Conclusie
1.Overzicht
Inleiding
Klacht 1en
klacht 2voeren aan dat de toetsing uit het arrest van 16 juli 2021 of de belastingplichtige de desbetreffende uitgaven ook zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare activiteit had uitgeoefend, in de onderhavige zaak niet kan plaatsvinden.
Klacht 3bestrijdt de door de Inspecteur voorgestane berekeningswijze van de aftrek naar het werkelijke gebruik voor het geval wel recht op aftrek van voorbelasting bestaat,
klacht 4betoogt dat het Hof ten onrechte oordeelt dat ter zake van het dak van de woning niet kan worden gekozen voor belaste verhuur en
klacht 5komt met een motiveringsklacht op tegen de verwerping van belanghebbendes beroep op het neutraliteitsbeginsel.
incidentele middelvoert naar mijn mening terecht aan dat het Hof bij de beoordeling van de vraag of belanghebbende een economische activiteit hetzij is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel dat sprake is van een exploitatie “om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen” niet toereikend heeft gemotiveerd. Verwijzing moet volgen voor een onderzoek naar de door de Inspecteur aangedragen omstandigheden die het Hof niet heeft besproken, met name naar zijn stelling over de lage opbrengsten van de activiteit in verhouding tot de gemaakte kosten, omdat de gestelde omstandigheden tot gevolg kunnen hebben dat de exploitatie van het dak niet wordt verricht om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.
klacht 2worden terecht voorgesteld. De toetsing uit het arrest van 16 juli 2021 of de belastingplichtige de desbetreffende uitgaven ook zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare activiteit had uitgeoefend, kan in het onderhavige geval niet plaatsvinden. Ook
klacht 4wordt terecht voorgesteld. ‘s Hofs oordeel is gegrond op het onjuiste uitgangspunt dat bij de beoordeling of het verhuurde gedeelte wordt gebruikt als woning als bedoeld in art. 11(1)b(5°) Wet OB, niet het feitelijke gebruik van het verhuurde gedeelte van de woning de doorslag geeft maar ook de aard en functie daarvan relevant zijn.
Klacht 5, inhoudende dat het Hof het beroep op het neutraliteitsbeginsel ten onrechte heeft verworpen, faalt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Gemeente Borsele [7] meebrengt dat de verhuur van het dak niet kan worden aangemerkt als een economische activiteit. De dienstverlening door belanghebbende kan, gelet op het arrest
Heerma [8] , in beginsel worden aangemerkt als een economische activiteit. Dit is anders indien niet kan worden gezegd dat het dak door belanghebbende wordt gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Volgens het Hof doet deze uitzondering zich hier niet voor. Er is een markt voor de verhuur van daken voor de exploitatie van zonnepanelen en belanghebbende stelt het dak voor 25 jaar, in ruil voor een vergoeding, ter beschikking. Belanghebbende verricht dus een economische activiteit. Daaraan doet onder meer niet af dat (i) geen opstalrecht is gevestigd ten behoeve van de echtgenote, (ii) de ter beschikkingstelling van het dak in casu al dan niet kan worden aangemerkt als ‘verhuur’ in de zin van de Btw-richtlijn en (iii) het hier gaat om een onzelfstandig gedeelte (een dak) van een gebouw dat voor het grootste deel als woning wordt gebruikt. Bij de omstandigheden (ii) en (iii) verwijst het Hof ter onderbouwing naar het arrest van de Hoge Raad van 4 oktober 2013 [9] . Dat dit arrest zou zijn achterhaald door later gewezen jurisprudentie van het Hof van Justitie, in het bijzonder de arresten
Gemeente Borsele [10] en
Gmina O. [11] , volgt het Hof niet. Die arresten betreffen gemeenten die met de geïnde bijdragen slechts een gering deel van de kosten terugverdienden, terwijl het saldo werd gefinancierd uit overheidsmiddelen. In die context heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat alsdan veeleer sprake is van een heffing dan van een vergoeding voor een prestatie. Een dergelijke situatie deed zich in het arrest van 4 oktober 2013 niet voor, nu dat arrest de verhuur van onroerend goed door en aan private partijen betrof.
