Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
verklaring van de verdachte.
proces-verbaal van aangifted.d. 7 december 2021 van de politie Eenheid Den Haag […]. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – […]:
Ik ben geslagen door mijn buurman en heb daar een blauw linker oog aan overgehouden. Op 26 augustus 2021 omstreeks 22.30 uur was ik op bezoek bij mijn buurman genaamd [verdachte] . Ik wilde hem met een gesprek duidelijk maken dat ik vriend had en geen relatie met wilde.
[verdachte] werd heel driftig. Uit het niets zag en voelde ik een harde klap op mijn linkeroog. Ik zag en voelde dat hij dit deed met gebalde vuist. Ik voelde dat hij mijn een vuistslag met opzet en kracht gaf. Na een aantal minuten voelde ik het gaan kloppen rondom mijn oog. Ik heb de volgende ochtend een foto gemaakt van mijn oog. Ik had een dik blauw oog.
(…)
“ [verdachte] is erg jaloers op mijn huidige vriend. Hij valt mij en mijn vriend erg lastig. Ik voel dat dit bij mij erg mentaal zwaar valt. Omdat [verdachte] mij niet met rust laat en mijn vriend niet met rust laat heb ik besloten om alsnog aangifte te doen.”Het doen van de aangifte is dan ook niet zozeer ingegeven als zijnde een reactie op wat er op 26 augustus 2021 gebeurd zou zijn, maar de aangifte lijkt in plaats daarvan alles te maken te hebben met een tot op heden geslaagde poging om cliënt een hak te zetten. Het is daarbij goed om te realiseren dat aangeefster op 26 augustus nog geen relatie had met [betrokkene 1] , de “huidige vriend” waarover zij het heeft in haar aangifte. Niet voor niets duidt zij hem op die wijze aan.
“Niemand heeft het moment gezien dat ik ben geslagen. [getuige] heeft alleen gehoord dat er ruzie was, en zag later na het incident dat ik een blauw oog had.”[getuige] is de vriendin van aangeefster die later, op 6 januari 2022, bij de politie een verklaring heeft afgelegd. Zij verklaart bij die gelegenheid niet over een blauw oog, maar over een dik oog. Los van dat substantiële verschil is inderdaad van belang dat zij niet aanwezig was in de woning ten tijde van het gesprek en het voorval tussen cliënt en aangeefster. De getuige heeft alleen verklaard over een bonk die zij heeft gehoord. Voor het overige heeft zij van het incident niets waargenomen. Verder heeft de getuige het gehad over het troosten van aangeefster door haar, maar een specifieke verklaring over de bij aangeefster waargenomen emoties heeft zij niet afgelegd op 6 januari 2022.
“Op woensdag 10 november 2021, te 01.50 uur, werd verdachte [betrokkene 1] op de [a-straat 2] te [plaats] , op heterdaad aangehouden als verdacht van overtreding van bedreiging, zoals genoemd in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht.”Kennelijk was er in elk geval het nodige aan de hand op dat moment, en voorts is niet in geschil dat [betrokkene 1] op dat moment (wel) de partner was van aangeefster. Dit is dus gebeurd op 10 november 2021. De aangifte van aangeefster dateert van 7 december 2021. Het is daarmee heel erg aannemelijk dat de aangifte die aangeefster heeft gedaan juist een reactie is geweest op de strafrechtelijke vervolging van [betrokkene 1] . Het feit dat [betrokkene 1] daadwerkelijk is vervolgd en bij de politierechter is geweest voor deze zaak onderstreept die gedachte juist alleen maar.
“dat jij mij schreeuwt is Ziek heb je niks gedaan kom je ruzie zoeken jij start zelf en dan wil jij weer laatste zeggetje hebben”.De inhoud van dit gesprek sluit veel beter aan op datgene wat cliënt heeft verklaard, namelijk dat het een verbale ruzie is geweest, dan bij de lezing van aangeefster.
NJ2015/60 m.nt. Keulen, waarin het overigens ging om de betrouwbaarheid van een bekennende verklaring van de verdachte. De bekentenis zou volgens de verdediging door de verdachte zijn afgelegd uit bescherming van haar toenmalige vriend. De verdediging voerde daartoe onder meer aan dat uit de taps en getuigenverklaringen direct na het incident bleek dat de toenmalige vriend van de verdachte had gezegd dat hij het slachtoffer had gedood, dat pas later het verhaal ontstond dat de verdachte het slachtoffer zou hebben gedood omdat het slachtoffer haar wilde aanranden, dat getuigen dit verhaal niet geloofden gezien – onder andere − het postuur van de verdachte, en dat de verdachte onder invloed van haar toenmalige vriend de schuld op zich had genomen omdat die vriend nog straffen open had staan en zij dacht dat zij gezien haar misbruikachtergrond slechts een korte straf te wachten stond.
NJ2014/279 m.nt. Schalken volgens de Hoge Raad volstaan met de wat formuleachtige overweging dat het door de verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en dat er geen reden was aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In die zaak was door de verdediging in essentie aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen over de ten laste gelegde bedreiging innerlijk en onderling tegenstrijdig waren nu zij verschilden over wie de woning had betreden en in welke volgorde, waar de verdachte zich bevond en hoe hij het mes vasthield, welke woorden waren gezegd en of er een stekende beweging was gemaakt.