ECLI:NL:PHR:2025:1397

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/00712
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurrecht en ontruiming in Curaçao: beoordeling van huurachterstanden en verjaringsverweer

In deze zaak, die zich afspeelt in Curaçao, betreft het een huurconflict tussen een huurder, aangeduid als [verzoeker], en de Stichting Fundashon Kas Popular (FKP). De huurder heeft sinds 2008 een woning gehuurd van FKP, maar heeft een aanzienlijke huurachterstand opgebouwd van meer dan NAf 30.000. FKP heeft in 2022 een nieuw incassobeleid geïmplementeerd en heeft meerdere rechtszaken aangespannen tegen huurders met achterstanden, waaronder deze zaak. Het Gerecht in eerste aanleg heeft de huurder veroordeeld tot betaling van de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 en heeft de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming bevolen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie heeft geprobeerd een regeling te treffen die ook voor andere huurders geldt, maar heeft uiteindelijk geoordeeld dat de huurder alleen de achterstand vanaf 1 januari 2018 hoeft te betalen, waarna de rest van de huurschuld vervalt. De huurder heeft cassatie ingesteld, waarbij hij aanvoert dat het hof niet voldoende rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden en verjaringsverweer. Het hof heeft de zaak terugverwezen voor een herbeoordeling van het verjaringsverweer en de omstandigheden van de huurder.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00712
Zitting19 december 2025
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[verzoeker](hierna: ‘[verzoeker]’)
tegen
Stichting Fundashon Kas Popular(hierna: ‘FKP’)
De Curaçaose stichting FKP heeft tot doel in het belang van de verbetering van de volkshuisvesting in Curaçao werkzaam te zijn en verhuurt daartoe een groot aantal woningen. Een groot deel (ongeveer 2.500 in getal) van de huurders van FKP betaalt al geruime tijd de maandelijks verschuldigde huur niet. FKP heeft een tijd lang geen incassobeleid gevoerd, maar heeft in 2022 een koerswijziging ingezet.
Deze zaak is een van de eerste vijftien door FKP aanhangig gemaakte zaken waarin betaling van de achterstallige huur, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde is gevorderd. Beoordeling van deze zaken geschiedt tegen de genoemde achtergrond van een nog veel groter aantal zaken waarin sprake is van een huurachterstand.
[verzoeker] huurt sinds 2008 een woning van FKP, tegen een overeengekomen huurprijs van NAf 358 per maand. In december 2022 bedroeg zijn huurachterstand meer dan NAf 30.000. Het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: ‘het gerecht’) heeft [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de huurachterstand over de periode vanaf 1 januari 2018 en daarnaast onder voorwaarde van niet-betaling van [verzoeker] de ontbinding van de huurovereenkomst uitgesproken en ontruiming van de woning bevolen. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: ‘het hof’) heeft ter terechtzitting getracht een regeling tot stand te brengen die FKP ook kan opleggen aan haar andere niet betalende huurders. In zijn eindvonnis heeft het hof [verzoeker] veroordeeld tot afbetaling van de huurachterstand, met dien verstande dat de rest van de huurschuld vervalt, nadat de achterstand die is ontstaan na 1 januari 2018 is afgelost. Ook het hof heeft de voorwaardelijke ontbinding van de huurovereenkomst uitgesproken en onder voorwaarde de ontruiming van de woning bevolen.
In het principale cassatieberoep voert [verzoeker] – kort weergegeven – aan dat het hof bij het formuleren van een algemene regeling is voorbijgegaan aan de omstandigheden van dit geval en de in deze zaak gevoerde verweren, waaronder een door [verzoeker] gedaan beroep op extinctieve verjaring. In het incidentele cassatieberoep, dat deels onder voorwaarde is ingesteld, klaagt FKP onder meer dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een gedeelte van de huurschuld vervalt als de achterstand vanaf 1 januari 2018 is ingelopen.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
1.2
FKP heeft blijkens haar statuten uitsluitend ten doel in het belang van de verbetering van de volkshuisvesting in Curaçao werkzaam te zijn. FKP verhuurt daartoe onder meer woningen in het lagere segment voor mensen met een laag inkomen.
1.3
[verzoeker] huurt van FKP sinds 29 mei 2008 [de woning] (hierna: ‘de woning’). De maandelijkse gesubsidieerde huur bedraagt voor [verzoeker] NAf 358. De huurprijs is bij vooruitbetaling verschuldigd.
1.4
Er is een huurachterstand ontstaan die tot en met december 2022 NAf 31.090,15 bedraagt.

2.Procesverloop

In eerste aanleg

2.1
Bij verzoekschrift van 20 september 2022 heeft FKP [verzoeker] in rechte betrokken en – voor zover in cassatie van belang – ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming (zo nodig door de sterke arm) van de woning en betaling van de huurachterstand plus de tot aan de ontruiming verschuldigde termijnen gevorderd.
2.2
Het gerecht heeft bij vonnis van 24 oktober 2022 in vijftien soortgelijke, door FKP aanhangig gemaakte zaken – waaronder die tegen [verzoeker] – gezamenlijk een comparitie van partijen gelast. [2] Deze comparitie heeft op 16 december 2022 plaatsgehad. [verzoeker] was aanwezig. Er zijn zittingsaantekeningen gemaakt.
2.3
Voor zover in cassatie van belang heeft het gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 6 februari 2023 [3] – hersteld bij herstelvonnis van 15 maart 2023 [4] – [verzoeker] veroordeeld tot betaling van de door hem aan FKP verschuldigde huurpenningen over de jaren 2018 tot en met 2022, te verminderen met het bedrag dat [verzoeker] eventueel reeds aan huurpenningen heeft betaald voor die jaren en tot tijdige betaling van de maandelijks verschuldigde huurprijs vanaf de datum van het vonnis tot het tijdstip van ontruiming. Daarnaast heeft het gerecht [verzoeker] – voor het geval hij meer dan twee weken niet aan de veroordeling tot tijdige betaling van de maandelijkse huurprijs heeft voldaan – veroordeeld de woning met alle personen en zaken die zich van de kant van [verzoeker] in en om de woning bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden.
2.4
Het gerecht heeft daartoe in de eerste plaats weergegeven wat partijen ter terechtzitting ter sprake hebben gebracht. Kort gezegd heeft [verzoeker] de huurachterstand erkend en heeft FKP haar eis gewijzigd en het gerecht verzocht om een voorwaardelijke ontruiming uit te spreken, waarbij [verzoeker] wordt veroordeeld tot stipte nakoming van zijn betalingsverplichtingen:
“3.2. Gedaagde heeft ter terechtzitting de huurachterstand erkend. Gedaagde heeft uiteengezet dit bedrag bij lange na niet te kunnen betalen en dat gedaagde bereid en voornemens is vanaf nu de betaling van de huurpenningen te prioriteren bij het bepalen van uitgaven. Gedaagde heeft benadrukt groot belang te hechten aan voorzetting van de bewoning van de woning.
3.3.
Eiseres heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de onderhavige 15 zaken het topje van de ijsberg vormen van de grote hoeveelheid soortgelijke zaken die nog op de plank ligt bij eiseres en die nog aan het gerecht zal worden voorgelegd. Voorts heeft zij desgevraagd toegelicht dat 50% van haar huurders in het geheel geen huurpenningen aan haar afdraagt, dat er meer dan 8.000 mensen op de wachtlijst staan voor een sociale huurwoning zoals die van gedaagde, waarvan eiseres er 1.500 in eigendom heeft.
Eiseres heeft bevestigd dat zij een langere periode stil heeft gezeten als het gaat om het uitvoeren van een goed incassobeleid, dat (mede) daardoor de huurachterstand in de onderhavige zaken tot buitensporige hoogte is opgelopen. Eiseres heeft uitgelegd dat er nu sprake is van een koersverandering aan de zijde van eiseres waarbij men het nieuwe incassobeleid dat geïmplementeerd is op 1 mei 2022 strikt wil gaan toepassen. Hiermee hoopt eiseres woningen beschikbaar te krijgen voor mensen op de wachtlijst en ook te bewerkstelligen dat de mentaliteit van haar wanbetalers ten positieve zal veranderen en men huurbetaling tot een prioriteit zal maken. Eiseres ziet in dat geen van de gedaagden in staat zal zijn het totale gevorderde bedrag aan huurpenningen aan haar te betalen en dat gedaagden na een ontruiming zeer waarschijnlijk opnieuw bij eiseres zullen aankloppen voor een huurwoning. Huren zonder ervoor te betalen echter, dat kan de bedoeling niet zijn, aldus eiseres.
Dit alles heeft eiseres na overleg en beraad ter zitting tot de slotsom geleid haar eis te wijzigen en het gerecht te verzoeken om, bij wijze van laatste kans aan gedaagde, een voorwaardelijke ontruiming uit te spreken, waarbij gedaagde veroordeeld wordt tot stipte nakoming van de betalingsverplichting en het door haar gevorderde bedrag aan achterstallige huurpenningen te matigen tot een door het gerecht redelijk geoordeeld bedrag. Gedaagde heeft zich hiertegen niet verzet.”
2.5
Vervolgens heeft het gerecht geoordeeld dat de gewijzigde vordering moet worden toegewezen:
“3.4. Het gerecht acht het alle omstandigheden in aanmerking nemende redelijk en billijk dat gedaagde wordt veroordeeld de achterstallige huurpenningen aan eiseres te betalen over (slechts) de laatste vijf jaren, dus 2018 tot en met 2022. Gedaagde zal zich voor een betalingsregeling tot eiseres moeten wenden.
