewoordingen te herinneren. Tenzij je het vaker met elkaar hebt besproken, herhaald, of zelfs voor het verhoor de aangifte hebt doorgelezen. Ik vermoed en vrees dat dit laatste is gebeurd. Het is namelijk wel heel bijzonder dat het gehele gezin 1,5 tot 2 jaar later bijna exact dezelfde woorden van bedreiging noemt, als in de aangifte van 2017.
Sterker nog, zelfs de volgorde van de woorden komt in de getuigenverklaringen overeen. [6]
Aangifte [aangever] namens [benadeelde 1] : “
Maak dat je weg komt, anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood! ” (p. 16)
[betrokkene 1] :
"Maak dat je weg komt, ik hak je kop eraf. Ik maak je dood.”(p. 60)
[betrokkene 2] :
"Maak dat je weg komt, anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood.”(62)
[benadeelde 1] : “
maak dat je wegkomt, je gaat er aan, ik hak je kop eraf’’ (p. 64)
8. Het is erg onwaarschijnlijk dat zij het zich 1,5 tot 2 jaar na dato alle drie nog zo exact kunnen herinneren. Het kan bijna niet anders dan dat er hier beïnvloeding heeft plaatsgevonden.
9. De getuigenverklaringen kunnen dan ook niet als steunbewijs worden gebruikt voor de mondelinge bedreiging. Ander bewijs voor dit onderdeel is er niet. Ik verzoek u dan ook cliënt vrij te spreken van de mondelinge bedreiging.”
2.5
In het bestreden arrest heeft het hof onder meer het volgende overwogen:
“Het hof overweegt voorts dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in oktober 2016 op de paranormale beurs in [plaats] [benadeelde 1] heeft bedreigd door te zeggen: "Maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood!". Dit levert zonder meer een bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht op.”
2.6
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat het aan de rechter die over de feiten oordeelt is voorbehouden om voor het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. De motiveringsplicht van de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv Pro doet niet af aan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter in een aantal gevallen zijn beslissing nader zal dienen te motiveren. Dat is onder meer het geval indien door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. Omtrent de aan de mate van motivering te stellen eisen komt onder meer betekenis toe aan de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. De motiveringsplicht gaat voorts niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [7]
2.7
Uit de toelichting op het middel volgt dat het ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt, inhoudende dat de verklaringen van de [familie] niet kunnen worden gebruikt als steunbewijs omdat sprake zou zijn van beïnvloeding, naar het oordeel van de steller ontoereikend gemotiveerd is verworpen.
2.8
Het hof heeft de aangifte van [aangever] , die namens haar vader [benadeelde 1] aangifte heeft gedaan tot het bewijs gebezigd. Het hof heeft daarnaast de verklaring van [benadeelde 1] en de verklaring van de verdachte tot het bewijs gebezigd. Voor zover het middel betrekking heeft op de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof is ten aanzien van die verklaringen immers niet afgeweken van het standpunt van de verdediging aangezien zij niet voor het bewijs zijn gebruikt.
2.9
Ik meen dat dat hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte met betrekking tot de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de aangifte van [aangever] , namens [benadeelde 1] heeft aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv Pro. De raadsvrouw van de verdachte heeft haar standpunt immers, duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren gebracht. Het hof is van genoemd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt afgeweken door de genoemde verklaring voor het bewijs te bezigen.
