Conclusie
1.Feiten
ten tweede: dat tot zekerheid en waarborg voor al hetgeen schuldenaar aan schuldeiseres krachtens deze akte of door welke oorzaak ook schuldig mocht zijn, de schuldenaar bij deze:
3.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep van [verzoekster]
ten eerstegeklaagd over het oordeel van het hof dat FFP er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de uit hoofde van de geldlening verschuldigde hoofdsom geen punt van geschil was tussen partijen en dat [verzoekster] haar recht heeft verwerkt om in deze procedure nog ‘dit verweer’ (lees: het verweer dat de hoofdsom niet klopt, A-G) te voeren. Volgens [verzoekster] geeft dit oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk, aangezien niet [verzoekster], maar FFP rechthebbende is en [verzoekster] de vordering van FFP heeft betwist, zodat van verwerking van een recht van [verzoekster] geen sprake kan zijn. [verzoekster] licht aan de hand van het
Bankmanager-arrest van Uw Raad [24] toe dat van rechtsverwerking enkel sprake kan zijn als een gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het recht. Op een betwisting is het leerstuk van de rechtsverwerking niet van toepassing, aldus de klacht.
Ten tweedewordt in het onderdeel geklaagd dat als het hiervoor weergegeven oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat [verzoekster] haar verweer heeft prijsgegeven, die beslissing onbegrijpelijk is, omdat uit de door het hof genoemde omstandigheden niet, althans niet zonder meer, is af te leiden dat [verzoekster] haar verweer tegen de hoogte van de hoofdsom (ondubbelzinnig) zou hebben prijsgegeven.
Bankmanager– overwoog Uw Raad dat “
[v]an rechtsverwerking(…)
slechts sprake [kan] zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokkenrecht(…)” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). [25] In dat geval ging het ook daadwerkelijk om een door een schuldeiser ingeroepen recht (op loonbetaling). De vraag of deze regel
mutatis mutandisook geldt voor een verweer van de schuldenaar, was niet aan de orde. Zoals wel vaker, wijst een uitleg
a contrariohier in een verkeerde richting. Uit andere rechtspraak van Uw Raad blijkt immers dat niet alleen (subjectieve) rechten kunnen worden verwerkt, maar uitdrukkelijk ook bevoegdheden. [26] Er is mijns inziens geen reden om dit vervolgens (weer) restrictief te lezen en aan te nemen dat een
verweervan de schuldenaar – zoals een betwisting – dat niet berust op een recht of bevoegdheid niet onderhevig zou kunnen zijn aan verwerking. Wat ‘rechtsverwerking’ wordt genoemd, is immers een verschijningsvorm van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [27] Waar het bij rechtsverwerking in de kern om gaat, is dat A een standpunt inneemt waarmee B in redelijkheid geen rekening hoeft te houden, gelet op verklaringen of andere gedragingen van A die bij B het gerechtvaardigd vertrouwen hebben opgewekt dat dat standpunt niet (meer) zal worden ingenomen. Het innemen van zo’n standpunt is namelijk “
inconsequent gedrag”, [28] “
contrair gedrag” [29] of
venire contra factum proprium [30] van A. [31] Dit schaadt, kort gezegd, het belang van B om te weten waar hij aan toe is. Irrelevant is of A de schuldeiser (of ruimer: de ‘rechthebbende’ of de ‘gerechtigde’) dan wel de schuldenaar is. Irrelevant is ook of A zich beroept op een recht of bevoegdheid dan wel op het ontbreken van een recht of bevoegdheid aan de zijde van B. Het belang van B om te weten waar hij aan toe is, wordt bij al deze varianten onder omstandigheden door het recht beschermd. Dit volgt uit rechtspraak van Uw Raad [32] en ligt mijns inziens overigens ook zeer voor de hand. [33]
rechtsverwerking geen geschikt etiket is voor dat gevalstype (voor welk pleidooi wel iets valt te zeggen, als ‘recht’ wordt begrepen als ‘subjectief recht’). Dat is echter een zuiver semantisch argument. Nu de cassatiegronden van art. 79 lid 1 Wet Pro RO zich niet uitstrekken tot zuivere semantiek, zal ik aan dit onderwerp verder geen woorden wijden.
Ten eerstewordt geklaagd dat het oordeel in rov. 2.2 zonder nadere motivering onbegrijpelijk is, nu voor het oordeel over de vordering van FFP juist van cruciaal belang is dat de betalingsachterstand wordt vastgesteld en met alle betalingen rekening dient te worden gehouden.
