ECLI:NL:PHR:2026:182

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
25/00785
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:52 BWArt. 6:58 BWArt. 6:59 BWArt. 6:119a BWArt. 6:120 BW
Verwijzingen
38 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder bij niet-betaling pachtprijs ondanks gebreken opstallen

Deze zaak betreft de afwikkeling van een hoevepachtovereenkomst tussen Stichting Wageningen Research (SWR) als verpachter en [pachter] B.V. als pachter, met [bestuurder van pachter] als bestuurder. De pachtovereenkomst omvatte agrarische opstallen, 250 hectare grond en een woning. SWR vorderde ontbinding van de pachtovereenkomst, ontruiming en betaling van achterstallige pacht. [pachter] stelde opschorting, verrekening en pachtprijsvermindering in verband met gebreken aan de opstallen.

De rechtbank en het hof stelden vast dat de pachtprijs verminderd moest worden vanwege gebreken, maar dat volledige opschorting van de pachtprijs disproportioneel was. Het hof oordeelde dat [bestuurder van pachter] persoonlijk aansprakelijk was omdat hij bewust betaling aan SWR had achtergehouden terwijl andere crediteuren, waaronder gelieerde vennootschappen, wel werden betaald, waardoor verhaal op [pachter] niet meer mogelijk was.

In cassatie werden diverse klachten ingediend, onder meer over rekenfouten en de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder. De conclusie van de procureur-generaal is dat enkele rekenfouten gegrond zijn, maar dat de overige klachten, waaronder die over de disproportionaliteit van de opschorting en de aansprakelijkheid van de bestuurder, niet slagen. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en bevestigt de ontbinding van de pachtovereenkomst, de veroordeling van [pachter] tot betaling van de pachtprijs verminderd met schadevergoeding, en de hoofdelijk aansprakelijkheid van de bestuurder voor hetzelfde bedrag, vermeerderd met wettelijke handelsrente.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontbinding van de pachtovereenkomst, veroordeelt [pachter] en haar bestuurder hoofdelijk tot betaling van de aangepaste pachtsom met wettelijke handelsrente en corrigeert rekenfouten.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00785
Zitting20 februari 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
1. [pachter] B.V.
2. [bestuurder van pachter]
tegen
Stichting Wageningen Research
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [pachter] en [bestuurder van pachter] respectievelijk SWR.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft de afwikkeling van een hoevepachtovereenkomst. Van de hoeve maken enkele agrarische opstallen deel uit, daarnaast ongeveer 250 hectare grond en een woning. Verpachter SWR heeft onder meer ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming gevorderd, alsook betaling van achterstallige pacht. Pachter [pachter] heeft zich beroepen op opschorting, verrekening en pachtprijsvermindering vanwege gebreken van de opstallen. De pachtkamers van rechtbank en hof hebben de pachtprijs in verband met gebreken verminderd, maar overigens de vorderingen van SWR grotendeels toegewezen. Volledige opschorting van de pachtprijs was volgens rechtbank en hof niet proportioneel.
1.2
SWR houdt [bestuurder van pachter] als bestuurder van [pachter] persoonlijk aansprakelijk voor hetzelfde bedrag als wat de vennootschap als pachter schuldig is. De rechtbank heeft dit afgewezen. In hoger beroep heeft het hof [bestuurder van pachter] alsnog persoonlijk aansprakelijk geacht naast [pachter]. Volgens het hof heeft [bestuurder van pachter] als bestuurder het ertoe geleid dat [pachter] welbewust SWR niet betaalde, terwijl andere schuldeisers (waaronder aan [bestuurder van pachter] gelieerde vennootschappen) wél werden voldaan, met als gevolg dat nu geen verhaal op [pachter] meer mogelijk is.
1.3
[pachter] en [bestuurder van pachter] komen met diverse klachten tegen het arrest van het hof op. Mijns inziens slagen enkele klachten over door het hof gemaakte rekenfouten en een onjuist bedrag voor griffierecht. De andere klachten van het middel slagen mijns inziens niet. Mijns inziens kan uw Raad de zaak zelf afdoen.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [1]
(i) SWR is in de Flevopolder eigenaar van een groot areaal landbouwgrond voor onderzoeksdoeleinden. [bestuurder van pachter] is aandeelhouder en bestuurder van [pachter]. Partijen zijn een pachtovereenkomst aangegaan voor een melkveebedrijf met 250 hectare grond. Rond 1 september 2016 heeft [pachter] het bedrijf met ongeveer 450 koeien betrokken en vanaf 1 januari 2017 heeft [pachter] de grond in gebruik genomen. SWR heeft zich eerst op het standpunt gesteld dat geen pachtovereenkomst is aangegaan en heeft in januari 2017 in kort geding ontruiming gevorderd. Dat is afgewezen.
(ii) In daaropvolgende bodemprocedures is uiteindelijk bij vonnis van de pachtkamer in Lelystad van 31 januari 2018 voor recht verklaard dat een hoevepachtovereenkomst tot stand is gekomen voor de duur van 12 jaar met een pachtsom van € 511.050. Dit is voor zover relevant in deze zaken bekrachtigd bij arrest van het hof van 4 mei 2021. [2] Bij beschikking van de Grondkamer Noordwest van 15 oktober 2021 is de pachtovereenkomst goedgekeurd, waarbij de pachtprijs is verlaagd naar € 421.675 per jaar. Deze pachtprijs valt uiteen in € 127.400 voor de opstallen, € 286.672 voor de gronden en € 7.603 voor de woning. [pachter] heeft vanaf de ingebruikname geen gebruiksvergoeding of pachtsom aan SWR voldaan. De gebouwen bestaan onder andere uit een woning, een serrestal, een arenastal en een transitiestal.
(iii) Op grond van wat in het vonnis van 31 januari 2018 en het arrest van 4 mei 2021 is bepaald is verder voor zover relevant het volgende afgesproken met betrekking tot de pacht:
Ten aanzien van de opstallen(onderdeel 10 van de inleidende dagvaarding in de procedure die met het arrest van 4 mei 2021 is geëindigd, onder A): in artikel 1 getiteld Pro “Duur en aanvang” is de ingangsdatum opengelaten. In artikel 3 (“Pachtprijs en betaling”) is afgesproken dat de pachtpenningen in vier termijnen per jaar betaald zouden worden, de eerste termijn voor 1 juli van elk pachtjaar, voor het eerst op 1 juli 2016 en daarna uiterlijk elke eerste dag van het volgende kwartaal. In artikel 5 (“Onderhoud en opstallen”) is opgenomen dat dit onderhoud en de kosten daarvan volledig onder verantwoordelijkheid van de pachter vallen.
Ten aanzien van de gronden(onderdeel 10 van de inleidende dagvaarding in de procedure die met het arrest van 4 mei 2021 is geëindigd, onder B): in artikel 1 (“Algemeen”) is opgenomen dat pachter bekend is met het gepachte en geen beschrijving daarvan verlangt en het gepachte aanvaardt in de onderhoudsstaat waarin het zich bevindt in afwijking van art 7:332 lid 2 BW Pro, zodat hij geen vordering heeft op de verpachter wegens de niet goede staat van onderhoud van het pachtobject bij de levering. In artikel 4 (“Pachtprijs en betaling”) is onder andere afgesproken dat de pachtpenningen in twee gelijke termijnen per jaar betaald moeten worden en wel op 1 mei en 1 november van elk jaar, voor het eerst op 1 mei 2017, dat de pachtprijs elk jaar wordt geïndexeerd conform een door SWR opgesteld memorandum en de pachtprijs zonder kosten, korting, inhouding of vergelijking moet worden voldaan. Bij niet-tijdige betaling van de pachtprijs moet de pachter “wettelijke rente” betalen. Ook is afgesproken dat SWR 250 betalingsrechten voor 1 mei 2017 zou overschrijven op naam van pachter.
(iv) Op 21 november 2016 heeft zich een storm voorgedaan (hierna: de eerste storm). Daarbij is enige schade ontstaan aan het dak van de serrestal en de transitiestal. Een onderhoudsmedewerker van SWR heeft op 23 november 2016 aan [pachter] laten weten dat het dak hersteld zou worden.
(v) Bij brief van 9 maart 2017 heeft [pachter] SWR gewezen op de volgens haar slechte staat van onderhoud van de daken van de serrestal, transitiestal en bezoekersruimte, en gesommeerd te bevestigen dat de gebreken aan de daken zullen worden hersteld. SWR heeft dat geweigerd, omdat er volgens haar geen sprake was van een pachtovereenkomst.
(vi) Op 18 januari 2018 heeft zich een tweede storm voorgedaan (hierna: de tweede storm). Daarbij zijn de daken van de transitiestal en de serrestal beschadigd. Op 22 januari 2018 en 7 maart 2018 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) het melkveebedrijf bezocht. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt, waarin foto’s van de stallen zijn opgenomen. In opdracht van [pachter] is het dak van de transitiestal in maart 2018 partieel hersteld. Op 18 september 2020 hebben deskundigen van de Grondkamer Noordwest het gepachte bezocht. Van dit bezoek is een verslag opgesteld. Eind oktober 2018 is het dak van de serrestal in opdracht van SWR hersteld.
(vii) Op 18 februari 2022 heeft zich een derde storm voorgedaan (hierna: de derde storm), waarbij er schade is opgetreden aan de stallen van het melkveebedrijf.
(viii) SWR heeft op 13 februari 2018 verschillende facturen voor verkocht ruwvoer, rendementsbrokken e.d. en inventaris bij [pachter] in rekening gebracht. Na vermindering resteren facturen voor € 233.185.
(ix) SWR heeft vanaf 31 januari 2019 voor de afrekening van nutsvoorzieningen facturen aan [pachter] gestuurd voor de jaren 2017 en daarna van in totaal € 62.858,02.
(x) [pachter] heeft geen pachtpenningen of facturen aan SWR betaald. SWR heeft conservatoire beslagen gelegd ten laste van [pachter] en [bestuurder van pachter] .
(xi) [pachter] heeft op 14 januari 2023 het gepachte ontruimd. Nadat de mestkelders van het gepachte in september 2022 waren leeggemaakt is daarna vóór de ontruiming mest aangevoerd en in de mestsilo’s achtergebleven.
