Conclusie
[eiser]),
1.ICTS International N.V. (hierna: ICTS),
[verweerder 2]),
OK) op verzoek van [eiser] , minderheidsaandeelhouder van ICTS, een onderzoek gelast als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW naar het beleid en de gang van zaken van ICTS. Het ging daarbij om gebeurtenissen die zich in mei/juni 2019 bij ICTS hebben afgespeeld, meer precies: (1) een uitgifte van aandelen aan de commissarissen en het senior management van ICTS (hierna: de
Aandelenuitgifte); en (2) de toekenning van (nieuwe) rechten aan Spencer Corporation Ltd. (hierna:
Spencer), meerderheidsaandeelhouder van ICTS, om haar vorderingen op ICTS om te zetten in aandelen in ICTS (hierna: de
Conversie). In november 2023 is het onderzoeksverslag ter griffie van de OK gedeponeerd. In de bestreden beschikking komt de OK tot afwijzing van het verzoek van [eiser] , dat mede strekt tot vaststelling van wanbeleid van ICTS, het treffen van bepaalde eindvoorzieningen bij ICTS en veroordeling van [verweerder 2] in de kosten van het onderzoek. Daartegen komt [eiser] op in cassatie, m.i. zonder succes.
1.Feiten
beschikking). [1] Kortheidshalve verwijs ik daarnaar.
2.Procesverloop, voor zover relevant
In feitelijke instantie (bij de OK)
onderzoeker) benoemd teneinde het onderzoek te verrichten. [2]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
( […] )).
geen wanbeleid van ICTS opleveren. In rov. 4.32 brengt de OK immers tot uitdrukking dat, wat er ook zij van het antwoord op de vraag of die gebreken wanbeleid opleveren, het verzoek van [eiser] tot vaststelling dat uit het onderzoeksverslag blijkt van wanbeleid van ICTS hoe dan ook moet worden afgewezen, omdat met zo’n vaststelling onder de in rov. 4.32 weergegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend. Zie nader onder 3.4.2 hiervoor.
geen wanbeleid van ICTS opleveren. Onderdeel 1 keert zich niet, los van dit oordeel, tegen de vaststellingen van de OK in rov. 4.31, kort gezegd en als zodanig, dat ICTS de nodige maatregelen heeft genomen [11] en er geen aanleiding is te twijfelen aan haar voornemen de materiële gevolgen van de Aandelenuitgifte zo spoedig mogelijk geheel ongedaan te maken. Nu de OK voor zover zij in rov. 4.32 al voortbouwt op rov. 4.31 dit enkel doet ten aanzien van die vaststellingen in rov. 4.31, en die vaststellingen als zodanig niet (laat staan met vrucht) zijn bestreden door onderdeel 1, mist het subonderdeel doel.
subonderdeel 2.2miskent de OK het volgende met rov. 4.32, eerste t/m derde zin van de beschikking [12] en de (mede) daarop gebaseerde conclusie dat met het uitspreken van een wanbeleidsoordeel geen rechtens te respecteren belang is gediend. Ik vat samen.
de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid (tot het instellen) van een onderzoek en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor eventueel blijkend wanbeleid
een preventieve werkingkan uitgaan. Het voorgaande brengt mee dat er geen grond is om aan te nemen dat de OK zich zou moeten of kunnen onthouden van het uitspreken van een wanbeleidsoordeel (los van eventuele voorzieningen), indien “de rechtspersoon na (de opening van zaken in) het onderzoeksverslag (en/of op een van de andere tijdstippen bedoeld in subonderdeel 1.2, tweede alinea) maatregelen heeft (voor)genomen die (volgens de OK) reeds hebben geleid, of op korte termijn zullen leiden, tot sanering en herstel van gezonde verhoudingen.” Het uitspreken van een wanbeleidsoordeel kan er óók dan toe dienen dat wordt vastgesteld bij wie de verantwoordelijkheid berust voor het gebleken wanbeleid en daarvan kan ook een preventieve werking uitgaan. Onder deze omstandigheden zijn de doeleinden van het enquêterecht dus nog niet bereikt en is met het uitspreken van een wanbeleidsoordeel wel degelijk een rechtens te respecteren belang gediend.
,een
zelfstandig belangerbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW (zoals een bijzondere zorgplicht jegens minderheidsaandeelhouders), waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming (zoals de normen die gelden bij een emissie of conversie van aandelen),
op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Het uitspreken van een wanbeleidsoordeel kan, door de daarmee te geven opening van zaken, de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor het wanbeleid en/of de preventieve werking, ertoe bijdragen dat (ook) de schade die is toegebracht aan dat belang wordt hersteld, althans dat wordt voorkomen dat dit zelfstandige belang in de toekomst (opnieuw) wordt geschaad (tekort wordt gedaan).
klacht a.
