Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
De overige klachten die betrekking hebben op het op de medische verklaring gebaseerde oordeel van de rechtbank over de diagnose en in verband daarmee het afwijzen van het verzoek om een second opinion, slagen grotendeels wel.
2.Feiten en procesverloop
Onder de bijlagen bij dit verzoekschrift bevindt zich een medische verklaring van de onafhankelijk psychiater van 11 februari 2025.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 2 bestaat uit twee subonderdelen, waarbij subonderdeel 2.1 klaagt dat onbegrijpelijk is hoe de rechtbank heeft kunnen oordelen dat bij betrokkene sprake is van een verstandelijke handicap, nu de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele medische situatie van betrokkene. Subonderdeel 2.2 klaagt dat genoemd oordeel van de rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk is omdat betrokkene aan zijn verweer de ondeugdelijkheid van de diagnose “verstandelijke beperking” ten grondslag heeft gelegd, alsmede het ontbreken van het vereiste van de actualiteit daarvan en onduidelijk is of, en zo ja, op welk verweer de rechtbank heeft gerespondeerd.
Onderdeel 3 klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen reden ziet om een second opinion te laten uitvoeren.
Onderdeel 4 klaagt dat indien (een van) de voorgaande onderdelen (slaagt) slagen, daarmee ook artikel 5 aanhef Pro sub e EVRM en artikel 14 lid 1 sub b van Pro het VN Gehandicaptenverdrag zijn geschonden.
Onderdeel 5 bevat een veegklacht.
Met die wet is beoogd een wettelijke basis in de Wet Bopz op te nemen voor beoordelingen door de arts voor verstandelijk gehandicapten en de specialist ouderengeneeskunde, elk op zijn eigen deskundigheidsterrein en hen daarvan niet langer uit te sluiten.
Het is niet de doelstelling van die wet de bevoegdheden van de psychiater te beperken. (Kamerstukken II 2012/13, 33507, nr. 6, p. 14).”
medical expertdie door art. 5, lid 1 onder e, EVRM wordt vereist. Uit de tekst van het zesde lid van art. 1 Wet Pro Bopz blijkt niet dat de wetgever de voordien bestaande algemene bevoegdheid van (BIG-geregistreerde) psychiaters heeft beperkt. Anders dan annotator Frederiks (Jgz 2017/11, punt 3 en 4 van de annotatie) heeft afgeleid uit de in alinea 2.5 hiervoor geciteerde passage uit de memorie van toelichting, maak ik uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze wet slechts op dat de wetgever de arts verstandelijk gehandicapten heeft ‘gelijkgesteld’ met een psychiater ‘voor zover het de opname of het verblijf van een verstandelijk gehandicapte betreft’. De in de parlementaire geschiedenis genoemde en in HR 1 september 2017 bedoelde beperking tot het ‘eigen deskundigheidsterrein’ geldt dus voor de specialist ouderengeneeskunde en voor de gespecialiseerde arts verstandelijk gehandicapten. Het deskundigheidsterrein van de algemene psychiater omvat ook de beoordeling van verstandelijk gehandicapten.”
ter zake kundige artsdie de betrokkene [6] met het oog op de machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar die ten minste gedurende één jaar geen zorg heeft verleend aan de betrokkene en ten opzichte van de zorgaanbieder onafhankelijk functioneert.
terwijl de medische verklaring voor iemand met een verstandelijke beperking door een arts voor verstandelijk gehandicapten moet worden opgesteld. Ook wanneer de diagnose al wel reeds is gesteld, kan de medische verklaring het beste door een ter zake deskundige arts worden opgesteld, wat de keuze voor de desbetreffende bepaling mede motiveert. Immers, in de verklaring moet worden ingegaan op het ernstig nadeel dat zich voordoet of dreigt voor te doen. Nu kennen zowel dementie als een verstandelijke beperking vele uitingsvormen. Zo heeft iemand met dementie vaak al jaren zijn geheugenproblemen verborgen.
Om dan achter de façade te kunnen kijken en te kunnen beoordelen of er sprake is van ernstig nadeel is grondige kennis van de doelgroep noodzakelijk. Hetzelfde geldt voor jongeren met een lichte verstandelijke beperking, die bijzonder «streetwise» kunnen overkomen maar het soms toch niet redden zonder een (tijdelijke) opname. Tegelijkertijd kunnen zich ook bepaalde omstandigheden voordoen die voor een leek als ernstig nadelig kunnen overkomen, maar waarvan een deskundig arts weet dat zij horen bij een bepaalde aandoening of beperking en niet noodzakelijkerwijs tot opname hoeven te leiden.Tot slot wordt de keuze voor een arts ingegeven door het feit dat alleen deze discipline kan uitsluiten dat er een medische oorzaak voor bepaald probleemgedrag is. Wij menen dus dat de positie van de doelgroepen waar het wetsvoorstel op ziet, het beste wordt beschermd door de keuze voor een ter zake deskundig arts. Uiteraard staat het de arts vrij een andere discipline te consulteren, zoals een orthopedagoog of andere gedragsdeskundige. De verklaring kan pas worden opgemaakt na een persoonlijk voorafgaand onderzoek van de cliënt door de bewuste arts. Het is niet voldoende indien bijvoorbeeld de verpleeghuisarts het onderzoek laat verrichten door een arts-assistent, huisarts of indicatiesteller en vervolgens de verklaring tekent.”
