Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
Verzoek betreffende het horen als getuige van [getuige]
videoconferencing. Daarover wordt vermeld dat een verhoor via videoconferentie in Marokko niet mogelijk is, aangezien de Marokkaanse wetgeving dit niet toelaat. Verder houdt de brief van 11 december 2009 in dat Marokko toch zal worden verzocht om een verhoor waar de raadsman van de verdachte bij aanwezig mag zijn, maar daarbij is opgemerkt dat de kans van slagen van dit verzoek nihil zal zijn. Als alternatieven worden de volgende mogelijkheden gepresenteerd:
Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen het Koninkrijk dér Nederlanden en het Koninklijk Marokkoeen juridische grondslag is voor de tijdelijke overbrenging van een gedetineerde teneinde te worden gehoord als getuige in een strafzaak tegen een ander. In aanvulling hierop houdt het advies in dat, zo lang in Marokko nog strafrechtelijke procedures gaande zijn tegen een gedetineerde getuige, Marokko een dergelijk verzoek tot tijdelijke overbrenging in de regel niet uitvoert.
Al-Khawaja & Taheryen
Schatschaschwiliheeft toegepast (zie over dat stappenplan rov. 2.4.6 uit het hiervoor onder 2.4 geciteerde arrest van de Hoge Raad). Zij betoogt namelijk dat [getuige] een sleutelrol heeft gespeeld ten aanzien van de witwasfeiten en dat zijn verklaring daarom “sole or decisive” zou kunnen zijn. Ook meent zij dat het hof ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over het bestaan van “counterbalancing factors”. Dit stappenplan is echter bedoeld voor de situatie waarin de rechter moet nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan art. 6 EVRM Pro, omdat hij voor het bewijs gebruik wenst te maken van een verklaring van een getuige ten aanzien waarvan de verdediging zijn ondervragingsrecht nog niet heeft uitgeoefend.
3.Het tweede middel
4.Het derde middel
mede(cursivering AG TS) dient ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel”. Met een creatieve interpretatie van die overweging van het hof liet de Hoge Raad het oordeel in stand. Het gaat hier volgens mij met name om het door het hof gebruikte woordje “mede”. Daardoor kon de Hoge Raad in deze zaak oordelen dat het hof met die opmerking niet meer tot uitdrukking had gebracht dan dat de ernst van de feiten mede werd bepaald door de omvang van het daaruit verkregen voordeel, en dat de hoogte van de geldboete daarop was afgestemd. [7] De strafmotivering gaf volgens de Hoge Raad, “aldus verstaan”, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.