Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
Gemeente Hardinxveld-Giessendam I [1] – stond de vraag centraal of belanghebbende met de overdracht van het onderhavige schoolgebouw een economische activiteit uitoefent. De Hoge Raad oordeelde, veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat belanghebbende de overdracht tegen vergoeding heeft verricht, dat zij deze prestatie als ondernemer heeft verricht en verwees de zaak naar hof Amsterdam (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.
3.Geding voor de Hoge Raad en het (verwijzings)Hof
Gemeente Hardinxveld-Giessendam Idat dit oordeel van hof ’s-Gravenhage berust op een onjuiste rechtsopvatting. Voorts overweegt de Hoge Raad:
nietin overeenstemming kan worden geacht met de Zesde, (thans de btw-)richtlijn en voorts het arrest van HvJ van 20 januari 2005, Hotel Scandic Gåsabäck, C-412/03, ECLI:EU:C:2005:47 waarin is overwogen dat de omstandigheid dat een economische activiteit tegen een hogere of lagere vergoeding dan de kostprijs wordt verricht, irrelevant is voor het antwoord op de vraag of sprake is van een handeling onder bezwarende titel.”
4.Het tweede geding in cassatie
Gemeente Wageningen [15] , niet opkomt tegen het oordeel van het Hof dat geen sprake is van misbruik van recht.
5.Het recht op aftrek van voorbelasting
Hardinxveld-Giessendam I). Partijen zijn het voor dat geval eens dat sprake is van een belaste levering en dat recht op aftrek van de voorbelasting bestaat.
economische activiteitenworden verricht. Hof ’s-Gravenhage had voorafgaand aan de eerste cassatieronde geoordeeld dat het verzorgen van de onderhavige onderwijsvoorzieningen gekoppeld aan de positie die een gemeente heeft op het gebied van het onderwijs geen activiteit is die is bedoeld om daaruit duurzaam opbrengst in de zin van de omzetbelasting te verkrijgen en geconcludeerd dat de onderhavige overdracht geen voor de heffing van omzetbelasting in aanmerking te nemen economische activiteit is. De Hoge Raad oordeelde in
Hardinxveld-Giessendam Idat het oordeel van het hof dat géén sprake is van een economische activiteit berust op een onjuiste rechtsopvatting. Hij besteedde daarbij geen aandacht aan het oordeel van het hof dat de onderhavige activiteit niet is bedoeld om daaruit duurzaam opbrengst te krijgen. Ik begrijp het arrest
Hardinxveld-Giessendam Ialdus dat de Hoge Raad bij zijn beslissing ervan is uitgegaan dat voor het aannemen van een economische activiteit voldoende is dat de overdracht tegen vergoeding wordt verricht. Uit het arrest
Gemeente Borsele [22] ,dat de Hoge Raad ruim een half jaar later heeft gewezen, volgt echter duidelijk dat de Hoge Raad over de juistheid van dat uitgangspunt twijfelt. Dat arrest gaat niet over een scholenconstructie, maar over leerlingenvervoer. Gemeente Borsele verzorgde op grond van een verordening leerlingenvervoer en ontving hiervoor van een deel van de ouders van de leerlingen een bijdrage. De hoogte van de bijdrage was onder meer afhankelijk van het aantal af te leggen kilometers, het gezinsinkomen, de persoonlijke situatie van het kind (al dan niet gehandicapt) en het aantal kinderen dat gebruik maakte van het leerlingenvervoer. De totale opbrengst bedroeg ongeveer 3% van de kosten van het vervoer. In punt 4.3.4 van
Gemeente Borseleverwoordt de Hoge Raad zijn twijfel als volgt:
Gemeente Borselevolgt dat deze twijfel volgens A-G Kokott terecht is. Zij wijst onder meer erop dat volgens de rechtspraak een activiteit slechts als een economische activiteit dient te worden aangemerkt wanneer zij wordt verricht om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. Dit vereiste geldt in haar visie niet alleen voor de exploitatie van een zaak, maar voor alle activiteiten. Zij verwijst in verband hiermee naar punt 18 van
Franz Götz [24] . Daarin overweegt het HvJ dat het criterium ‘om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen’ als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn niet alleen geldt voor de exploitatie van een zaak, maar voor alle in artikel 4, lid 2, van de Zesde richtlijn genoemde werkzaamheden. De A-G meent dat een strikt onderscheid moet worden gemaakt tussen de definitie van het begrip ‘onder bezwarende titel’ voor de toepassing van artikel 2 van Pro de Btw-richtlijn enerzijds en de definitie van de in het kader van artikel 9 van Pro die richtlijn te onderzoeken verkrijging van opbrengst anderzijds. Zij vat haar beschouwing van de rechtspraak op dit punt als volgt samen (cursivering in origineel):
nietwordt verricht onder bezwarende titel in de zin van de omschrijving van de belastbare feiten in artikel 2, lid 1, van de btw-richtlijn, is er ook geen sprake van een economische activiteit, aangezien uit de betreffende activiteit geen opbrengsten in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van die richtlijn worden verkregen. Omgekeerd volstaat het feit dat een belastingplichtige een activiteit verricht onder bezwarende titel in de zin van de omschrijving van de belastbare feiten, volgens de rechtspraak niet om vast te stellen dat zijn activiteit tevens wordt verricht om er opbrengst uit te verkrijgen, wat noodzakelijk is om te kunnen spreken van een economische activiteit in de zin van artikel 9, lid 1, van de btw-richtlijn.(…)
Franz Götzen punt 38 van
Commissie/Finland [25] . Zij vervolgt met de constatering dat aan de beslissing van het HvJ in
Commissie/Finlanduiteindelijk ten grondslag lag, dat niet was voldaan aan een specifieke impliciete voorwaarde om te kunnen spreken van een activiteit ter verkrijging van opbrengst in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, tweede volzin, van de btw-richtlijn: deelneming aan de markt. Onder verwijzing naar de arresten
SPÖ Landesorganisation Kärnten [26] ,
T-Mobile Austria e.a. [27] ,
Hutchison 3G e.a. [28] en
Franz Götzbetoogt zij dat overheidsinstanties geen economische activiteit verrichten, als een deelneming aan de markt niet kan worden vastgesteld.