3.Het geding in cassatie
klacht 1heeft het Hof van Justitie deze toetsing in zijn arresten enkel gedaan met betrekking tot de vraag of sprake is van algemene kosten van de gehele economische activiteit. In casu is geen sprake van algemene kosten, maar van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de verwerving van de woning en belastbare handelingen. Het is namelijk niet in geschil dat bij de aankoop, de (op)levering en de ingebruikneming van de woning vaststond dat deze gedeeltelijk met omzetbelasting zou worden verhuurd.
Gemeente Borseleten onrechte tot publiekrechtelijke lichamen. Het Hof had ook moeten meewegen dat de ‘huurovereenkomst’ in het geheel niet los kan worden gezien van het gebruik van (het dak van) de woning door de beide maten in hun hoedanigheid als echtpaar. Van handelen in het economische verkeer is geen sprake.
4.Economische activiteit
Opmerking vooraf
Het begrip exploitatie in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van BTW-richtlijn 2006 heeft betrekking op alle handelingen, ongeacht hun rechtsvorm, die bedoeld zijn om uit het betrokken goed duurzaam opbrengst te verkrijgen.
De vraag of de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak erop is gericht om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, is een feitelijke vraag. Bij de beoordeling daarvan moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen, waaronder in het bijzonder de aard van de betrokken zaak. In dit verband heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het irrelevant is of met de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak al dan niet winst wordt beoogd, om aan te nemen dat die exploitatie is verricht om er opbrengst uit te verkrijgen. [22]
Uit het accommodatiebeleid volgt dat voor het ter beschikking krijgen van een aan belanghebbende toebehorende tennisaccommodatie een vergoeding is verschuldigd en verder dat de tariefstelling rekening houdt met de aard van de ter beschikking gestelde onroerende zaak en met die van de delen ervan, en dat de hoogte van de vergoeding mede wordt bepaald door het aantal delen of accommodaties waarover de beschikking wordt verkregen. Aangezien belanghebbende de hoogte van de vergoeding voor het gebruik van de tennisaccommodatie overeenkomstig het accommodatiebeleid heeft bepaald, kan in beginsel ervan worden uitgegaan dat een reëel verband bestaat tussen de door belanghebbende verrichte prestatie en de daartegenover staande vergoeding.”
Enklerkan “het vergelijken van de omstandigheden waarin de betrokkene de zaak daadwerkelijk exploiteert, met die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht, een methode zijn om te bepalen, of de activiteit erop gericht is duurzaam opbrengsten te verkrijgen”. [28] In punt 29 van
Enkleroverweegt het Hof van Justitie dat onder meer de werkelijke duur van de verhuur van de zaak, de omvang van de clientèle en het bedrag van de opbrengsten in aanmerking kunnen worden genomen. Ik citeer de punten 26 tot en met 30 op deze plaats volledig:
Enklernadien onder meer in het arrest
Rēdlihs [29] . In die zaak was aan de orde of de leveringen van hout uit een privébos als ‘economische activiteit’ moeten worden beschouwd. Het Hof van Justitie stelt voorop dat de verkoop van vruchten van een lichamelijke zaak, zoals het onderhavige hout, beschouwd moet worden als ‘exploitatie’ van die zaak in de zin van art. 9(1) tweede alinea, Btw-richtlijn.