2.2
Bij inleidende dagvaarding van 8 november 2021 heeft SWR [pachter] en [bestuurder van pachter] gedagvaard voor de pachtkamer van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. In conventie heeft SWR onder meer gevorderd ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van de hoeve op straffe van een dwangsom, alsook hoofdelijke veroordeling van [pachter] en [bestuurder van pachter] tot betaling van € 2.413.042,92 voor achterstallige pacht (alsook van bedragen voor energiekosten en verkocht ruwvoer enz.), een en ander vermeerderd met wettelijke handelsrente. In reconventie heeft [pachter] onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat SWR toerekenbaar tekort is geschoten in haar verplichtingen, onder meer door gebreken niet te herstellen en de betalingsrechten niet over te dragen, veroordeling van SWR tot herstel van de gebreken en overdracht van de betalingsrechten op straffe van een dwangsom, veroordeling van SWR tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en tot betaling van een voorschot van € 1.839.000 voor zover niet reeds verrekend met de pachtpenningen, dan wel vermindering van de pachtprijs tot het moment dat SWR aan haar herstelverplichting heeft voldaan.
2.3
Bij vonnis van 19 oktober 2022 [3] heeft de rechtbank in conventie onder meer de pachtovereenkomst per 1 januari 2023 ontbonden en ontruiming bevolen, [pachter] veroordeeld tot betaling van € 1.995.385,40 voor achterstallige pacht, € 62.858,02 voor energiekosten en € 232.708 voor verkocht ruwvoer enz., vermeerderd met de wettelijke handelsrente. De rechtbank heeft de vorderingen van SWR jegens [bestuurder van pachter] afgewezen. In reconventie heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat SWR toerekenbaar is tekortgeschoten door de betalingsrechten niet aan [pachter] over te dragen en bepaalde gebreken niet te herstellen (de gebreken aan daken van de serrestal en de transitiestal na de tweede storm, wat betreft de serrestal tot het herstel eind oktober 2018, alsook de daken en overige constructies van de serrestal, transitiestal en arenastal na de derde storm), SWR veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en de pachtprijs verminderd. Zowel in conventie als in reconventie heeft de rechtbank haar vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, afgezien van de in reconventie gegeven verklaring voor recht.
2.4
In het geding tussen SWR en [pachter] heeft [pachter] hoger beroep ingesteld bij de pachtkamer van het Hof Arnhem-Leeuwarden. [4] [pachter] heeft haar eis in reconventie vermeerderd wat betreft het gevorderde voorschot tot bedragen van € 3.210.090 en € 6.000 voor kosten van [partijdeskundige] . Ook heeft zij veroordeling van SWR gevorderd tot terugbetaling van hetgeen zij inmiddels ter uitvoering van het bestreden vonnis aan SWR had voldaan. [pachter] heeft tevens incidenteel gevorderd dat het hof de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 19 oktober 2022 zal schorsen. Dit is door het hof afgewezen. [5] SWR heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en daarbij haar eis jegens [pachter] vermeerderd met € 371.406,82 in verband met nieuw verschuldigde pacht en energiekosten, met wettelijke handelsrente.
2.5
In het geding tussen SWR en [bestuurder van pachter] , heeft SWR hoger beroep ingesteld bij de pachtkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. [6] SWR heeft haar eis vermeerderd met een vordering tot vergoeding van de schade die SWR heeft geleden door het aanvoeren van, en achterlaten van mest in de mestkelders van het gepachte vlak voor de ontruiming.
2.6
In het geding tussen [pachter] en SWR heeft het hof bij eindarrest van 31 december 2024 [7] het vonnis van de rechtbank vernietigd, behalve de beslissingen in conventie aangaande de ontbinding van de pachtovereenkomst en ontruiming van het gepachte door [pachter]. Het hof heeft in conventie [pachter] onder meer veroordeeld (hoofdelijk, naast [bestuurder van pachter] ) tot betaling van € 2.280.370,99 [8] , te vermeerderen met wettelijke handelsrente. Het hof heeft in reconventie voor recht verklaard dat SWR toerekenbaar is tekortgeschoten in haar verplichtingen door bepaalde gebreken niet te herstellen (gebreken aan de daken van de serrestal en de transitiestal na de tweede storm van 18 januari 2018, wat betreft de serrestal tot het herstel eind oktober 2018, alsmede de gebreken aan de daken en overige constructies van de serrestal, transitiestal en arenastal na de derde storm), SWR veroordeeld tot schadevergoeding nader op te maken bij staat en de pachtprijs verminderd.
2.7
Bij hetzelfde arrest heeft het hof in het geding tussen SWR en [bestuurder van pachter] het vonnis van de rechtbank vernietigd en [bestuurder van pachter] veroordeeld (hoofdelijk, naast [pachter]) tot betaling van hetzelfde bedrag als waartoe [pachter] is veroordeeld, dus € 2.280.370,99 [9] , alsook tot schadevergoeding nader op te maken bij staat voor de schade die het gevolg is van het aanvoeren van en achterlaten van de mest in de mestkelders van het gepachte vlak voor de ontruiming.
2.8
Bij herstelarrest van 18 februari 2025 [10] heeft het hof op verzoek van SWR diverse bedragen en berekeningen in het eindvonnis gecorrigeerd.
2.9
[pachter] en [bestuurder van pachter] hebben op 28 februari 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. SWR heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk doen toelichten.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Onderdeel 5 behelst enkel voortbouwklachten.
3.2
Onderdeel 1richt zich tegen rechtsoverwegingen 4.43 en 4.57-4.62 van het bestreden arrest. Kort samengevat heeft het hof in die overwegingen geoordeeld dat de uitoefening van het opschortingsrecht door [pachter] ‘vanaf de aanvang’ disproportioneel was. Het hof was ‘voorlopig’ van oordeel dat de schade die [pachter] heeft geleden niet in verhouding staat tot de opgeschorte pachtsom en oordeelde dat de rechtbank de pachtovereenkomst terecht heeft ontbonden.
3.3
Ik citeer de door het onderdeel aangevallen overwegingen en vanwege het verband ook rechtsoverwegingen 4.55 en 4.56:

Begroting van de schade of toewijzing van een voorschot op de schade door de gebreken?
4.43
Ten aanzien van de schade geleden door de vastgestelde gebreken in de exploitatie zal een schadebegroting of schatting moeten plaatsvinden vanuit de volgende uitgangspunten: een vergelijking zal moeten worden gemaakt tussen de situatie waarin er geen gebreken zouden zijn geweest en de werkelijke situatie, met inachtneming van het oordeel van het hof dat de volledige afbouw van de veestapel niet het gevolg was van de gebreken. Het hof heeft op dit moment onvoldoende aanknopingspunten om deze schade zelf te begroten of te schatten en ook om een voorschot daarop te bepalen. [pachter] vermeldt in haar processtukken dat zij op haar kosten de arenastal gerenoveerd heeft en het dak van de serrestal heeft laten repareren, heeft erop gewezen dat zij dieren elders heeft moeten onderbrengen omdat stallen niet beschikbaar waren en dat installaties door regen onbruikbaar zijn geworden en de NVWA herhaaldelijk op de stoep stond. Deze specifieke schadeposten, die mogelijk voor vergoeding in aanmerking komen, zijn echter niet verder uitgewerkt, omdat [pachter] zich op het standpunt heeft gesteld dat winstderving, zoals berekend in het [partijdeskundige] -rapport, de beste manier is om in dit geval de schade te begroten. Het hof heeft daarmee echter geen aanknopingspunten om de hierboven genoemde schadeposten te begroten of om een voorschot te bepalen. Het hof zal, net als de pachtkamer in Lelystad, daarom een verwijzing naar de schadestaatprocedure uitspreken, waarin de door [pachter] geleden schade kan worden opgemaakt. Daarin kan dan ook aan de orde komen in hoeverre de kosten van het [partijdeskundige] rapport op grond van artikel 6:96 BW Pro voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat het hof concludeert dat dit rapport voor de begroting van de schade vooralsnog geen goede grondslag biedt, wijst het op dit punt geen voorschot toe (grief 30 in het hoger beroep van [pachter]).
(…)
[pachter] mocht niet opschorten
4.55
[pachter] beroept zich erop dat zij de nakoming van haar verbintenis om pachtpenningen te betalen mocht opschorten, omdat SWR niet aan haar verbintenissen heeft voldaan om de hoeve zonder gebreken ter beschikking te stellen, weigerde gebreken te herstellen en haar verbintenis om betalingsrechten over te dragen niet nakwam. Daarmee was haar verbintenis om pachtpenningen te betalen niet opeisbaar, althans is SWR in schuldeisersverzuim gekomen (artikel 6:59 BW Pro). Ook beroept [pachter] zich op artikel 6:263 BW Pro. Gaat het beroep op het opschortingsrecht op, dan is [pachter] niet in verzuim en kan SWR niet ontbinden.
4.56
Artikel 6:52 BW Pro bepaalt dat een schuldenaar die een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt, indien tussen vordering en verbintenis voldoende samenhang bestaat om deze opschorting te rechtvaardigen. Daarbij moet onder samenhang worden begrepen zowel een samenhang tussen de wederzijdse verbintenissen (connexiteit) als een samenhang in de zin van het verband tussen de omvang van de opschorting en de opeisbare verbintenis (proportionaliteit). Dat vereiste geldt ook bij opschorting op grond van artikel 6:263 BW Pro.