HR BNB 2014/208 [29] , welk arrest nog geen twee maanden na
Hardinxveld-Giessendam Igewezen. In
HR BNB 2014/208had een samenwerkingsverband van een directeur-grootaandeelhouder (dga) en zijn echtgenote een woning laten bouwen en na voltooiing daarvan een werkkamer in de woning tegen vergoeding ter beschikking gesteld aan de BV van de dga. De Hoge Raad oordeelde dat in dit geval – anders dan het geval was in het hiervoor vermelde arrest
Franz Götz– geen sprake is van het verrichten van diensten door een publiekrechtelijk of openbaar lichaam. De vraag of voor de handelingen een reële markt bestaat, waarbij de prijs voor de handelingen wordt vastgesteld op basis van vraag en aanbod, hoefde in die zaak daarom niet te worden beantwoord. [30] In casu hebben we echter wél te maken met een publiekrechtelijk lichaam. Uit
HR BNB 2014/208leid ik af dat de Hoge Raad als uitgangspunt hanteert dat die vraag alleen moet worden gesteld bij diensten (en dus niet bij leveringen). Nu het HvJ in
Franz Götzspreekt van werkzaamheden als bedoeld in artikel 4, lid 2, Zesde richtlijn, zie ik echter niet in waarom daaronder geen leveringen kunnen worden begrepen.
Hardinxveld-Giessendam Iwordt mij niet duidelijk of de Hoge Raad de ‘deelneming aan de markt’-toets heeft aangelegd. Het komt mij voor dat de Hoge Raad de hiervoor genoemde rechtspraak van het HvJ bij zijn oordeel moet hebben meegenomen, nu het hof de voor zijn oordeel gegeven gronden duidelijk op het arrest
T-Mobile Austria e.a.heeft gebaseerd (A-G Van Hilten wijst daar in punt 5.4.9 van haar conclusie bij
Hardinxveld-Giessendam Iook op) en de Hoge Raad die gronden afwijst. Het wekt wel bevreemding dat de Hoge Raad, anders dan in
HR BNB 2014/208,niet uitlegt waarom in deze zaak niet de vraag moest worden beantwoord of voor de handelingen een reële markt bestaat, waarbij de prijs voor de handelingen wordt vastgesteld op basis van vraag en aanbod. Indien daaraan ten grondslag ligt dat de ‘deelneming aan de markt’-rechtspraak niet geldt voor de levering van een onroerende zaak, is over de juistheid van dat uitgangspunt mijns inziens twijfel mogelijk en had het voor de hand gelegen dat de Hoge Raad daarover een prejudiciële vraag zou stellen aan het HvJ. In theorie is het ook nog mogelijk dat in de in punt 3.2 geciteerde overweging uit
Hardinxveld-Giessendam Iligt besloten dat het verwijzingshof moest beoordelen of te dezen is voldaan aan de ‘deelneming aan de markt’-toets. [31] Nu de Hoge Raad geen woorden wijdt aan het oordeel van hof ’s-Gravenhage dat geen sprake is van een activiteit om daaruit duurzaam opbrengst in de zin van de omzetbelasting te verkrijgen [32] , acht ik deze mogelijkheid slechts in theorie bestaanbaar en ga ik voor het vervolg van deze conclusie ervan uit dat het verwijzingshof in dit kader slechts moest onderzoeken of de overdracht heeft plaatsgevonden tegen vergoeding, in die zin dat sprake is van een bezwarende titel als bedoeld in artikel 2, lid 1, van de Zesde richtlijn.
Gemeente Borselehandelt over het verrichten van diensten, sluit ik - gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in
Gemeente Borseleen de duidelijke stellingname van A-G Kokott in haar conclusie in die zaak – niet uit dat het HvJ zich in zijn arrest in meer algemene zin zal uitlaten over de ‘deelneming aan de markt’-toets en dat het antwoord van het HvJ op de prejudiciële vraag van belang kan zijn voor de onderhavige zaak. In verband daarmee adviseer ik het arrest van het HvJ inzake
Gemeente Borseleaf te wachten, alvorens in deze zaak uitspraak te doen.
Hardinxveld-Giessendam Igeformuleerde vraag, sta ik kort stil bij eerdere scholenconstructies.
6.Eerdere scholenconstructies
Gemeente Hardinxveld-Giessendam I,
Gemeente Gemert‑Bakel [33] , Gemeente Albrandswaard [34] , Gemeente Middelharnis [35] ,
Gemeente Nijkerk I [36] & II [37] ,
Gemeente Ermelo [38] ,
Gemeente Aalten [39] ,
Gemeente Wageningen [40] en
Gemeente Woerden [41] . De onderhavige zaak is een van de weinige zaken waarbij uitdrukkelijk is gesteld dat geen (dan wel slechts een symbolische) vergoeding is bedongen. Alleen in het arrest
Gemeente Wageningenis dit standpunt eerder expliciet naar voren gebracht. [42] Ik kom hierop terug in onderdeel 9 hierna.
