Conclusie
Nummer 24/00357
Inleiding
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, in de zaak met parketnummer 05-303824-21 wegens “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen”, in de zaak met parketnummer 05-135621-20 wegens “
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, in de zaak met parketnummer 05-266858-20 wegens 1. “
poging tot zware mishandeling”, 2. “
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”, 3. “
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, 4. “
verduistering”en 5. “
diefstal”, en in de zaak met parketnummer 05-325984-21 wegens “
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, met aftrek van voorarrest. In de zaak met parketnummer 05-303111-20 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. [1] Daarnaast heeft het hof een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf afgewezen.
De bewezenverklaring en de bewijsconstructie van het hof
hij, op 24 oktober 2020 te [plaats], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verbalisant 1] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) en [verbalisant 2] (hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte als bestuurder van een bestelbus meermaals opzettelijk gas gegeven terwijl die [verbalisant 2] en die [verbalisant 1] zich (steeds) op een zeer korte afstand voor en/of naast de auto van verdachte bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
Bewijsmiddelen
Het middel en de toelichting erop
indiende bestelbus van de verdachte vooruit zou schieten, een botsing met de agenten zou ontstaan waarbij zij zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen, maar niet dat de kans aanmerkelijk was dat de bestelbus vooruit zou schieten. Dat laatste zou ook niet uit de bewijsvoering kunnen worden afgeleid, nu daaruit zou blijken dat de bestelbus “
vast stond”tegen de zijkant van de politieauto aan. Daardoor was de kans dat de bestelbus vooruit zou schieten nihil, aldus de steller van het middel.
De bespreking van het middel
indien het was geluktde bestelbus in beweging te krijgen vanuit de positie van stilstand tegen de politieauto aan. Dat roept bij mij wel enige aarzelingen op. Daarmee heeft het hof namelijk de omstandigheid dat de bestelbus, naar achteraf is gebleken, klem stond tegen de politieauto niet meegewogen in zijn beoordeling van de aanmerkelijke kans.