Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak
3.De cassatiemiddelen
Het eerste middelhoudt in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro heeft gehad, omdat in het dossier cruciale stukken ontbreken die de verdediging nodig had om haar verweren te kunnen onderbouwen.
Het tweede middelkomt op tegen de afwijzing door het hof van het verzoek van de verdediging om de getuige [betrokkene 7] , voorzitter van de RvC van Rendo, nader te horen.
Het derde middelklaagt dat het verzoek van de verdediging om [getuige 1] (van TRIP Advocaten Notarissen ) te horen door het hof is afgewezen op gronden die de beslissing niet kunnen dragen.
Het vierde middelklaagt eveneens over de afwijzing van een getuigenverzoek, namelijk om [getuige 2] (van de NMa) te horen.
Het vijfde middelhoudt in dat het bewezenverklaarde ‘oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen’ onvoldoende steun vindt in de bewijsvoering.
Het zesde middelklaagt dat de gedragingen die de verdachte (tezamen en in vereniging met anderen) heeft verricht niet kunnen worden beschouwd als ‘listige kunstgrepen’ en dat uit de bewijsvoering onvoldoende blijkt dat Rendo door deze gedragingen is ‘bewogen tot’ de afgifte van gelden.
Het zevende middelhoudt in dat het oordeel van het hof dat de strafbare handelingen van [medeverdachte 3] kunnen worden toegerekend aan de verdachte getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is, omdat de gedragingen van [medeverdachte 3] niet hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon.
Het achtste middelklaagt dat de straftoemeting onbegrijpelijk is, omdat het hof op grond van art. 23 lid 7 Sr Pro een geldboete uit de naastgelegen hogere categorie heeft opgelegd, terwijl het hof onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toeliet.
4.Bewezenverklaring en bewijsoverwegingen
Organisatiestructuur
Vennootschappen van RendoRendo functioneert als moedermaatschappij. In de periode van 2007 tot 2012 bestaat Rendo uit de volgende vennootschappen:
[verdachte] B.V(cassatie)
Dochterondernemingen ( SGI is enig aandeelhouder in dochterondernemingen)
Oprichters SGI
Overweging met betrekking tot het bewijs van het tenlastegelegde (oplichting Rendo)
latente) belasting, bedroeg het groepsvermogen € 3.066.811,-. Opgemerkt wordt dat dit vermogen inclusief het immateriële vermogen (goodwill in de vorm van winstverwachtingen) van EPC ad € 13.232.000,- is. Slechts door (met name) de achterstelling van de Rendo leningen ad € 15.800.000,- resteert jegens de ABN AMRO een garantievermogen van € 3.957.967,-.
prognose“ SGI – model Steenwijk ” die op 14 oktober 2009 per e-mail is verzonden door MBCF . Deze voorspelling op dat moment leidt niet tot een andere conclusie, reeds omdat deze is opgemaakt vóór de afspraken en uitvoering van het “stappenplan”, waaronder de betaling van de 1,5 miljoen euro wegens de inkoop van aandelen.
NJ2006, 328) is bepaald dat het bij het toerekenen van de strafbare gedraging aan de betreffende rechtspersoon van belang is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Gelet op het voorgaande volgt het hof de verdediging niet in diens verweer dat [verdachte] als vennootschap enkel is gebruikt als instrument en daarmee niet als dader aangemerkt zou kunnen worden. Het verweer wordt verworpen.
5.Het eerste middel
Ten aanzien van de e-mails (alle zaken)
alle verdachtenwordt de verdediging in de gelegenheid gesteld om – zo nodig door tussenkomst van de advocaat-generaal –
voor 1 februari 2022het kantoor van de FIOD te bezoeken, eventueel in het bijzijn van de betreffende verdachte(n)/cliënt(en). De verdediging zal daar aan de hand van bij voorkeur vooraf bedachte – en bij voorkeur ook vooraf aan de FIOD doorgegeven – zoektermen de e-mailbestanden doorzoeken en een eerste selectie maken. De aldus gemaakte selectie zal daar vervolgens digitaal worden verstrekt aan de verdediging op een daarvoor geschikte gegevensdrager. Vervolgens verstrekken de raadslieden met hun cliënten de volgens hen relevante documenten uit die selectie
uiterlijk op 1 april 2022aan het hof en de advocaat-generaal.