3.5.
Voorts zal gedaagde worden veroordeeld tot stipte nakoming van de lopende huurverplichtingen. Het gerecht zal daaraan een voorwaardelijke veroordeling tot ontruiming verbinden, zodat gedaagde gedwongen wordt tot stipte nakoming van de maandelijkse huurbetalingsverplichting. Indien gedaagde verzaakt de lopende huur tijdig te betalen, zal eiseres met dit vonnis tot ontruiming kunnen overgaan.
3.6.
Het gerecht ziet in de achtergrond en uitkomst van deze zaak geen aanleiding om gedaagde te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten en zal de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.”
In hoger beroep
2.6
Bij akte van appel van 20 maart 2023 is FKP in hoger beroep gekomen van het vonnis van het gerecht. Bij memorie van grieven van 2 mei 2023 heeft FKP twee grieven aangevoerd. FKP heeft – voor zover in cassatie van belang – geconcludeerd tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, tot integrale toewijzing van de huurvordering en tot koppeling van de ontruiming mede aan het niet aanzuiveren van de huurachterstand.
2.7
Op 27 juni 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden van deze zaak, samen met negen andere, vergelijkbare zaken. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Ter zitting heeft FKP een akte eiswijziging ingediend. Daartegen is geen verzet aangetekend.
2.8
Het hof heeft op 30 juli 2024 [5] een tussenvonnis (hierna: ‘het tussenvonnis’) gewezen. Daarin heeft het hof eerst samengevat wat tijdens de mondelinge behandeling is gebleken:
“2.4. Ter zitting is het volgende gebleken:
a. FKP heeft ca. 5.000 woningen in de verhuur(…). Er staan meer dan 8.000 mensen op de wachtlijst. Ongeveer de helft van de huurders betaalt niet naar behoren.
b. Bij een groot tekort aan draagkracht van de huurder, is het Land een huursubsidie verschuldigd aan FKP (maar het Land is ook een slechte betaler). De huurprijs wordt dan navenant lager.
c. Vaak wonen er meerdere personen in de woning, van wie sommigen voldoende draagkracht hebben om bij te dragen.
d. Na een ontruiming komt de voormalige huurder onderaan de wachtlijst (van ca. 8.000 mensen).
e. In de door FKP opgegeven achterstanden in huurbetaling zit geen wettelijke rente. De huurprijs is niet geïndexeerd. Omzetbelasting wordt niet in rekening gebracht.”
2.9
Het hof heeft in zijn tussenvonnis een oplossing gesuggereerd. De suggestie van het hof valt uiteen in zes elementen:
“2.5. Sprake is van een groot probleem. Ter zitting is gezocht naar een redelijk begin van een oplossing. Alle aanwezigen leken te kunnen leven met het volgende voorstel:
a. het Hof veroordeelt de huurder tot betaling van de achterstand, met dien verstande dat de opeisbaarheid wordt opgeschort zo lang als de huurder zich houdt aan de volgende verplichtingen[;]
b. elke maand moet een bedrag van 25% van de huurprijs extra betaald worden als aflossing op de achterstand;
c. de huurder wordt veroordeeld tot het verlenen, op verzoek van FKP, van een machtiging aan FKP om bij de eventuele werkgever of bank van de huurder tot incasso over te gaan;
d. het Hof machtigt FKP, indien de huurder nalaat een machtiging te verlenen, om tot incasso bij de eventuele werkgever of bank van de huurder over te gaan;
e. het Hof ontbindt de huurovereenkomst en veroordeelt de huurder tot ontruiming voor het geval dat de huurder, in enige maand, drie weken na de eerste dag van de maand de huurprijs en de 25%-verhoging niet betaald heeft.
2.6.
Het Hof voegt voorlopig oordelend het volgende element toe:
f. nadat de huurder acht jaar de verplichtingen is nagekomen, vervalt de rest van de huurschuld.
2.7.
Wat betreft het verval van de rest van de huurschuld (onder f) na tien jaar, overweegt het Hof voorlopig dat FKP een sociale instelling is die niet mag toelaten dat de huurschuld extreem en onbeheersbaar oploopt (vgl. ten aanzien van FFP de uitspraak van het Hof ECLI:NL:OGHACMB:2020:281, rov. 2.11-2.12; cassatieberoep verworpen met toepassing van artikel 81 RO in ECLI:NL:HR:2022:731; voor de conclusie van Advocaat-Generaal Hartlief zie ECLI:NL:PHR:2021:1194).
2.8.
Het is redelijk voor een sociale instelling als FKP, die zelf ‘boter op het hoofd heeft’ om, als de huurder zijn of haar leven gebeterd heeft en tien jaar lang de verplichtingen is nagekomen, niet meer te vorderen dan wat op dat moment is geïncasseerd. Dit is ook een positieve prikkel voor de huurder om zich te houden aan de verplichtingen. In ECLI:NL:OGHACMB:2020:281 sprak het Hof van onaanvaardbaarheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW).”
2.1
Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om op het tussenvonnis en de daarin gesuggereerde oplossing te reageren. Beide partijen hebben daartoe een akte genomen, waarna [verzoeker] een contra-akte heeft genomen.
2.11
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 26 november 2024 [6] (hierna: ‘het eindvonnis’) heeft het hof – voor zover in cassatie van belang – het bestreden vonnis vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] veroordeeld tot de onderdelen a. tot en met e. van de in randnummer ‎2.9 van deze conclusie geciteerde regeling. In afwijking van onderdeel f. van die regeling heeft het hof bepaald dat, de rest van de huurschuld vervalt, nadat [verzoeker] de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 heeft afgelost. Tot slot heeft het hof de kosten van het hoger beroep aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.
2.12
Het hof heeft daartoe – voor zover in cassatie van belang – als volgt overwogen.
2.13
Eerst heeft het hof de reacties van partijen op zijn voorstellen samengevat:
“2.2. In het tussenvonnis heeft het Hof voorstellen gedaan (a tot en met f). FKP kan zich vinden in de voorstellen onder a tot en met e, maar verzet zich tegen het voorstel onder f (luidende: ‘nadat de huurder acht jaar de verplichtingen is nagekomen, vervalt de rest van de huurschuld’). Dit voorstel, dat het Hof in het tussenvonnis voorlopig oordelend heeft toegevoegd, zal het Hof op grond van de argumenten van FKP laten varen.
2.3.
Ook de huurder lijkt meer te voelen voor hetgeen het Gerecht ter zake heeft beslist. De huurder heeft, daarvan uitgaande, met FKP een regeling getroffen.
2.4.
De desbetreffende beslissing van het Gerecht luidde:
3.4.
Het gerecht acht het alle omstandigheden in aanmerking nemende redelijk en billijk dat gedaagde wordt veroordeeld de achterstallige huurpenningen aan eiseres te betalen over (slechts) de laatste vijf jaren, dus 2018 tot en met 2022. Gedaagde zal zich voor een betalingsregeling tot eiseres moeten wenden.
2.5.
In haar akte van 27 augustus 2024 aan het slot stelt FKP:
6. FKP kan zich vinden in de voorstellen van Uw Hof zoals geformuleerd onder r.o. 2.5-a, b, c, d, en e maar niet met het voorstel onder 2.6-f van Uw tussenvonnis. De huurders dienen de gehele huurachterstand aan te zuiveren. Dit is wat FKP primair wil. Echter mocht Uw Hof oordelen dat (slechts) de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 tot heden zal moeten worden afgelost (middels de extra 25% huurbetaling per maand) dan zal FKP hier niet echt blij van worden, maar zal zij zich hierbij hebben neer te leggen. FKP wordt hier niet blij van daar dit vonnis een precedentwerking zal hebben, in ieder geval wat betreft de matiging (veeleer kwijtschelding) van de moedwillig door de huurder opgelopen huurachterstand, ofschoon de huurder tig keren tot betaling is aangemaand en ofschoon de huurder betalingsregelingen aan zijn/haar laars lapt.”
2.14
Daarop heeft het hof overwogen dat het de beslissing van het gerecht zal volgen en dus zal bepalen dat de restschuld van [verzoeker] vervalt, zodra hij de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 heeft afgelost. Het hof is vervolgens ingegaan op de bezwaren van FKP tegen deze beslissing en heeft toegelicht dat het hoopt dat FKP de beslissing in deze zaak ook tot uitgangspunt neemt ten aanzien van haar andere slecht betalende huurders:
“2.6. Het Hof zal de beslissing van het Gerecht volgen, dus bepalen dat nadat de huurder de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 tot heden heeft afgelost, de rest van de huurschuld vervalt.
2.7.
FKP is bang voor een precedentwerking, maar de bedoeling van het Hof is juist dat de voorstellen door FKP worden opgelegd aan alle huurders met een achterstand, op straffe van gedwongen ontruiming. Ter zitting is door FKP gesteld dat ongeveer de helft van de 5.000 huurders niet naar behoren betaalt. Dat vraagt om een grootscheepse aanpak. Het is hoogst onwenselijk dat er meer (dan de thans aanhangige) rechtszaken worden aangebracht. De door het Hof gedane voorstellen zijn sociaal en redelijk. Ook de huurders van de aanhangige zaken hebben geen bezwaren geuit. Indien een huurder zich er niet aan houdt, is gedwongen ontruiming op haar plaats. Voor gedwongen ontruiming is uiteraard een executoriale titel, dus een gang naar de rechter, nodig. Ten aanzien van de huurders in de thans aanhangige zaken zal een voorwaardelijke ontruimingstitel worden gegeven. Voor andere huurders die zich niet zullen houden aan de door FKP aan hen, aan de hand van dit vonnis, opgelegde verplichtingen moet voor de ontruimingstitel een rechtszaak worden opgestart.”