Ten tweedewordt geklaagd dat het oordeel in rov. 2.1 zonder nadere motivering onbegrijpelijk is nu ‘dit’ pas kan worden vastgesteld nadat is onderzocht of verrichte betalingen pas op een later moment zijn verwerkt, zoals door [verzoekster] ook is gesteld. Volgens de klacht is het hof ten onrechte aan essentiële stellingen voorbijgegaan.
bankafschriften”) aan te tonen dat zij de door haar gestelde betalingen – die niet voorkomen in het overzicht van FFP – heeft gedaan (rov. 2.5. van het tussenvonnis). In rov. 2.6. van het tussenvonnis heeft het hof overwogen dat [verzoekster] voor wat betreft de jaren 2012 en 2013 al lijkt te hebben aangetoond – aan de hand van bankafschriften (“
statements”) – dat zij betalingen heeft verricht die niet op dat overzicht voorkomen. Dit laatste betreft dus een voorlopig oordeel van het hof over de bewijswaarde van de door [verzoekster] ingebrachte
statements. Het hof heeft FFP in de gelegenheid gesteld daarop bij akte reageren.
statementshet hof bij nadere beschouwing, naar aanleiding van de reactie van FFP, toch niet hebben kunnen overtuigen. Het hof heeft in dat verband overwogen dat (i) de door [verzoekster] ingebrachte
statementswaarop betalingen voorkomen “
zeer sterk de vraag oproepen of zij in deze vorm van MCB afkomstig zijn”, (ii) deze betalingen niet voorkomen op de afschriften van FFP van (eveneens) een bij MCB gehouden rekening en (iii) de kans dat de betalingen pas later zijn verwerkt niet heel groot lijkt “
nu het gaat om overboekingen tussen twee rekeningen bij dezelfde bank.” Daaraan heeft het hof toegevoegd (iv) dat [verzoekster] ook geen maandafschriften laat zien waaruit een latere verwerking blijkt.
de omvang van de bedragen” en “
het geringe belang van deze kwestie voor het te geven oordeel” geen goede grond opleveren om het bedoelde onderzoek niet te verrichten. Wordt rov. 2.2 van het eindvonnis echter met meer welwillendheid gelezen, dan wordt duidelijk dat het hof tot het niet-onbegrijpelijke oordeel is gekomen dat [verzoekster] er niet in is geslaagd gedocumenteerd aan te tonen dat zij de door haar gestelde betalingen – die niet voorkomen in het overzicht van FFP – heeft gedaan. Het hof heeft dat oordeel met de hiervoor in randnummer 3.10 onder (i) tot en met (iv) genoemde gronden gemotiveerd. Mijns inziens is dat oordeel zeker niet onbegrijpelijk. [34]
geen stukken heeft ingebracht” [35] die aantonen dat zij in enige maand wel (volledig) heeft betaald, terwijl dat niet blijkt uit het door FFP overgelegde overzicht. Voor zover [verzoekster] klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] niet
heeft aangetoonddat zij in enige maand wel volledig heeft betaald, terwijl dat niet blijkt uit het door FFP overgelegde overzicht, is dat geen volkomen weergave van wat het hof heeft geoordeeld en mist de klacht feitelijke grondslag. Bovendien geldt niet dat het gegeven dat [verzoekster] de door het hof bedoelde stukken niet heeft ingebracht “
pas kan worden vastgesteld nadat is onderzocht of verrichte betalingen pas op een later moment zijn verwerkt(…)”. Het hof kon immers vaststellen dat [verzoekster] de bewuste stukken niet heeft ingebracht zonder onderzoek naar betalingen die pas op een later moment zijn verwerkt. Die vaststelling is ook niet onbegrijpelijk.
het berekenenvan rente op rente als zodanig niet in strijd is met de wet of goede zeden, maar dat de “
mogelijkheidom rente – de contractuele rente – te berekenen op rente, ook op de achterstanden,(…)
door partijen [is] overeengekomen en(...)
