Conclusie
Nummer25/00537
Inleiding
medeplegen van moord”
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
De zaak
Het eerste middel
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of […] hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
“5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
De bespreking van het eerste middel
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [5]
Het tweede middel
Prokuratuur [8] en
Landeck [9] .
De overwegingen van het hof
“5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Een nadere omschrijving van het tweede middel
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
Prokuratuur. [12] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [13] over Richtlijn 2016/680. [14]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [18] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [19] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [20]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [21] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [22]
Landeck. [29] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [30] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [31]
De bespreking van het tweede middel
Het derde middel
De bewijsvoering
“6.3.2. LIS
6.3.2.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]
6.3.3.2.2. Getuigen
6.3.2.2.1. Getuigen plaats delict
6.3.2.3. Forensisch onderzoek
6.3.2.3.1. Hulzen
6.3.2.3.2. DNA
stuk capuchon (AAKH3041NL)
onderdeel T-shirt (AAKH3042NL)
onderdeel vest dun (AAKH3043NL)
onderdeel vest dik (AAKH3044NL)
diverse stukken textiel (AAKH3045NL)
stuk capuchon (AAKH3041NL)
onderdeel T-shirt (AAKH3042NL)
onderdeel trui (AAKH3043NL)
onderdeel vest (AAKH3044NL)
diverse stukken textiel (AAKH3045NL).
[medeverdachte 2] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 2] te liquideren;
aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de liquidatie van [slachtoffer 2] hebben uitgevoerd;
[betrokkene 1] en [verdachte] actief waren in het chapter [plaats] van [motorclub] onder leiding van [betrokkene 9] ;
[betrokkene 9] had gewild dat [verdachte] op 29 juni 2017 met [betrokkene 1] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten;
DNA van [betrokkene 1] en [verdachte] op door de daders gedragen kleding is gevonden;
de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat
er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [medeverdachte 2] de moord op [slachtoffer 2] hebben gepleegd;
6.3.2.6. De rollen van [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en [verdachte]
Een nadere omschrijving van het derde middel
“alle voor het bewijs van het ten laste gelegde fungerende vaststellingen (…) onbegrijpelijk dan wel (…) niet redengevend (zijn)”(deelklacht b)
.
Het juridisch kader: de beoordeling van ‘alternatieve scenario’s’
De bespreking van het derde middel
“voldoende forensisch toetsbare elementen”;
“geen voldoende forensisch toetsbare elementen bevat”– en daarmee kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat dit scenario niet (voldoende) controleerbaar, concreet en/of onderbouwd is –, doet daaraan niet af.