4.57
Het beroep van [pachter] op opschorting slaagt niet omdat het disproportioneel is. [pachter] heeft nooit enig bedrag aan pacht betaald. Het hof heeft hierboven vastgesteld welke gebreken er waren. Ondanks deze gebreken heeft [pachter] in ieder geval een gedeelte van de bedrijfsgebouwen kunnen gebruiken. Niet gesteld is dat de gebreken een beletsel waren voor het gebruik van de gronden. Ongeacht wanneer de eerste pacht betaald moest worden, was het opschorten van de volledige pacht in die omstandigheden disproportioneel. Dat werd ook niet anders toen SWR de betalingsrechten op 1 mei 2017 niet had overgedragen. Volgens de berekeningen van [partijdeskundige] (productie 42) bedroeg de gemiste uitbetaling daarvan per jaar maximaal € 95.000. De pacht voor de gronden bedroeg € 286.672 per jaar. De tekortkoming van SWR rechtvaardigde daarmee niet een volledige opschorting. [pachter] stelt dat haar totale schade van een zodanige omvang is dat opschorting wel gerechtvaardigd is. Zij gaat daarbij echter uit van meer gebreken dan het hof heeft vastgesteld. Ook miskent zij daarmee dat haar schade gedurende de pacht is opgelopen, zowel door de gebreken als door het niet overdragen van de betalingsrechten. De onbetaalde pachtpenningen namen gedurende die tijd ook toe. Vanaf de aanvang van de opschorting door [pachter] stond de volledige opschorting van de pachtbetalingen daarom ook niet in verhouding tot de gebreken en de weigering de betalingsrechten over te dragen. De overige argumenten van [pachter] (dat over een korting op de pacht werd gesproken, dat SWR de pachtrelatie heeft betwist en dat [pachter] veel geld had geïnvesteerd en er daarom met SWR uit moest komen) doen voor de proportionaliteit van de opschorting niet ter zake.
4.58
De schade van [pachter] vanwege het niet overdragen van de betalingsrechten wordt in dit arrest begroot (zie hiervoor r.o. 4.48). De schade als gevolg van het niet herstellen van de gebreken moet nog in een vervolgprocedure worden vastgesteld (zie hiervoor r.o. 4.43). Het hof moet in dat geval onderzoeken of en in hoeverre de tegenvordering tot vergoeding van schade van [pachter] het beroep op een opschortingsrecht kan rechtvaardigen, waarbij het zal moeten volstaan met een voorshands oordeel omtrent (de omvang van) die tegenvordering nu nog een schadestaatprocedure moet volgen om de volledige schade vast te stellen. Het hof is gezien wat in dit arrest wordt overwogen voorlopig van oordeel dat de schade van [pachter] geleden door de vastgestelde gebreken en de weigering van SWR om de betalingsrechten over te dragen niet in verhouding staat tot de totale pachtsom die [pachter] heeft opgeschort.
4.59
[pachter] heeft zich ook beroepen op schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 BW Pro. Dat artikel bepaalt dat een schuldeiser in verzuim komt, wanneer nakoming van een verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. [pachter] stelt dat onvoldoende duidelijk was wat inhoud en ingangsdatum van de pachtovereenkomst was en dat SWR geen factuur heeft verzonden en ook geen rekeningnummer heeft verstrekt. Dit is onvoldoende voor schuldeisersverzuim. Een factuur is niet noodzakelijk om aan een betalingsverbintenis te kunnen voldoen. Dat SWR initieel geen rekeningnummer heeft verstrekt is onvoldoende, omdat niet gebleken is dat [pachter], had zij dit rekeningnummer wel gehad, bereid was de pachtpenningen te betalen en omdat SWR in februari 2018 wel een bankrekeningnummer heeft verstrekt, maar [pachter] daarna ook niets betaald heeft. [pachter] heeft ook niet gesteld dat zij enige poging heeft ondernomen om het rekeningnummer op te vragen. Dat [pachter] onvoldoende duidelijk was wanneer de pacht is ingegaan volgt het hof niet, omdat [pachter] zelf wist wanneer zij de hoeve in gebruik heeft genomen.
Het hof zal de ontbinding bekrachtigen
4.6
Nu vaststaat dat [pachter] betaling van de pachtpenningen niet mocht opschorten en deze ook niet betaald heeft, staat de tekortkoming van [pachter] vast. Dat bij de betaling van de pachtpenningen sprake was van fatale termijnen en [pachter] dus, als geen opschorting wordt aangenomen, in verzuim was, heeft de pachtkamer in Lelystad vastgesteld en daartegen is niet opgekomen. [pachter] heeft in belangrijke mate niet voldaan aan een primaire verbintenis. Het hof zal de ontbinding door de pachtkamer in Lelystad dan ook bekrachtigen. De overige gronden voor ontbinding die SWR heeft gesteld, hoeft het hof niet te behandelen.
4.61
[pachter] vindt dat de vordering van SWR op haar is teniet gegaan door verrekening met haar vordering tot vergoeding van de schade. Dat deze schadevordering groter is dan de vordering van SWR of dat een zodanige kleine vordering van SWR overblijft dat deze de ontbinding niet rechtvaardigt, is echter niet komen vast te staan en is in het licht van wat het hof hierboven heeft overwogen ook onvoldoende onderbouwd.
4.62
Volgens [pachter] is het beroep van SWR op ontbinding ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De omstandigheden waarmee zij dat onderbouwt zien op de gebreken, het niet overdragen van betalingsrechten en het onrechtmatige gedrag van SWR, die het hof hierboven al heeft behandeld. Deze omstandigheden zijn niet voldoende om op grond van de redelijkheid en billijkheid aan SWR de ontbinding te ontzeggen. Daartegenover staat namelijk dat [pachter] zelf in ernstige mate is tekortgeschoten door in het geheel geen pacht te betalen.’
3.4
Tegen deze overwegingen richt het onderdeel zowel een rechts- als een motiveringsklacht. Die klachten worden ingeleid met de stelling dat het verstrekkende oordeel van het hof dat het beroep op een opschortingsrecht door [pachter] van aanvang af disproportioneel was en ook ontbinding van de pachtovereenkomst niet ongerechtvaardigd is, ‘niet te rijmen’ is met het oordeel van het hof dat het onvoldoende aanknopingspunten heeft om de schade te begroten of zelfs maar te schatten en dat het hof slechts een ‘voorlopig’ oordeel kan geven met de strekking dat de schade van [pachter] niet in verhouding staat tot de totale pachtsom die [pachter] heeft opgeschort (rechtsoverweging 4.58). Het hof zou hebben miskend dat zijn oordeel niets voorlopigs heeft, omdat het hier om een eindarrest gaat.
3.5
Een nadere toelichting op de klachten, hetzij in de procesinleiding in cassatie hetzij in de vorm van een schriftelijke toelichting, is door de stellers van het middel niet gegeven. Daarom moet ik ernaar raden of zij zich hebben gerealiseerd dat er gevestigde rechtspraak van uw Raad is over het geval dat een in rechte betrokken schuldenaar zich verweert met een beroep op opschorting op grond van een tegenvordering tot vergoeding van schade waarvan het bestaan en/of de hoogte
in een andere proceduremoet worden vastgesteld. Die rechtspraak laat aan de rechter die over de feiten oordeelt de mogelijkheid om zich te baseren op
een voorshands oordeelomtrent (de omvang van) die tegenvordering. [11] Het alternatief is de uitkomst af te wachten van een procedure waarin de schade uiteindelijk bindend zal worden vastgesteld. Uiteraard betekent dit laatste vertraging in de procedure. De rechter zal het nadeel van die vertraging moeten afwegen tegen de kans dat zijn voorshands oordeel achteraf bezien wezenlijk onjuist zal blijken te zijn (niet of juist wel bestaan van de tegenvordering in afwijking van het voorshandse oordeel, dan wel een relevant omvangrijkere of minder omvangrijkere tegenvordering).
3.6
Bij de mogelijkheid van een voorshands oordeel over het bestaan en de omvang van de beweerde tegenvordering moeten we bedenken dat het niet-definitieve en niet-bindende karakter van dat oordeel op geen enkele manier wegneemt dat beide partijen ten volle in de gelegenheid zijn om zich over dat bestaan en die omvang uit te laten. Dat geldt dus ook voor de schuldenaar die zich op opschorting beroept. Sterker, die schuldenaar draagt volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten waaruit het bestaan van het opschortingsrecht volgt. [12] Door die feiten in overeenstemming met zijn stelplicht zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen en zoveel als mogelijk te onderbouwen, heeft de schuldenaar het in belangrijke mate zelf in de hand hoe de rechter zal beslissen (uiteraard onverminderd de invloed van betwistingen door de wederpartij). Het karakter van dat oordeel als ‘voorshands’ doet er op geen enkele manier aan af dat het oordeel van de rechter begrijpelijk moet zijn (strikt genomen: niet onbegrijpelijk) in het licht van hetgeen door partijen is aangevoerd en van de bewijsmiddelen die eventueel door hen in het geding zijn gebracht. Het predicaat ‘voorshands’ brengt slechts tot uitdrukking dat de rechter die later alsnog over het bestaan en de omvang van de vordering als zodanig oordeelt (hier: de rechter in de schadestaatprocedure), aan het oordeel van de rechter die over het opschortingsverweer oordeelde niet gebonden is.
3.7
De klachten falen. Het hof mocht zijn definitieve oordeel over het opschortingsverweer van [pachter] wel degelijk baseren op een
voorlopigoordeel omtrent de omvang van de tegenvordering van [pachter]. [13] De overweging van het hof dat het onvoldoende aanknopingspunten had om de schade te begroten of zelfs maar te schatten, brengt ook niet mee dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de schade van [pachter] niet in verhouding staat tot de totale pachtsom die [pachter] heeft opgeschort. In rechtsoverweging 4.57 heeft het hof voor dat oordeel zijn redenen gegeven. De belangrijkste daarvan is dat de gebreken met betrekking tot de opstallen geen beletsel waren voor het gebruik van de gronden (ter grootte van maar liefst 250 hectare, hiervoor 2.1 onder i). Het aandeel van de prijs van de gronden in de totale pachtprijs zoals goedgekeurd door de grondkamer is twee derde (€ 286.672 op een totaal van € 421.675, hiervoor 2.1 onder ii). Mij dunkt dat in verband daarmee het oordeel van het hof dat opschorting van de volledige pachtprijs vanaf de aanvang disproportioneel was, alleszins begrijpelijk is.