2.15
Daarna heeft het hof de verweren van [verzoeker] verworpen en geoordeeld dat er geen sprake is van misbruik van procesrecht door FKP:
“2.8. Onjuist is de stelling van de huurder dat FKP misbruik maakt van procesrecht door in hoger beroep te gaan of anderszins. Voor misbruik van procesrecht is meer nodig. FKP is in beginsel vrij haar standpunt in hoger beroep aan te passen. Niet staat vast dat FKP zich specifiek jegens de huurder verbonden heeft niet in hoger beroep te gaan. Uiteraard moet FKP met inmiddels gedane aflossingen door de huurder rekening houden, zoals ook het Gerecht heeft beslist. Indien op enig moment teveel is afbetaald, hoeft FKP niet terug te betalen (artikel 6:39 lid 2 BW). Dat de door FKP opgegeven achterstand niet klopt, is onvoldoende gemotiveerd. Dat de overheid, om wat voor reden dan ook, geen huursubsidie verstrekt kan niet aan FKP worden toegerekend. In geen geval levert dat bedrog door FKP op.”
2.16
Het hof heeft daarop in rov. 2.9. twee niet in deze conclusie geciteerde rechtsoverwegingen uit het tussenvonnis in essentie herhaald:
“2.9. Het Hof herhaalt uit het tussenvonnis (rov. 2.9-2.10) dat zolang FKP niet daadwerkelijk overgaat tot ontruiming, het ‘dweilen met de kraan open’ blijft en dat het onaanvaardbaar is dat ca. 2.500 huurders niet naar behoren betalen, terwijl 8.000 personen wachten op een huurwoning. Bovendien is het tegenover de FKP-huurders die wel hun huur betalen (met moeite en geschraap) wrang dat de FKP niet optreedt tegenover wanbetalers.”
2.17
Ten slotte heeft het hof aangekondigd het vonnis van het gerecht geheel te vernietigen en opnieuw recht te doen en de proceskosten te compenseren:
“2.10. Het Hof zal het bestreden vonnis, uit praktische overwegingen, geheel vernietigen en geheel opnieuw recht doen.
2.11.
Evenals in eerste aanleg worden de proceskosten gecompenseerd.”
In cassatie
2.18
[verzoeker] heeft op 25 februari 2025 – dus tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen het tussenvonnis en het eindvonnis. FKP heeft verweer gevoerd en een (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. [verzoeker] heeft in het incidentele cassatieberoep verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [verzoeker] heeft gerepliceerd en FKP heeft gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale cassatieberoep

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding die geen klachten bevat en een drietal met Romeinse cijfers genummerde onderdelen waarin de klachten zijn geformuleerd. De onderdelen I en II vallen uiteen in genummerde subonderdelen. Onderdeel III heeft het opschrift ‘Veegklacht’ en bevat enkel een voortbouwklacht.
Onderdeel I
3.2
Onderdeel I valt uiteen in zeven genummerde subonderdelen.
3.3
Subonderdeel I.1is gericht tegen rov. 2.1. en 2.2. van het tussenvonnis en tegen rov. 2.8. van het eindvonnis. Volgens het subonderdeel heeft het hof in deze overwegingen een door [verzoeker] gevoerd verweer miskend, althans goeddeels onbesproken gelaten, in het bijzonder in rov. 2.8. van het eindvonnis, zodat de uitspraak onbegrijpelijk, althans niet toereikend is gemotiveerd.
3.4
Het gaat volgens het subonderdeel in de eerste plaats om het door [verzoeker] gevoerde ontvankelijkheidsverweer: in eerste aanleg heeft FKP zich gecommitteerd aan het bedrag dat de rechter in redelijkheid zal opleggen, dus FKP heeft gekregen wat zij heeft gevraagd. [7] Daarnaast gaat het om [verzoeker]’s beroep op verjaring in de toelichting op het verweer tegen grief 1. Ten derde is volgens het subonderdeel ten aanzien van grief 2 aangevoerd dat FKP in eerste aanleg zelf haar eis heeft laten varen. Volgens het subonderdeel is het hof bij het vaststellen van een regeling onvoldoende ingegaan op de individuele stellingen en weren van [verzoeker], in het bijzonder met betrekking tot het antwoord op de vraag of FKP ten tijde van het eindvonnis nog een vordering uit achterstallige huurbetaling had op [verzoeker]. [8]
3.5
Ik zal beginnen met het door [verzoeker] gevoerde ontvankelijkheidsverweer. Op p. 2 van zijn memorie van antwoord heeft [verzoeker] verwezen naar rov. 3.3. van het vonnis van het gerecht. Ik citeer voor de duidelijkheid de relevante passage uit deze rechtsoverweging:
“Dit alles heeft eiseres na overleg en beraad ter zitting tot de slotsom geleid haar eis te wijzigen en het gerecht te verzoeken om, bij wijze van laatste kans aan gedaagde, een voorwaardelijke ontruiming uit te spreken, waarbij gedaagde veroordeeld wordt tot stipte nakoming van de betalingsverplichting en het door haar gevorderde bedrag aan achterstallige huurpenningen te matigen tot een door het gerecht redelijk geoordeeld bedrag. Gedaagde heeft zich hiertegen niet verzet.”
3.6
Onder verwijzing naar deze passage heeft [verzoeker] in zijn memorie van antwoord betoogd dat FKP geen belang had bij haar hoger beroep en dat als volgt onderbouwd:
“Uit het voorgaande blijkt dus onomstotelijk dat het FKP zelf is geweest die haar eis ter terechtzitting heeft gewijzigd, in casu verminderd, en niet alleen om matiging van het gevorderde bedrag aan achterstallige huur heeft verzocht, maar ook om slechts aan de normale huurbetaling de ontruiming te koppelen en niet zoals thans harerzijds ten onrechte in hoger beroep wordt geïnsinueerd de rechter die eigenmachtig daartoe is overgegaan.
Tenslotte zij erop gewezen dat FKP tegen deze overwegingen van de eerste rechter geen grieven heeft aangevoerd in haar memorie van grieven, zodat deze feiten als vaststaand beschouwd dienen te worden in deze Instantie. [verzoeker] vraagt hiervan akte. Waarvan akte!
FKP heeft geen grieven aangevoerd en kon ook geen grieven aanvoeren tegen deze overwegingen van de eerste rechter omdat hetgeen de eerste rechter hier overweegt feitelijk ook zo is. De rechter geeft hier een weergave van de feiten en hetgeen feitelijk ter zitting is geschied en uiteindelijk vormen deze feiten de grondslag van de vordering van FKP en deze feiten diende de eerste rechter te beoordelen. Ergo.”
3.7
In randnummer 4 van de pleitnota in hoger beroep heeft [verzoeker] dit betoog hernomen en het uitdrukkelijk in de sleutel van misbruik van procesrecht geplaatst. Daarop heeft het hof in rov. 2.8. van het eindvonnis gerespondeerd. [9] Het heeft geoordeeld dat voor misbruik van procesrecht meer nodig is en dat FKP in beginsel is vrij haar standpunt in hoger beroep aan te passen. Voor zover subonderdeel I.1 van het cassatiemiddel klaagt dat dit verweer niet is besproken, faalt het derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.8
Ik kom vervolgens toe aan het beroep op verjaring. In [verzoeker]’s memorie van antwoord is daarover op de door het subonderdeel aangehaalde plaats [10] het volgende te lezen:
“Voorts anders dan FKP meent heeft [verzoeker] zich wel degelijk kunnen beroepen op verjaring van de achterstallige huur, immers de maandelijks te betalen huur verjaart om de vijf jaar en [verzoeker] doet alsnog een beroep op deze verjaring.
De door FKP als productie 4 overgelegde brieven dateren respectievelijk van 25 februari 2015 (7 jaren na het aangaan van de huurovereenkomst in 2008) en 4 september 2020 (meer dan vijf jaren na de brief van 25 februari 2015).
De brief van 25 februari 2015 kan niet aangemerkt worden als een stuitingsbrief en mocht dat wel het geval zijn dan heeft zij per 26 februari 2020 haar werking verloren.
Indien de brief van 4 september 2020 als een stuitingsbrief kan worden aangemerkt – quod non – dan treft zij alleen doel voor wat betreft de daaraan voorafgaande periode van vijf jaren, in casu de termijnen die na 4 september 2015 verschenen zijn.
De als productie 5 overgelegde brief van 29 maart 2022 is evenmin aan te merken als een stuitingsbrief en mocht dat wel het geval zijn dan werkt zij terug tot 29 maart 2017 daar waar de brief van 4 september 2020 evenmin een stuitingsbrief is.”
3.9
De onderhavige procedure is op 20 september 2022 aanhangig gemaakt. [11] Het beroep op extinctieve verjaring van de vorderingen van FKP zou alleen van betekenis zijn voor die vorderingen waarvan de verjaringstermijn van vijf jaren op dat moment al was verstreken. Dat zijn de vorderingen die zijn ontstaan vóór 20 september 2017 – het een en ander natuurlijk alleen voor zover geen stuitingshandelingen hebben plaatsgehad.