12 april 2022om 10.00 uur zal een
nadere regiezittingplaatsvinden om de stand van zaken van het bovenstaande te bespreken.”
voorzitterdeelt mede:
De verdediging heeft de gelegenheid gehad om bij de FIOD de e-mailbestanden te doorzoeken en daarvan een selectie te maken. Het was aan de verdediging om de relevante stukken uit deze selectie uiterlijk op 1 april 2022 naar het hof en de advocaat-generaal te sturen.
voorzittermeldt dat het, gelet op de geplande inhoudelijke behandeling van de zaken in september 2022, wat het hof betreft vandaag de laatste regiezitting is zodat de zaken klaar zullen zijn om inhoudelijk te worden behandeld in september 2022.
advocaat-generaalbrengt naar voren:
voorzitteronderbreekt het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
de voorzitterals beslissing van het hof uit:
uiterlijk op 1 juni 2022 eventuele nadere stukken naar aanleiding van de inzage bij de FIOD hebben ontvangen.”
nietop te nemen. Om te voorkomen, dat er een link gelegd zou kunnen worden tussen RENDO (en haar deelnemende gemeenten, waaronder Steenwijk ) en de nieuwe, in de ogen van de omwonende vervuilende fabriek van SGI . Ook dit is terug te vinden in de e-mailwisselingen tussen [medeverdachte 3] en [betrokkene 7] en wordt ook bevestigd door [betrokkene 6] (RENDO-financiën). Nogmaals de e-mails die, na nu blijkt, niet in het dossier van de FIOD terug te vinden zijn, kunnen dit bevestigen en zijn dus cruciaal voor de verdediging van [medeverdachte 3] tegen de tenlastelegging.” [3]
advocaat-generaalreageert op het preliminaire verweer van mr. Van Leuveren:
Het klopt natuurlijk niet dat [medeverdachte 3] in de 12 jaren dat hij bij Rendo werkzaam was, in totaal maar 100 e-mails zou hebben gestuurd. [medeverdachte 3] stuurde wel 30 e-mails per dag. Ik vraag mij dan af hoe het mogelijk is dat door de FIOD maar 100 e-mails aangetroffen zijn op de servers van Rendo. Dat is onbestaanbaar.
voorzitterde beslissing van het hof mede, inhoudende:
voorzitterbrengt naar voren:
voorzittervraagt mr. Van Leuveren waar het hof de e-mails zou kunnen vinden.
voorzittermerkt op:
eerste klachtdie ik uit de toelichting kan destilleren richt zich tegen het oordeel van het hof – in de woorden van de steller van het middel [5] – dat de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd dat er relevante informatie buiten het dossier is gebleven. Gesteld wordt dat dit onjuist is, gelet op alle inspanningen die de verdediging heeft gedaan om de e-mails, mappen en andere stukken boven tafel te krijgen. Kennelijk richt de steller van het middel zich tegen de overweging van het hof dat het ontbreken van documenten waaronder e-mails, “enkel door de verdediging [wordt] gesteld en niet (verder) concreet [wordt] onderbouwd”. In het verlengde hiervan betoogt de steller van het middel dat het oordeel van het hof, dat niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie op de hoogte was van het feit dat belangrijke stukken ontbraken, niet zonder meer begrijpelijk is. Hiertoe wordt aangevoerd dat de verdediging immers in de loop van de procedure telkens aandacht heeft gevraagd voor het feit dat zij niet kon beschikken over specifieke informatie die van belang was om de verdediging te kunnen voeren en dat er sterke aanwijzingen waren dat die informatie er wel zou moeten zijn (geweest). [6]
tweede klachtkan worden ontleend aan de stelling dat een eventueel gebrek aan wetenschap bij het openbaar ministerie ten aanzien van de ontbrekende stukken niet doorslaggevend is voor de vraag of er sprake is geweest van een eerlijk proces. De schriftuur houdt hierover in:
nietdoor het hof is geconstateerd. Nu het gaat om een feitelijke vaststelling van het hof dat van ontbrekende stukken niet is gebleken en dit oordeel in mijn ogen ook niet onbegrijpelijk is, stuit de klacht dat er geen sprake is geweest van een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro, hierop al af. Hetzelfde geldt voor het argument dat de verdediging niet is gecompenseerd voor het feit dat het dossier onvolledig is, doordat de getuigenverzoeken zijn afgewezen. Dat het dossier onvolledig is, is nu juist
nietdoor het hof vastgesteld, dus valt er niet in te zien waarom er compenserende maatregelen nodig waren.