NJ1990, 466, heeft de Hoge Raad overwogen dat de wetgever blijkens de ontstaansgeschiedenis van de regeling van het enquêterecht, zoals deze is neergelegd in Boek 2 BW, als doeleinden van het enquêterecht niet slechts heeft beschouwd de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon, maar tevens de opening van zaken en de vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid, terwijl bovendien van de mogelijkheid van de instelling van een enquête een preventieve werking zou kunnen uitgaan. Tot de doeleinden van het enquêterecht, zoals deze de wetgever voor ogen stonden, behoort niet de beslechting van geschillen van vermogensrechtelijke aard, noch het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. [15]
[eiser]antwoordt als volgt.
Zinkwit-beschikkingen van de OK: [26]
IJsselmuiden(Zinkwit)).
(…)
Vgl. ook Hof Amsterdam 1 september 1994, TVVS 1994, blz. 333, m.o.
IJsselmuiden(Zinkwit): De vraag of het beleid van de rechtspersoon als wanbeleid moet worden aangemerkt is niet meer relevant nu de rechtspersoon voldoende heeft voorzien in de geconstateerde gebreken.
OK 1 september 1994, TVVS 1994, p. 333 (de vraag of er wanbeleid is, is in dit opzicht niet meer relevant);OK 27 april 1995, TVVS 1995, p. 195 (Kluft Distrifood). [onderstreping toegevoegd, A-G]
Sint Maarten Harbour) en OK 14 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3140 (
ICTS)).
klacht b.
klacht c.
Cordial-beschikking van de Hoge Raad [41] naar de onderhavige zaak. Wat daarvan zij, dit laat hoe dan ook onverlet dat indien door een daartoe bevoegde partij (hier [eiser] ) is verzocht wanbeleid van de rechtspersoon (hier ICTS) vast te stellen, de OK de mogelijkheid heeft geen wanbeleidsoordeel uit te spreken, en dit verzoek dus af te wijzen, als met het uitspreken van zo’n oordeel in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend. Dit zal in het bijzonder spelen, zoals naar het oordeel van de OK in dit geval (zie rov. 4.32), als het belang van de rechtspersoon - welk belang vooropstaat in de regeling van het enquêterecht - daartoe al met al aanleiding geeft. [42] Dat de OK onder dit specifieke gesternte die keuze maakt, geeft, zoals gezegd, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie onder (3.10.1-)3.10.5 hiervoor. De slotzin van de klacht, die als zodanig geen klacht bevat (althans niet een die voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv), mist bij deze stand van zaken zelfstandige betekenis en doet overigens niet af aan 3.10-3.12.2 hiervoor.
klacht d.
subonderdeel 2.3miskent de OK het volgende met rov. 4.32, vierde t/m zesde zin van de beschikking [45] en de (mede) daarop gebaseerde conclusie dat met het uitspreken van een wanbeleidsoordeel geen rechtens te respecteren belang is gediend. Ik vat samen.
klacht a.
Cordial-beschikking overwogen dat de doeleinden van het enquêterecht (waartoe behoren de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon), en de strekking van het enquêterecht (waartoe behoort de bescherming van een minderheid van aandeelhouders of certificaathouders tegen (mogelijk) machtsmisbruik door de meerderheid), “[ook] behoren te kunnen worden gediend als de maatregelen van reorganisatorische aard (…) ertoe leiden dat de rechtspersoon daarvan nadeel of hinder ondervindt.” [46]
nietdat volgens de Hoge Raad de OK, indien door een daartoe bevoegde partij (hier [eiser] ) is verzocht wanbeleid van de rechtspersoon (hier ICTS) vast te stellen, per definitie
nietde mogelijkheid heeft geen wanbeleidsoordeel uit te spreken, en dit verzoek dus af te wijzen, als met het uitspreken van zo’n oordeel in de gegeven omstandigheden geen rechtens te respecteren belang is gediend. Meer precies: ik lees hierin geen obstakel voor wat ik schreef onder 3.10.1-3.10.5 hiervoor. Daarbij betrek ik dat het geval dat voorlag in die
Cordial-beschikking, waarbij op het punt waarop die overweging van de Hoge Raad ziet wel wanbeleid was vastgesteld en het draaide om de vraag naar het treffen van een voorziening ter zake, wezenlijk verschilt van hetgeen de OK doet en betrekt in rov. 4.32 van de beschikking.