3.8
Onderdeel 2richt zich tegen rechtsoverweging 4.78-4.83. Kort samengevat heeft het hof in die overwegingen geoordeeld dat [bestuurder van pachter] als bestuurder van [pachter] het ertoe heeft geleid dat betaling aan SWR achterwege bleef, hoewel hij bijna zeker ervan kon zijn dat SWR een vordering op [pachter] had, terwijl bovendien door toedoen van [bestuurder van pachter] thans verhaal op SWR vrijwel onmogelijk is, omdat de door [pachter] dankzij de pachtovereenkomst gegenereerde inkomsten terecht zijn gekomen in aan [bestuurder van pachter] gelieerde vennootschappen. Op die grond treft [bestuurder van pachter] volgens het hof een ernstig persoonlijk verwijt. [bestuurder van pachter] is volgens het hof daarom hoofdelijk aansprakelijk jegens SWR. De door de klachten van het onderdeel aangevallen overwegingen luidden als volgt (volledigheidshalve citeer ik ook rechtsoverweging 4.77).
‘Betalingsonwil
4.77
Het meest verstrekkende verwijt van SWR (subgrief 2.2) komt erop neer dat [bestuurder van pachter] het ertoe geleid heeft dat [pachter] welbewust SWR niet betaald heeft, terwijl andere crediteuren (waaronder aan [bestuurder van pachter] gelieerde entiteiten) wel betaald zijn, er dus ook middelen voorhanden waren, en er nu geen verhaal meer is. [bestuurder van pachter] heeft op die manier een bedrijfsvoering gerealiseerd uitsluitend op kosten van SWR en dat is volgens SWR ernstig verwijtbaar.
4.78
Het hof volgt SWR daarin. Volgens [bestuurder van pachter] werden de andere crediteuren van [pachter] door de jaren heen betaald wanneer hun vorderingen niet werden betwist. Dat SWR niet betaald werd, kwam omdat haar vordering betwist werd, en niet vanwege een gebrek aan middelen. Integendeel, [bestuurder van pachter] erkent dat in het verleden [pachter] de vordering van SWR niet ineens geheel, maar wel deels had kunnen voldoen (memorie van antwoord 3.7). Bij dit hof tijdens een mondelinge behandeling van 24 januari 2020 heeft [bestuurder van pachter] verklaard: “
U vraagt of SWR erop kan rekenen dat de verschuldigde pacht zal worden betaald, als na de toetsing door de grondkamer vaststaat welk bedrag moet worden betaald. Er wordt voor gereserveerd in de jaarstukken. Er is daadwerkelijk geld beschikbaar om te betalen als dat de uitkomst is van de procedure. [14] Daarmee staat vast dat [bestuurder van pachter] bewerkstelligd heeft dat SWR niet betaald is. Vaststaat ook dat [pachter] geen middelen meer heeft om een eventuele vordering van SWR te voldoen. [bestuurder van pachter] erkent ook dat [pachter] nu niet in staat is de vordering van SWR te betalen (memorie van antwoord 2.14).
4.79
Dat [pachter] geen verhaal biedt, is naar het oordeel van het hof ook het gevolg van het handelen van [bestuurder van pachter] . [bestuurder van pachter] heeft de bedrijfsvoering van [pachter] in verregaande mate verweven met die van het eveneens aan hem gelieerde [A] B.V. (hierna: [A]) en [B] B.V. (hierna: [B]). Inkomstenstromen van [pachter] komen soms binnen bij [A] of [B] en kosten van [A] en [B] worden soms betaald vanuit [pachter]. Dat wordt ook niet door [bestuurder van pachter] betwist. [pachter] is afhankelijk van [A] en [B] (memorie van antwoord 4.12). [bestuurder van pachter] heeft betoogd dat [A] en [B] [pachter] voor bijna € 3 miljoen hebben gefinancierd en nog steeds € 339.971 van [pachter] te vorderen hebben. Het hof stelt echter vast dat uit de door [bestuurder van pachter] overgelegde grootboekkaarten blijkt dat ten faveure van [A] en [B] aanzienlijke bedragen in rekening courant zijn geboekt voor management vergoedingen (€ 724.000 in totaal tot en met 2022 volgens productie 42 van [pachter] en [bestuurder van pachter] in de procedure bij de pachtkamer Lelystad). [15] [pachter] zelf is sinds haar oprichting met € 1 kapitaal verlieslatend. [bestuurder van pachter] heeft daarmee een structuur in het leven geroepen, waarbij hij middels [A] en [B] zelf in de hand heeft wie er betaald worden, terwijl aan degenen van wie hij de vordering betwist geen verhaal geboden wordt. Voor zover [bestuurder van pachter] aanvoert dat het niet aan hem te wijten is dat [pachter] niet aan de vordering van SWR kan voldoen, heeft hij dat daarom onvoldoende uitgelegd. Het bewust niet betalen van een of enkele crediteuren, terwijl een vennootschap verder wel in staat gesteld wordt haar crediteuren te betalen en dus ook niet duidelijk is dat er betalingsonmacht bestaat, is ernstig verwijtbaar. [bestuurder van pachter] betoogt dat hij geen verhaalsmiddelen aan [pachter] heeft onttrokken en dat geen gerelateerde partijen zijn bevoordeeld, maar dat deze juist ook forse schade leiden. Deze betwistingen zijn gezien het voorgaande echter onvoldoende gemotiveerd. Zoals hiervoor vermeld zijn immers wel aanzienlijke managementvergoedingen betaald aan gelieerde vennootschappen. Daarnaast heeft [bestuurder van pachter] onvoldoende toegelicht dat de middelen die [A] en [B] voor [pachter] ontvingen ook altijd aan [pachter] zijn toegekomen. De enkele verwijzing naar de gemaakte verliezen als motivering dat [pachter] SWR niet betaald heeft, levert daarom ook geen voldoende gemotiveerde betwisting van de aan [bestuurder van pachter] gemaakte verwijten op. Dat andere crediteuren soms ook gedurende langere tijd niet betaald werden, doet daaraan niet af. [bestuurder van pachter] heeft tijdens de mondelinge behandeling erop gewezen dat SWR op grootboekposten over de managementvergoeding geen beroep heeft gedaan. Het hof mag echter acht slaan op de stukken die [bestuurder van pachter] en [pachter] in het geding hebben gebracht ter onderbouwing van hun stellingen dat ook [A] en [B] nog een vordering op [pachter] hebben.
4.8
Het hof is ook van oordeel dat [bestuurder van pachter] er gedurende de pachtrelatie ernstig rekening mee moest houden dat SWR nog een vordering op hem zou hebben. [bestuurder van pachter] betwist dat en de pachtkamer in Lelystad was dat met [bestuurder van pachter] eens. SWR komt daartegen op (subgrief 2.1). Het hof heeft hiervoor over de vorderingen van [pachter] en het opschortingsverweer geoordeeld. Van dat oordeel was [bestuurder van pachter] ten tijde van zijn bestreden handelingen niet op de hoogte. Maar zelfs als [bestuurder van pachter] zijn kansen gunstiger inschatte en verwachtte dat hij een schadevergoeding kon verrekenen, moest hij er rekening mee houden dat hij niet zonder van 2016 tot 2022 één euro aan pacht te betalen het gepachte zou kunnen exploiteren. De gebreken betroffen slechts een gedeelte van het gepachte, [pachter] heeft de gronden voor akkerbouw kunnen gebruiken en ook daadwerkelijk daarmee een positieve exploitatie gegenereerd en opschorting was van aanvang af al disproportioneel (zie r.o. 4.57). [bestuurder van pachter] wist of had moeten begrijpen dat er een aanzienlijk vordering van SWR op [pachter] bestond. Er was naar het oordeel van het hof geen sprake van een enkele mogelijkheid dat SWR nog een vordering zou hebben, zoals [bestuurder van pachter] suggereert, er was sprake van een bijna-zekerheid. Geen redelijk handelend bestuurder zou op de manier waarop [bestuurder van pachter] dat heeft gedaan ervoor gekozen hebben alleen SWR op deze manier zonder verhaal achter te laten. Dat nog een geschil bestond over de hoogte van de vordering van SWR en de te verrekenen schadevergoedingsvordering maakt dat niet anders.
4.81
[bestuurder van pachter] betwist dat hij moest voorzien dat door zijn handelen de vordering van SWR niet verhaalbaar zou zijn. Hij voert daarbij aan dat hij lange tijd ervan uitgegaan is dat het nog goed zou komen. Het hof gaat daaraan voorbij: gezien de financiële staat van [pachter] was evident dat [pachter] geen verhaal bood, behalve als zij de middelen van [A] of [B] daarvoor kreeg. Het verwijt aan het adres van [bestuurder van pachter] ligt er juist in dat hij dat niet gedaan heeft terwijl hij onvoldoende heeft gemotiveerd dat daarvoor ook geen geld aanwezig was. Daarom wist of had [bestuurder van pachter] redelijkerwijze behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [pachter] tot gevolg zou hebben dat zij SWR niet zou betalen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan voor SWR optredende schade.
4.82
De overige grondslagen voor aansprakelijkheid van [bestuurder van pachter] (selectieve betaling, overige verhaalfrustratie) hoeft het hof niet meer te behandelen. Omdat het hof ervan uitgaat dat [pachter] behoudens de onrechtmatige daad van [bestuurder van pachter] voldoende middelen kon hebben om SWR te voldoen, hoeft het hof ook niet in te gaan op welke peildatum aangehouden moet worden of dat een faillissement voorzienbaar was.
Schade
4.83
Zonder deze onrechtmatige daad zouden er dus voldoende middelen zijn geweest om SWR te betalen. De schade is dan ook gelijk aan het bedrag van de vordering die [pachter] aan SWR zal moeten betalen. Daartoe behoort ook de wettelijke rente. [16] Voor zover [bestuurder van pachter] zich erop beroept dat [pachter] in ieder geval aanvankelijk mocht opschorten en dus geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, gaat dat beroep niet op om de redenen gegeven in r.o. 4.57.’
3.9
Subonderdeel 2.1bevat de klacht dat het hof in rechtsoverweging 4.79 buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Het hof heeft volgens het subonderdeel in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van SWR aangevuld door zich te baseren op de grootboekposten over de managementvergoedingen zoals geboekt in de rekening-courantverhouding. De advocaat van [bestuurder van pachter] heeft bezwaar gemaakt tegen het uit beweging opbrengen van managementvergoedingen door het hof tijdens de zitting, omdat SWR zich hier niet op had beroepen en [bestuurder van pachter] zich niet afdoende kon verweren.