6.Het tweede middel
“Als ik het bedrijfsmatig vanuit Rendo bekijk zouden deze leningen niet als achtergestelde leningen zijn verstrekt”.
productie)
7.Het derde middel
Oordeel van het hof
Voorwaardelijke getuigenverzoeken
8.Het vierde middel
Oordeel van het hof
Voorwaardelijke getuigenverzoeken
9.Het vijfde middel
10.Het zesde middel
medeplegenvan de voortgezette handeling van oplichting, begaan door een rechtspersoon bewezenverklaard. Dit brengt met zich mee dat de onder A t/m U verrichte gedragingen niet per se door de verdachte zelf te hoeven zijn verricht: deze kunnen ofwel via het medeplegen, ofwel door toerekening van het strafbare handelen van [medeverdachte 3] (ex art. 51 Sr Pro) aan de verdachte worden toegeschreven. Voor zover de klachten inhouden dat de verdachte de betreffende oplichtingshandeling niet zelf heeft verricht, treffen zij dus geen doel. Evenmin hoefde de verdachte te voldoen aan de in sommige gedragingen omschreven kwaliteit van ‘bestuurder’. Het hof overweegt hierover:
“A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van Rendo indirect aandeelhouder te zijn van SGI ;”
“B. de Raad van Commissarissen (hierna “RvC”) van Rendo en de aandeelhouders van Rendo niet geïnformeerd over het belang dat hij en zijn medeverdachten hadden bij SGI en haar dochtervennootschappen;”
“C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van Rendo en zonder toestemming van de aandeelhouders van Rendo en door tussenkomst van de besloten vennootschappen [verdachte] B.V. en Marella B.V. en door tussenkomst van [betrokkene 1] en [betrokkene 8] en [betrokkene 3] , een belang verkregen in SGI en haar dochtervennootschappen Stramproy Green Coal B.V. (hierna “ SGC ”) en Stramproy Green Energy B.V. (hierna “ SGE ”) en Stramproy Green Technologie B.V. (hierna “ SGT ”);”
(i) De functie van [medeverdachte 3] als bestuurder van Rendo was niet onverenigbaar met die van (indirect) aandeelhouder in SGI , omdat Rendo en SGI geen verbonden partijen waren. De verdachte was in de veronderstelling dat zodoende geen sprake kon zijn van tegengestelde belangen, en zij en [medeverdachte 3] niet verplicht waren het (indirecte) aandeelhouderschap te melden. Subsidiair wordt aangevoerd dat [medeverdachte 3] over de verbondenheid van partijen advies heeft ingewonnen bij TRIP Advocaten en Notarissen, en dat [medeverdachte 3] en de verdachte over de verbondenheid van partijen verontschuldigbaar hebben gedwaald.
(ii) Van het heimelijk vervullen van onverenigbare functies kan bovendien geen sprake zijn, omdat de RvC en de AvA ervan op de hoogte waren dat [medeverdachte 3] betrokken was bij de oprichting van SGI en (indirect) als aandeelhouder participeerde in SGI . [medeverdachte 3] heeft de RvC en de AvA daarnaast volledig geïnformeerd over alle leningen, hetgeen de verdachte had willen aantonen aan de hand van de in het ongerede geraakte e-mailcommunicatie.
(iii) Niet [medeverdachte 3] , maar de verdachte had een minderheidsbelang in SGI . [medeverdachte 3] hoefde aan de RvC en de AvA van Rendo geen toestemming te vragen voor het aandeelhouderschap van de verdachte in SGI , omdat deze vennootschap in geen relatie stond tot Rendo.
(iv) De jaarstukken geven geen onjuiste voorstelling van zaken, omdat niet was vereist daarin de relatie tot SGI , SGC en SGE te vermelden.
“F. er voor zorggedragen dat [betrokkene 3] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van SGI , die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en zijn medeverdachten, heeft gehouden;”
“S. door Mazars Berenschot Corporate Finance B.V. (hierna “ MBCF ”) en/of [betrokkene 4] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door Rendo aan SGI mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door SGI ;”
(i) de brief nooit is gebruikt in de richting van de RvC van Rendo en de brief Rendo (dus) niet heeft gebracht tot het verstrekken van gelden;
(ii) de verdachte niet verantwoordelijk is voor de vermelding van de onjuiste datum op de brief; en
(iii) in de leningsofferte/leningsovereenkomst geen enkele onjuistheid is vermeld.