3.1
Het hof is op het beroep op verjaring niet ingegaan. Het hof heeft [verzoeker] in het dictum van het eindvonnis veroordeeld tot betaling van – als ik het goed zie – de gehele huurachterstand, “
met dien verstande dat de opeisbaarheid wordt opgeschort zo lang als de huurder zich houdt aan de volgende verplichtingen”, waarna nog enkele veroordelingen volgen, waaronder de veroordeling elke maand bovenop de gebruikelijke huurprijs 25% van de huurprijs te betalen als aflossing. [12] Deze veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Even verder in het dictum heeft het hof bepaald dat de rest van de huurschuld vervalt nadat (bedoeld zal zijn: zodra) [verzoeker] de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 heeft afgelost.
3.11
Het dictum van het eindvonnis is niet optimaal geformuleerd, maar naar ik begrijp is het – voor zover voor de beoordeling van dit subonderdeel van belang – de bedoeling van het hof geweest dat FKP zodra [verzoeker] niet voldoet aan zijn verplichtingen (maandelijkse aflossing en het verlenen van een machtiging aan FKP om bij een eventuele werkgever of bank tot incasso over te gaan) een executoriale titel heeft voor de gehele huurachterstand – dus inclusief het gedeelte dat vóór 1 januari 2018 achterstallig is geworden en het gedeelte waartegen [verzoeker] zich met een beroep op verjaring heeft verweerd. [13]
3.12
In dat licht had het hof aan [verzoeker]’s beroep op bevrijdende verjaring van althans een deel van de vorderingen van FKP niet ongemotiveerd mogen voorbijgaan. Hieraan doet niet af wat FKP hiertegen bij schriftelijke toelichting heeft aangevoerd. FKP heeft – kort weergegeven – betoogd dat [verzoeker] volgens rov. 3.2. van het vonnis in eerste aanleg de in rov. 2.2. van het vonnis in eerste aanleg vermelde huurachterstand per december 2022 heeft erkend en geen hoger beroep heeft ingesteld. In dat verband is erop te wijzen dat het gerecht (onder meer) [verzoeker] heeft veroordeeld tot betaling van de verschuldigde huurpenningen over de jaren 2018 tot en met 2022 (rov. 4.1. van het vonnis in eerste aanleg) en het meer of anders gevorderde heeft afgewezen (rov. 4.7.). Bij die stand van zaken had [verzoeker] er geen belang bij om zelf in hoger beroep te komen. Ook het gegeven dat volgens gerecht en hof vaststaat hoeveel de huurachterstand bedroeg per december 2022 staat niet in de weg aan een in hoger beroep voor het eerst gevoerd verjaringsverweer. Bij een geslaagd beroep op bevrijdende verjaring blijft de verbintenis immers bestaan, maar is de afdwingbaarheid vervallen. [14]
3.13
Het een en ander brengt mee dat subonderdeel I.1 in zoverre slaagt. Het hof had moeten ingaan op het door [verzoeker] gevoerde verjaringsverweer.
3.14
Wat betreft het volgens subonderdeel I.1 gepasseerde verweer tegen grief 2 geldt het volgende. Subonderdeel I.1 volstaat te dien aanzien met een verwijzing naar de inleiding van de procesinleiding, randnummer 1.9. Aldaar is weergegeven dat “[t]
en aanzien van grief 2 wordt aangevoerd dat in eerste aanleg FKP zelf haar eis heeft laten varen.” Deze opmerking is niet voorzien van verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken, zodat de klacht in zoverre niet aan de eraan te stellen eisen voldoet.
3.15
Ten slotte bevat subonderdeel I.1 nog de klacht dat het hof bij het vaststellen van een regeling onvoldoende is ingegaan op de individuele stellingen en weren van [verzoeker], in het bijzonder met betrekking tot het antwoord op de vraag of FKP ten tijde van het eindvonnis nog een vordering uit achterstallige huurbetaling had op [verzoeker]. Deze klacht leent zich ervoor gezamenlijk met de klachten uit subonderdelen I.2-I.5 te worden behandeld.
3.16
Subonderdeel I.2is gericht tegen het oordeel in rov. 2.8. van het eindvonnis dat het verweer van [verzoeker] dat de door FKP opgegeven achterstand niet klopt, onvoldoende is gemotiveerd. Dit oordeel is volgens het subonderdeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd in het licht van de uitvoerige onderbouwing in enige aangehaalde passages uit de pleitnota in hoger beroep van 27 juni 2024 en de akte van 27 augustus 2024. Het hof heeft volgens het subonderdeel miskend dat het op de weg van FKP ligt om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat zij in hoger beroep nog een vordering heeft. Ook indien het een en ander zou moeten worden aangemerkt als een zelfstandig verweer en niet als een zuivere betwisting in hoger beroep dat FKP nog een vordering heeft, is het oordeel volgens het subonderdeel niet toereikend gemotiveerd, althans gaat het hof uit van een onjuiste, want te strenge maatstaf ten aanzien van de stelplicht.
3.17
Hetgeen het hof in rov. 2.8. van het eindvonnis heeft overwogen, is volgens
subonderdeel I.3onbegrijpelijk, omdat het hof met de woorden ‘de achterstand’ heeft gedoeld op de totale achterstand, waarvan [verzoeker] in de pleitnota in hoger beroep van 27 juni 2024, p. 6, randnummer 6, heeft betwist dat die NAf 31.448,15 of NAf 27.050,35 zou bedragen. Daarop ziet ook de overweging ten aanzien van de huursubsidie. Dat staat echter los van de stelling dat [verzoeker], uitgaande van de door het gerecht vastgestelde periode en achterstand,
dievordering geheel heeft ingelopen en zelfs te veel heeft betaald.
3.18
Volgens
subonderdeel I.4is het oordeel van het hof in rov. 2.8. van het eindvonnis onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, als en voor zover het ziet op de door het gerecht opgelegde regeling. Niet alleen heeft [verzoeker] gesteld dat hij volledig heeft voldaan aan de regeling zoals opgelegd door het gerecht, hij heeft ook expliciet een beroep gedaan op verjaring, die parallel loopt met de regeling zoals het gerecht heeft opgelegd, aldus het subonderdeel. Als FKP in hoger beroep heeft gesteld alsnog een vordering te hebben dan heeft [verzoeker] die vordering daarmee volgens het subonderdeel voldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof hetzij die vordering in hoger beroep integraal had moeten afwijzen, hetzij FKP om nadere onderbouwing had moeten vragen.
3.19
Het hof heeft volgens
subonderdeel I.5in rov. 2.8. van het eindvonnis en ook overigens in het tussenvonnis en eindvonnis miskend dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. Aan deze eis voldoen deze vonnissen volgens het subonderdeel niet nu deze niet toereikend gemotiveerd, althans onbegrijpelijk zijn. Dat betekent dat indien, zoals in dit geval, in hoger beroep gemotiveerd wordt betwist dat er nog een openstaande vordering is, niet kan worden volstaan met een algemene regeling, maar (ik begrijp:) het bestaan van de vordering zal moeten worden beoordeeld en daarover een gemotiveerde beslissing zal moeten worden gegeven.
3.2
De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.21
In het door de subonderdelen aangehaalde randnummer 2 uit de pleitnota in hoger beroep van 27 juni 2024 is een lange tabel opgenomen. Voorafgaand aan de tabel bevat de pleitnota (in hetzelfde randnummer) een beroep op een tussen [verzoeker] en FKP gesloten betalingsregeling (letterlijk geciteerd):
“[verzoeker] overleg de tussen FKP en hem gesloten betalingsregeling krachtens het vonnis van de Eerste Rechter. (vide prod. H03).
Deze regeling is op 29 maart 2023 tussen partijen gesloten en op die dag door ene [betrokkene 1] van de incassoafdeling/JZ van FKP namens FKP ondertekend aan de ene zijde en door [verzoeker] aan de andere zijde.
Ingaande 1 april 2023 diende [verzoeker] krachtens deze betalingsregeling elke maand een bedrag van NAf. 358,==, zijnde NAf. 103== en NAf. 255,== aan lopende en achterstallige huur onderscheidenlijk via Pagafasil, dan wel per kassa te betalen; echter vermeld FKP de hoofdsom niet althans niet conform het gewezen vonnis. Het GEA vermeld duidelijk in haar r.o. 4.1. wat precies [verzoeker] verschuldigd zal zijn aan FKP.”
3.22
Het randnummer loopt door na de tabel. Aldaar is uiteengezet dat [verzoeker] over de periode van januari 2018 tot en met december 2022 NAf 15.444 aan FKP verschuldigd zou zijn. [15] Daar is ook gesteld dat [verzoeker] tussen het begin van 2023 en 27 juni 2024 in totaal NAf 6.802 [16] aan FKP heeft betaald, zodat over de periode 2018-2022 nog een huurachterstand van NAf 8.642 resteert. Ik citeer de alinea’s die in de pleitnota op deze tabel volgen opnieuw letterlijk:
“FKP kan niet ontkennen dat het openstaand bedrag conform r.o. 4.1. een verschuldigde bedrag aan huurpenningen behelst van Naf. 21.480,00 en diende FKP het verschuldigde bedrag te verminderen met het bedrag dat [verzoeker] reeds aan huurpenningen heeft betaald. Het moge duidelijk zijn dat conform het overlegde rekening-courant boekingen door FKP, [verzoeker] tot het jaar 2022 Naf. 6036.00 heeft betaalt en diende in betalingregelings een hoofdsom van Naf. 15.444,00 per 2023 zijn vermeld qoud non. [verzoeker] betwist met klem dat FKP een vordering van Naf. 27.050.35 op hem heeft. Voorts heeft [verzoeker] stipt van 2023-2024 tot heden een bedrag van Naf.6802,00 betaalt.