3.1
De klacht faalt. In de eerste plaats blijkt uit rechtsoverweging 4.79 dat het hof de boekingen in rekening-courantverhouding in aanmerking neemt in het kader van het betoog van [bestuurder van pachter] dat [A] en [B] [pachter] voor bijna € 3 miljoen hebben gefinancierd en nog steeds € 339.971 van [pachter] te vorderen hebben. De deugdelijkheid van dat betoog mocht het hof onderzoeken aan de hand van al hetgeen in het geding aan het hof ter kennis was gekomen (art. 149 lid 1 Rv Pro). In de tweede plaats lees ik in de memorie van grieven dat SWR wel degelijk aan haar vordering ten gronde had gelegd dat managementvergoedingen in rekening-courant zijn geboekt ten gunste van aan [bestuurder van pachter] gelieerde vennootschappen. Zie onder meer de alinea’s 4.2.43-4.2.45, 4.2.49-4.2.50 en 4.2.71-4.2.74 van die memorie.
3.11
Subonderdeel 2.2klaagt op de eerste plaats dat het oordeel van het hof dat het bewust niet betalen van een of enkele schuldeisers, terwijl een vennootschap verder wel in staat wordt gesteld haar crediteuren te betalen en er niet duidelijk betalingsonmacht bestaat, ernstig verwijtbaar is, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel levert het bewust niet betalen van een schuldeiser als zodanig geen ernstig persoonlijk verwijt op, ook niet als er wel middelen zijn om een schuldeiser geheel of gedeeltelijk te voldoen.
3.12
Deze klachten falen. Zij gaan uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het door het hof aan [bestuurder van pachter] als bestuurder gemaakte ernstige persoonlijke verwijt is niet gegrond op het bewust niet betalen van SWR hoewel er middelen beschikbaar waren ‘als zodanig’ (dus op zichzelf genomen). Het hof heeft de persoonlijke aansprakelijkheid van [bestuurder van pachter] immers op wezenlijk meer gebaseerd dan dat. Het hof heeft overwogen dat de aan [bestuurder van pachter] gelieerde entiteiten [A] en [B] wél zijn betaald en dat de omstandigheid dat [pachter] thans geen verhaal biedt, mede het gevolg is van het handelen van [bestuurder van pachter] en de verwevenheid van de bedrijfsvoering van [pachter] met [A] en [B] (rechtsoverweging 4.79). Volgens het hof heeft [bestuurder van pachter] zijn stelling dat [A] en [B] niet zijn bevoordeeld en dat deze partijen juist ook schade lijden, onvoldoende gemotiveerd (eveneens rechtsoverweging 4.79). Voor [bestuurder van pachter] als bestuurder bestond een bijna-zekerheid dat SWR nog een vordering zou hebben en geen redelijk handelend bestuurder zou volgens het hof op de manier waarop [bestuurder van pachter] dat heeft gedaan ervoor kiezen om alleen SWR zonder verhaal achter te laten (rechtsoverweging 4.80). [bestuurder van pachter] zette zich er niet voor in dat [pachter] middelen van [A] of [B] kreeg om SWR te voldoen en hij wist of behoorde volgens het hof te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van [pachter] tot gevolg zou hebben dat zij SWR niet zou betalen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan voor SWR optredende schade (rechtsoverweging 4.81).
3.13
Het subonderdeel vervolgt met de klacht dat niet valt in te zien waarom de door het hof genoemde managementvergoedingen duiden op een ernstig persoonlijk verwijtbare betalingsonwil jegens SWR. Het subonderdeel wijst in dit verband op de volgende stellingen van [bestuurder van pachter] :
(i) [A] en [B] hebben een veelvoud van de managementvergoedingen noodgedwongen ingebracht in [pachter] omdat [pachter], doordat SWR het bestaan van een pachtovereenkomst steeds heeft betwist, zelf geen bancaire financiering kon krijgen.
(ii) De managementvergoedingen vonden plaats tussen 2016-2022 en dit is een langere periode.
(iii) [A] en [B] hebben zelf eind 2022 nog € 339.971 te vorderen van [pachter].
(iv) Het inboeken van managementvergoedingen in een rekening-courantverhouding is een papieren boeking en geen betaling.
3.14
De gemotiveerde verwerping door het hof van stelling i ligt besloten in rechtsoverweging 4.78, volgens welke niet een gebrek aan middelen de oorzaak was van het niet betalen van SWR. De procesinleiding in cassatie vermeldt ten onrechte geen vindplaats van stelling ii. Stelling iii is door het hof in rechtsoverweging 4.79 gemotiveerd verworpen. Naar aanleiding van stelling iv het volgende. De boekingen in rekening-courant hadden tot gevolg dat [A] en [B] als crediteuren door verrekening werden voldaan. Het hof gebruikt niet onbegrijpelijk ‘betaling’ in de ruime betekenis van voldoening. [17]
3.15
Subonderdeel 2.3klaagt dat het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.80 en 4.83 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Het hof zou hebben miskend de vrijheid van een bestuurder om in beginsel op grond van een eigen afweging, rekening houdend met de belangen van de betrokken schuldeisers en die van de vennootschap, op basis van alle omstandigheden van het geval te bepalen welke schuldeisers zullen worden voldaan. Die vrijheid heeft de bestuurder volgens het subonderdeel in beginsel ook bij de beoordeling of de vennootschap een opschortingsrecht of recht op verrekening inroept als pressiemiddel om de wederpartij (SWR) te dwingen tot nakoming en/of vanwege de omvang van een eigen vordering op die partij. In dit geval staat vast dat partijen vanaf 2016 hebben geprocedeerd en gediscussieerd over de vraag of tussen hen een pachtovereenkomst bestond, wat de inhoud daarvan was, of SWR terecht een vordering tot ontruiming had ingesteld, welke activiteiten [pachter] wel en niet op het gepachte mocht uitoefenen, en hoe zij hadden om te gaan met de gebreken aan het gepachte. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft aan die geschillen pas bij arrest van 4 mei 2021 deels een einde gemaakt, maar niet als het gaat om de verschuldigde pachtsommen. Uit het bestreden arrest blijkt bovendien dat [pachter] aanspraak kan maken op een gedeeltelijke pachtprijsvermindering vanwege gebreken aan de hoeve en bovendien moet de door [pachter] geleden schade nog worden begroot in een schadestaatprocedure. Het hof heeft daarmee niet finaal vastgesteld wat de hoogte is van de schade van [pachter] en daarmee staat evenmin vast of dit opweegt tegen de vordering van SWR. Tegen deze achtergrond valt niet in te zien waarom de handelwijze van [bestuurder van pachter] – indachtig de voorgenoemde vrijheid van een bestuurder – geen enkel vennootschappelijk doel diende en zijn handelen zodanig onzorgvuldig was dat hij persoonlijk aansprakelijk is jegens SWR voor de schuld van [pachter]. Uit de gang van zaken blijkt immers niet dat de betalingsonwil strikt persoonlijk was gemotiveerd en [bestuurder van pachter] in redelijkheid en gemoede niet kon denken dat hem een recht op opschorting of verrekening toekwam. Het oordeel van het hof is ook innerlijk tegenstrijdig waar het enerzijds ervan uitgaat dat de schade van de gebreken nog niet kan worden begroot of geschat en het hof anderzijds aanneemt dat [bestuurder van pachter] vanaf de aanvang (in 2016) had moeten inzien dat de opschorting of verrekening van de schade niet in verhouding stond tot de vordering van SWR.
3.16
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op onderdeel 1 deelt het in het lot daarvan. Ook overigens slagen de klachten van het subonderdeel niet. Op zichzelf terecht nemen de klachten tot uitgangspunt dat aan een bestuurder betaalautonomie toekomt. Die autonomie is echter niet onbegrensd. Een bestuurder heeft minder beleidsruimte bij selectieve betaling aan gelieerde vennootschappen en de betaalautonomie is minder wanneer de vennootschap haar activiteiten beëindigt en onvoldoende middelen heeft om alle schuldeisers te voldoen. [18] Dat lange tijd onduidelijkheid heeft bestaan en deels nog steeds bestaat omtrent de omvang van de verschuldigde pachtpenningen, de pachtprijsvermindering en de schadevergoeding waar [pachter] recht op heeft, maakt niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Op een en ander is het hof voldoende ingegaan. Volgens het hof was de volledige opschorting van de pachtpenningen van de aanvang af niet proportioneel en bestond er voor [bestuurder van pachter] een bijna-zekerheid dat SWR een vordering op hem zou hebben (uit het geheel van de overwegingen van het hof blijkt: een zeer aanzienlijke vordering op hem zou hebben). Het hof is mijns inziens niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat geen redelijk handelend bestuurder ervoor zou hebben gekozen om alleen SWR zonder verhaal achter te laten (rechtsoverweging 4.80).
3.17
Ik merk nog op dat de suggestie van het subonderdeel dat voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid vereist is dat het handelen van de bestuurder geen enkel vennootschappelijk doel diende of dat de betalingsonwil persoonlijk was gemotiveerd, niet juist is. De maatstaf is of de bestuurder van zijn handelen of nalaten een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken. [19]
3.18
Subonderdeel 2.4klaagt dat het onbegrijpelijk is dat het hof [bestuurder van pachter] aansprakelijk houdt voor de
volledigevordering van SWR op [pachter], inclusief de wettelijke handelsrente. Het subonderdeel voert aan dat het niet betalen door [pachter] vanwege verrekening en opschorting voor een deel wel terecht was, althans dat het hof die mogelijkheid openlaat, en dat gedeeltelijke opschorting ook minstens gerechtvaardigd was vanwege tekortkomingen van SWR c.q. de schade van [pachter]. Tot en met 2021 zou onduidelijk zijn geweest of, en zo ja, welke pacht [pachter] aan SWR verschuldigd was. Volgens het subonderdeel houdt bovendien een eerdere uitspraak tussen partijen van de pachtkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2021 [20] in dat [pachter] zich toen wel op opschorting mocht beroepen. Hierdoor is volgens het subonderdeel niet te begrijpen dat [bestuurder van pachter] desondanks al sinds 2016 zou hebben moeten weten dat [pachter] zich in het geheel niet op opschorting kon beroepen.