Enkler:
Finanzamt Freistadt Rohrbach Urfahr, beter bekend als
Fuchs [30] , verwijst het Hof van Justitie zowel naar
Enklerals naar
Rēdlihs. Deze zaak betreft de levering van met zonnepanelen opgewekte elektriciteit. Het Hof van Justitie merkt ook deze activiteit aan als de exploitatie van een zaak:
Fuchszou kunnen worden afgeleid dat het Hof van Justitie de drempel voor het “het vergelijken van de omstandigheden waarin de betrokkene de zaak daadwerkelijk exploiteert, met die waarin de overeenkomstige economische activiteit in de regel wordt verricht” niet al te hoog legt. Iedere particulier die met zonnepanelen opgewekte elektriciteit duurzaam (voor onbepaalde tijd) aan ‘het net’ levert wordt volgens het Hof van Justitie door die exploitatie al belastingplichtig. Het Hof van Justitie overweegt in dit kader:
Lajvér [31] . In dat arrest lijkt het Hof van Justitie namelijk vooral te beoordelen of sprake is van een opbrengststreven en van een duurzame exploitatie, zonder duidelijk aandacht te besteden aan het economische karakter van de werkzaamheden. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat het Hof van Justitie ervan is uitgegaan dat de onroerende zaak in kwestie naar zijn aard uitsluitend voor ‘economische exploitatie’ geschikt is, zodat in beginsel kan worden aangenomen dat de exploitatie erop is gericht om duurzaam opbrengsten te verkrijgen (zie 4.3-4.5). Het Hof van Justitie geeft die verklaring zelf echter niet in zijn arrest. Het overweegt als volgt:
Götz [37] af dat dat wel is vereist. De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. De toets of voor de handelingen een reële markt bestaat moet volgens hem plaatsvinden bij diensten door een publiekrechtelijk lichaam of een openbaar lichaam om te bepalen of sprake is van overheidshandelen:
Enkler. In de jurisprudentie in het laatste decennium blijft het Hof van Justitie dat steevast doen, ook waar het niet de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak betreft maar de “werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen” als bedoeld in de tweede alinea van art. 9(1) Btw-richtlijn. Bij het bepalen van het economische karakter van die werkzaamheden moeten eveneens alle omstandigheden waaronder die activiteit plaatsvindt worden onderzocht, waarbij per geval een beoordeling daarvan wordt verricht tegen de achtergrond van hetgeen de typische gedraging zou zijn van een ondernemer die op het betrokken gebied actief is. [38] Uit deze jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat, naast de reeds in
Enklergenoemde omstandigheden, onder meer relevant kan zijn of de hoogte van de vergoeding wordt bepaald aan de hand van criteria die waarborgen dat het bedrag volstaat om de bedrijfskosten van de verrichter te dekken. [39] Ook volgt daaruit dat het Hof van Justitie deze ‘typologische benadering’ [40] niet beperkt tot publiekrechtelijke en openbare lichamen maar ook toepast op private partijen. [41]
Fuchsin het licht van deze jurisprudentie moet worden begrepen. Zoals ik al eerder opmerkte (4.11), zou het arrest zo kunnen worden opgevat dat het Hof van Justitie zich in die zaak soepel opstelt bij het onderzoek naar de vraag of een economische activiteit wordt verricht. Iedere particulier die met zonnepanelen opgewekte elektriciteit duurzaam (voor onbepaalde tijd) aan ‘het net’ levert, wordt volgens het Hof van Justitie door die exploitatie immers al belastingplichtig. Als de sinds
Enklerdoor het Hof van Justitie gewezen jurisprudentie over het bepalen van het economische karakter van een activiteit wordt bezien, lijkt het arrest
Fuchseen vreemde eend in de bijt. [42] Van Doesum e.a. schrijven daarover: [43]
Fuchs. Hij meent dat een vergelijking met ‘echte ondernemers’ had moeten plaatsvinden. Dat geldt naar zijn mening eveneens voor het arrest
Rēdlihs. Hij bespreekt deze zaken tezamen en schrijft daarover het volgende (voetnoten niet overgenomen): [44]
E en Z tegen Finanzamt N en Finanzamt G, kortweg
E en Z [45] (C-46/20). De particulier Z heeft een zonnepaneleninstallatie gekocht waarvan de elektriciteitsproductie gedeeltelijk werd gebruikt voor eigen verbruik en gedeeltelijk werd doorverkocht aan een energieleverancier. In die zaak was de vraag aan de orde of Z het voornemen te kennen had gegeven om de zonnepanelen voor zijn onderneming te bestemmen. In punt 48 van het arrest overweegt het Hof van Justitie dat “een overeenkomst inzake de teruglevering van de door [een zonnepanelen]installatie geproduceerde elektriciteit, een aanwijzing [kan] vormen dat zij voor een economische activiteit is bestemd, indien de voorwaarden van deze teruglevering overeenstemmen met die welke aan beroepsbeoefenaren en niet aan particulieren worden aangeboden”. Gelet op die beslissing zou het Hof van Justitie in een geval waarin de voorwaarden van de teruglevering niet overeenstemmen met die welke aan beroepsbeoefenaren worden aangeboden, hoogstwaarschijnlijk anders beslissen.