2.1
Of het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de [familie] ook betrekking heeft op de verklaring van [benadeelde 1] is minder evident. Dat het ingenomen standpunt wel betrekking heeft op die verklaring zou kunnen worden afgeleid uit de omstandigheid dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van de [familie] , waaronder die van [benadeelde 1] , niet te beschouwen zijn als op zichzelf staande verklaringen, dat er sprake is van groot tijdsverloop tussen de aangifte en de verklaring van [benadeelde 1] en dat de bewoordingen van zijn verklaring op het punt van de bedreiging exact hetzelfde zijn als die van de andere familieleden. Anderzijds heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de getuigenverklaringen niet als steunbewijs kunnen worden gebruikt voor de mondelinge bedreiging. Dat de verklaringen niet als
steunbewijskunnen worden gebruikt, duidt erop dat er een verklaring bestaat die wel tot het bewijs kan worden gebezigd. In dat verband kan er ook op worden gewezen dat de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen “in feite uit één en dezelfde bron” komen. In het licht hiervan acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd over de verklaring van [benadeelde 1] niet heeft beschouwd als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
2.11
Ik heb mij afgevraagd of het hof de aangifte van [aangever] namens [benadeelde 1] daadwerkelijk als zelfstandig bewijsmiddel aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd óf dat de aangifte, voor zover het betreft de mondelinge bedreiging op de beurs, moet worden gelezen als onderdeel van de verklaring van [benadeelde 1] . Deze laatste verklaring verwijst immers naar deze aangifte, terwijl [benadeelde 1] aanwezig was bij de aangifte door [aangever] . Ik kan dit uit de overwegingen van het hof echter niet afleiden. Daarbij speelt mee dat het weliswaar niet is uitgesloten dat het hof de verklaring van de verdachte ook heeft willen gebruiken als steunbewijs voor de mondelinge bedreiging op de beurs, maar dat dit evenmin duidelijk uit de overwegingen van het hof is af te leiden. Ik begrijp dan ook dat het hof de aangifte van [aangever] wel als zelfstandig bewijsmiddel heeft gebruikt.
2.12
Het hof heeft vervolgens in het bestreden arrest volstaan met de algemene overweging dat “uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in oktober 2016 op de [plaats] [benadeelde 1] heeft bedreigd door te zeggen: "Maak dat je wegkomt anders hak ik je kop eraf, ik maak je dood!". Daarin ligt mijns inziens de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt onvoldoende besloten.
2.13
De eerste deelklacht slaagt.
2.14
De
tweede deelklachtbespreek ik voor het geval de eerste deelklacht toch niet zou slagen. Deze tweede deelklacht heeft betrekking op de bewezenverklaarde bedreigingen die via SMS zijn geuit en houdt in dat de bewezenverklaring van deze schriftelijke bedreiging onbegrijpelijk is.
2.15
De pleitnota houdt voor zover van belang in:

geen bedreiging in juridische zin van het woord
10. Dan de bedreigingen die per sms zouden zijn verstuurd.
11. Voor een deel van de genoemde uitlatingen geldt dat er niet wordt bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht dan wel met zware mishandeling. Ik heb het dan over de in de pleitnota opgenomen uitlatingen:

"ey ma pang pang ik weet waar je woont. Ik kom langs later met de Marokkanen buren praten laat ze je een kaulo koffoe op je hoofd geven"
• "kom dezer dagen brieven brengen dan ik wacht beneden op je.. kom voor een pak rammel"
• "pas op voor koffoe ik pak jullie" en/of
• "de marokkanen buren gaan jullie pakken heb met ze gepraat... laat ze je pak slaag geven en je brutale kinderen gelijk ook"
• "bij de beurzen moet je niet komen ik mep je mars samen met mijn miedium vrienden daar. Wees gewaarschuwd!"
12. Er wordt hier gesproken over een “koffoe” geven, dit betekent een “vuist geven”, “pak rammel”, “pak slaag” en “mars meppen”. Nu ken ik de betekenis van “mars meppen” niet, maar een “mep” is een klap en onder een klap of enkele vuist verstaan we doorgaans geen zware mishandeling. Bij een “pak rammel” of een “pak slaag” denkt men toch ook niet meteen aan zware mishandeling. Het zijn wat ouderwetse uitspraken, die vroeger ook wel gebruikt werden om kinderen te waarschuwen voor straf. Niet bepaald bedoeld voor het teweegbrengen van zware mishandeling. Ik verzoek u daarom vrij te spreken voor deze uitlatingen.