uitsluitendeen arts voor verstandelijk gehandicapten de diagnose verstandelijke beperking in een medische verklaring zou mogen stellen. Ik wijs daartoe op de latere nota naar aanleiding van het verslag inzake het voorstel tot wijziging van onder andere de Wzd waarin het volgende staat: [8]
dat volgens de regering een ter zake kundige arts in de regel een specialist ouderengeneeskunde of een arts verstandelijk gehandicapten zal zijn.Deze ter zake kundige artsen kunnen zijn aangesteld als Wzd-functionaris, maar
ter zake kundige artsen kunnen ook betrokken zijn bij het afgeven van een medische verklaring op basis waarvan een cliënt wordt aangemerkt als een cliënt die onder de Wzd valt en op grond daarvan (in het uiterste geval) onvrijwillige zorg kan krijgen.”
JGz-noot onder de hier bestreden beschikking over de deskundigheid van de psychiater op het terrein van de verstandelijke handicap het volgende op:
onderdeel 1.
onderdelen 2 en 3, die zich voor een gezamenlijke bespreking lenen.
ernstige vermoedenbestaat dat het onmiddellijk dreigende ernstige nadeel wordt veroorzaakt door het gedrag van die betrokkene als gevolg van zijn verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie hiervan.
Ook heb ik in die conclusie betoogd dat een summiere onderbouwing van een medische verklaring een formeel gebrek kan opleveren, indien niet is voldaan aan de eis van artikel 27 lid 2 Wzd Pro dat de medische verklaring met redenen omkleed wordt. Dat gebrek kan naar mijn idee gerepareerd worden door het verschaffen van aanvullende schriftelijke of mondelinge informatie ter zitting door de onafhankelijke arts. Op vergelijkbare wijze kan een medische verklaring die niet meer actueel is (art. 27 lid 2 Wzd Pro) schriftelijk of mondeling geactualiseerd worden door de onafhankelijke arts. [15]
onderdelen 2 en 3.
psychologisch onderzoekvan betrokkene dat in 2017 heeft plaatsgevonden. [16] Betrokkene was toen 64 jaar. Daaruit komt, samengevat, naar voren dat de cognitieve vermogens van betrokkene zich op licht verstandelijk beperkt niveau bevinden. In dit onderzoek is een IQ van 56 vastgesteld. [17] Daarnaast komen in het onderzoek aanwijzingen naar voren voor een autismespectrumstoornis, maar daarnaar is geen uitgebreid onderzoek verricht. [18]
indicatiebesluitvoor onbepaalde tijd afgegeven. [19] Hoewel gevraagd was om zorgprofiel VG 07 (Verstandelijk gehandicapt (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering) [20] is het zorgprofiel VV 07 (Verpleging en Verzorging Beschermd wonen met zeer intensieve zorg, vanwege specifieke aandoeningen, met nadruk op begeleiding) vastgesteld voor betrokkene. In het indicatiebesluit is ter onderbouwing van dit zorgprofiel, voor zover van belang, het volgende opgenomen (onderstrepingen van mij; A-G): [21]
waardoor een grondslag psychische stoornis niet kan worden gesteld. Er wordt gesproken van een licht verstandelijke beperking en een score uit een intelligentieonderzoek wijst op een TIQ van 56. Echter, dit is voor het eerst bij een leeftijd van 64 jaar afgenomen. Er zijn onvoldoende geobjectiveerde gegevens bekend over uw adaptief functioneren (vastgelegd door een terzake kundige) en er zijn onvoldoende objectieve gegevens bekend over functioneren gedurende de vroege ontwikkelingsleeftijd. Ook ontbreekt een professioneel oordeel over de samenhang tussen cognitief en adaptief functioneren door een terzake kundige.
Een VG (Verstandelijk gehandicapt; A-G) grondslag kan zodoende niet worden vastgesteld.
medische verklaringvan die datum is, voor zover in cassatie relevant, ten aanzien van het onderzoek door de psychiater en de diagnose van betrokkene het volgende verklaard:
Verstandelijke beperking
mondelinge behandelingop 14 februari 2025 blijkt evident van een behoefte aan zorg van betrokkene, maar blijkt ook dat geen sprake is van een duidelijke diagnose en dat hiervoor nader onderzoek is vereist, zoals de verpleegkundig specialist verklaart. Om recht te doen aan de discussie ter zitting citeer ik redelijk uitvoerig uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (onderstrepingen van mij; A-G): [22]
We willen hier ook diagnostiek uitvoeren om te weten te komen waar het gedrag vandaan komt.We zijn al vier maanden aan het kijken voor een goede plek, maar dat is nog niet gelukt.
