ECLI:NL:PHR:2026:319

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
24/01371
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2A OpiumwetArt. 1 lid 4 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
20 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen invoer cocaïne door afhaler op Schiphol

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van de invoer van 1.107,70 gram cocaïne op Schiphol. In eerste aanleg was hij vrijgesproken. Het hof stelde vast dat de verdachte op de dag van aankomst van de drugskoeriers op Schiphol aanwezig was op de afgesproken plek, hen aansprak en daarna veelvuldig telefonisch contact had met medeverdachten die de invoer organiseerden.

De verdachte voerde in cassatie aan dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had en onvoldoende bewijs had geleverd voor medeplegen, met name omdat de inhoud van de communicatie niet was vastgesteld. De advocaat-generaal concludeerde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte een substantiële bijdrage had geleverd als afhaler, die de overdracht van de cocaïne verzekerde.

De Hoge Raad bevestigde dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking vereist met een bijdrage van voldoende gewicht. Het hof had voldoende feiten vastgesteld over de aanwezigheid, contacten en rol van de verdachte, ook voorafgaand aan de feitelijke invoer. De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring die de bewijslast ontzenuwde. De cassatieklacht faalde, en de veroordeling bleef in stand.

De zaak onderscheidde zich van eerdere jurisprudentie doordat de verdachte niet alleen de drugskoeriers opwachtte, maar ook intensief contact had met medeverdachten voorafgaand en tijdens de invoer. Dit maakte zijn rol zwaarder en kwalificeerde als medeplegen. De Hoge Raad benadrukte dat de beoordeling van medeplegen afhangt van de concrete omstandigheden en dat het ontbreken van vaststellingen over de inhoud van communicatie niet per definitie tot vrijspraak leidt.

De conclusie van de advocaat-generaal strekte tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee de veroordeling definitief werd bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verdachte tot 12 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van invoer van cocaïne.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01371
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is – na een integrale vrijspraak in eerste aanleg – door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 4 april 2024 (parketnr. 23-002457-21) wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof een inbeslaggenomen telefoon verbeurd verklaard en de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 14 mei 2020 onder parketnummer 15-034702-20 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.W.H.M. Wolters, advocaat in Hoofddorp, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 25 februari 2021 is op de lichamen van twee drugskoeriers, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , in totaal 1.107,70 gram cocaïne aangetroffen nadat zij vanuit Curaçao waren aangekomen op Schiphol. De verdachte is die dag verschenen in het stationsgebied van Schiphol op de plek waar [betrokkene 1] en [betrokkene 2] moesten wachten. Hij heeft hen aangesproken en was daarna veel aan het bellen, onder meer met de medeverdachten. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van cocaïne. In cassatie wordt geklaagd over dit oordeel.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van de invoer van cocaïne blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Daartoe voert de steller van het middel aan dat nauwelijks iets kan worden vastgesteld over de intensiteit van de samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte(n), omdat niet blijkt wat de inhoud was van de contacten die de verdachte met de andere betrokkenen onderhield. De onderhavige zaak zou zich “op tal van punten” onderscheiden van de zaak HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314, waarin de Hoge Raad de veroordeling wegens medeplegen in stand liet. In de onderhavige zaak zou niet uit de bewijsmiddelen blijken dat de verdachte rond zijn aanwezigheid op Schiphol telefonisch contact onderhield met de medeverdachten
met het doel de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport te verzekeren. De betrokkenheid van de verdachte “op de wijze zoals het hof feitelijk heeft vastgesteld” moet volgens de steller van het middel in verband worden gebracht met het in art. 10a Opiumwet (hierna: Ow) bepaalde en niet met het medeplegen van de invoer van harddrugs. Het hof zou een te ruime maatstaf met betrekking tot medeplegen hebben aangelegd.
3.3
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij, op of omstreeks 25 februari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een of meer hoeveelheden (559,46 gram en/of 548,24 gram) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
hij, op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 februari 2021 tot en met 25 februari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of [plaats] en/of [plaats] , althans in Nederland en/of Curaçao en/of Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van een of meer hoeveelheden (548,24 gram aangetroffen op 25 februari 2021 onder [betrokkene 1] en/of 559,46 gram aangetroffen op 25 februari 2021 onder [betrokkene 2] ) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen.
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
- een of meer anderen de gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (daartoe) tezamen en in vereniging, althans alleen,
- (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of andere mededader(s) gehad en/of gelegd en/of onderhouden en/instructies gegeven omtrent het vervoer van de cocaïne en/of
- (telefonische) contact(en) (al dan niet middels WhatsApp) met die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of andere mededader(s) gehad met betrekking tot (het verloop van) de reis van en/of naar Curaçao en/of Nederland en/of (in het kader van die reis) van die [betrokkene 1] foto’s ontvangen heeft van COVID-test-certificaten en/of paspoorten en/of die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of
- die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] instructies en/of opdracht gegeven over/tot het vervoeren van cocaïne naar Nederland en/of
- voor die [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] vliegtickets geboekt en/of betaald en/of laten boeken en/of betalen en/of
- contact gehad en/of gelegd en/of onderhouden met zijn medeverdachte(n), al dan niet om instructies en/of aanwijzingen te ontvangen en/of te geven/versturen en/of
- zich op 25 februari, zijnde de datum van aankomst van die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] , naar Schiphol begeven teneinde die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] af te halen en/of
- op Schiphol contact gemaakt met die [betrokkene 1] en/of die [betrokkene 2] .”
3.4
Daarvan is door het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 25 februari 2021 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht hoeveelheden (559,46 gram en 548,24 gram) van een materiaal bevattende cocaïne.”
3.5
Deze bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde feit steunt op de volgende (promis)bewijsoverwegingen van het hof (met weglating van voetnoten):