13. Dan staat er in een aantal berichten dat cliënt hem “pakt”. In de context van de andere berichten kan hier wellicht worden opgemaakt dat onder “pakken” het krijgen van “klappen” kan worden verstaan. Hiermee kan
nietde redelijke vrees zijn ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen of van het leven zou worden beroofd.
14. Verder wordt er gesproken over een “voodoo zetten”. Nu is een “voodoo zetten” vrij algemeen, dit kan op van alles zien: op geluk, liefde, financiën etc. Het wordt wel heel erg invullen om te stellen dat het hier gaat om een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling. Daar komt bij dat je je überhaupt kunt afvragen of er met het zetten van een “voodoo” de redelijke vrees kan ontstaan dat hij het leven zou verliezen dan wel zware mishandeling zou oplopen.
15. Dan tot slot het bericht: "jullie hebben de verkeerde gekozen om mee te vechten". Ik zie hier niet zo snel in wat dan exact de bedreiging is. Het is een mededeling over de situatie, maar geen mededeling over een actie die zal volgen.
16. Kortom, ik verzoek u integraal vrij te spreken voor feit 1.”
2.16
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende overweging opgenomen:
“In de periode daarna, tussen november 2016 en 5 februari 2017 heeft de verdachte veelvuldig sms'jes naar [benadeelde 1] gestuurd met de bewezenverklaarde inhoud.
Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met zware mishandeling, voor zover hier van belang, is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar letsel zou oplopen.
Het hof is van oordeel dat bij aangever [benadeelde 1] die redelijke vrees kon ontstaan. Voor het hof is in dit kader van belang de hoeveelheid verstuurde gewelddadige berichten, de gewelddadige aard daarvan en de combinatie van de gebruikte gewelddadige bewoordingen, zoals:
'kaulokoffoe (een harde vuistslag), een pak rammel, vechten, ik mep je
marsen ik pak je
hard'. Hierdoor kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat hij zwaar letsel zou oplopen. Hierbij betrekt het hof ook dat de verdachte reeds in oktober 2016 een bedreiging met de dood jegens aangever heeft geuit.
Het verweer wordt verworpen.”
2.17
In de toelichting voert de steller van het middel aan dat de aard van de woorden die zijn gebruikt geen aanleiding geven redelijkerwijs te vrezen dat sprake zal zijn van zwaar lichamelijk letsel. In dat verband wijst de steller van het middel op Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, waarin de Hoge Raad algemene gezichtspunten heeft geformuleerd met betrekking tot de reikwijdte van het begrip ‘zwaar lichamelijk letsel’.
2.18
Of met een in artikel 285 Sr Pro genoemd misdrijf, zoals zware mishandeling, is gedreigd, hangt niet altijd uitsluitend af van de gebezigde woorden of de gepleegde handeling. De inhoud of de aard van de uitlating zelf speelt een rol, maar daarnaast is eveneens ruimte voor een contextuele benadering. [8]
2.19
Het hof heeft de uitingen, alsmede de context waarin de uitingen zijn gedaan in aanmerking genomen. Het hof heeft immers gewezen op de hoeveelheid verstuurde gewelddadige berichten, de gewelddadige aard daarvan en de combinatie van de gebruikte bewoordingen. Het hof heeft bij zijn oordeel ook betrokken dat de verdachte reeds in oktober 2016 een bedreiging met de dood jegens aangever heeft geuit. Het hof heeft op basis van deze feiten en omstandigheden geoordeeld dat bij de aangever [benadeelde 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat hij zwaar letsel zou oplopen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat het bij het misdrijf bedreiging met zwaar lichamelijk letsel niet gaat om het daadwerkelijk toebrengen van zodanig letsel, maar om de vraag of bij de betrokkene als gevolg van de uitlatingen en/of de gedragingen van de verdachte in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat de betrokkene zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen. [9]
2.2
De tweede deelklacht faalt.