Het is lastig, want de IBS is in november aangevraagd op basis van een verstandelijk gehandicaptenstoornis, maar toen is de IBS afgewezen omdat de diagnose niet voor zijn achttiende levensjaar is gesteld. De IBS is uiteindelijk vier keer afgewezen omdat er geen duidelijke diagnose is.
Onderzoek in 2017 heeft uitgewezen dat hij een IQ van 56 heeft, maar is dat voldoende?
Dan moeten we terugvallen op de wet. Die stelt dat er sprake moet zijn van een verstandelijke handicap of er moet een indicatiebesluit zijn waaruit blijkt dat sprake is van een verstandelijke handicap. Er is wel een indicatiebesluit. Dat is een VV7, maar niet een VG.
Dit is ook alleen gebaseerd op het onderzoek in 2017, dus niet op eigen onderzoek. Dus primair afwijzing en subsidiair aanhouding om een ter zake kundig arts te laten beoordelen of wel of niet sprake is van een verstandelijke beperking.(…).
De vraag is of er verdere geriatrische problematiek speelt.Op dit moment is er evident levensgevaar, los van wilsbekwaamheid, want het ging meteen mis toen u thuis was. Dus data maakt dat er allerlei redenen zijn.
Er is sprake van een verstandelijke beperkingen ernstig nadeel kan niet anders afgewend worden dan door een opname hier.”
subonderdeel 2.1wordt mijns inziens terecht geklaagd dat de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene, althans dat niet duidelijk is hoe de psychiater tot zijn diagnose is gekomen en dat – dus, zou ik zeggen – onbegrijpelijk is hoe de rechtbank (kennelijk impliciet) heeft kunnen oordelen tot een verstandelijke handicap.
Nu de rechtbank zich voor haar kennelijke oordeel over de (vermoedelijke) diagnose van betrokkene uitsluitend baseert op de conclusie van de onafhankelijke psychiater die op zijn beurt ter onderbouwing daarvan slechts verwijst naar het in 2017 vastgestelde IQ van betrokkene, slaagt subonderdeel 2.1. In het licht van de bestaande onduidelijkheid over de diagnose van betrokkene had meer verwacht mogen worden van zowel de medische verklaring als het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank.
vermoedelijkediagnose wordt gesteld. [24] De rechtbank stelt vervolgens in de eveneens in onderdeel 2 bestreden r.o. 4.7 wel vast dat
vermoedwordt dat het ernstig nadeel wordt veroorzaakt door gedrag dat voortvloeit uit een verstandelijke handicap.
louterheeft geoordeeld dat zij geen reden heeft om te twijfelen aan de door de onafhankelijk psychiater getrokken conclusie van een verstandelijke beperking van betrokkene. De rechtbank overweegt daarnaast immers dat de psychiater is uitgegaan van een combinatie van eigen onderzoek (waaruit de actuele situatie van betrokkene blijkt, zo begrijp ik de rechtbank) en het psychologisch onderzoek uit 2017. Ik begrijp het oordeel van de rechtbank aldus, dat zij in de bestreden r.o. 4.3 zowel respondeert op het verweer dat überhaupt geen verstandelijke beperking kon worden vastgesteld als op het verweer dat de medische verklaring geen inzicht verschaft in de actuele situatie van betrokkene.
Dat het bestreden oordeel als zodanig in het licht van de summiere inhoud van de medische verklaring onvoldoende begrijpelijk is (zie hiervoor onder 3.33-3.36), maakt het voorgaande niet anders.
De rechtbank ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om, zoals de advocaat subsidiair heeft verzocht, een second opinion te laten uitvoeren.”
Dat de afwijzing van het verzoek om een second opinion in de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd, betekent mijns inziens dus niet dat ook zonder meer een second opinion had moeten plaatsvinden.
JGz-noot van psychiater Van den Bosch onder de hier bestreden beschikking ligt de nadruk op het belang van betrokkene om de zorg te krijgen die hij nodig heeft. Dat is uiteraard een groot belang van een betrokkene. Een zaak als deze toont echter ook aan dat op de hierbij betrokken juristen – de advocaat van een betrokkene en de rechter – de verantwoordelijk rust om ook dan kritisch aan de orde te stellen respectievelijk te onderzoeken of aan de wettelijke eisen voor het verlenen van de verzochte machtiging is voldaan, hoezeer ook blijkt dat een betrokkene zorg nodig heeft. Ook dat is een groot belang van een betrokkene.
onderdeel 5slaagt.