, anders dan [verzoekster] meent,(…)
niet in strijd [is] met de wet of de goede zeden (art. 3:40 lid 1 en Pro 2 BW[Curaçao, A-G]
)” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Benadrukt moet worden dat het hof in rov. 2.9 géén toetsing van de wijze waarop de geldleningsovereenkomst is uitgevoerd op het oog heeft gehad, maar een toetsing van de inhoud van de geldleningsovereenkomst.
niet in strijd is met de goede zedenkan standhouden.
nietwordt gehaald, mijns inziens in het algemeen niet uitgebreid hoeven te worden gemotiveerd. Daarbij is van belang dat het oordeel dat een beding niet in strijd is met de goede zeden berust op een waardering door de rechter, die zich maar in beperkte mate laat motiveren. [41]
wettelijke rentegaat uit van de methodiek van samengestelde rente, zoals blijkt uit art. 6:119 lid 2 BW Pro (in dit geval: art. 6:119 lid 2 BW Pro Curaçao). [57] Deze bepaling luidt als volgt: “
Telkens na afloop van een jaar wordt het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.” [58] Als de wet de methodiek van samengestelde rente tot standaardregel voor de berekening van wettelijke rente verheft, dan ligt het in het algemeen niet voor de hand dat een beding dat deze berekeningsmethodiek van toepassing verklaart op contractuele rente zonder meer in strijd zou zijn met de goede zeden.
Door de hoge rente in combinatie met het relatief lage maandbedrag, leidt het achterwege blijven van betaling van enkele termijnen in een willekeurig jaar al snel tot achterstanden, die door de bedongen rente snel kunnen oplopen. Is eenmaal een achterstand ontstaan, dan kan het gegeven dat de rente van 10% niet alleen is verschuldigd over de resterende hoofdsom maar ook over de achterstand (zoals FPP[lees: FFP, A-G]
die op enig moment afzonderlijk is gaan administreren) er toe leiden dat de totale schuld groeit, ook al worden de reguliere betalingen van NAF 585,- (of zelfs de verhoogde bedragen zoals [verzoekster] die later wel is gaan betalen) voldaan.” Dit samenstel van omstandigheden – waartoe dus ook behoort: het hoge rentetarief – leidt er echter nog niet toe dat het oordeel van het hof dat (specifiek) de bedongen samengestelde rente niet in strijd is met de goede zeden zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Het hof heeft deze omstandigheden kennelijk te licht bevonden om de bedongen samengestelde rente in strijd met de goede zeden te achten, wat niet onbegrijpelijk is. Zij hebben wel een rol gespeeld bij de toepassing door het hof van art. 6:248 lid 2 BW Pro Curaçao, die door andere klachten wordt bestreden.
Ten eerstewordt geklaagd dat het door [verzoekster] gevoerde betoog dat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid om de gevolgen van het stilzitten van FFP voor rekening van [verzoekster] te laten komen en dat FFP vanaf 2003 tot 2012 geen incassomaatregelen heeft genomen en [verzoekster] eerst in 2012, ruim negen jaar later, bij deurwaardersexploot werd aangemaand, door het hof (eventueel met ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden) had moeten worden opgevat als een beroep op verjaring.
Ten tweedewordt geklaagd dat het hof ten onrechte heeft nagelaten de hoogte van die schuld vast te stellen, terwijl het vaststellen van de hoogte van de schuld wel vereist was om te kunnen oordelen over de vordering.
Ten derdewordt geklaagd dat het hof de vordering heeft toegewezen tot het bedrag van NAƒ 125.000 zonder te motiveren waarom de vordering tot dit bedrag zou moeten worden toegewezen, terwijl het dat wel had moeten doen.
dat de door FFP berekende bedragen niet juist zijn, omdat er meer is betaald of er verkeerd is gerekend”.
met FFP [kan] worden uitgegaan van een zeer hoge schuld”.
en niet slechts tot een lager bedrag. [61] Hoewel aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat het hof weinig woorden heeft gewijd aan de wijze waarop het tot een bedrag van NAƒ 125.000 is gekomen, is het oordeel van het hof mijns inziens niet onvoldoende gemotiveerd. Het gaat bij het bepalen van het
resultaatvan de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW Pro Curaçao (zodra deze bepaling terecht wordt toegepast) nu eenmaal om een waarderingsoordeel, dat een inherent subjectieve afweging van de relevante feiten en omstandigheden verlangt, die in cassatie niet op juistheid maar alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. [62] [verzoekster] klaagt terecht niet dat onduidelijk is welke feiten en omstandigheden het hof heeft meegewogen, want daarover is het hof in (voornamelijk) rov. 2.7 tot en met 2.12 van het eindvonnis duidelijk. Aanleiding voor de ‘matiging’ is volgens het hof, kort gezegd, het volgende. Tussen partijen is een hoge rente bedongen, die mede wordt berekend over de achterstand, wat heeft geleid tot een zeer hoge schuld (rov. 2.7 tot en met 2.9). FFP had, mede in het licht daarvan, als sociale instelling “
de verantwoordelijkheid om goed in de gaten te houden of er correct werd betaald en om tijdig in te grijpen als dat niet het geval was, dit teneinde te voorkomen dat een niet meer te beheersen (rest)schuld zou ontstaan” en heeft zich niet van die verantwoordelijkheid gekweten (rov. 2.11). Het hof heeft het toewijsbare bedrag willen terugbrengen tot een bedrag waarvan het invorderen in het licht van deze omstandigheden niet langer naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dat het hof het bedrag in dat licht niet nog verder heeft gematigd dan tot NAƒ 125.000, is mijns inziens ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep van FFP
dit bedrag”;
dit bedrag”, nu dat zowel kan zien op het door FFP gevorderde bedrag als op het toegewezen bedrag.