Gemeente Woerdenwerd de vergoeding voor de schoolgebouwen ook schuldig gebleven. [43] In die procedure heeft de staatssecretaris evenwel niet het standpunt ingenomen dat als gevolg van de schuldigerkenning in wezen geen vergoeding is bedongen voor de overdracht van de school. De Hoge Raad heeft in
Gemeente Woerdenover dit onderwerp dan ook geen oordeel hoeven te vellen.
Gemeente Albrandswaardspeelde eveneens iets vergelijkbaars. In die zaak was de koopsom niet schuldig gebleven, maar was de koopsom gefinancierd door de gemeente Albrandswaard (hetgeen eigenlijk op hetzelfde neerkomt). In dat arrest oordeelde de Hoge Raad dat geen sprake is van misbruik van recht en dat de omstandigheid dat de koopsom door de gemeente werd gefinancierd daaraan niet af doet. Ik citeer en cursiveer:
. Om dezelfde reden is niet van belang dat in dit geval belanghebbende de aankoopprijs heeft gefinancierd door het aan de stichting verstrekken van een aflossingsvrije lening voor het bedrag van de aankoopprijs, met een jaarlijkse rente van 0,5 percent. In dit kader verdient opmerking dat de Inspecteur voor het Hof niet heeft gesteld dat de overeengekomen vergoeding kunstmatig is, in die zin dat belanghebbende, alle omstandigheden in aanmerking genomen, in wezen geen of slechts een symbolische vergoeding van de stichting heeft bedongen en ontvangen.In dat geval zou belanghebbende met betrekking tot het schoolgebouw geen economische activiteit hebben verricht en ter zake van het schoolgebouw geen recht op aftrek hebben gehad.”
7.Juridische vorm of economische realiteit
Tolsma [44] heeft gewezen. Tolsma was een orgeldraaier die muziek maakte op de openbare weg. Hij vroeg van voorbijgangers een vergoeding door met een centenbakje te rammelen. Hij was afhankelijk van de goedwilligheid van de voorbijgangers en kon uiteraard geen aanspraak maken op een vergoeding. Het aannemen van een dienst in de zin van de btw stuitte daarop af. Het HvJ overwoog dat belastbare handelingen in het kader van het btw-stelsel het bestaan veronderstellen van “een transactie tussen partijen waarbij een prijs of tegenwaarde is bedongen”. Er is sprake van een prestatie onder bezwarende titel:
Safe [46] dat de nationale civielrechtelijke vorm waarin een overdrachtshandeling is gegoten, niet relevant is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een levering in de zin van de btw. De Hoge Raad twijfelde in die zaak of de ‘economische eigendomsoverdracht’ van een goed onder het begrip levering in de zin van de btw kon worden begrepen. Hij stelde onder meer de vraag of is vereist dat voor toepassing van artikel 5, lid 1, van de Zesde richtlijn de juridische eigendom van het goed wordt overgedragen. Het HvJ stelde in zijn antwoord voorop dat het begrip levering in de Zesde richtlijn is gedefinieerd als “de overdracht of overgang van de macht om als een eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken.” Uit die bepaling volgt dat het begrip levering van een goed niet verwijst naar de eigendomsoverdracht in de door het nationale recht voorziene vormen, maar elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij insluit, die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak.
Safeals volgt:
Armbrecht [47] . Hij overwoog
–kort gezegd – dat het antwoord op de gestelde vraag niet in het Duitse burgerlijke recht kan worden gevonden.
DFDS [48] . De beslissing van het HvJ in dit arrest houdt in dat een vennootschap die weliswaar zelfstandig is maar volledig wordt beheerst door haar moedermaatschappij, kan worden beschouwd als vaste inrichting van de moedermaatschappij. [49] In de tweede plaats wijs ik op het arrest
Planzer Luxembourg [50] . In dat arrest ging het HvJ eveneens voorbij aan de gekozen juridische vorm en overwoog dat een fictieve vestiging, zoals die welke kenmerkend is voor een ‘brievenbusmaatschappij’ of een ‘schijnvennootschap’, niet wordt aangemerkt als zetel van de bedrijfsuitoefening in de zin van artikel 1, punt 1, van de Dertiende richtlijn. Het HvJ legt aan beide beslissingen de overweging ten grondslag dat de economische realiteit een ‘fundamenteel criterium’ is voor de toepassing van het gemeenschappelijk btw-stelsel.
Safe-leer komt terug in het arrest
Auto Lease Holland [51] .De Nederlandse leasemaatschappij Auto Lease Holland stelde op grond van een leaseovereenkomst motorvoertuigen ter beschikking aan haar klanten (lessees). Auto Lease Holland bood de lessee van het voertuig bovendien de mogelijkheid met haar een overeenkomst over de brandstofadministratie te sluiten. In dat geval kon de lessee zijn auto voltanken en aardolieproducten kopen op naam en voor rekening van Auto Lease Holland. Hij ontving daartoe een ALH-Pass en een brandstofkaart van het Duitse kredietkaartenbedrijf DKV. Voor de leveringen in Duitsland door Duitse tankstations, vroeg Auto Lease Holland de btw terug in Duitsland. De Duitse autoriteiten weigerden de teruggaaf. Het HvJ herhaalde in dit arrest dat de economische realiteit een fundamenteel criterium is en beoordeelde vervolgens voor wie de levering van de brandstof was bestemd. Het HvJ oordeelde dat de brandstof niet aan de lessor (Auto Lease Holland) werd geleverd, maar aan de lessee (ook al gebeurde dit namens en voor rekening van de lessor), zodat de btw niet door de lessor kon worden teruggevraagd. Aan de hand van de overeenkomsten die zijn gesloten, kwam het HvJ tot de slotsom dat de macht om over de brandstof te beschikken is overgegaan op de lessee (de lessee tankt immers aan de pomp zijn tank vol) en niet eerst aan Auto Lease Holland.