3.19
Voor zover deze klachten voortbouwen op onderdeel 1 delen zij in het lot daarvan. De klacht die aanknoopt bij het arrest van het hof van 4 mei 2021 vermeldt geen vindplaats in de processtukken in feitelijke aanleg. Hoewel dat niet mijn taak was, heb ik de stukken erop nageslagen en mijn bevinding is dat [bestuurder van pachter] zich in zijn verweer tegen de vordering van SWR niet op het arrest van 4 mei 2021 heeft beroepen. [21] Voor het overige ziet het subonderdeel eraan voorbij dat volgens het hof er bij [pachter] voldoende middelen zouden zijn geweest om SWR te voldoen als de gewraakte handelwijze van [bestuurder van pachter] niet had plaatsgevonden (rechtsoverweging 4.82).
3.2
Ook
subonderdeel 2.5bevat motiveringsklachten, namelijk aan de hand van drie stellingen die volgens het subonderdeel een essentieel karakter dragen en waarop het hof niet zou zijn ingegaan. Ik geef de stellingen weer zoals ze in de procesinleiding in cassatie zijn te lezen (voor de vindplaatsen in de stukken in feitelijke aanleg zie de voetnoten in die procesinleiding):
(i) [bestuurder van pachter] heeft [pachter] noodgedwongen gefinancierd met geld van de gelieerde ondernemingen [A] en [B], omdat [pachter] geen bancaire financiering kon krijgen als gevolg van de weigering van SWR om de pachtovereenkomst op schrift te stellen. Anders dan het hof in rechtsoverweging 4.79 oordeelt, heeft [bestuurder van pachter] dus niet, althans niet met dat doel, een structuur in het leven groepen waarmee hij zelf in de hand heeft wie er betaald wordt.
(ii) [pachter] en haar bestuurder [bestuurder van pachter] hadden vanwege de juridische geschillen met SWR, en de daaruit voortvloeiende wens van [pachter] om betaling op te schorten en te verrekenen met de vordering op SWR, een gegronde reden om niet te betalen aan SWR. Aldus had SWR een andere positie dan onbetwiste schuldeisers van [pachter] op wie [pachter] geen tegenvordering had, zodat [bestuurder van pachter] ter zake van het niet-betalen aan SWR geen ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt.
(iii) SWR heeft de bedrijfsvoering van [pachter] van meet af aan gefrustreerd en zo zelf in de hand gewerkt dat [pachter] geen verhaal biedt. SWR ontkende het bestaan van een pachtovereenkomst en begon om die reden een ontruimingskortgeding, zij trachtte [pachter] uit te roken door te verbieden het bouwland te gebruiken voor meer lucratieve teeltvormen terwijl de staat van de grond vanwege jarenlange zeer eenzijdige teelt door SWR al niet zo was als [pachter] had mogen verwachten, weigerde de gebreken die het gepachte van beginne af aan had te herstellen en droeg de beloofde betalingsrechten niet over aan [pachter]. Ook weigerde SWR lange tijd stormschade aan de daken en wanden van de stallen volledig te herstellen en verbood zij de leverancier van de daken om herstelopdrachten aan te nemen van anderen dan SWR zelf. Als gevolg van dit handelen van SWR heeft [pachter] nooit kunnen functioneren als een normale agrarische onderneming en daarom kan [bestuurder van pachter] geen ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt van het feit dat [pachter] SWR geen verhaal biedt.
3.21
Mijns inziens maakt de omstandigheid dat het hof aan stelling i geen uitdrukkelijke overweging heeft gewijd, het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en is de stelling dus niet werkelijk een essentiële stelling. Reeds begin 2018 is door de pachtrechter voor recht verklaard dat een hoevepachtovereenkomst tot stand was gekomen. Met het arrest van het hof van 4 mei 2021 was dat definitief. Ook daarna is [bestuurder van pachter] volgens de vaststelling van het hof ermee doorgegaan om als bestuurder van [pachter] het ertoe te leiden dat SWR in het geheel niet werd betaald, terwijl wel gelden werden geboekt naar aan [bestuurder van pachter] gelieerde vennootschappen.
3.22
Op stelling ii is het hof wel degelijk ingegaan, te beginnen in rechtsoverweging 4.78 waar het hof de stelling ook vermeldt.
3.23
Stelling iii is grotendeels een variant van de stellingen i en ii. Ik verwijs in zoverre naar het voorgaande. Het beroep van [bestuurder van pachter] op de gebreken met betrekking tot de opstallen heeft het hof in rechtsoverweging 4.80 gemotiveerd verworpen (deels met verwijzing naar de beoordeling van de vorderingen van [pachter] alsook van het door [pachter] tegenover de vorderingen van SWR gevoerde opschortingsverweer en deels met een zelfstandige motivering).
3.24
Onderdeel 3richt zich tegen rechtsoverwegingen 4.63-4.68 en 4.91. Kort samengevat oordeelt het hof daar dat [pachter] wettelijke handelsrente verschuldigd is. Omdat het hof [bestuurder van pachter] heeft veroordeeld (hoofdelijk, naast [pachter]) tot hetzelfde bedrag als waartoe [pachter] is veroordeeld, is ook [bestuurder van pachter] veroordeeld tot betaling van een bedrag inclusief wettelijke handelsrente.
3.25
Ik citeer de aangevallen rechtsoverwegingen:
‘Wettelijke handelsrente (grief 25 in het hoger beroep van [pachter]) en verrekening
4.63
SWR heeft betaling gevorderd van de achterstallige pachtpenningen met wettelijke handelsrente. De pachtkamer heeft deze vordering toegewezen. Het hof zal deze vordering toewijzen met inachtneming van het hogere bedrag aan pachtprijsvermindering dat zij hierboven (r.o. 4.29) heeft vastgesteld.
4.64
[pachter] heeft betoogd dat het onjuist is dat de pachtkamer in Lelystad de vordering van SWR tot betaling van de pachtpenningen heeft toegewezen, terwijl de vordering in reconventie is verwezen naar de schadestaat. Zij betoogt dat het hof de toewijzing van de vordering van SWR moet aanhouden totdat de schadestaatprocedure is afgerond. Daarin gaat het hof niet mee. Ten aanzien van de schade die het hof zelf in dit arrest vaststelt (de schade die het gevolg is van de niet levering van betalingsrechten) gaat de klacht niet op. Ten aanzien van de andere schade heeft [pachter] zelf onvoldoende aanknopingspunten geboden om tot schadebegroting te komen, voor zover zij al voldoende duidelijk tegen de verwijzing naar de schadestaat voor deze posten is opgekomen. Zij kan dat niet als argument gebruiken om de reconventionele vordering op te houden totdat op de schadestaat is beslist.
4.65
[pachter] komt ook op tegen de toewijzing door de pachtkamer in Lelystad van wettelijke handelsrente. Het hof volgt haar daarin niet. De overeenkomst spreekt van wettelijke rente. Het betreft een handelsovereenkomst. Artikel 6:119a BW bepaalt, onder andere, dat de schadevergoeding voor vertraging in de voldoening voor een geldsom gelijk is aan de wettelijke rente. Artikel 6:120 BW Pro bepaalt vervolgens voor een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a wat de wettelijke rente is. Dat partijen in dit geval met de term “wettelijke rente” hebben willen afwijken van dit wettelijke regime heeft [pachter] niet uitgelegd. [pachter] betoogt ook dat de wettelijke handelsrente over een lager bedrag moet worden toegewezen, omdat de pachtprijs moet worden verminderd en SWR schadevergoeding aan [pachter] moet betalen. De wettelijke handelsrente is alleen verschuldigd over de pachtpenningen zoals verminderd en het hof zal bij de toewijzing van de wettelijke handelsrente daarmee rekening houden. Omdat het hof het beroep van [pachter] op opschorting heeft afgewezen, zijn de pachtpenningen opeisbaar gebleven en is [pachter] over de pachtpenningen vanaf het verstrijken van de betaaltermijn wettelijke handelsrente schuldig.
4.66
De pachtkamer in Lelystad heeft de wettelijke handelsrente toegewezen over de door SWR gevorderde bedragen met ingang van 1 september 2016 over de bedragen en met inachtneming van de ingangsdata zoals genoemd in productie 23 bij de dagvaarding eerste aanleg, maar zonder de pachtpenningen voor juli en augustus 2016 (r.o. 4.48 van het vonnis) en met inachtneming van de pachtprijsverminderingen uiteengezet in r.o. 4.34 en 4.35 van het vonnis en met inachtneming van pachtpenningen die na 1 november 2021 opeisbaar zijn geworden. Tegen deze ingangsdata en bedragen is behoudens voor zover hiervoor besproken geen grief gericht. Het hof heeft echter een extra pachtprijsvermindering toegewezen van € 12.341,07 vanaf 18 februari 2022 tot en met oktober 2022 (r.o. 4.27). Deze pachtprijsvermindering moet in de berekening van de wettelijke handelsrente ook nog meegenomen worden.
4.67
Daarbij komen de door dit hof naar aanleiding van de eisvermeerdering in hoger beroep toegewezen bedragen: de pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022 van € 215.004,00, de pachtprijs voor de woning vanaf 1 december 2021 van € 8.236,58 en de energiekosten over 2021 (€ 6.486,17) en 2022 (€ 14.280,07). SWR is in de procedure bij de pachtkamer bij de berekening van de wettelijke handelsrente uitgegaan van het uitgangspunt dat over de pachtprijs wettelijke handelsrente verschuldigd is vanaf de fatale termijnen uit de pachtovereenkomst. Voor de energierekeningen geldt als ingangsdatum het verstrijken van de betalingstermijn van 30 dagen uit de facturen. Deze ingangsdata zijn niet bestreden, zodat ook het hof wettelijke handelsrente over deze bedragen vanaf deze data zal toewijzen.