Unilever, rov. 4.4.1-4.4.2. Dat is in de onderhavige zaak immers een gepasseerd station. Het afwijzen van een verzoek tot het uitspreken van een wanbeleidsoordeel op de grond dat daarmee geen rechtens te respecteren belang is gediend, is geen discretionaire bevoegdheid van de OK en kan dan ook niet plaatsvinden op grond van een zuivere belangenafweging (waarin het belang van de Vennootschap centraal staat). Aan de motivering door de OK moeten in een geval als het onderhavige ook (veel) hogere eisen worden gesteld dan de beperkte eisen die worden gesteld aan de motivering bij de uitoefening van de bedoelde discretionaire bevoegdheid. Dit houdt ook verband met de regel dat voldoende belang bij een vordering (of verzoek) in beginsel mag worden verondersteld en dat art. 3:303 BW met terughoudendheid moet worden toegepast.
klacht b.
klacht c.
Uit het resultaat van het onderzoek kan blijken dat achteraf gezien de twijfel toch ongegrond was, of dat inderdaad van een onjuist beleid moet worden gesproken. Blijkt het beleid in zeer ernstige mate te zijn te kort geschoten, zodat van wanbeleid moet worden gesproken, dan is er voldoende aanleiding tot toepassing van een of meer voorzieningen door de ondernemingskamer, voor zover niet reeds vrijwillig maatregelen zijn getroffen. [54] [onderstreping toegevoegd, A-G]
klacht d.
klacht e.
subonderdeel 2.4miskent de OK het volgende met rov. 4.32, voorlaatste zin van de beschikking [61] en de (mede) daarop gebaseerde conclusie dat met het uitspreken van een wanbeleidsoordeel geen rechtens te respecteren belang is gediend. Ik vat samen.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht d.
governancebij ICTS niet op orde is.
indien en voor zover deze oordelen op hun beurt mede ten grondslag liggen aan rov. 4.31. [64] Zie onder 3.4-3.4.3 en 3.31 hiervoor. Dit is al fataal voor het onderdeel. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vervulling [65] bij het bestuur of de raad van commissarissen van ICTS. Dat zegt de OK (ook) daarin echter niet. Het gaat haar om hun taak
opvatting(“taakopvatting”), dat wil zeggen: (de behoorlijkheid van) de opvatting van die bestuurders en commissarissen over wat hun taak inhoudt. [66] Dat is niet hetzelfde.
hebbengeleid, dan wel naar verwachting ertoe
zullenleiden, dat alle nadelige gevolgen van de Aandelenuitgifte en het besluit tot de Conversie ongedaan worden gemaakt, en bij dit oordeel ook uitdrukkelijk betrekt dat ICTS
de nodige maatregelen heeft genomenom de gevolgen van de formele gebreken in de besluitvorming te redresseren. Niet is in te zien dat van dit in rov. 4.31 door de OK aangenomen herstel sprake is of zal zijn indien, zoals zij dus in het midden laat, (de gebreken van) de besluiten uit mei/juni 2019 niet daadwerkelijk zijn hersteld.
heeftplaatsgevonden, waarmee de OK kennelijk mede doelt op, kort gezegd, de (vermeende) herstelbesluiten (tot bekrachtiging) van 2023. Indien, zoals [eiser] heeft gesteld en de OK blijkens rov. 4.26 in het midden laat, de besluiten van mei/juni 2019 onherstelbare gebreken vertoonden (leidend tot non-existentie, nietigheid of vernietigbaarheid) en (dus) in 2023 niet zijn hersteld/bekrachtigd, is immers niet in te zien dat (daadwerkelijk) sprake is geweest van sanering en herstel.
klacht a.
klachten b-d, die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
uitdrukkelijkeen beroep op de ongeldigheid van de desbetreffende besluiten had moeten doen alvorens niet langer meer kon worden aangenomen dat hij die besluiten als geldig aanmerkte (art. 3:58 lid 1 BW), miskent de OK dat dit vereiste (‘uitdrukkelijk’) niet geldt voor betrokkenen die, zoals [eiser] , bij de rechtshandeling/het besluit geen partij zijn.
uitdrukkelijkeen beroep op de ongeldigheid van de desbetreffende besluiten uit mei/juni 2019 had moeten doen alvorens niet langer meer kon worden aangenomen dat hij die besluiten als geldig aanmerkte (art. 3:58 lid 1 BW). De OK overweegt daarin eenvoudigweg dat het voor haar geenszins evident is dat [eiser] zich vóór 17 november 2023 heeft beroepen op de ongeldigheid van die besluiten.
klacht a.
klacht b.
afwijzingvan het verzoek van [eiser] : tot vaststelling van wanbeleid van ICTS (rov. 4.31-4.32); [84] tot het treffen van voorzieningen op de voet van art. 2:355 BW in verbinding met art. 2:356 BW (rov. 4.33); [85] én tot veroordeling van [verweerder 2] in de kosten van het onderzoek (rov. 4.34). [86] Bij die stand van zaken ligt het in de rede dat ook [eiser] ’ verzoek ICTS te veroordelen in de proceskosten wordt afgewezen, wat dus volgt uit het bestreden oordeel.