Auto Lease Hollanddoet. Hij grijpt aan bij de definitie van het begrip levering in de Zesde richtlijn, dus de fiscaalrechtelijke norm, en beoordeelt vervolgens aan de hand van hetgeen partijen met elkaar zijn overeengekomen, of het overeengekomene een levering in de zin van de btw inhoudt. Dat is mijns inziens geen economische benadering, maar een fiscaalrechtelijke benadering. De term ‘economische realiteit’ dekt in mijn visie dus niet precies de lading. De afspraken tussen partijen moeten worden uitgelegd in het licht van de uit de richtlijn voortvloeiende unierechtelijke btw-begrippen. Dit laat onverlet, en dit volgde al uit het arrest
Tolsma, dat het primaat bij de overeenkomst ligt. Voor het aannemen van een levering of dienst moet sprake zijn van een overeenkomst tussen partijen en vervolgens moet aan de hand van die overeenkomst worden beoordeeld of partijen hebben afgesproken dat een prestatie wordt verricht die volgens de btw-wetgeving belastbaar is. Voor andere voorbeelden van fiscaalrechtelijke kwalificatie, of wat het HvJ de economische realiteit noemt, verwijs ik – zonder volledig te zijn – naar de arresten
Temco [52] , Baxi [53] ,
MacDonalds Resorts [54] en
DTZ Zadelhoff [55] . In zijn conclusie [56] bij
MacDonalds Resortsnoemt A-G Trstenjak deze uitleggingsmethode de ‘btw-rechtelijke beoordeling van de feiten’. Het HvJ lijkt in zijn arrest in deze zaak te verwijzen naar deze methode [57] en overweegt in verband daarmee in punt 18 het volgende:
Paul Newey [58] . Daarin heeft het HvJ overwogen dat hetgeen contractueel is overeengekomen als uitgangspunt moet worden gehanteerd, omdat contractuele bepalingen normaal gesproken weergeven waarop de rechtswil van partijen is gericht. Het arrest is als volgt opgebouwd. Het HvJ haalt allereerst het in punt 7.7 genoemde ‘fundamentele criterium’ aan:
de contractuele bepalingen normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven, vormen zij, omwille van de rechtszekerheid, een in aanmerking te nemen factor teneinde te bepalen wie de verrichter en de ontvanger zijn van een „dienst” in de zin van artikelen 2, punt 1, en 6, lid 1, van de Zesde richtlijn.”
en dat het verbod van misbruik het verbod met zich meebrengt van zuiver kunstmatige constructies die geen verband houden met de economische realiteit en alleen bedoeld zijn om een fiscaal voordeel te verkrijgen(…)”
Paul Neweyvolgt dat alleen bij misbruik kan worden afgeweken van de contractuele bepalingen of dat het HvJ in punt 45 bedoelt te zeggen dat bij kunstmatige constructies ook kan worden afgeweken van de contractuele bepalingen als niet aan de vereisten voor misbruik van recht wordt voldaan. Mijn twijfel wordt met name gevoed door het gebruik van de term ‘met name’ in punt 45 van het arrest. Die term impliceert dat er meer mogelijkheden zijn om voorbij te gaan aan hetgeen partijen zijn overeengekomen dan door toepassing van het leerstuk misbruik van recht. Gelet op de vaste rechtspraak van het HvJ waarin is beslist dat partijen hun activiteiten zo mogen inrichten dat daarbij de meest voordelige weg wordt gekozen, kan het eigenlijk niet anders zijn dan dat mijn twijfel onterecht is. Het HvJ heeft deze rechtspraak als volgt samengevat:
HR BNB 2014/241 [61] over ‘belastingvrij winkelen’ in het geheel niet. Zij meent dat, uitgaande van het belang van de rechtszekerheid – en in het kader daarvan het belang van de contractuele vastleggingen – afwijking van hetgeen partijen (contractueel) hebben afgesproken alleen aan de orde is bij misbruik, belastingontwijking en dergelijk kwalijke praktijken. Zonder alle feiten van deze zaak uit de doeken te doen, merk ik op dat in die zaak van belang was dat een reiziger een overeenkomst met de desbetreffende belanghebbende kon sluiten ingevolge welke de reiziger door hem gewenste winkelaankopen van goederen kon doen op naam van belanghebbende. In geschil was of sprake was van commissionairsleveringen als bedoeld in artikel 3, lid 6, van de Wet. Het hof Amsterdam oordeelde dat geen sprake is van dergelijke transacties, aangezien belanghebbende bij de winkelaankopen niet heeft gehandeld op order en voor rekening van de klant. De klant heeft, aldus het hof, zelf, in de winkel, de keuze gemaakt om over te gaan tot het voor eigen rekening aankopen van bepaalde door haar gewenste producten en heeft deze aankopen onmiddellijk betaald. De Hoge Raad geeft in zijn arrest allereerst de btw-rechtelijke norm en oordeelt vervolgens dat hetgeen partijen zijn overeengekomen daarop niet past. De Hoge Raad besliste als volgt:
Paul Neweyvolgt de Hoge Raad de contractuele bepalingen wel, maar concludeert hij dat daarin een afspraak ontbreekt op grond waarvan de reiziger een order tot aankoop geeft aan belanghebbende.