bedrijfsmatigplaatsvindt, maar dat de arresten
Fuchsen
Lajvéraanleiding geven tot het plaatsen van een kanttekening (de overgenomen voetnoten vernummerd): [48]
bedrijfsmatigplaatsvindt. Een dergelijke eis zou de uitbreiding van de belastingplicht de facto ongedaan maken. Daarnaast heeft het Hof van Justitie in het Fuchs-arrest in het geheel niet getoetst of de exploitatie van zonnepanelen plaatsvond met een bedrijfsmatig of commercieel oogmerk en heeft hij in het Lajvér-arrest geoordeeld dat het voor de vraag of de exploitatie van een zaak een economische activiteit is, het irrelevant is of met de exploitatie al dan niet winst wordt beoogd.”
Lajvérvolgt dat voor de vraag of de exploitatie van een zaak een economische activiteit is, irrelevant is of met de exploitatie al dan niet winst wordt beoogd. Blokland doelt met ‘bedrijfsmatig’ handelen daarentegen op een activiteit met een economisch karakter (zie de eerste alinea van het citaat in 4.23). Dat voor de beoordeling of een exploitatie van een zaak die zowel voor bedrijfsdoeleinden als voor privédoeleinden kan worden gebruikt een economische activiteit is inderdaad het economische karakter van die activiteit moet worden onderzocht, is de vaste ‘
Enkler-lijn’ die in het voorgaande uitgebreid aan bod is gekomen.
Enkleren vindt bevestiging in de nadien door het Hof van Justitie gewezen arresten waarin het Hof van Justitie voortbouwt op
Enkler. De beslissingen in de arresten
Fuchsen
Lajvérlijken daarin op het eerste oog niet goed te passen. De soepele benadering die het Hof van Justitie in deze arresten lijkt te volgen, houdt in mijn optiek voornamelijk verband met de specifieke feiten van de betrokken gevallen; de arresten maken geen inbreuk of uitzondering op de vaste
Enkler-lijn (4.18-4.25).
Gemeente Borselevolgt dat het vereiste “dat de tegenwaarde werkelijk moet zijn” niet moet worden beoordeeld bij de vraag of een prestatie onder bezwarende titel wordt verricht, maar bij de vraag of sprake is van een handelen om daaruit duurzaam opbrengst te verkrijgen. Het incidentele middel gaat ook daarvan uit. Mocht de Hoge Raad oordelen dat de Inspecteur dat verkeerd heeft gezien omdat die beoordeling in het kader van de bezwarende titel moet plaatsvinden, dan moet de conclusie zijn dat het Hof dat ook verkeerd heeft gezien. Het Hof heeft in dat geval de stelling dat een bezwarende titel ontbreekt ten onrechte onbesproken gelaten. Het verwijzingshof zal dan alsnog moeten beoordelen of belanghebbende met de terbeschikkingstelling van het dak een prestatie onder bezwarende titel heeft verricht. Daarbij zal het onder meer aandacht moeten besteden aan de stelling van de Inspecteur dat het dak tegen een zowel absoluut als relatief abnormaal lage prijs ter beschikking is gesteld.
6.Optie belaste verhuur mogelijk (klacht 4)?
andere dan gebouwen en gedeelten daarvan welke als woning worden gebruikt, aan personen die de onroerende zaak
gebruiken voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van de belasting op de voet van artikel 15 bestaat Promits de verhuurder en de huurder blijkens de schriftelijke huurovereenkomst daarvoor hebben gekozen of in andere gevallen gezamenlijk een verzoek daartoe aan de inspecteur hebben gedaan en overigens voldoen aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden;”
aan ondernemersdie deze als bedrijfsmiddel gebruiken. Dat was in de ogen van de wetgever te beperkt, reden waarom de mogelijkheid tot opteren werd verruimd. De wetgever heeft de voorwaarde ter zake van het gebruik als niet-woning als volgt toegelicht (cursiveringen CE): [74]
7.Het neutraliteitsbeginsel
Neutraliteitsbeginsel