4.68
[pachter] heeft zich op verrekening beroepen van de door haar te betalen bedragen met de door SWR te betalen schadevergoeding. Ook SWR heeft zich op verrekening beroepen van de door haar te betalen schadevergoeding met de door [pachter] te betalen bedragen en heeft de mogelijkheid van verrekening niet betwist. De vordering van [pachter] op SWR tot betaling van € 309.289 wordt daarom verrekend met de vordering van SWR tot betaling van de in r.o. 4.53 genoemde bedragen. Artikel 6:129 BW Pro lid 1 BW bepaalt dat verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Lid 2 van dat artikel bepaalt dat als over één der vorderingen of over beide reeds opeisbare rente betaald is, deze verrekening niet verder terugwerkt dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan. In dit geval is niet gesteld of gebleken dat al rente is voldaan. De verrekening werkt dus terug tot de het tijdstip dat de verrekeningsbevoegdheid is ontstaan. Dat is ten aanzien van de vordering van [pachter] tot betaling van € 309.289 de dag waarop de schadevergoedingsvordering ontstond. Het hof heeft in r.o. 4.45 uiteengezet wanneer deze schade is ontstaan. Op die dagen is voor de toen ontstane bedragen aan schade de vordering van SWR dus (gedeeltelijk) teniet gegaan. Bij de berekening van de wettelijke handelsrente moet daarmee rekening gehouden worden.
(…)
Slotsom in de zaak van SWR tegen [bestuurder van pachter] en bewijsaanbiedingen
(…)
4.91
Het hof zal [bestuurder van pachter] hoofdelijk, naast [pachter], veroordelen tot betaling van de hoofdsom van wat [pachter] aan SWR moet betalen, met wettelijke handelsrente. Het hof zal [bestuurder van pachter] ook veroordelen om de schade te vergoeden die SWR heeft geleden als gevolg van het volledig vullen van de mestkelders vlak voor de ontruiming, nader op te maken bij staat. Omdat [bestuurder van pachter] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten van SWR in de procedure bij de pachtkamer in Lelystad en in hoger beroep van SWR veroordelen. Ten aanzien van de proceskosten in de procedure bij de pachtkamer in Lelystad is [bestuurder van pachter] hoofdelijk aansprakelijk met [pachter].’
3.26
Het onderdeel bevat twee klachten. De eerste klacht houdt in dat het hof de pachtovereenkomst ten onrechte heeft aangemerkt als een handelsovereenkomst waarop de wettelijke handelsrente van toepassing is. Ten tweede klaagt het onderdeel dat de wettelijke handelsrente in elk geval niet toewijsbaar is over de schadevergoeding die [bestuurder van pachter] volgens het hof moet betalen. Het hof kon hoogstens de wettelijke rente toewijzen over de verschuldigde hoofdsom, zijnde de door [pachter] verschuldigde bedragen exclusief wettelijke handelsrente.
3.27
De stellers van het middel leggen ons niet uit waarom een pachtovereenkomst, althans de pachtovereenkomst tussen SWR en [pachter] geen handelsovereenkomst in de zin van art. 6:119a BW is. Op zichzelf is waar dat dat ook niet hoeft, omdat een rechtsklacht niet behoeft te worden gemotiveerd. Het ontbreken van een toelichting heeft intussen wel tot gevolg dat we ernaar moeten raden waar volgens de stellers van het middel de schoen wringt.
3.28
Art. 6:119a BW is een implementatie van aanvankelijk Richtlijn 2000/35/EG en later Richtlijn 2011/7/EU. Beide richtlijnen gebruiken de term ‘handelstransactie’, in art. 6:119a BW geïmplementeerd als ‘handelsovereenkomst’. [22] Wettelijke handelsrente is enkel verschuldigd in het geval van vertraging in de voldoening van een geldsom op basis van een handelsovereenkomst. Een handelsovereenkomst is volgens de tweede volzin van art. 6:119a lid 1 BW (1) een overeenkomst om baat (2) die een of meer van de partijen verplicht iets te geven of te doen en (3) die tot stand is gekomen tussen een of meer natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf of rechtspersonen. [23] Aan het eerste element (om baat) is in het geval van pacht steeds voldaan, want pacht is volgens art. 7:311 BW Pro ingebruikgeving van een onroerende zaak met een tegenprestatie. Een pachtovereenkomst verplicht de verpachter tot het ter beschikking stellen van de onroerende zaak en de pachter tot betaling van de koopprijs, zodat ook aan het tweede element steeds is voldaan. Dit spoort bovendien met rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU met betrekking tot huur van bedrijfsruimte. [24] Aan het derde element is in het geval van pacht niet stééds voldaan (de verpachter kan een particulier zijn; de pachter is in verband met art. 7:312 BW Pro wel steeds een ondernemer), maar hier wel omdat SWR en [pachter] beide rechtspersonen zijn. Gelet op een en ander faalt de eerste klacht van het onderdeel.
3.29
Wettelijke handelsrente heeft enkel betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. Het moet gaan om de vertraagde betaling van de primaire betalingsverplichtingen die voortvloeien uit een handelsovereenkomst. [25] Hieronder vallen onder meer niet vorderingen tot vergoeding van schade. [26] [bestuurder van pachter] is door het hof veroordeeld tot schadevergoeding. Op het eerste gezicht zou men daarom kunnen menen dat de klacht terecht wordt voorgesteld.
3.3
Bij nader inzien is het echter anders. [bestuurder van pachter] is door het hof persoonlijk als bestuurder aansprakelijk gehouden. Daarbij is het hof ervan uitgegaan dat er bij [pachter] voldoende middelen zouden zijn geweest om SWR te voldoen als de handelwijze van [bestuurder van pachter] die volgens het hof een ernstig persoonlijk verwijt oplevert, achterwege zou zijn gebleven (rechtsoverweging 4.82). Hieruit volgt dat de schade waarvoor [bestuurder van pachter] volgens het hof aansprakelijk is, gelijk is aan het bedrag tot betaling waarvan [pachter] is veroordeeld. Dat dit bedrag mede bestaat uit wettelijke handelsrente staat daaraan niet in de weg. [27]
3.31
Onderdeel 4klaagt dat de berekening van diverse bedragen door het hof op vier punten onjuist of onbegrijpelijk is. Het gaat hierbij om rechtsoverwegingen 4.53, 4.70 en 5.17.
3.32
Ik haal de aangevallen rechtsoverwegingen aan. De bedragen die door de klachten van het onderdeel worden bestreden vermeld ik in vet/onderstreept:

Welk bedrag moet [pachter] betalen?
4.53
Het hof stelt voorop dat [pachter] niets aan pacht betaald heeft. De pachtkamer in Lelystad had het totale bedrag aan achterstallige pachtpenningen berekend op € 1.995.385,40. Tegen de omvang van de pachtschuld, inclusief de toepassing van de twee maanden korting, is geen grief gericht (het hof begrijpt grief 19 in het hoger beroep van [pachter] zo dat deze ziet op de vraag wanneer de pacht betaald moest worden). Met de door het hof in dit arrest vastgestelde pachtprijsvermindering en de bedragen voor de perioden die bij de pachtkamer in Lelystad nog niet gevorderd waren tot 31 december 2022, zoals uiteengezet door SWR en door [pachter] niet weersproken, komt het totale bedrag op:
Bedrag toegewezen door de rechtbank
€ 2.290.951,42 [28]
Pacht voor bedrijfsgebouwen voor periode na
1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 67.042,82
Extra pachtprijsvermindering die het hof heeft vastgesteld (zie r.o. 4.27)
- € 12.341,07
Pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022
€ 215.004,00
Pachtprijs voor de woning vanaf 1 december 2021
€ 8.236,58
Energiekosten over 2021
€ 6.486,17
Energiekosten over 2022
€ 14.280,07
Subtotaal wijzigingen t.o.v. vonnis
€ 298.708,57
Totaal
€ 2.589.659,99 [29]
(…)
Slotsom in de zaak [pachter] tegen SWR (200.319.145) en bewijsaanbiedingen (grief 28 in het hoger beroep van [pachter])
4.7
De overige grieven van [pachter] hoeven niet behandeld te worden omdat ze niet tot een andere conclusie kunnen leiden (grief 1 in het hoger beroep van [pachter]) of voortbouwen op andere grieven die al behandeld zijn (grieven 26, 29 en 31 in het hoger beroep van [pachter]). Het hof zal de ontbinding van de pachtovereenkomst door de pachtkamer in Lelystad bekrachtigen. De vorderingen tot nakoming door [pachter] en herstel van de gebreken zullen worden afgewezen. De vordering van SWR tot betaling van de pachtpenningen, zoals in hoger beroep vermeerderd, zal worden toegewezen, verminderd met de pachtprijsverminderingen die de pachtkamer in Lelystad al had toegekend en in aanvulling daarop de door het hof vastgestelde pachtprijsvermindering. Ook moet op deze vordering in mindering worden gebracht het bedrag van € 309.289 aan schadevergoeding dat SWR aan [pachter] verschuldigd is. Het totaal toe te wijzen bedrag komt dan op € 2.589.659,99 [30] (zie r.o. 4.53) minus € 309.289 (zie r.o. 4.48) is
€ 2.280.370,99. [31] Wettelijke handelsrente is over dit bedrag toewijsbaar als uiteengezet in r.o. 4.66 tot en met 4.68.

5.De beslissing

Het hof:
(…)
In het hoger beroep in zaak 200.321.203 (SWR/ [bestuurder van pachter] )
5.17
veroordeelt [bestuurder van pachter] tot betaling van de volgende proceskosten van SWR:
€ 11.739,–aan griffierecht
€ 127,43 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [bestuurder van pachter]
€ 9.325,50 aan salaris van de advocaat van SWR (1½ procespunten x appeltarief VIII)’
3.33
Het onderdeel bevat vier klachten over de berekening of de vaststelling van bedragen door het hof:
1. Het hof gaat bij de berekening in rechtsoverweging 4.53 uit van de pacht van de bedrijfsgebouwen na 1 januari 2022 t/m 31 december 2022. De pacht bedroeg jaarlijks € 127.400. De pachtprijsvermindering die rechtbank aanhield is € 1083,33 per maand voor de transitiestal en € 5.200 per maand voor de serrestal. Dit komt opgeteld uit op € 6.283,33 per maand. Dat levert een rekensom op van € 127.400 – (12 x € 6.283,33) = € 52.000,04 in plaats van € 67.042,82
2. Het hof komt in rechtsoverweging 4.53 uit op een pachtprijs van de gronden vanaf 1 mei 2022 van € 215.004. 1 mei tot en met 31 december 2022 bevat een periode van acht maanden. De jaarlijks pachtprijs is € 286.672. De pachtprijs over deze periode is daarmee (€ 286.672/12) x 8 = € 191.114,67 en niet € 215.004. Dit laatste bedrag gaat uit van een periode van negen maanden.