WebMindLicenses [62] . In punt 35 herinnert het HvJ eraan:
Paul Neweyvolledig in het licht van misbruik van recht. Mijn twijfel is hiermee verdwenen als sneeuw voor de zon.
8.De cassatiemiddelen
Paul Newey(en herhaalt dat niet is gebleken dat de contractuele bepalingen de economische en commerciële realiteit van de handelingen niet (geheel) weergeven). Het Hof heeft dus niet uitsluitend het leerstuk van schijnhandeling behandeld. Dit middelonderdeel faalt derhalve ook.
Paul Neweyheeft geformuleerd. Zoals gezegd volgt daaruit onder meer dat hetgeen contractueel is overeengekomen als uitgangspunt moet worden gehanteerd, omdat contractuele bepalingen normaal gesproken weergeven waar de rechtswil van partijen op is gericht.
Hardinxveld-Giessendam Ien heeft geen aanvullende feiten vastgesteld. Vaststaand feit is derhalve dat belanghebbende met de vereniging is overeengekomen dat de vereniging ter zake van de (op)levering een bedrag voldoet van € 326.307,52 inclusief omzetbelasting, dat in de leveringsakte is vermeld dat belanghebbende afstand doet van haar vordering tot betaling van het hiervoor vermelde bedrag en dat de vereniging dit bedrag aan belanghebbende schuldig blijft. Het Hof heeft de tussen partijen gesloten overeenkomsten gevolgd en daarbij overwogen:
de overeenkomsten volgend– de koopschuld uit hoofde van de gedane levering is omgezet in een leenschuld en in punt 6.6 dat geen sprake is van een symbolische vergoeding. Zoals gezegd ligt daarin het oordeel besloten dat sprake is van een levering onder bezwarende titel.
Halifax [67] en
Weald Leasing [68] , gaat de btw uit van objectieve begrippen (zoals de begrippen levering en economische activiteit) en staat het belanghebbende in beginsel vrij bij het structureren van haar activiteiten de meest voordelige btw-weg te kiezen. Om de handelingen te herdefiniëren zal het zwaardere middel van misbruik van recht moeten worden ingezet. Zoals meermalen gememoreerd, beroept de Staatssecretaris zich in cassatie echter niet langer op dat leerstuk.
Paul Neweyen het arrest
HR BNB 2000/126. [69]
overdrachtis ook – in beginsel – voorgeschreven in artikel 103, tweede lid WPO. De arresten Weald Leasing en Newey geven echter steun aan de opvatting dat de
gekozen vorm– in casu de koopovereenkomst met de genoemde afspraken over de koopsom – wel misbruik van recht oplevert.”
Paul Neweyheeft het Hof het volgende geoordeeld:
Paul Newey. Dat het Hof zijn beoordeling over dat arrest heeft gegeven in het kader van misbruik van recht is in mijn visie volkomen begrijpelijk, vooral ook omdat het betoog van de Inspecteur in zijn conclusie van verwijzing duidelijk strekte tot toepassing van het leerstuk van misbruik van recht (zie punt 10.6 e.v.). In cassatie heeft de Staatssecretaris dit beroep laten varen, maar haalt hij het in wezen via een achterdeur weer binnen door zich in het kader van de fiscale kwalificatie van de feiten te beroepen op het arrest
Paul Newey. Zoals ik in onderdeel 7 heb betoogd, is dat niet mogelijk.
9.Prestatie tegen vergoeding/onder bezwarende titel?
Tolsmadat een prestatie onder bezwarende titel wordt verricht “wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de aan de ontvanger verleende dienst”. Hoewel het in de zaak
Tolsmaging om een dienst, volgt uit het arrest
Campsa [71] dat voornoemde definitie ook geldt voor leveringen onder bezwarende titel. In
Campsaformuleerde het HvJ het alleen iets anders (cursivering CE):
afgesprokenen aan de belastingplichtige
daadwerkelijk wordt betaald in ruil voor het door hem geleverde goed of de door hem verrichte dienst,moet deze handeling bijgevolg worden gekwalificeerd als een handeling onder bezwarende titel, ook al wordt deze handeling verricht tussen verbonden partijen en is de afgesproken en daadwerkelijk betaalde prijs kennelijk lager dan de normale marktprijs (…).”
Hong-Kong Trade [72] . Het HvJ oordeelde dat iemand die uitsluitend prestaties om niet verricht, niet kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de btw. Ik citeer uit
Hong-Kong Trade:
Commissie/Frankrijk [75] niet af aan de omstandigheid dát een vergoeding is bedongen. [76] Pas indien de vergoeding dermate laag is dat in wezen sprake is van vrijgevigheid, is naar het oordeel van het HvJ geen sprake van een economische activiteit. Die prestatie wordt dan in wezen gelijkgesteld met een prestatie om niet. Dit volgt uit punt 21 van het arrest
Commissie/FrankrijkIndien een prestatie wordt verricht uit vrijgevigheid, is naar het oordeel van het HvJ, zoals blijkt uit de hierna geciteerde rechtsoverweging, geen sprake van een economische activiteit (cursivering van mijn hand):
Wanneer de verhuur op grond van de berekende huurprijs als vrijgevigheid moet worden beschouwd, en niet als een economische activiteit in de zin van de richtlijn,wordt de oorspronkelijke aftrek herzien gedurende een periode van maximaal tien jaar.”