NAF 244.330,-zou brengen (derhalve bijna vier maal de leensom, in plaats van de contractueel voorziene drie). Een afbetalingsregeling die FFP zicht geeft op betaling van een wezenlijk deel van
dit bedragop een redelijke termijn behoort naar moet worden aangenomen niet tot de mogelijkheden. De vordering van FFP zal daarom tot dit bedrag van NAf 125.000,- worden toegewezen.” (onderstrepingen toegevoegd door mij, A-G)
alle door haar op schrille toon aan het adres van FFP geuite beschuldigingen ten spijt”, zelf verantwoordelijk is.
naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit de wetsgeschiedenis [64] en de rechtspraak van Uw Raad [65] volgt dat de drempel van art. 6:248 lid 2 BW Pro een hoge is en dat deze bepaling terughoudend moet worden toegepast. Zij stelt de rechter
nietin staat om te bepalen hoe de rechtsverhouding tussen partijen er idealiter, naar redelijkheid en billijkheid, zou moeten uitzien [66] en zelfs niet om tussen partijen geldende regels die hij
onredelijkacht, buiten toepassing te laten. [67] Slechts in die gevallen waarin de rechter de overtuiging heeft dat de onverkorte toepassing van een tussen partijen geldende regel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, dus tot onrecht zou leiden, kan art. 6:248 lid 2 BW Pro soelaas bieden. [68] De rechter moet zich bij de toepassing van art. 6:248 lid 2 BW Pro richten – zo veel als mogelijk is – naar objectieve maatstaven, waarvoor art. 3:12 BW Pro Curaçao hier aanknopingspunten biedt: “
Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de hier te lande[dus: in het land Curaçao, A-G] [69] levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval zijn betrokken.” [70] Dat de redelijkheid en billijkheid in het land Curaçao en in het land Nederland exact hetzelfde eisen, kan overigens niet zonder meer worden aangenomen. Met divergerende maatschappelijke opvattingen moet rekening worden gehouden. [71]
geenredelijk mens anders kan denken over die afweging. [73] Aangenomen moet worden dat de drempel die in art. 6:248 lid 2 BW Pro besloten ligt, niet uitsluit dat zij wordt toegepast omdat de rechter de overtuiging heeft dat dat noodzakelijk is, terwijl er redelijke mensen zijn voor wie die overtuiging weliswaar invoelbaar is, maar die – per saldo – toch een andere opvatting zijn toegedaan. [74] Het is tenslotte de rechter die de verantwoordelijkheid voor zijn beslissing moet dragen.
noodzakelijk is om onrecht af te wenden. Hij zal daarbij in ieder geval duidelijk moeten maken welke feiten en omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag liggen en er voldoende blijk van moeten geven ook de tegenargumenten onder ogen te hebben gezien en te hebben meegewogen. [77] In cassatie kan, tenzij duidelijk is dat de rechter de inhoud en het toepassingsbereik van art. 6:248 lid 2 BW Pro heeft miskend, de afweging die de rechter maakt alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [78] Dit brengt mijns inziens mee dat de mogelijkheid bestaat dat de gemaakte afweging de cassatietoetsing kan doorstaan, terwijl een andere afweging ook verdedigbaar zou zijn geweest. Realisme moet daarom ook bij de toetsing van de motivering leidend zijn. Anders gezegd: “
Ieder advocaat weet, dat rechtvaardige beslissingen veel meer voorkomen dan onberispelijke motiveeringen: zoo zelfs, dat vaak na een cassatie wegens een fout in de motiveering de rechter, naar wien de zaak wordt teruggewezen, volgens zijn geweten niet anders kan doen dan met betere argumenten de beslissing van het gecasseerde vonnis herhalen.” [79]