Het tweede middel
3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat de toewijzing van de vordering benadeelde partij wat betreft de immateriële schade ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een ‘Schadeonderbouwingsformulier van de benadeelde partij [benadeelde 1] dat bij het ‘Verzoek tot schadevergoeding” is gevoegd. Dit stuk houdt onder meer het volgende in:

Psychische gevolgen
Benadeelde ervaarde de bedreigingen als een aanval op zijn gezin en maakte zich zorgen dat hun iets zou overkomen. De woorden hebben veel impact op hem gemaakt. Benadeelde voelde zich boos en teleurgesteld tegelijk. Hij begrijp nog steeds niet waarvoor dit allemaal nodig was.
In de periode van de bedreigingen had benadeelde last van stressklachten. Hij bleef continu over de situatie piekeren en kon niet goed in slaap komen. Daarnaast durfde hij niet meer naar buiten, uit angst om verdachte tegen te komen. Tot op heden geven de bedreigingen benadeelde een onrustig gevoel.
Benadeelde is diabeet en volgde een strak ritme om zijn suiker stabiel te houden. Een goede conditie is van belang. Benadeelde was dan ook naar zijn huidige flat verhuisd, omdat daar veel mogelijkheden zijn tot wandelen. Benadeelde maakte elke dag een blokje om met zijn vrouw. Door de bedreigingen, is benadeelde angstig geworden en durft hij niet meer naar buiten. Hij heeft het gevoel dat de benadeelde (ik begrijp: de verdachte
;MvW) elk moment achter hem kan staan. Deze verandering in zijn leefstijl, heeft een verslechtering van zijn conditie veroorzaakt. Hierdoor is zijn suiker meer aan schommelen en moet hij minstens een keer per maand naar de huisarts voor controle. Dit was voorheen niet. Ook heeft hij meer aanvallen dan voorheen.
Naast zijn dagelijkse wandeling, gaat benadeelde, na bijna 30 jaar, niet meer naar beurzen. Alleen wanneer hij zeker weet dat verdachte er niet is. Sociale contacten zijn hierdoor ernstig beperkt.
(…)
Immateriële schade
Wettelijke grondslag immateriële schadevergoeding
Benadeelde maakt aanspraak op vergoeding van de geleden immateriële schade, omdat in art. 6:106 sub a BW Pro wordt gesproken over ‘het oogmerk zodanig nadeel toebrengen’. Verdachte had met het uiten van de bedreiging immers het oogmerk om benadeelde vrees aan te jagen.
In dit verband wordt ook verwezen naar een recent artikel van mr. N.A. Schipper over het recente overzichtsarrest van de Hoge Raad over de benadeelde partij (‘De Hoge Raad over de vordering benadeelde partij; op welke punten is er ruimte voor verduidelijking en/of heroverweging’, TPWS 2019/101, p.260-261). Hierin wordt betoogd dat voor bedreiging geldt dat wanneer dit bewezen wordt verklaard, ook het oogmerk om nadeel toe te brengen van artikel 6:106 sub a BW Pro kan worden bewezen.
In het bijzonder wijst benadeelde op ECLI:NL:RBUTR:2011:BP2915, ECLI:NL:RBAMS:2016:3644, ECLI:NL:GHAMS:2018:871 en (r.o. 8.2 in) ECLI:NL:RBAMS:2020:689 waarin is geoordeeld dat een vergoeding voor immateriële schade, bij bedreiging, op basis van het oogmerk criterium van art. 6:106 sub a BW Pro kan worden bewezen.
(…)
Totale immateriële schade € 800,00
3.3
De pleitnota houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):

“VORDERING BENADEELDE PARTIJ

23. Primair verzoek ik u beide vorderingen af te wijzen nu ik vrijspraak heb bepleit.
24. Subsidiair, merk ik het volgende op.
25. In beide vorderingen wordt gesteld dat hen een vergoeding toekomt o.g.v. art. 6:106 sub a BW Pro omdat hier het “oogmerk zodanig nadeel toe te brengen” valt. Betoogd wordt dat cliënt het “oogmerk had om hen vrees aan te jagen”. Er wordt hierbij verwezen naar jurisprudentie die dateren vóór het overzichtsarrest van de Hoge Raad in 2019. Na het overzichtsarrest ben ik deze constructie in de jurisprudentie niet meer tegengekomen.