Al bij al heeft [verzoeker] een openstaande saldo van Naf. 8642.00 bij FKP niet meer of anders.”
3.23
Ik merk terzijde op dat de in randnummer ‎3.21 geciteerde passage die in de pleitnota aan de tabel vooraf gaat, suggereert dat de daar weergegeven betalingsregeling betekent dat de in de tabel weergegeven betalingen van 11 januari 2023, 3 februari 2023 en 2 maart 2023, ten bedrage van NAf 358 elk, niet moeten worden gezien als aflossingen, maar als betaling van lopende huurtermijnen. Uit dezelfde regeling lijkt ook te volgen dat van de betalingen verricht ná 1 april 2023 (mede gezien de kopjes in de tabel) steeds NAf 103 aan lopende huur en NAf 255 aan achterstallige huur moet worden toegerekend. Bij toepassing van de in de pleitnota geschetste betalingsregeling zou er tussen januari 2023 en eind juni 2024 (15 maanden x NAf 255 =) NAf 3.825 zijn afgelost over het over de periode 2018-2022 verschuldigde bedrag.
3.24
In de subonderdelen worden ook passages uit [verzoeker]’s akte van 27 augustus 2024 aangehaald. Voor een goed begrip van de aangehaalde passages is erop te wijzen dat [verzoeker] zich in randnummer 2.2.1. van deze akte (niet aangehaald door de subonderdelen) op het standpunt lijkt te stellen dat de betalingsregeling waarvan hiervoor al sprake was terugwerkende kracht heeft, in die zin dat de door hem verschuldigde maandhuur met terugwerkende kracht is aangepast – ook met betrekking tot de periode vóór 31 december 2022 – hetgeen naar ik begrijp zou neerkomen op een kwijtschelding door FKP van een bedrag van (36 maanden x NAf 255 =) NAf 9.180 over de periode tussen 1 januari 2018 en 31 december 2022. De hierna te citeren (in het cassatiemiddel wél aangehaalde) passages bouwen hierop voort. Ik citeer hier eerst de relevante, in cassatie niet aangehaalde passage:

2.2.1.Geïntimeerde, betwist met klem de juistheid van de vordering van FKP en verwijst hiervoor naar het vonnis in Eerste Aanleg, waarvan beroep, zoals opgenomen in het dictum onder 4.1. waarin duidelijk wordt gesteld dat de vordering haar beloop vindt vanaf 2018 tot en met 2022, hetgeen overeenkomt met 60 maanden tegen een huurprijs van NAf. 103,== per maand, zoals gesteld in de met geïntimeerde gemaakte betali[n]gsregeling de datum 1 april 2023 met FKP. De totale door geïntimeerde verschuldigde huur over de periode van 1 januari 2018 tot met 31 december 2022 beloopt een bedrag ad NAf. 6.180,==.”
3.25
Tegen deze achtergrond citeer ik hier de door de subonderdelen wel aangehaalde passages uit [verzoeker]’s akte van 27 augustus 2024. Het in randnummer 2.2.3. van het citaat vermelde bedrag van NAf 6.026 is mogelijk een verschrijving – gelet op de aangehaalde tabel in de pleitnota en het citaat in randnummer ‎3.22 van deze conclusie zal NAf 6.036 zijn bedoeld. Mijn opmerking over de interne consistentie van het betoog van [verzoeker] in hoger beroep uit randnummer ‎3.23 van deze conclusie is ook in gedachte te houden bij randnummers 2.3.-2.3.2. van het citaat:

2.2.3.Indien geïntimeerde uitgaat van voornoemde stelling en beslissing van het Gerecht in Eerste aanleg, zoals geciteerd in punt 2.2.2. en 2.2.2.1., met verwijzing naar de door geïntimeerde met zijn pleitnotities de datum 27 juni 2024 overgelegde betaalstaat, is genoegzaam bewezen, dat geïntimeerde in totaal NAf. 6.026,== aan FKP heeft betaald, waardoor per 31 december 2022 slechts een achterstand van NAf. 154,== in betaling aan FKP aan huurpenningen had. Immers, geïntimeerde is gerechtigd zich te beroepen op artikel 3:307 van het Burgerlijk Wetboek op grond waarvan het vonnis, waarvan beroep, dient te worden bevestigd.
2.3.
Geïntimeerde over de periode van 1 januari 2023 tot en met 31 juli 2024 was 19 maanden aan huur verschuldigd aan FKP voor een totaal bedrag ad NAf. 1.957,== (19 x NAf. 103,==). Dit bedrag vermeerderd met de achterstallige huur van NAf. 154,== vermeldt in punt 2.2.3., komt uit op een totaal verschuldigd bedrag aan huur van NAf. 2.111,==.
2.3.1.
Geïntimeerde heeft over de periode van 11 januari 2023 tot en met 31 juli 2024 een totaal bedrag ad NAf. 6.802,== betaald, hetgeen overeenkomt met 19 maanden ad NAf.358,==, waarvoor geïntimeerde kortheidshalve verwijst naar de door hem overgelegde betaalstaat met zijn pleitnotities de datum 27 juni 2024.
2.3.2.
Met verwijzing naar hetgeen geïntimeerde ten deze heeft aangevoerd in punt 2.2.2. en 2.2.2.1., waarin de stelling en beslissing van het Gerecht in Eerste Aanleg is geciteerd, dient te worden geconcludeerd, dat geïntimeerde, op grond van hetgeen in Eerste Aanleg werd gesteld en beslist, een vordering heeft op FKP van NAf. 4.691,== (NAf. 6.802,= - 2.111,=)[.]”
3.26
Ten aanzien van de klachten is in de eerste plaats op te merken dat [verzoeker] een beroep heeft gedaan op het rechtsgevolg van betaling. Dit betekent dat [verzoeker] volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de feiten en omstandigheden moet stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting, bewijzen waaruit de betaling blijkt. [17] De klacht dat het hof de verdeling van stelplicht en bewijslast zou hebben miskend, faalt daarmee. Ook de subonderdelen I.4 en I.5 stuiten hierop af voor zover zij tot uitgangspunt nemen dat sprake is van een betwisting.
3.27
In de tweede plaats is van belang dat het hof als vaststaande feiten tot uitgangspunt heeft moeten nemen dat de huurachterstand van [verzoeker] in december 2022 NAf 31.090,15 bedroeg en dat de maandelijkse huurprijs NAf 358 bedraagt. Deze feiten zijn door het gerecht in eerste aanleg vastgesteld, in hoger beroep niet bestreden en dienen ook in cassatie onbestreden tot uitgangspunt.
3.28
In de derde plaats wijs ik erop dat het hof in rov. 2.8. de vraag hoe groot de huurachterstand van [verzoeker] ten tijde van het hoger beroep was niet uitdrukkelijk heeft beantwoord. Het hof heeft volstaan met het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd “
dat de door FKP opgegeven achterstand niet klopt”. Denkelijk heeft het hof met de zinsnede “
de door FKP opgegeven achterstand” verwezen naar de door FKP bij akte van 27 augustus 2024 overgelegde tabel, waarin is vermeld dat de “
Uitstaande schuld per aug 2024” NAf 26.898,35 bedroeg. Daarvan had volgens dezelfde tabel NAf 15.751,15 betrekking op de periode vóór 2018.
3.29
Naar ik begrijp uit de betalingsregeling zoals die is weergegeven in de pleitnota in hoger beroep van [verzoeker] bedroeg de maandelijkse huur over de maanden januari, februari en maart 2023 NAf 358. [18] Over de maanden daarna bedroeg de huurprijs steeds NAf 103. Dit zou betekenen dat de totale verschuldigde huurprijs over de periode januari 2023 tot augustus 2024 NAf 2.825 [19] zou bedragen. Opgeteld bij de bestaande huurachterstand per december 2022 (NAf 31.090,15) zou dit leiden tot een totaal van NAf 33.915,15. Volgens de opgave van FKP bedroeg de huurschuld in augustus 2024 NAf 26.898,35, hetgeen suggereert dat er op die datum NAf 7.016,80 was afbetaald. [20]
3.3
Het wegdenken van het achterstallige bedrag dat betrekking heeft op de periode vóór januari 2018 leidt tot hetzelfde resultaat. Volgens de opgave van FKP in hoger beroep is van de totale huurachterstand per december 2022 een bedrag van NAf 15.751,15 aan huurachterstand over de periode vóór januari 2018 af te trekken, zodat [verzoeker] naar opgave van FKP NAf 15.339 [21] aan achterstallige huur was verschuldigd over de periode van januari 2018 tot december 2022. De verschuldigde huur over de periode januari 2023 tot augustus 2024 daarbij optellen zou leiden tot een maximum van NAf 18.164. Volgens de opgave van FKP bedroeg de huurschuld in augustus 2024 NAf 26.898,35, waarvan NAf 15.751,15 betrekking had op de periode vóór 2018, zodat de op dat moment bestaande huurschuld over de periode tussen januari 2018 en augustus 2024 NAf 11.147,20 [22] zou bedragen. Het verschil tussen het maximum (NAf 18.164) en de uit de opgave van FKP voortvloeiende stand (NAf 11.147,20) van de huurschuld over de periode tussen januari 2018 en augustus 2024 is eveneens NAf 7.016,80.
3.31
Het voorgaande leidt tot de volgende slotsom.
