Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak en de middelen
3.Het eerste middel
13:08:59) en het moment waarop de verdachte vanuit die steeg richting de achtertuin van [slachtoffer] rent (
13:13:39)
4 minuten en 40 seconden. Tussen het moment dat de verdachte, de tuin van [slachtoffer] naar binnenrent (
13:13:45) en het moment waarop hij het [slachtoffer] de tuin uit sleept/trekt (
13:13:55) verstrijken 10 seconden.
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafvordering, te weten de vertaling van het verhoor van [getuige 1] d.d. 26 augustus 2019 (pagina’s 176 - 180) verkregen middels een EOB, voor zover inhoudende de afgelegde verklaring van getuige [getuige 1] ;
4.Het tweede middel
de jureen
de factote bekorten en zijn detentieomstandigheden, in het bijzonder het ontbreken van psychiatrische zorg, een schending van art. 3 EVRM Pro opleveren. Het EHRM overweegt in zijn arrest onder meer dat levenslanggestraften reële mogelijkheden geboden moeten worden om zich te kunnen rehabiliteren. De voor deze zaak relevante algemene overwegingen van dit arrest houden onder meer in:
de facto irreduciblewas, zodat sprake was van een schending van art. 3 EVRM Pro. [8]
de jure reduciblewas. Het stond niet ter discussie dat België een mechanisme van herziening kent en dat Horion daar om kon verzoeken. Wel ter discussie stond of de levenslange gevangenisstraf
de facto reduciblewas. Horion had, in samenspraak met het psychosociaal team van de gevangenis in Hasselt, allerlei verzoeken voor re-integratie ingediend, waaronder verzoeken tot verblijf in externe instellingen die met dat verblijf al hadden ingestemd. Alle verzoeken werden echter afgewezen door de strafuitvoeringsrechtbank met als argument dat de voorgestelde plannen het recidiverisico niet zouden verminderen. Psychiatrische deskundigen en de strafuitvoeringsrechtbank waren het er over eens dat voortduring van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zowel uit oogpunt van openbare veiligheid als met het oog op rehabilitatie en re-integratie niet langer passend was en adviseerden opname op een forensisch psychiatrische afdeling als tussenstap voor een mogelijke vrijlating. Plaatsing van Horion op een dergelijke afdeling was echter (om onder meer financiële redenen) niet mogelijk. De bevoegde nationale autoriteiten waren dus van mening dat er geen reden was de tenuitvoerlegging te laten voortduren, maar in de praktijk was er geen enkele mogelijkheid tot vrijlating vanwege de vereiste maar niet realiseerbare opname op een forensisch psychiatrische afdeling. Deze situatie duurde al jaren terwijl onduidelijk was welke stappen Horion moest zetten om deze impasse te doorbreken. Gelet op de specifieke omstandigheden van de zaak oordeelde het EHRM dat deze impasse, die het gevolg was van de praktische onmogelijkheid om op een forensisch psychiatrische afdeling te worden geplaatst, terwijl zijn detentie door de nationale autoriteiten niet langer passend werd geacht, tot gevolg had dat Horion geen realistisch uitzicht heeft op vrijlating, hetgeen tot een schending van art. 3 EVRM Pro leidt. De levenslange gevangenisstraf was ook in dit geval
de facto irreducible.
NJ2019/326 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, het vervolg op het tussenarrest dat werd gewezen na Murray t. Nederland [10] , meer specifiek ten aanzien van de mogelijkheden tot re-integratie overwoog (met weglating van voetnoten):
5.Het derde middel
6.Het middel van de benadeelde partij [benadeelde 2]
[benadeelde 2]