26. Ook niet geheel onbegrijpelijk. Zoals ook advocaat-generaal Harteveld in zijn conclusie van 10 maart 2020 opmerkt is het oogmerk van 6:106 a BW zeer moeilijk te bewijzen. Het vereist
enoogmerk op de onrechtmatige daad
enoogmerk op het veroorzaken van immateriële schade. Het bewijs voor dit dubbele oogmerk is bijna nooit te leveren.
27. En niet alleen de AG is deze mening toegedaan ook de Hoge Raad oordeelde in 2020 dat de lat voor dit dubbele oogmerk hoog ligt. Het op agenten afrijden om diefstal te vergemakkelijken, waarbij opzettelijk een situatie werd geschept waarin de benadeelde partijen ernstig dienden te vrezen voor hun gezondheid, was ansich onvoldoende om het oogmerk op het toebrengen van nadeel op te baseren.
28. Ook in de zaak van cliënt komen we niet aan het dubbele oogmerk. Uit niets kan volgen dat cliënt ook het oogmerk heeft gehad op het nadeel van de benadeelde partijen.
“op andere wijze”
29. Het nadeel valt ook niet onder b3 van art. 6:106 BW Pro: “aantasting in persoon op andere wijze”.
30. U kent uiteraard het overzichtsarrest van de Hoge Raad uit 2019, van
“aantasting in de persoon op andere wijze is in ieder geval sprake indien de benadeelde partijgeestelijk letselheeft opgelopen. Degene die zich hierop beroep, zal voldoendeconcrete gegevensmoeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan.” Alleen wanneer de aard en de ernst van de normschending met zich meebrengen dat de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen, hoeft de psychische schade niet te worden onderbouwd.
31. Voor beide vorderingen van de [familie] geldt dat deze enkel schriftelijk zijn toegelicht zonder concrete onderbouwing van de psychische schade. De vordering voldoet derhalve niet aan de vereisten van de Hoge Raad en artikel 6:106 BW Pro. Ik verzoek u daarom de vordering af te wijzen dan wel niet ontvankelijk te verklaren.
32. Meer subsidiair verzoek ik u overeenkomstig het vonnis van de rechtbank te matigen.”
3.4
Het hof heeft in het bestreden arrest in verband met de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] het volgende overwogen:
“In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-030857-20 onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 800,00.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 800,00.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 200,00, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-030857-20 onder 1 bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.”
3.5
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.4.4 Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
a. oogmerk om zodanige schade toe te brengen, bijvoorbeeld indien de verdachte iemand heeft gedood met het oogmerk aan de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen;
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
c. bepaalde gevallen van aantasting van de nagedachtenis van een overledene.
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.