3.32
Zelf heeft [verzoeker] gesteld tussen 1 januari 2023 en 27 juni 2024 NAf 6.802 te hebben afgelost, terwijl uit de opgave van FKP, waarnaar het hof heeft verwezen, volgt dat [verzoeker] tussen 1 januari 2023 en 27 augustus 2024 NAf 7.016,80 heeft afgelost. Wat betreft de huurachterstand over de periode tussen 1 januari 2018 en 31 december 2022 heeft [verzoeker] in zijn pleitnota betoogd dat deze (zijn betalingen in die periode in ogenschouw genomen) NAf 15.444 beliep. Volgens de opgave van FKP, waarnaar het hof heeft verwezen, ging het om een bedrag van NAf 15.339. In zijn akte van 27 augustus 2024 heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat hij over de genoemde periode slechts NAf 154 aan achterstallige huur verschuldigd was. In de door de subonderdelen aangehaalde vindplaatsen in de gedingstukken is deze stelling niet onderbouwd. [23]
3.33
In het licht van dit alles is het oordeel van het hof dat onvoldoende gemotiveerd is dat de door FKP opgegeven achterstand niet klopt niet onbegrijpelijk en getuigt het niet van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aan de stelplicht van [verzoeker] te stellen eisen. De klachten vervat in de subonderdelen I.2-I.5 stuiten hierop af. Hetzelfde geldt voor de in subonderdeel I.1 vervatte klacht dat het hof onvoldoende is ingegaan op de weren van [verzoeker] ten aanzien van de hoogte van de ten tijde van het hoger beroep nog bestaande vordering.
3.34
Mogelijk rijst de vraag of hieraan afdoet dat de door sommige subonderdelen aangehaalde passages uit [verzoeker]’s akte van 27 augustus 2024 wat betreft de hoogte van het over de jaren 2018-2022 verschuldigde bedrag voortbouwen op de uitleg van de betalingsregeling die eerder in dezelfde akte naar voren is gebracht – zie over het een ander randnummer ‎3.24 van deze conclusie. Mijns inziens is deze vraag ontkennend te beantwoorden. De aan motiveringsklachten te stellen eis dat duidelijk moet zijn aangegeven op welke plaatsen in de gedingstukken een beroep wordt gedaan, is niet in de laatste plaats gerechtvaardigd omdat voor de wederpartij in cassatie duidelijk moet zijn waartegen zij verweer moet voeren. In dit geval is het debat in cassatie in het geheel niet gegaan over de uitleg die het hof al dan niet aan de betalingsregeling heeft gegeven of had moeten geven. Nergens blijkt uit dat FKP de klachten van [verzoeker] zo heeft begrepen dat ze mede betrekking hadden op de door het hof kennelijk aan de betalingsregeling gegeven uitleg. Omdat [verzoeker] er in cassatie met geen woord over heeft gerept, hoefde FKP de klachten ook niet op die manier te begrijpen.
3.35
De subonderdelen I.2-I.5 falen dus, evenals de laatste klacht uit subonderdeel I.1 (zie randnummer 3.15 van deze conclusie).
3.36
De subonderdelen I.6 en I.7 hebben betrekking op de bij contra-akte van 8 oktober 2024 door [verzoeker] geformuleerde vordering om FKP te veroordelen tot restitutie van een bedrag van NAf 4.946 aan door [verzoeker] tot en met 31 augustus 2024 te veel betaalde huurpenningen.
3.37
Subonderdeel I.6klaagt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door in rov. 2.8. van het eindvonnis onder verwijzing naar art. 6:39 lid 2 BW-Curaçao te oordelen dat het te veel betaalde niet kan worden teruggevorderd. Het aangehaalde artikellid bepaalt volgens het subonderdeel slechts dat betaling vóór de vervaldag niet geldt als onverschuldigd betaald. Volgens het subonderdeel heeft het hof op het oog dat er kan worden verrekend met toekomstige huurtermijnen, nu het om een doorlopende (huur)verplichting gaat. Wanneer in hoger beroep blijkt dat er op basis van een uitspraak in eerste instantie te veel is betaald ten opzichte van wat in hoger beroep wordt toegewezen, kan dat wel degelijk worden teruggevorderd, hetgeen het hof heeft miskend, of het heeft geen, althans een niet toereikend inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel het oordeel is onbegrijpelijk.
3.38
Indien en voor zover het hof van mening is geweest dat de (in randnummer ‎3.36 van deze conclusie genoemde) vordering of eiswijziging van [verzoeker] na het tussenvonnis in strijd zou zijn met een tweeconclusieregel, zoals die in Nederland is vervat in art. 347 Rv heeft het volgens
subonderdeel I.7miskend dat een eiswijziging in hoger beroep volgens het Curaçaose procesrecht niet hoeft te worden getoetst aan de tweeconclusieregel. [24] Of een eiswijziging in hoger beroep volgens het Curaçaose procesrecht is toegestaan, moet volgens het subonderdeel worden getoetst aan de eisen van een goede procesorde en de (overige) daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Nu het hof die eiswijziging geheel onbesproken heeft gelaten is het oordeel ook ontoereikend gemotiveerd, althans onbegrijpelijk, klaagt het subonderdeel.
3.39
Deze subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Ze falen beide bij gebrek aan belang, aangezien uit de verwijzing van het hof naar de opgave van de huurachterstand van FKP volgt dat er geen sprake van is dat [verzoeker] te veel zou hebben betaald en de tegen dat oordeel gerichte klachten van [verzoeker] falen (zie randnummers ‎3.15-‎3.35 van deze conclusie).
3.4
Uit het voorgaande volgt dat één van de in subonderdeel I.1 vervatte klachten, te weten de klacht over het gepasseerde verjaringsverweer, slaagt. Voor het overige faalt onderdeel I.
Onderdeel II
3.41
Onderdeel II valt uiteen in twee subonderdelen, die zijn gericht tegen het oordeel in rov. 2.11. en het voorlaatste gedachtestreepje van het dictum van het eindvonnis, inhoudende dat de proceskosten worden gecompenseerd.
3.42
Dit oordeel is volgens
subonderdeel II.1rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Het subonderdeel betoogt dat de inzet van het hoger beroep blijkens grief 1 was dat werd opgekomen tegen een achterstand over ‘slechts’ vijf jaren, waaruit volgt dat inzet van het hoger beroep was de gehele achterstand te vorderen, zoals ook volgt uit het petitum. Materieel gezien heeft het hof de grieven verworpen en het vonnis van het gerecht bekrachtigd, aldus het subonderdeel. Dit kan volgens het subonderdeel niet anders worden uitgelegd en begrepen dan dat FKP in overwegende mate in het ongelijk is gesteld en dus op grond van art. 60 lid 1 Rv-Curaçao in de kosten van de appelprocedure had moeten worden veroordeeld.
3.43
Subonderdeel II.2klaagt dat het hof op zijn minst naar behoren had moeten motiveren waarom in dit geval de kosten worden gecompenseerd, nu hier geen sprake is van een geschil tussen echtgenoten of andere levensgezellen, bloedverwanten in de rechte linie, broers en zussen of aangehuwden in dezelfde graad en er evenmin sprake is van een situatie in hoger beroep waarin partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld.
3.44
De subonderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.45
Het hof heeft [verzoeker], anders dan het gerecht, veroordeeld tot betaling van de gehele huurachterstand, inclusief het gedeelte dat al vóór 2018 verschuldigd is geworden. [25] In dat licht is het niet zo gemakkelijk als subonderdeel II.1 lijkt aan te nemen om in te zien dat het eindvonnis van het hof materieel gezien gelijkluidend zou zijn aan de uitspraak van het gerecht. Volgens mij ligt het eerder voor de hand om aan te nemen dat [verzoeker] in hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk is gesteld. Dit brengt mee dat hij volgens de hoofdregel in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld. Bij behandeling van zijn klachten tegen het (voor hem gunstiger) oordeel van het hof heeft [verzoeker] dan ook geen belang, zodat de klachten stranden.
3.46
Ik merk daarbij op dat, als wel zou zijn aan te nemen dat het hof geen andere beslissing heeft gegeven dan het gerecht, de klachten van [verzoeker] over het beroep op verjaring belang zouden missen en om die reden zouden falen. [26] In dat geval zou echter onderdeel II gegrond zijn, omdat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel in de kosten dient te worden veroordeeld, tenzij de rechter op enige in de wet genoemde grond gemotiveerd van oordeel is dat op deze regel een uitzondering dient te worden gemaakt. [27] Indien het hof deze regel heeft miskend, heeft het zich op een onjuiste rechtsopvatting gebaseerd. Indien het deze regel in het oog heeft gehouden is zijn oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Daarbij verdient nog opmerking dat ook de verwijzing naar het oordeel van het gerecht over de proceskosten geen voldoende motivering van het dienovereenkomstige oordeel van het hof vormt. Zoals gezegd is dit mijns inziens niet de juiste lezing van het bestreden vonnis.
3.47
Dit leidt tot de slotsom dat onderdeel II faalt.
Onderdeel III
3.48
Onderdeel III bevat slechts een voortbouwklacht, gericht tegen rov. 2.7., 2.9.-2.11. en het dictum van (naar ik aanneem) het eindvonnis. Deze voortbouwklacht mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen behandeling.
3.49
Ik merk ten overvloede op dat de klacht belang mist voor zover zij is gericht tegen rov. 2.11., om de reden die hiervoor bij de behandeling van onderdeel II is uiteengezet. Voor het overige (en nog altijd ten overvloede) wijs ik erop dat rov. 2.7., 2.9. en 2.10. geen dragende overwegingen bevatten. Ook voor zover de klacht tegen deze oordelen is gericht, mist zij derhalve belang. Daarnaast geldt dat de bestreden rechtsoverwegingen afgezien van rov. 2.11., waarin over de proceskosten is geoordeeld, geen oordelen bevatten die voortbouwen op de in de andere onderdelen bestreden oordelen van het hof, zodat de klacht in zoverre op die grond niet kan slagen.