zorgplichtten opzichte van [verzoekster]. [83] Achteraf kan worden geconstateerd dat de wijze waarop de geldleningsovereenkomst voor [verzoekster] heeft uitgepakt (onbedoeld) veel weg heeft van ‘woeker’. [verzoekster] heeft een zeer aanzienlijke schuld opgebouwd die grotendeels uit rente bestaat en die zij niet binnen een redelijke termijn kan aflossen. Het hof heeft begrijpelijkerwijs gemeend dat deze uitkomst niet goed te rijmen is met de zorgplicht van FFP als professionele kredietverstrekker en sociale instelling. Met andere woorden: dit kán niet de bedoeling zijn, ook als de zware beschuldigingen van [verzoekster] aan het adres van FFP met betrekking tot de wijze waarop de schuld is berekend onterecht zijn (rov. 2.10). Wat had FFP dan anders moeten doen? Volgens het hof had FFP zich meer moeten inspannen om achterstanden en daarmee een potentieel hoge (rest)schuld te voorkomen (rov. 2.11): “
FFP als sociale instelling, juist ook vanwege de mogelijkheid van een snelle groei van de achterstand, de verantwoordelijkheid om goed in de gaten te houden of er correct werd betaald en om tijdig in te grijpen als dat niet het geval was, dit teneinde te voorkomen dat een niet meer te beheersen (rest)schuld zou ontstaan. Wanneer strenger aanmanen en incasseren niet had geholpen, had FFP eerder tot executie hebben kunnen overgaan, en zij had dat, mede met het oog op de belangen van [verzoekster], ook moeten doen, te meer nu [verzoekster] in Nederland woonde en het huis niet nodig had om in haar basale woonbehoeften te voorzien.” [84] Aan FFP, die overigens geen rechtsklachten richt tegen de hierbij door het hof aangelegde maatstaf, moet worden toegegeven dat een andere waardering van de feiten en omstandigheden niet onverdedigbaar zou zijn geweest, maar mijns inziens is de waardering die het hof heeft gemaakt niet onbegrijpelijk.
ondankseen reeks aan omstandigheden (zie hiervoor in randnummer 4.6), die dat oordeel onbegrijpelijk zouden maken. Ik deel die opvatting niet. Ik begin met de belangrijkste omstandigheden.
in confessois dat [verzoekster] in ieder geval vanaf 2007 jaarlijks een rentebrief van FFP heeft ontvangen met daarin vermeld de achterstand en de opbouw daarvan (hoofdsom en rente). In de vonnissen van het hof kan daarvoor geen feitelijke grondslag worden gevonden. Ik laat in het midden of het aannemen van een hypothetische feitelijke grondslag op zijn plaats is. Deze omstandigheid behoefde het hof namelijk niet tot een ander oordeel te brengen en het hof kon mijns inziens ook zonder nadere motivering daaraan voorbijgaan. Het hof heeft immers geoordeeld dat van FFP als sociale instelling het nodige kon worden verwacht, zoals uit het hiervoor aangehaalde citaat uit rov. 2.11 van het eindvonnis bleek: FFP had als sociale instelling in de gaten moeten houden of er correct werd betaald en had tijdig moeten ingrijpen toen anders bleek, desnoods – als strenger aanmanen en incasseren niet had geholpen – door executie (nu [verzoekster] de woning niet bewoonde). Tegen de hierbij door het hof aangelegde maatstaf heeft FFP geen zelfstandige klachten gericht.
alle door haar op schrille toon aan het adres van FFP geuite beschuldigingen ten spijt”, zelf verantwoordelijk is. Die verantwoordelijkheid neemt echter niet weg dat een kredietverstrekker zijn zorgplicht kan schenden door onvoldoende toe te zien op tijdige betalingen en brengt niet mee dat de opgelopen schuld onder alle omstandigheden voor rekening van [verzoekster] moet blijven. Anders dan (kennelijk) FFP, zie ik geen tegenstrijdigheid tussen rov. 2.10 en 2.12 van het eindvonnis.
‘s-Hofs overweging over de onmogelijkheid van een afbetalingsregeling is eveneens onbegrijpelijk gemotiveerd; het is slechts op een – door het hof niet onderbouwde – aanname gebaseerd.”
[e]en afbetalingsregeling die FFP zicht geeft op betaling van een wezenlijk deel van[NAƒ 258.165,99]
op een redelijke termijn” niet tot de mogelijkheden behoort (zie hiervoor in randnummer 4.3). Deze overweging berust overigens ook niet op een niet-onderbouwde aanname, maar op de omvang van het zojuist genoemde bedrag in verhouding tot wat [verzoekster] maandelijks zal kunnen betalen. Wat FFP naar voren heeft gebracht over haar
bereidheidom een betalingsregeling te treffen, kan daaraan niet afdoen.