3. De berekening van het hof in rechtsoverweging 4.70 is onjuist, want € 2.294.093,97 – € 309.289 = € 1.984.810.
4. Het hof veroordeelt [bestuurder van pachter] in rechtsoverweging 5.17 [bestuurder van pachter] tot betaling van € 11.739 aan griffierecht van SWR, terwijl SWR € 11.379 in rekening is gebracht.
3.34
SWR heeft zich wat betreft de klachten sub 1 en 4 gerefereerd aan het oordeel van uw Raad. [32] Wat betreft de eerste klacht rekent SWR ons in haar schriftelijke toelichting (met verwijzingen naar de gedingstukken in feitelijke aanleg) stapsgewijs voor dat de pachtprijs van de bedrijfsgebouwen van 1 januari 2022 t/m 31 december 2022 € 60.357,18 moet zijn. Anders dan [pachter] gaat SWR daarbij uit van een pachtprijsvermindering voor de serrestal vanaf 18 februari 2022 (derde storm) en niet reeds vanaf het begin van 2022. De berekening van SWR is juist. De rechtbank heeft de pachtprijs verminderd vanaf 18 februari 2022 en ook het hof is hiervan uitgegaan (zie rechtsoverweging 4.3 en 4.29 van het arrest van het hof). Het door het hof in rechtsoverweging 4.53 vermelde bedrag voor ‘Pacht voor bedrijfsgebouwen na 1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering’ van € 67.042,82 is een vergissing. € 67.042,82 is het bedrag van de pachtprijsvermindering. De pachtprijs is € 127.400. Na aftrek van de pachtprijsvermindering resteert (€ 127.400 – € 67.042,82 =)
€ 60.357,18.Schematisch ziet het er als volgt uit:
Pachtprijs
€ 127.400
Vermindering transitiestal
-€ 12.999,96
Vermindering serrestal (10 maanden)
-€ 52.000
Vermindering serrestal (maand februari)
-€ 2.042,86
Totale pachtprijsvermindering
-€ 67.042,82
Totaal
€ 60.537,18
3.35
Met betrekking tot klacht sub 2 erkent SWR dat zij in feitelijke aanleg een rekenfout heeft gemaakt. [33] 1 mei tot en met 31 december 2022 is niet negen maar acht maanden. Het juiste bedrag voor de pachtprijs van de gronden vanaf 1 mei 2022 is dus (€ 286.672/12 x 8 =)
€ 191.114,67.SWR wijst erop dat [pachter] in feitelijke aanleg de berekening van SWR niet heeft betwist. Mijns inziens is dat niet bepalend voor het lot van de klacht. Het is steeds de taak van de rechter die over de feiten oordeelt om na te gaan of de door de eisende partij gestelde feiten tot toewijzing van de vordering kunnen leiden (art. 24 lid 1 Rv Pro). Een onjuiste berekening van de eisende partij dient de rechter dus ook zonder verweer van de gedaagde partij te corrigeren. Ik heb er begrip voor dat in de baaierd van getallen het hof de rekenfout van SWR is ontgaan en ook dat SWR zich eraan ergert dat [pachter] voor het eerst in cassatie op de rekenfout wijst, maar dat verandert er mijns inziens niets aan dat de klacht terecht is voorgesteld.
3.36
Ik laat hieronder volgen de berekening uit rechtsoverweging 4.53 van het hof
na correctiein verband met het slagen van de klachten sub 1 en 2:
Bedrag toegewezen door de rechtbank
€ 2.290.951,42
Pacht voor bedrijfsgebouwen voor periode na
1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 60.357,18
Extra pachtprijsvermindering die het hof heeft vastgesteld (zie r.o. 4.27)
- € 12.341,07
Pachtprijs voor de gronden vanaf 1 mei 2022
€ 191.114,67
Pachtprijs voor de woning vanaf 1 december 2021
€ 8.236,58
Energiekosten over 2021
€ 6.486,17
Energiekosten over 2022
€ 14.280,07
Subtotaal wijzigingen t.o.v. vonnis
€ 268.133,60
Totaal
€ 2.559.085,02
3.37
De klacht sub 3 is ingehaald door herstelarrest van het hof en dat herstelarrest is op zijn beurt ingehaald door het slagen van de klachten sub 1 en 2. Ik laat hieronder volgen de berekening in de op een na laatste volzin van rechtsoverweging 4.70 van het hof na correctie naar aanleiding van het slagen van de klachten sub 1 en 2:
Het totaal toe te wijzen bedrag komt dan op
€ 2.559.085,02(zie r.o. 4.53) minus € 309.289 (zie r.o. 4.48) is
€ 2.249.796,02.
3.38
De klacht sub 4 is terecht voorgesteld. Het door SWR betaalde griffierecht bedroeg niet € 11.739 maar
€ 11.379. Het dictum van het arrest van het hof onder 5.17 is in zoverre onjuist.
3.39
Onderdeel 5bevat een voortbouwklacht. Voor zover die klacht ziet op de klachten sub 1 en 2 van onderdeel 4 slaagt zij. [pachter] moet worden veroordeeld tot betaling van
€ 2.249.796,02te vermeerderen met wettelijke handelsrente in plaats van het in het dictum van het arrest van het hof onder 5.2 vermelde bedrag van € 2.280.370,99 (na herstelarrest). Dit werkt vanzelfsprekend ook door naar de veroordeling van [bestuurder van pachter] volgens het dictum onder 5.15. [bestuurder van pachter] is daar immers veroordeeld om (hoofdelijk, naast [pachter]) te betalen het bedrag dat [pachter] conform het dictum onder 5.2 moet betalen.
3.4
Volledigheidshalve: uit onderdeel 4 volgt verder
rechtstreeks(dus niet op grond van een voortbouwen) dat in het dictum onder 5.17 het bedrag van het griffierecht moet worden gecorrigeerd (hiervoor ‎3.38).
3.41
Mijn slotsom is dat diverse klachten van de onderdelen 4 en 5 slagen. De overige klachten zijn vergeefs voorgesteld. Ik stel voor dat Uw Raad de zaak zelf afdoet. Zouden de hiervoor door mij vermelde gecorrigeerde bedragen (in vet) nog fouten bevatten, dan kunnen partijen bij de zogenoemde Borgersbrief (art. 44 lid 3 Rv Pro) daarop wijzen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging en tot afdoening als hiervoor onder ‎3.41 vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk het arrest Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 31 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7984,
2.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 4 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4270,
3.Rb. Midden-Nederland (pachtkamer) 19 oktober 2022, zittingsplaats Lelystad, ECLI:NL:RBMNE:2022:4351.
4.Bij het hof bekend onder zaaknummer 200.319.145.
5.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 10 januari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:187.
6.Bij het hof bekend onder zaaknummer 200.231.203.
7.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 31 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7984,
8.In het arrest stond oorspronkelijk € 1.984.810. Dit is door het hof hersteld bij het hierna te noemen herstelarrest.
9.Na herstelarrest, zie de vorige noot.
10.Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 18 februari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:865, onder 1.6.
11.HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610,
12.Vergelijk W.L. Valk,
13.Mijns inziens zit er geen licht tussen de begrippen ‘voorshands’ en ‘voorlopig’. De Dikke Van Dale vermeldt ze als synoniemen.
14.Zie voor dit proces-verbaal memorie van grieven SWR, productie B,
15.Deze productie bestaat niet. Het is aannemelijk dat het hof in plaats hiervan heeft bedoeld om te verwijzen naar productie G45a/b en G46 bij de memorie van antwoord van [bestuurder van pachter] .
16.Hiermee is door het hof gelet op de rest van de overweging 4.83 ‘wettelijke handelsrente’ bedoeld. Ik kom hier bij onderdeel 3 op terug.
17.Vergelijk B.A. Schuijling,
18.HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:576, onder 3.5.2. Vergelijk Conclusie A-G Van Peursem, ECLI:NL:PHR:2019:798, onder 2.19; B.F. Assink, in zijn noot onder het zojuist genoemde arrest, Ondernemingsrecht 2019/137; T. Salemink, noot onder HR 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:73,
19.HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627,
20.Hof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4270, onder 4.24.
21.Vergelijk de conclusie van antwoord tevens van eis in reconventie, hoofdstuk IV (alinea’s 4.1-4.15 op pagina’s 34-39). Ook in de memorie van antwoord van [bestuurder van pachter] heb ik geen beroep op het arrest van 4 mei 2021 aangetroffen. Ter zijde:
22.De Nederlandse wetgever ging ervan uit dat de ‘titel’ voor het aangaan van een handelstransactie naar Nederlands recht een overeenkomst zal zijn. Zie MvT,
23.Vergelijk art. 2 aanhef Pro en onder 1 van Richtlijn 2011/7/EU en de punten 8 en 9 van de considerans van de richtlijn.
24.HvJ EU 9 juli 2020, C-199/19, ECLI:EU:C:2020:548, onder 47. In een eerdere uitspraak heeft de pachtkamer van het gerechtshof naar deze rechtspraak van het HvJ EU verwezen. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden (pachtkamer) 15 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9870,
25.HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106, onder 5.2.2; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710,
26.HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:40,
27.In gelijke zin conclusie A-G Assink 31 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:372, onder 3.3.1-3.3.5. De zaak is door uw Raad afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro: HR 16 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:927.
28.Dit is aangepast bij het herstelarrest. Aanvankelijk stond hier ten onrechte € 1.995.285,40.
29.Dit is ook aangepast bij het herstelarrest. In het oorspronkelijke arrest van het hof stond hier € 2.294.093,97.
30.Dit is aangepast bij het herstelarrest. Aanvankelijk stond hier € 2.294.093,97.
31.Dit is aangepast bij het herstelarrest. Aanvankelijk stond hier € 1.984.810.
32.Verweerschrift, slot. Zie schriftelijke toelichting, 5.2-5.3 en 5.8.
33.Schriftelijke toelichting onder 5.6.