Slotsom
3.5
Eén van de klachten van subonderdeel I.1 slaagt. De overige klachten uit het principale cassatieberoep falen.
3.51
De conclusie zal in het principale cassatieberoep strekken tot vernietiging en terugwijzing. Na cassatie en terugwijzing zal het beroep van [verzoeker] op verjaring alsnog moeten worden beoordeeld, evenals het beroep van FKP op stuiting van deze verjaring.

4.Bespreking van de cassatiemiddelen in het incidentele cassatieberoep

4.1
Het incidentele cassatieberoep bevat twee cassatiemiddelen, waarvan het eerste is ingesteld onder de voorwaarde dat middelonderdeel I in het principale cassatieberoep slaagt, in het bijzonder de klachten uit subonderdeel I.1.-I.5. Het tweede cassatiemiddel is onvoorwaardelijk.
4.2
Nu één van de klachten uit subonderdeel I.1 slaagt, is voldaan aan de aan het voorwaardelijk ingestelde middel verbonden voorwaarde.
Het voorwaardelijk ingestelde cassatiemiddel
4.3
Het voorwaardelijk ingestelde cassatiemiddel neemt tot uitgangspunt dat uit rov. 3.2. van het tussenvonnis van 6 februari 2023 blijkt dat [verzoeker] de huurachterstand ter terechtzitting heeft erkend. Deze erkenning is volgens het middel aan te merken als een gerechtelijke erkenning in de zin van art. 191-192 Rv-Curaçao. Het hof had uit deze gerechtelijke erkenning ambtshalve moeten afleiden dat [verzoeker] de huurachterstand zoals door FKP opgegeven had erkend en had erkend tot betaling van dit bedrag gehouden te zijn.
4.4
Volgens het voorwaardelijk ingestelde middel heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, althans een onbegrijpelijke gedachtegang, door inhoudelijk te onderzoeken welke huurachterstand [verzoeker] heeft (onder andere in rov. 2.8. van het eindvonnis). Door de gerechtelijke erkenning van [verzoeker] konden zijn weren die zien op dat vorderingsrecht en de daarmee gepaard gaande rechtsvordering van FKP volgens dit middel in hoger beroep niet meer inhoudelijk aan de orde komen.
4.5
Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Daarvoor is het volgende van belang.
4.6
Het gerecht heeft in rov. 3.2. van zijn eindvonnis vastgesteld dat [verzoeker] ter terechtzitting de huurachterstand heeft erkend. De terechtzitting waarop het gerecht daarmee heeft gedoeld is de in randnummer ‎2.2 van deze conclusie vermelde comparitie van 16 december 2022. Een erkenning van een huurachterstand ter gelegenheid van deze comparitie kan niet op iets anders hebben gezien dan de op dat moment bestaande achterstand van NAf 31.090,15. Dit is het totaalbedrag dat volgens de vaststelling van het gerecht in rov. 2.2. van zijn vonnis in december 2022 verschuldigd was. Tegen deze vaststelling door het gerecht is geen van de partijen in hoger beroep opgekomen. Het hof heeft deze vaststelling overgenomen in rov. 2.1. van het tussenvonnis.
4.7
Het hof heeft in rov. 2.8. van zijn eindvonnis niet onderzocht hoe groot de huurachterstand van [verzoeker] in december 2022 was. Het heeft verwezen naar de door FKP opgegeven huurachterstand, waarmee het kennelijk heeft gedoeld op de tabel in de akte van FKP van 27 augustus 2024. Dienaangaande heeft het hof overwogen dat het verweer van [verzoeker] dat de daarin vermelde huurachterstand per die datum niet zou kloppen, onvoldoende was gemotiveerd. Aan inhoudelijk onderzoek van de in december 2022 erkende omvang van de huurachterstand is het hof daarmee, anders dan het middel lijkt aan te nemen, niet toegekomen.
4.8
Dit betekent dat het voorwaardelijk ingestelde cassatiemiddel faalt.
4.9
Ik merk in verband met het slagen van een van de klachten in het principale cassatieberoep ten overvloede op dat beantwoording van de vraag in hoeverre de bedoelde erkenning in de weg kan staan aan [verzoeker]’s beroep op bevrijdende verjaring na cassatie en terugwijzing aan de orde kan komen.
Het onvoorwaardelijk ingestelde cassatiemiddel
4.1
Het onvoorwaardelijk ingestelde middel in het incidentele cassatieberoep is gericht tegen het oordeel van het hof in het eindvonnis dat het hof de beslissing van het gerecht zal volgen en zal bepalen dat als [verzoeker] de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 tot heden heeft afgelost, de rest van de huurschuld vervalt (rov. 2.4. in verband met rov. 2.6.) en tegen het dictum (rov. 3.) van het eindvonnis.
4.11
Het middel stelt het volgende voorop. Het gerecht heeft geoordeeld dat betaling van de huurachterstand over de periode 2018-2022 ertoe zou leiden dat de rest van de achterstallige huurschuld zou vervallen. Daartegen heeft FKP gegriefd. Het hof heeft vervolgens voorgesteld dat betaling van de achterstallige huur van de laatste acht jaar ertoe zou leiden dat de rest van de achterstallige huurschuld zou vervallen. FKP heeft daartegen argumenten ingebracht die het hof ertoe hebben gebracht dit voorstel te laten varen (eindvonnis, rov. 2.2.). In rov. 2.6. en in het dictum van het eindvonnis heeft het hof het gerecht gevolgd en geoordeeld dat de huurschuld vervalt als de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 tot heden is afgelost.
4.12
Het middel klaagt dat het hof, voor zover het heeft geoordeeld dat het ‘alle omstandigheden in aanmerking genomen redelijk en billijk’ is dat [verzoeker] (slechts) wordt veroordeeld de achterstallige huurpenningen (bedoeld is kennelijk: sinds 1 januari 2018) te voldoen, de rest van de huurschuld daarna vervalt en een koppeling van de ontruiming plaatsvindt aan de in rov. 3. van het eindvonnis gespecificeerde betalingsverplichting, heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel van een onbegrijpelijke gedachtegang.
4.13
Kort gezegd voert het middel daartoe aan dat het hof geen deugdelijke rechtsgrond ten grondslag heeft gelegd of heeft kunnen leggen aan zijn oordeel dat de rest van de huurschuld vervalt, althans dat het hof dit oordeel niet voldoende heeft gemotiveerd. Het middel bespreekt een drietal gronden die het hof in verschillende lezingen van het eindvonnis mogelijk aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Achtereenvolgens bespreekt het middel in randnummers 3.9.-3.13. de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 1 en art. 6:248 lid 1 BW-Curaçao), in randnummers 3.14.-3.22. de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 lid 2 BW-Curaçao) en in randnummers 3.23.-3.33. de vereisten voor ontbinding (art. 6:265 lid 1 BW-Curaçao).
4.14
Bij de bespreking van het middel kan worden vooropgesteld dat uit het eindvonnis van het hof zonder meer niet is af te leiden op welke grond het hof zijn oordeel heeft gebaseerd. Om daarachter te komen is enig gepuzzel nodig, waarin ook het tussenvonnis en het proces-verbaal van de terechtzitting zijn te betrekken. Dan blijkt dat het hof ter terechtzitting heeft getracht een regeling tussen partijen tot stand te brengen. Het hof heeft in dat kader in rov. 2.5. van het tussenvonnis vastgesteld dat beide partijen konden leven met de punten a. tot en met e. van het in het tussenvonnis weergegeven voorstel van het hof. [28] Over het in rov. 2.6. van het tussenvonnis voorgestelde punt f. bestond tussen partijen echter geen overeenstemming, zo blijkt uit rov. 2.2.-2.3. van het eindvonnis. [29]
4.15
Het voorgaande duidt erop dat het hof de tussen partijen kennelijk overeengekomen regeling (die het hof in het dictum van zijn eindvonnis als veroordelingen heeft weergegeven) op de voet van art. 6:2 lid 1 BW-Curaçao of art. 6:248 lid 1 BW-Curaçao heeft aangevuld met wat voortvloeit uit de eisen van redelijkheid en billijkheid.
4.16
Tegen die achtergrond is nader in te gaan op de klachten die betrekking hebben op de door het hof toegepaste aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit zijn de klachten vervat in randnummers 3.9.-3.13. van het onvoorwaardelijk ingestelde middel. De klachten vervat in de randnummers 3.14.-3.33. van het onvoorwaardelijk ingestelde middel gaan uit van andere, steeds onjuiste lezingen van het bestreden vonnis en falen derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.17
Primairbetoogt FKP in randnummer 3.9. van het onvoorwaardelijk ingestelde cassatiemiddel dat de redelijkheid en billijkheid bedoeld in art. 6:2 lid 1 BW-Curaçao dan wel art. 6:248 lid 1 BW-Curaçao geen grond kan zijn voor het oordeel van het hof dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van een gedeelte van de huurachterstand (en de door het hof beperkte koppeling van de ontruiming daaraan in rov. 3. van zijn eindvonnis).