(,,,)
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
(…)
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
3.6
Verder heeft de Hoge Raad het volgende overwogen over de hiervoor in art. 6:106 BW Pro onder a. genoemde grondslag voor immateriële schadevergoeding:
“Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder a, BW heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade als de aansprakelijke persoon het oogmerk had om zodanige schade toe te brengen. In de onder 3.3.2 weergegeven totstandkomingsgeschiedenis is daarbij bijvoorbeeld gedacht aan het beschadigen of vernielen van een zaak met het oogmerk daarmee immateriële schade toe te brengen. (Vgl. HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2775.) Uit die totstandkomingsgeschiedenis volgt dat onder het hier bedoelde ‘oogmerk’ moet worden verstaan de bedoeling om een ander immateriële schade toe te brengen. Daarvoor volstaat niet dat de verdachte opzettelijk een situatie heeft geschapen waardoor aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht (vgl. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:868).” [10]
3.7
Het hof heeft geoordeeld dat aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en deze schade het rechtstreekse gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-030857-20 onder 1 bewezenverklaarde. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade van de benadeelde partij [benadeelde 1] toegewezen tot een bedrag van € 200,- vermeerderd met wettelijke rente. Mede in aanmerking genomen dat deze vordering namens de verdachte gemotiveerd is betwist, acht ik dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. Daarbij is van belang dat uit de overwegingen van het hof niet kan worden afgeleid op welke in artikel 6:106 BW Pro vermelde grond en op welke door het hof vastgestelde omstandigheden het hof de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij heeft gebaseerd. [11] Dat brengt mee dat ook de oplegging van de in artikel 36f Sr voorziene maatregel niet in stand kan blijven. [12]
3.8
Ik neem hierbij in aanmerking dat de benadeelde partij art. 6:106 onder Pro a BW aan zijn vordering tot vergoeding van immateriële schade ten grondslag heeft gelegd, maar dat uit het door de benadeelde partij gestelde of uit de overige vaststellingen van het hof niet zonder meer volgt dat de verdachte de bedoeling had de benadeelde partij immateriële schade toe te brengen. Evenmin is zonder meer sprake van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’, aangezien de psychische gevolgen in het schadeonderbouwingsformulier niet door de benadeelde zijn onderbouwd met concrete gegevens en de aard en de ernst van de normschending ook niet meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen voor de benadeelde voor de hand liggen. [13]
3.9
Het tweede middel slaagt.
Afronding
4.1
Het eerste middel slaagt gedeeltelijk en het tweede middel slaagt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Of hieraan gevolgen dienen te worden verbonden, kan echter zo nodig worden beoordeeld door de rechter die na terugwijzing opnieuw oordeelt over de strafoplegging. [14]
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft het in de zaak met parketnummer 10-030857-20 onder 1 tenlastegelegde, de strafoplegging, waaronder de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en de beslissing over de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schadevergoeding, en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.PV aangifte d.d. 8 februari 2017 [aangever] en [benadeelde 1]
2.pv aangifte p. 16: “In oktober 2016 gingen mijn vader, moeder en jongere zusje naar de beurs”.
3.PV aangifte vanaf p. 16. “ [verdachte] zegt dat hij ons publiekelijk zal gaan vernederen als wij weer op de paranormale beurs verschijnen.” “Wij voelen ons niet meer veilig” etc.
4.Het voorval vond plaats in oktober 2016, de aangifte op 8 februari 2017, de getuigenverklaring van moeder [betrokkene 1] in 2018 evenals de verklaring van de tweede dochter d.d. 23-02-2018, de verklaring van vader is pas in november 2018 opgenomen.
5.PV verhoor [benadeelde 1] d.d. 28-11-2018, p. 64.
6.Aangifte [aangever] namens [benadeelde 1] : "
7.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
8.Vgl. bijvoorbeeld HR 11 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB7701, en HR 7 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1790.
9.HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:262, waarin de verdediging ook een beroep had gedaan op HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.
10.HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:836, rov. 3.3.3.
11.Vgl. bijvoorbeeld HR 18 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:764.
12.vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:901.
13.Dat was bijvoorbeeld wel het geval in HR 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1243, waarin de verdachte onder meer tijdens een achtervolging opzettelijk met zijn auto op de door slachtoffers bestuurde politieauto is ingereden en deze politieauto van de weg heeft gedrukt. De Hoge Raad wees daarbij ook op de onderbouwing van de door beide slachtoffers ingediende vorderingen, onder meer inhoudende dat zij ten gevolge van de gedragingen van de verdachte voor hun leven hebben gevreesd, zij na het incident grote emotionele gevolgen hiervan hebben ondervonden en daarvan ook last hebben gehad tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden als politieagent. Vgl. ook HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024.
14.Vgl. HR 15 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:88.