Commissie/Frankrijkaf dat de symbolische vergoeding gelijkgesteld moet worden aan géén vergoeding. In punt 4.3.5.4 van het arrest
Gemeente Borsele [78] overweegt hij dat uit
Commissie/Frankrijkvolgt dat:
Commissie/Frankrijkging het om een Franse regeling die het recht op aftrek van voorbelasting niet volledig en onmiddellijk toestond indien het totale bedrag van de (jaarlijkse) huurinkomsten van een onroerend goed minder dan een vijftiende van de waarde van het onroerend goed beliep. Het HvJ oordeelde dat deze regeling onverenigbaar is met de Zesde richtlijn, maar bood de Franse regering wel een algemene escapemogelijkheid. Indien de verhuur op grond van de berekende huurprijs als vrijgevig moet worden beschouwd, kan de aftrek worden herzien. Ik citeer en cursiveer:
Wanneer de verhuur op grond van de berekende huurprijs als vrijgevigheid moet worden beschouwd, en niet als een economische activiteit in de zin van de richtlijn, wordt de oorspronkelijke aftrek herzien gedurende een periode van maximaal tien jaar.” [79]
Commissie/Frankrijkniet worden afgeleid dat sprake is van een symbolische vergoeding indien de jaarlijkse huurprijs (minder dan) één vijftiende deel bedraagt van de waarde van een onroerend goed. [80] Uit het arrest volgt mijns inziens slechts dat de mogelijkheid bestaat dat, hoewel een vergoeding is bedongen, toch geen sprake is van een economische activiteit, maar van vrijgevigheid.
Hotel Scandic [81] ging het om het (in de toekomst) verstrekken van maaltijden aan het personeel tegen een lagere prijs dan de kostprijs. De Zweedse belastingdienst had zich op het standpunt gesteld dat alsdan sprake is van een (fictieve) dienst en dat de vergoeding voor die dienst gecorrigeerd moest worden naar een ‘zakelijke’ vergoeding (aankoopwaarde of kostprijs). [82]
Deze tegenprestatie is dus de subjectieve waarde, dat wil zeggen de werkelijk ontvangen waarde, en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde(…).”
Hotel Scandicslechts zijdelings aan bod. Het HvJ stelt vast dat uit de verwijzingsbeslissing geenszins blijkt dat de vergoeding – hoewel lager dan de kostprijs – slechts symbolisch is:
Commissie/Finland. In deze Finse zaak ging het om de dienstverlening van rechtsbijstandbureaus. De vergoeding die cliënten verschuldigd waren lag over het algemeen (ver) onder het normale honorarium van de rechtsbijstandverleners. Het bijzondere in deze zaak is dat de vergoeding mede afhankelijk was van het inkomen en het vermogen van de cliënt en niet (uitsluitend) van het aantal uren dat het rechtsbijstandsbureau had besteed of de moeilijkheidsgraad van de betrokken zaak. Het HvJ kwam tot het oordeel dat geen rechtstreeks verband bestaat tussen de verleende diensten en de betaalde vergoeding en dat aldus geen omzetbelasting is verschuldigd.
Commissie/Finlandkwam aan de orde in het arrest
Gemeente Aalten. In deze zaak ging het zoals gezegd eveneens om een scholenconstructie. De Hoge Raad concludeerde dat het in
Commissie/Finlandom een andere situatie gaat dan de situatie die voorlag in de zaak
Gemeente Aalten(en meer in het algemeen dan de situaties bij de scholenconstructies). Hij overwoog als volgt:
Gemeente Borsele. Zoals gezegd worstelt de Hoge Raad met de uitlegging van het arrest
Commissie/Finlanden vraagt zich – in navolging van A-G Van Hilten [85] – af of het HvJ met dat arrest wellicht een nadere verduidelijking heeft willen geven van het begrip ‘symbolische vergoeding’. Ik citeer uit het arrest
Gemeente Borsele:
Commissie/Finland enover het begrip ‘symbolische vergoeding’.
Gemeente Borseleaf te wachten. Indien daaruit volgt dat
Commissie/Finlandslechts handelt over het rechtstreekse verband tussen de vergoeding en de prestatie, is het arrest niet relevant voor deze zaak. Voor het (verwijzings)Hof is immers duidelijk geworden dat niet meer in geschil is dát een rechtsbetrekking bestaat tussen belanghebbende en de vereniging, dat belanghebbende een prestatie jegens de vereniging heeft verricht (inhoudende de levering van het schoolgebouw) en dat de vergoeding – zo die is bedongen – rechtstreeks verband houdt met de verrichte prestatie.
Cultureel-filosofische bibliotheek [86] liet de Hoge Raad het oordeel van hof Amsterdam – inhoudende dat de door belanghebbende bedongen vergoeding voor het uitlenen van zeldzame en kostbare boeken ten behoeve van tentoonstellingen en dergelijke een symbolisch karakter heeft, zodat kan worden gesproken van vrijgevigheid – in stand. Naar het oordeel van de Hoge Raad is het oordeel van hof Amsterdam van feitelijke aard en overigens niet onbegrijpelijk zodat het oordeel niet met vrucht in cassatie kan worden bestreden. [87]
HR BNB 1994/307 [88] ging het om een gemeente die een zwembad verhuurde aan de exploitant. Omdat de kosten van de gemeente hoger waren dan de huuropbrengsten, stelde de inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van een economische activiteit, maar van vrijgevigheid. Hof Leeuwarden had in deze zaak geoordeeld (cursivering CE): [89]
maatschappelijke betekenis toekomten dat de Inspecteur daartegenover niet aannemelijk heeft gemaakt dat de verhuur uit vrijgevigheid is geschied, omdat hij in al zijn vergelijkingen,
daar waar juist het resultaat van die activiteit voor de belastingplicht niet beslissend is, uitgaat van een sluitende bedrijfsvoering. Evenmin kan naar 's Hofs oordeel op de enkele grond van de tussen belanghebbende en de Stichting
bestaande relatie, welke deze ook moge zijn, tot vrijgevigheid worden geconcludeerd.”
