Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Begroting van de schade of toewijzing van een voorschot op de schade door de gebreken?
in een andere proceduremoet worden vastgesteld. Die rechtspraak laat aan de rechter die over de feiten oordeelt de mogelijkheid om zich te baseren op
een voorshands oordeelomtrent (de omvang van) die tegenvordering. [11] Het alternatief is de uitkomst af te wachten van een procedure waarin de schade uiteindelijk bindend zal worden vastgesteld. Uiteraard betekent dit laatste vertraging in de procedure. De rechter zal het nadeel van die vertraging moeten afwegen tegen de kans dat zijn voorshands oordeel achteraf bezien wezenlijk onjuist zal blijken te zijn (niet of juist wel bestaan van de tegenvordering in afwijking van het voorshandse oordeel, dan wel een relevant omvangrijkere of minder omvangrijkere tegenvordering).
voorlopigoordeel omtrent de omvang van de tegenvordering van [pachter]. [13] De overweging van het hof dat het onvoldoende aanknopingspunten had om de schade te begroten of zelfs maar te schatten, brengt ook niet mee dat onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de schade van [pachter] niet in verhouding staat tot de totale pachtsom die [pachter] heeft opgeschort. In rechtsoverweging 4.57 heeft het hof voor dat oordeel zijn redenen gegeven. De belangrijkste daarvan is dat de gebreken met betrekking tot de opstallen geen beletsel waren voor het gebruik van de gronden (ter grootte van maar liefst 250 hectare, hiervoor 2.1 onder i). Het aandeel van de prijs van de gronden in de totale pachtprijs zoals goedgekeurd door de grondkamer is twee derde (€ 286.672 op een totaal van € 421.675, hiervoor 2.1 onder ii). Mij dunkt dat in verband daarmee het oordeel van het hof dat opschorting van de volledige pachtprijs vanaf de aanvang disproportioneel was, alleszins begrijpelijk is.
U vraagt of SWR erop kan rekenen dat de verschuldigde pacht zal worden betaald, als na de toetsing door de grondkamer vaststaat welk bedrag moet worden betaald. Er wordt voor gereserveerd in de jaarstukken. Er is daadwerkelijk geld beschikbaar om te betalen als dat de uitkomst is van de procedure.” [14] Daarmee staat vast dat [bestuurder van pachter] bewerkstelligd heeft dat SWR niet betaald is. Vaststaat ook dat [pachter] geen middelen meer heeft om een eventuele vordering van SWR te voldoen. [bestuurder van pachter] erkent ook dat [pachter] nu niet in staat is de vordering van SWR te betalen (memorie van antwoord 2.14).
volledigevordering van SWR op [pachter], inclusief de wettelijke handelsrente. Het subonderdeel voert aan dat het niet betalen door [pachter] vanwege verrekening en opschorting voor een deel wel terecht was, althans dat het hof die mogelijkheid openlaat, en dat gedeeltelijke opschorting ook minstens gerechtvaardigd was vanwege tekortkomingen van SWR c.q. de schade van [pachter]. Tot en met 2021 zou onduidelijk zijn geweest of, en zo ja, welke pacht [pachter] aan SWR verschuldigd was. Volgens het subonderdeel houdt bovendien een eerdere uitspraak tussen partijen van de pachtkamer van het hof Arnhem-Leeuwarden van 4 mei 2021 [20] in dat [pachter] zich toen wel op opschorting mocht beroepen. Hierdoor is volgens het subonderdeel niet te begrijpen dat [bestuurder van pachter] desondanks al sinds 2016 zou hebben moeten weten dat [pachter] zich in het geheel niet op opschorting kon beroepen.
subonderdeel 2.5bevat motiveringsklachten, namelijk aan de hand van drie stellingen die volgens het subonderdeel een essentieel karakter dragen en waarop het hof niet zou zijn ingegaan. Ik geef de stellingen weer zoals ze in de procesinleiding in cassatie zijn te lezen (voor de vindplaatsen in de stukken in feitelijke aanleg zie de voetnoten in die procesinleiding):
Welk bedrag moet [pachter] betalen?
1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 2.280.370,99. [31] Wettelijke handelsrente is over dit bedrag toewijsbaar als uiteengezet in r.o. 4.66 tot en met 4.68.
5.De beslissing
€ 60.357,18.Schematisch ziet het er als volgt uit:
€ 191.114,67.SWR wijst erop dat [pachter] in feitelijke aanleg de berekening van SWR niet heeft betwist. Mijns inziens is dat niet bepalend voor het lot van de klacht. Het is steeds de taak van de rechter die over de feiten oordeelt om na te gaan of de door de eisende partij gestelde feiten tot toewijzing van de vordering kunnen leiden (art. 24 lid 1 Rv Pro). Een onjuiste berekening van de eisende partij dient de rechter dus ook zonder verweer van de gedaagde partij te corrigeren. Ik heb er begrip voor dat in de baaierd van getallen het hof de rekenfout van SWR is ontgaan en ook dat SWR zich eraan ergert dat [pachter] voor het eerst in cassatie op de rekenfout wijst, maar dat verandert er mijns inziens niets aan dat de klacht terecht is voorgesteld.
na correctiein verband met het slagen van de klachten sub 1 en 2:
1 januari 2022 incl. pachtprijsvermindering
€ 2.559.085,02(zie r.o. 4.53) minus € 309.289 (zie r.o. 4.48) is
€ 2.249.796,02.
€ 11.379. Het dictum van het arrest van het hof onder 5.17 is in zoverre onjuist.
€ 2.249.796,02te vermeerderen met wettelijke handelsrente in plaats van het in het dictum van het arrest van het hof onder 5.2 vermelde bedrag van € 2.280.370,99 (na herstelarrest). Dit werkt vanzelfsprekend ook door naar de veroordeling van [bestuurder van pachter] volgens het dictum onder 5.15. [bestuurder van pachter] is daar immers veroordeeld om (hoofdelijk, naast [pachter]) te betalen het bedrag dat [pachter] conform het dictum onder 5.2 moet betalen.
rechtstreeks(dus niet op grond van een voortbouwen) dat in het dictum onder 5.17 het bedrag van het griffierecht moet worden gecorrigeerd (hiervoor 3.38).