4.18
Subsidiairbetoogt FKP in hetzelfde randnummer dat de redelijkheid en billijkheid geen grond kan zijn voor een veroordeling tot betaling van een gedeelte van de huurachterstand, omdat:
- er sprake is van een veel grotere huurachterstand tot en met december 2022 die NAf. 31.090,15 bedraagt; [30]
- er niet is vastgesteld dat sprake is van een terecht beroep op verjaring door [verzoeker], noch dat er sprake is van afstand van recht of misbruik van procesrecht door FKP; [31] en
- het hof niet heeft vastgesteld dat FKP haar vordering ter zake in hoger beroep heeft verminderd, maar blijkens rov. 2.5. van het eindvonnis heeft onderkend dat FKP naar aanleiding van het voorstel van het hof heeft vastgehouden aan haar standpunt dat [verzoeker] tot betaling van de gehele huurachterstand dient te worden veroordeeld en dat het door het hof gedane voorstel volgens FKP tot een precedentwerking kan leiden.
4.19
In randnummer 3.10. is gesteld dat FKP recht heeft op nakoming bestaande uit betaling van de gehele huurachterstand en daarbij ook belang heeft. Hierbij is verwezen naar de feiten en omstandigheden uit het vorige randnummer van deze conclusie, maar ook naar feiten en omstandigheden die elders in het middel zijn genoemd. [32] Ik begrijp dat het gaat om de volgende feiten en omstandigheden:
- [verzoeker] was, blijkens de aanmaningen die hij in de wind heeft geslagen en de betalingsregelingen die hij niet is nagekomen, niet bereid aan de verplichtingen te voldoen;
- althans hij is daartoe in ieder geval kennelijk niet in staat; en
- het is de verantwoording van [verzoeker] zelf om de nodige maatregelen te treffen om de huur tijdig aan FKP te betalen ter voorkoming van nadelige gevolgen.
4.2
In de randnummers 3.11.-3.13. is literatuur geciteerd waarin is uiteengezet dat de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in de weg kan staan aan een onverkort recht op nakoming. Mogelijk leidt het middel uit deze passages (
a contrario) af dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid aan dit recht op nakoming
nietin de weg kan staan. Ik begrijp ten minste dat deze passages zijn aangehaald ter onderbouwing van het hiervoor bedoelde
primairebetoog van FKP.
4.21
Ten aanzien van deze klachten is het volgende op te merken.
4.22
Het hof heeft de tussen partijen op zijn voorstel overeengekomen regeling vastgelegd in zijn vonnis en de daarin naar het oordeel van het hof bestaande leemte aangevuld op grond van de redelijkheid en billijkheid, en wel met de bepaling dat de rest van de huurschuld vervalt als [verzoeker] de huurachterstand vanaf 1 januari 2018 tot heden heeft afgelost.
4.23
Het primaire betoog van FKP dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid daarvoor geen grond zou bieden, gaat niet op. In de eerste plaats vindt dit betoog geen steun in de door FKP geciteerde passages uit de vakliteratuur, die immers alleen betrekking hebben op het tweede lid van respectievelijk art. 6:2 BW en art. 6:248 BW. In de tweede plaats is erop te wijzen dat het aanvullen van een rechtsverhouding waarin een leemte bestaat de kern is van de – daarom zo genoemde – aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. [33]
4.24
Het subsidiaire betoog wijst op omstandigheden die zouden meebrengen dat de redelijkheid en billijkheid – naar ik begrijp: in dit geval – geen grond kunnen zijn voor het vervallen van de rest van de huurachterstand.
4.25
Ook dit betoog slaagt niet. De in randnummer ‎4.18 van deze conclusie genoemde door het middel aangehaalde omstandigheden komen er – kort gezegd – op neer dat FKP volledige betaling heeft gevorderd van een huurachterstand die groter was dan alleen de achterstand vanaf 1 januari 2018. Hieruit volgt evenwel niet dat uit de redelijkheid en billijkheid geen andersluidende aanvulling van de regeling kan voortvloeien.
4.26
Daarnaast is er gewezen op de te veronderstellen betalingsonwil dan wel -onmacht van [verzoeker]. Deze brengt echter evenmin mee dat de regeling geen verval van de rest van de huurschuld tot gevolg kan hebben, te meer niet nu dit verval is gekoppeld aan het volledig en tijdig afbetalen van de achterstand sinds 2018. Voor het geval [verzoeker] niet tijdig aan zijn verplichtingen voldoet, geeft het eindvonnis FKP immers een executoriale titel voor het gehele gevorderde bedrag en bevat het reeds een voorwaardelijk uitgesproken ontruimingsbevel. Hiermee heeft het hof klaarblijkelijk tegemoet willen komen aan de in rov. 2.5. van het eindvonnis geciteerde bezwaren van FKP tegen het door het hof in het tussenvonnis geformuleerde eerdere voorstel.
4.27
Het oordeel van het hof getuigt in dat licht niet van een onjuiste rechtsopvatting en het is niet onbegrijpelijk. Dit betekent dat het onvoorwaardelijk ingestelde incidentele cassatiemiddel faalt.
Slotsom
4.28
Nu beide incidentele cassatiemiddelen falen, zal de conclusie in het incidentele cassatieberoep strekken tot verwerping.

5.Conclusie

De conclusie strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging en terugwijzing en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het hof heeft in zijn bestreden vonnissen, GHvJ 30 juli 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:296 en GHvJ 26 november 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:298, zelf geen feiten vastgesteld, maar slechts verwezen naar rov. 2.1.-2.2. van GEA Curaçao 6 februari 2023, zaaknr. CUR202203763, hersteld bij vonnis van 15 maart 2023 met hetzelfde zaaknummer. (De vonnissen in eerste aanleg zijn niet gepubliceerd. Op rechtspraak.nl is wel een vergelijkbare uitspraak van dezelfde rechter en dezelfde datum in een andere zaak te vinden onder ECLI:NL:OGEAC:2023:46) Ik heb deze feitenvaststelling overgenomen na enige redactionele ingrepen. Randnummer 1.2 is ontleend aan GEA Curaçao 24 oktober 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:299, rov. 2.1.
2.GEA Curaçao 24 oktober 2022, ECLI:NL:OGEAC:2022:299.
3.GEA Curaçao 6 februari 2023, zaaknr. CUR202203763 (niet gepubliceerd).
4.GEA Curaçao 15 maart 2023, zaaknr. CUR202203763 (niet gepubliceerd).
5.GHvJ 30 juli 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:296.
6.GHvJ 26 november 2024, ECLI:NL:OGHACMB:2024:298.
7.In het subonderdeel is verwezen naar de inleiding op het cassatiemiddel, alwaar is verwezen naar memorie van antwoord, p. 2.
8.In het subonderdeel is verwezen naar memorie van antwoord, p. 3, eerste alinea, [verzoeker]’s pleitnota van 27 juni 2024, randnummers 2 en 3 en [verzoeker]’s akte uitlating in de zaak in hoger beroep van 27 augustus 2024, randnummers 2.2.3. tot en met 2.3.2. en 2.4.
9.De rechtsoverweging is integraal geciteerd in randnummer ‎2.15 van deze conclusie.
10.De verwijzing is wat omslachtig. Het subonderdeel bevat een verwijzing naar randnummer 1.8 van de inleiding tot het cassatiemiddel. Daar is in een voetnoot verwezen naar de hier geciteerde passage uit de memorie van antwoord, p. 3.
11.Zie randnummer ‎2.1 van deze conclusie.
12.Het dictum laat veel ruimte voor discussie over de imputatie van het ter aflossing betaalde bedrag. Uit de wet (art. 6:43 lid 2 BW-Curaçao) volgt dat een betaling die op twee of meer niet-opeisbare verbintenissen jegens een zelfde schuldeiser zou kunnen worden toegerekend bij gebreke van een aanwijzing door de schuldenaar in de eerste plaats moet worden toegerekend op de meest bezwarende verbintenissen en als de verbintenissen even bezwarend zijn op de oudste.
13.Terzijde: naar ik uit het dictum van het eindvonnis opmaak, staan deze veroordelingen los van de door het hof uitgesproken ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling van [verzoeker] tot ontruiming “
14.M.W.E. Koopmann,
15.De in de eerste twintig rijen in de kolom “
16.Dit bedrag is NAf 358 hoger dan de som van de in de tabel in de pleitnota vermelde bedragen in rijen 21 (11 januari 2023) tot en met 38 (1 juni 2024), die NAf 6.444 is.
17.Vergelijk, onder veel meer, onlangs W.D.H. Asser,
18.De
19.Drie maanden à NAf 385 gevolgd door zeventien maanden à NAf 103 = NAf 2.825.
20.33.915,15 – 26.898,35 = 7.016,80.
21.31.090 – 15.751 = 15.339. Dit komt overeen met het vermelde bedrag in de derde kolom van de tabel op de laatste pagina van FKP’s akte van 27 augustus 2024.
22.26.898,35 – 15.751,15 = 11.147,20
23.Zie echter de onderbouwing van dit standpunt door [verzoeker] weergegeven in randnummer ‎3.24 van deze conclusie.
24.Het subonderdeel verwijst naar HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2009,
25.Zie over het dictum van het eindvonnis ook randnummers ‎3.10-‎3.11 van deze conclusie.
26.Zie randnummers ‎3.8-‎3.13 van deze conclusie.
27.Zie (in een van Sint Maarten afkomstige zaak) HR 15 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8376 (
28.Geciteerd in randnummer ‎2.9 van deze conclusie.
29.Geciteerd in randnummer ‎2.13 van deze conclusie
30.Hier is verwezen naar rov. 2.1. van het tussenvonnis.
31.Hier is verwezen naar rov. 2.8. van het eindvonnis.
32.Er is verwezen naar randnummer 3.32.
33.Ik volsta met verwijzing naar H.N. Schelhaas,