HR BNB 2005/223 [90] ,dat nog geen maand na het arrest
Hotel Scandicverscheen, liet de Hoge Raad zich voor het eerst expliciet uit over de omstandigheden die al dan niet een rol (kunnen) spelen bij de kwalificatie van een vergoeding als symbolisch. In de zaak die heeft geleid tot dit arrest ging het om een instelling die (een deel van) een landgoed tegen betaling van een bedrag van ƒ 2,50 per persoon (inclusief omzetbelasting) twee dagen per week in gebruik gaf ten behoeve van de recreatie van gehandicapten en/of zieken. De inspecteur in die zaak was van mening dat de instelling wat betreft de toelating van gehandicapte en zieke recreanten tot het landgoed niet kwalificeerde als ondernemer voor de omzetbelasting en dat de instelling aldus voor dat deel geen recht had op aftrek van voorbelasting. [91] De Hoge Raad oordeelde dat bij de beoordeling of sprake is van een symbolische vergoeding:
HR BNB 2008/254 [93] van belang. In deze zaak ging het om een holding die sturende en beleidsbepalende werkzaamheden had verricht voor een dochtermaatschappij, en een vof waarin de dochtermaatschappij participeerde ter zijde had gestaan en telefonische support en adviezen had verstrekt. Voor de werkzaamheden had de holding in het betreffende tijdvak ƒ 1.000 in rekening gebracht. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat het verschil tussen de bedongen vergoeding en de kosten zowel absoluut als relatief buitengewoon groot is en dat om die reden de vergoeding als symbolisch moet worden bestempeld. In dit arrest heeft de Hoge Raad (nogmaals) benadrukt dat bij de beoordeling of sprake is van een symbolische vergoeding niet van (doorslaggevend) belang is dat de bedongen vergoeding lager is dan de kostprijs. [94] De Hoge Raad heeft deze zaak verwezen naar hof Arnhem. Uit bij dat hof ingewonnen informatie volgt echter dat deze zaak na verwijzing is ingetrokken. Die zaak werpt dus geen licht op de vraag wat onder een symbolische vergoeding moet worden verstaan.
Gemeente Wageningenvan belang. In die zaak had hof Arnhem-Leeuwarden geoordeeld dat de bedongen vergoeding van € 440.000 inclusief omzetbelasting voor een nieuw schoolgebouw – afgezet tegen de getaxeerde waarde in het economisch verkeer van het schoolgebouw van € 1.660.000 exclusief omzetbelasting – geen symbolische vergoeding is. In cassatie voerde de Staatssecretaris aan dat het genoemde bedrag van € 1.660.000 alleen ziet op de grond en dat de vergoeding moet worden afgezet tegen de stichtingskosten van de school van € 18.880.000. Deze stellingname mocht de Staatssecretaris niet baten. De Hoge Raad oordeelde in deze zaak:
Cultureel-filosofische bibliotheekdat de vraag of een vergoeding symbolisch is toch niet slechts feitelijk lijkt te zijn. De Hoge Raad oordeelt namelijk dat ’s Hofs oordeel niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Gemeente Wageningenniet expliciet aan waarom de stichtingskosten van € 18.880.000 niet van belang zijn. Naar ik aanneem komt de Hoge Raad tot dit oordeel omdat uit eerdere jurisprudentie van het HvJ volgt dat de omstandigheid dat de vergoeding lager is dan de (stichtings)kosten niet van belang is bij het oordeel of sprake is van een symbolische vergoeding. Naar mijn mening had het geen kwaad gekund dit nog eens expliciet te vermelden.
Cultureel-filosofische bibliotheeklaat de Hoge Raad het oordeel van hof Amsterdam dat sprake is van een symbolische vergoeding in stand.
10.De subjectieve vergoeding versus de normale waarde
Empire Stores [95] blijkt dat tegenwaarde die als de maatstaf van heffing voor een goederenlevering dient, een subjectieve waarde is, aangezien de maatstaf van heffing de daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie is, en niet een volgens objectieve maatstaven geschatte waarde. Het HvJ overwoog:
Campsa. In dit arrest overweegt het HvJ dat sprake is van een prestatie onder bezwarende titel wanneer een tegenprestatie is afgesproken en deze daadwerkelijk wordt betaald. Het HvJ acht niet van belang of een handeling wordt verricht tussen verbonden partijen en of de afgesproken en daadwerkelijk betaalde prijs lager is dan de normale marktprijs (zie punt 27 van het arrest
Campsa).
Balkan and Sea Propertiesen
Provadinvest [97] , waaruit naar voren komt dat in de btw een fundamenteel beginsel geldt dat tot gevolg heeft dat de fiscus uit hoofde van de btw niet méér kan ontvangen dan de belastingplichtige heeft geïnd. In punt 45 van dit arrest vermeldt het HvJ dat uitgangspunt is dat belastingheffing plaatsvindt over de subjectieve waarde van de prestatie.
normale waardeeen rol van betekenis vervullen, namelijk bij:
Halifax oordeelde het HvJ dat het leerstuk van misbruik van recht ook geldt voor de btw. Het HvJ overweegt dat voor misbruik van recht:
Weald Leasingkan worden afgeleid dat misbruik van recht aan de orde kan zijn als de vergoeding niet is vastgesteld in overeenstemming met normale marktvoorwaarden (cursivering van mijn hand). Het HvJ overwoog:
op voorwaarde dat de contractvoorwaarden inzake deze leasetransacties, in het bijzonder die met betrekking tot de vaststelling van de leasevergoeding, overeenstemmen met normale marktvoorwaardenen de betrokkenheid van een derde intermediair bij die transacties niet ertoe leidt dat de toepassing van die bepalingen wordt verhinderd, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan. In dit verband is niet van belang dat deze onderneming in de context van haar normale handelstransacties geen leaseactiviteiten uitoefent.”