II - overeen te komen wijzigingen van de voorwaarden voor alle leningen van SGC en SGE .
“Hypotheek op recht van opstal torrefactie —
bestemmingvan het te lenen geldbedrag. Wanneer in een overeenkomst ook het doel van de lening is bepaald, kan de valsheid er eveneens in gelegen zijn dat de partijen in de overeenkomst omschrijven dat het geld bestemd is voor doel A, terwijl de partijen weten dat het geld in werkelijkheid zal worden besteed aan doel B. Uit de overwegingen van het hof (weergegeven onder 4.4.) blijkt dat het hof de valsheid van het geschrift op de overeengekomen besteding van het geld heeft gebaseerd. Het hof overweegt: “[d]e lening van Rendo aan SGC van 4,5 miljoen euro is in ieder geval voor dit deel aangegaan met het doel om de
uitbetaling van [verdachte] en Marella mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van [medeverdachte 3] van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van MBCF
wordt daarover echter met enig woord gerept. Dit maakt dat de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt, kennelijk om Rendo omtrent de
werkelijk beoogde bestedingte misleiden”. [20] Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk.
11.Het zevende middel
Toerekening aan de rechtspersoon [verdachte]
NJ2006, 328) is bepaald dat het bij het toerekenen van de strafbare gedraging aan de betreffende rechtspersoon van belang is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Gelet op het voorgaande volgt het hof de verdediging niet in diens verweer dat [verdachte] als vennootschap enkel is gebruikt als instrument en daarmee niet als dader aangemerkt zou kunnen worden. Het verweer wordt verworpen.
12.Het achtste middel
“Bij veroordeling van een rechtspersoon kan, indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat, een geldboete worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie. […].”
Verder heb ik het door de commissie gekozen criterium voor de overgang, te weten: «de grote omvang van het door de rechtspersoon uitgeoefende bedrijf» niet overgenomen.
«Grote omvang» is niet alleen een al te vage aanduiding, zij kan vanuit bedrijfseconomisch oogpunt op uiteenlopende wijzen worden beoordeeld, met telkens verschillende, soms tegengestelde, uitkomsten. Zo kan de omvang van een onderneming worden gemeten naar het geplaatste aandelenkapitaal, het aantal werknemers, de investeringscapaciteit, de gedane investeringen, de omzet, de gemaakte winst enz. Ook wordt de grootte van een onderneming niet altijd bepaald door de mate waarin zij winst behaalt of verlies lijdt. De omvang van het bedrijf kan derhalve bezwaarlijk als leidraad dienen voor de rechter. Omdat ook bij de oplegging van een geldboete aan de rechtspersoon de rechter gehouden is het draagkrachtbeginsel toe te passen, kan het aan hem worden overgelaten om te beoordelen wanneer de voor het strafbare feit gepaalde categorie geen passende bestraffing toelaat.” [23]
algemeneextra motiveringsplicht verbonden is. [25] Uit de memorie van toelichting blijkt dat de wetgever de rechter de vrijheid heeft willen geven te beoordelen wanneer uitwijking naar de hogere boetecategorie aangewezen is. De rechter zal daarbij de motiveringseisen die in zijn algemeenheid worden gesteld aan de oplegging van een geldboete in acht moeten nemen. Daarbij volgt uit HR 30 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1894, NJ 2000/95 dat onder omstandigheden – met het oog op de begrijpelijkheid van de strafoplegging als geheel – (wel) een extra motivering gevergd kan worden voor de toepassing van art. 23 lid 7 Sr Pro. In de zaak die centraal stond in voornoemd arrest had het hof onder toepassing van art. 23 lid 7 Sr Pro de hoogst mogelijke geldboete opgelegd en tegelijkertijd aangegeven rekening te houden met een tweetal strafmitigerende omstandigheden. De Hoge Raad achtte die strafoplegging ontoereikend gemotiveerd, temeer omdat de bestreden uitspraak geen redengeving voor de toepassing van art. 23 lid 7 en Pro 8 Sr inhield.