Conclusie
advocaat: mr. M.E. Bruning.
Ingangsdatum met terugwerkende kracht
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1stel ik het volgende voorop.
onderdeel 1van het middel.
ingangsdatumop 1 januari 2023 heeft bepaald, deze gronden overgenomen en na een eigen afweging tot de zijne gemaakt (r.o. 5.7 in verbinding met de beschikking van de rechtbank, p. 4). In r.o. 5.8 voegt het hof daaraan toe dat de vrouw naar het oordeel van het hof niet onderbouwd heeft dat zij de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed noch onderbouwd heeft dat zij niet in staat is tot terugbetaling van hetgeen zij te veel heeft ontvangen, waarbij het hof meeweegt dat in appel is komen vast te staan dat de vrouw een betalingsregeling met de deurwaarder is overeengekomen en dat zij inmiddels de helft van de onverschuldigd ontvangen kinderalimentatie heeft terugbetaald. Ten tweede heeft het hof geoordeeld dat het
redelijkis dat de vrouw het door de man te veel betaalde bedrag aan kinderalimentatie aan hem
terugbetaalt(r.o. 5.50 in verbinding met r.o. 5.7-5.8).
ten eerstede klachten dat het hof met dit oordeel “voormelde rechtsregel” (naar ik begrijp: de regels uit de vaste rechtspraak zoals weergegeven onder 3.6) heeft miskend en dat dat oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het is niet de vrouw die moet onderbouwen dat zij de ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed en dat zij niet in staat is de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, aldus het subonderdeel. Het is het hof dat, gelet op de te betrachten behoedzaamheid bij het laten ingaan van een wijziging op een vóór zijn uitspraak gelegen datum, moet onderzoeken of een terugbetalingsplicht van hetgeen in overeenstemming met de behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven in redelijkheid kan worden aanvaard, waarbij het hof niet afhankelijk is van een door de vrouw gevoerd verweer, zo voert het subonderdeel aan.
ten tweedede klachten dat het oordeel van het hof dat de vrouw niet heeft onderbouwd dat zij niet in staat is om de te veel ontvangen kinderalimentatie terug te betalen, nu zij met de deurwaarder een betalingsregeling is overeengekomen, onbegrijpelijk is, aangezien de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, waardoor de deurwaarder kon executeren en onder meer beslag had kunnen leggen. Het is volgens het subonderdeel in strijd met de redelijkheid en billijkheid om het voldoen aan een uitspraak mee te wegen bij het oordeel of terugbetaling in redelijkheid kan worden aanvaard.
hoofdverzorgendeouder heeft ontegenzeggelijk kosten, zowel kosten die verband houden met het verblijf van de kinderen, als die daarvan los staan (de zogeheten verblijfsoverstijgende kosten, bijvoorbeeld schoolgeld, contributie voor sportclubs en kleding). [24] Deze hoofdverzorgende ouder zal in de regel niet hoeven aantonen hoe de kinderalimentatie is uitgegeven en dat deze daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen is besteed. Aangenomen zal dan worden dat kinderalimentatie die de behoefte niet overstijgt, zal zijn verbruikt ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. [25]
conform het consumptieve karakter van kinderalimentatie).”
ten eerstede klacht dat, voor zover het hof heeft meegewogen dat – zoals de rechtbank had overwogen – [belanghebbende] sinds oktober 2022 en [kind 2] sinds 28 januari 2023 volledig bij de man verblijven, het hof daarmee buiten het partijdebat is getreden dan wel dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst er daarbij op dat de man in zijn inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat partijen na het echtscheidingsconvenant van 2013 in 2014 nieuwe bedragen met elkaar hebben afgesproken en dat hij de vrouw vanaf dat moment alimentatie voor alle drie de kinderen betaalde, bij de aanvang van deze procedure een bedrag van € 651,32 per maand (€ 217,- per kind per maand), [34] dus ongeacht het feit dat [belanghebbende] toen al bij de man stond ingeschreven. Met andere woorden, aldus het subonderdeel: bij welke ouder de kinderen verbleven, was niet relevant voor het betalen van kinderalimentatie en mocht het hof gelet op de eigen stellingen van de man dus niet meewegen bij zijn oordeel dat de rechtbank op juiste gronden de ingangsdatum op 1 januari 2023 heeft bepaald.
eerste deelvan het subonderdeel falen, in de eerste plaats al omdat uit de op de in het subonderdeel aangehaalde plaats niet afgeleid mag worden dat door de vader de stelling is ingenomen dat voor het betalen van kinderalimentatie niet relevant was bij welke ouder de kinderen
verbleven. Integendeel: het verzoek van de vader tot wijziging van de kinderalimentatie was juist mede erop gebaseerd dat er wijzigingen zijn geweest in de zorgregeling, dat [kind 2] in januari 2023 bij zijn vader is gaan wonen en minder bij zijn moeder komt, en dat [belanghebbende] vanaf februari 2020 voornamelijk bij zijn vader is en sinds oktober 2022 niet meer bij zijn moeder komt. [36] De rechtbank en het hof – door de verwijzing naar de rechtbank in r.o. 5.7 van de bestreden beschikking – hebben in hun motivering dan ook waarde gehecht aan de feitelijke verdeling van de zorg voor [belanghebbende] en [kind 2] en de daarmee gepaard gaande kosten. Dat oordeel staat ook los van de inschrijving van [belanghebbende] op het adres van de man.
tweede deelvan het subonderdeel falen ook. Het hof heeft, in het licht van het wegvallen van de verblijfskosten zoals door de rechtbank geconstateerd, een nadere onderbouwing verlangd van de stelling van de vrouw dat zij de te veel ontvangen kinderalimentatie daadwerkelijk ten behoeve van de kinderen heeft besteed. Het hof heeft kennelijk de stelling van de vrouw dat zij steeds ook de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan, in dat kader niet toereikend geacht. Dit is niet onbegrijpelijk, nu in het verlengde van het debat in eerste aanleg hierover (zie hiervoor onder 3.38 en 3.39), ook in hoger beroep tussen partijen discussie is gevoerd over de vraag in hoeverre de vrouw in de periode tot aan de wijziging in 2023 de verblijfsoverstijgende kosten heeft voldaan. [37] Ook dat was dus in geschil tussen partijen.
onderdeel 2.