Gemeente Woerden.Hij doet dat ter onderbouwing van zijn overweging in punt 3.4.3 van het arrest dat de belastingplichtige niet kan worden verweten dat hij kiest voor de mogelijkheid die hem een btw-voordeel biedt, indien zich verschillende reële mogelijkheden (in dit geval verhuur, subsidiëring of verkoop) voordoen. Ook overweegt hij dat het enkele feit dat de leveringen hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die (belangrijk) lager was dan de kostprijzen van de gebouwen is – mede gelet op het arrest
Commissie/Frankrijk– niet voldoende is voor het aannemen van misbruik van recht. Uit
Weald Leasingvolgt echter dat misbruik wel aan de orde kan zijn als de vergoeding voor de gebouwen niet overeenstemt met de normale marktvoorwaarden. Uit het gebruik van de woorden ‘het enkele feit dat’ in de hiervoor bedoelde overweging, leid ik af dat de Hoge Raad in
Gemeente Woerdenals uitgangspunt heeft gehanteerd dat de vraag of de tegenprestatie in overeenstemming is met de normale marktvoorwaarden in cassatie niet (meer) speelde. [98] In de onderhavige procedure kan die vraag (ook) niet meer aan de orde komen, omdat in cassatie niet langer het standpunt wordt ingenomen dat sprake is van misbruik van recht.
normale waardeis. Van deze mogelijkheid mag alleen worden gebruikgemaakt met betrekking tot goederenleveringen en diensten waarbij familiale of andere nauwe persoonlijke, bestuurlijke, eigendoms-, lidmaatschaps-, financiële of juridische banden zoals omschreven door de lidstaat bestaan. Voor de toepassing van deze alinea kan een dienstverband tussen werkgever en werknemer, het gezin van de werknemer of andere personen die nauwe banden met hem hebben, als nauwe betrekkingen gelden. Het toepassingsgebied van de in de eerste alinea genoemde mogelijkheid is beperkt tot de volgende gevallen:
zou moeten betalenaan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van de lidstaat waar de verrichting belastbaar is. Indien geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, betekent ‘normale waarde’, met betrekking tot goederen, een waarde die niet lager is dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht, en met betrekking tot diensten, een waarde die niet lager is dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven. ”
betaald, maar over wat iemand
zou moeten betalen.
Halifax– van mening was dat de te bestrijden constructies wellicht ook met toepassing van het leerstuk van misbruik van recht een halt kon worden toegeroepen. [103] In deze zaak is dat niet gelukt.
HR BNB 2005/223kan, zoals gezegd, de vergoeding die in het maatschappelijk verkeer voor soortgelijke prestaties wordt bedongen van belang zijn bij de beoordeling of sprake is van vrijgevigheid.
HR BNB 2008/254leid ik af dat een dergelijke toets volgens de Hoge Raad onjuist is. In dat arrest oordeelde de Hoge Raad (met mijn cursivering) namelijk:
de totale kosten die waren gemoeidmet de door haar voor de dochtervennootschap en de v.o.f. verrichte activiteiten en de door haar ontvangen vergoeding van de v.o.f.
zowel absoluut als relatief buitengewoon groot isen daarom de vergoeding die van de v.o.f. is bedongen als symbolisch van aard moet worden beschouwd. Aldus heeft het Hof een onjuiste maatstaf aangelegd. In het onderhavige geval had het Hof dienen te onderzoeken welke prestaties belanghebbende jegens de v.o.f. tegen vergoeding verrichtte en met betrekking tot deze prestaties dienen te beoordelen of sprake is geweest van vrijgevigheid van de zijde van belanghebbende.”
bedoelingvan de presterende (rechts)persoon. [107] Van vrijgevigheid is dan alleen sprake als een presterende (rechts)persoon de bedoeling heeft zijn afnemer te bevoordelen. [108] Ik ben het niet met deze auteurs eens. Het HvJ heeft onder meer in de arresten
Optigen [109] en
Halifaxoverwogen dat het begrip ‘belastingplichtige’ een ruime werkingssfeer en een objectief karakter heeft. Uit
BLP Group [110] weten we bovendien dat een verplichting voor de belastingadministratie om te onderzoeken wat de belastingplichtige met zijn handelingen precies voorheeft, zou ingaan tegen de doelstellingen van het btw-stelsel, namelijk de rechtszekerheid te garanderen en de heffing van de btw te vergemakkelijken door, uitzonderingsgevallen daargelaten, af te gaan op de objectieve aard van de betrokken handeling.
HR BNB 2008/283 [111] voorts terecht geoordeeld dat bij de omzetting van een koopschuld in een leenschuld sprake is van betaling van de koopschuld. [112] Ik heb tegen dit oordeel van het Hof overigens geen (specifieke) grief kunnen ontdekken in het beroepschrift in cassatie. De Staatssecretaris noemt punt 6.9 van de hofuitspraak ook niet in zijn cassatiemiddel. Ik concludeer dan ook dat dit in deze tweede cassatieronde niet in geschil is.
11.Recapitulatie
Gemeente Borselenieuw licht zal werpen op de ‘deelneming aan de markt’-toets en het begrip ‘symbolische vergoeding’. Ik adviseer dat arrest af te wachten, alvorens in de onderhavige zaak arrest te wijzen.