Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
met het doel de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport te verzekeren. De betrokkenheid van de verdachte “op de wijze zoals het hof feitelijk heeft vastgesteld” moet volgens de steller van het middel in verband worden gebracht met het in art. 10a Opiumwet (hierna: Ow) bepaalde en niet met het medeplegen van de invoer van harddrugs. Het hof zou een te ruime maatstaf met betrekking tot medeplegen hebben aangelegd.
Bewijsoverweging
NJ2014/390 m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411 m.nt. Rozemond. Kort gezegd moet voor de kwalificatie medeplegen in elk geval sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit is aan de orde als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Relevante factoren hierbij kunnen zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [2] De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Bij een gezamenlijke uitvoering van het delict zal het normaal gesproken steeds om medeplegen gaan. [3] De rechter kan bij zijn oordeel over het medeplegen in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen gezien redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. [4] De toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter over het medeplegen wordt in belangrijke mate bepaald door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder een op het medeplegen toegesneden nadere motivering. [5]
NJ2017/459. Over de rol van de verdachte bleek uit de bewijsvoering slechts dat de verdachte zijn medeverdachte X voor een door ene Y in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol heeft opgewacht en dat de verdachte wist dat X een zending met een naar hij aannam niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben. Volgens de Hoge Raad was het kennelijke oordeel van het hof dat die intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is niet zonder meer begrijpelijk, ook niet als daarbij in aanmerking werd genomen dat het hof het afhalen van X van de luchthaven als uitvoeringshandeling heeft aangemerkt. Ook in HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460 m.nt. Rozemond doorstond het oordeel van het hof dat sprake was van medeplegen de cassatietoets niet. Het hof had vastgesteld dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van een zending cocaïne voor het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. De Hoge Raad achtte die vaststellingen niet zonder meer toereikend voor het bewezenverklaarde medeplegen en nam daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het hof “niets naders heeft overwogen over de betrokkenheid van de verdachte in de periode voorafgaand aan 3 december 2013”, de datum waarop de drugs het land inkwamen.
NJ2017/459. In die zaak betrof de rol van de verdachte slechts het opwachten van een medeverdachte die de cocaïne bij zich heeft, terwijl de verdachte niet eens wist dat het om cocaïne ging. In de onderhavige zaak is onder meer juist vastgesteld dat de verdachte een afhaler was die de overdracht van de cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport moest verzekeren. Verder wijkt de onderhavige zaak af van het (eveneens onder 3.12 genoemde) arrest HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460 m.nt. Rozemond. Die afwijking betreft precies het punt dat de Hoge Raad in het bijzonder in aanmerking neemt voor het laten slagen van de cassatieklacht, namelijk of iets naders is overwogen over de betrokkenheid van de verdachte in de periode voorafgaand aan het drugstransport. In de onderhavige zaak heeft het hof erop gewezen dat de verdachte vóór, tijdens en na zijn ontmoeting met de drugskoeriers in nauw contact heeft gestaan met zijn medeverdachten. Ook blijkt uit de bewijsvoering de intensiteit van het contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] voorafgaand aan het drugstransport. Zo heeft het hof vastgesteld dat het telefoonnummer dat in gebruik was bij de verdachte in de periode 8 september 2020 tot en met 8 maart 2021 veertien keer contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en 73 keer met [betrokkene 3] en verder dat dit nummer op 19 februari 2021 in een WhatsApp groepsgesprek heeft gezeten met onder meer koerier [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] . Daarmee kan wel degelijk iets worden gezegd over de intensiteit van de samenwerking. Dit duidt op een rol van de verdachte in de fase van de voorbereiding van de invoer van drugs. Hoewel onduidelijkheid bestaat over de inhoud van deze communicatie, kon het hof aan het plaatsvinden daarvan bewijswaarde toekennen wat betreft betrokkenheid voorafgaande aan de uitvoering van het feit, ook erop gelet dat een verklaring over die communicatie is uitgebleven. Voorts blijkt uit de bewijsvoering de onderlinge taakverdeling, aangezien het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] “praktische zaken rondom de invoer regelde en veelvuldig contact onderhield met koerier [betrokkene 1] ” en de verdachte de rol van afhaler had. Bovendien heeft het hof de aanwezigheid van de verdachte op Schiphol op een belangrijk moment, namelijk het moment vlak nadat de drugskoeriers waren aangekomen op Schiphol, in aanmerking genomen en heeft het hof het belang van de rol van de verdachte benadrukt. Op grond van het voorgaande – waaruit blijkt dat de verdachte zowel voorafgaand aan het feit als bij een deel van de uitvoering ervan was betrokken – ben ik van oordeel dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat de bewezenverklaring van het medeplegen toereikend is gemotiveerd.