Bewijsoverweging
Standpunt advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde medeplegen van het voorbereiden en bevorderen van de invoer van cocaïne.
Standpunt verdediging
De raadsman heeft verzocht de verdachte integraal vrij te spreken bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de verdachte naar Schiphol is gegaan na ruzie met zijn partner en dat hij daar twee dames, die later de koeriers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] bleken te zijn, alleen heeft aangesproken om te flirten. De telefoon die de verdachte bij zijn aanhouding bij zich had met [telefoonnummer 1] (verder: @ [telefoonnummer 1] ) en waarmee contact zou zijn geweest met onder meer de medeverdachte, had hij naar zijn zeggen diezelfde dag bij station […] gevonden. Bovendien was het andere aan de verdachte toegeschreven [telefoonnummer 2] (verder: @ [telefoonnummer 2] ) niet alleen bij de verdachte, maar bij meerdere personen in gebruik. De verdachte is dan ook niet de persoon die met dat telefoonnummer contact had met de medeverdachte en in een WhatsApp groepsgesprek zat met de twee koeriers en de medeverdachte. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat er onvoldoende bewijs is voor het medeplegen.
Oordeel hof
Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit het politiedossier blijkt dat in de ochtend van 25 februari 2021 [betrokkene 1] en [betrokkene 2] samen vanuit Curaçao zijn aangekomen op de luchthaven Schiphol. Zij zijn daar na een controle aangehouden. In en op hun lichamen is cocaïne aangetroffen, met een totaalgewicht van 1.107.70 gram. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben meegewerkt aan een zogenoemde “2-gramsprocedure” om hun afhaler te onderkennen en zij zijn daartoe geobserveerd. Zij stonden omstreeks 9.45 uur ter hoogte van de AKO in het stationsgebied, omdat zij daar volgens [betrokkene 1] moesten wachten. Tijdens de observatie werd waargenomen dat de verdachte om 9.45 uur vanuit het treinperron 5/6 met de roltrap omhoog kwam, richting [betrokkene 1] en [betrokkene 2] liep en iets naar hen riep. Deze gang van zaken werd ook vastgelegd op camerabeelden. Ook werd waargenomen dat de verdachte na het contact met deze drugskoeriers veel aan het bellen was. De verdachte is om 10:25 uur aangehouden.
[telefoonnummer 1] (verder: @ [telefoonnummer 1] )
Bij zijn aanhouding is een Nokia telefoon bij de verdachte aangetroffen, met het telefoonnummer @ [telefoonnummer 1] . Uit onderzoek van de telefoon bleek dat hiermee tussen 09:46 en 09:54 uur viermaal is gebeld naar het nummer + [telefoonnummer 3] , dat toebehoort aan [betrokkene 3] , die in 2017 afhaler was toen de verdachte is aangehouden voor het invoeren van verdovende middelen. Vervolgens is dit telefoonnummer voorafgaand aan de aanhouding van de verdachte eenmaal door + [telefoonnummer 4] (verder: @ [telefoonnummer 4] ) en eenmaal door het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] gebeld. Na de aanhouding van de verdachte zijn diezelfde ochtend nog twee gemiste inkomende gesprekken geregistreerd van het telefoonnummer @ [telefoonnummer 4] en een gemist inkomend gesprek van het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] .
Telefoonnummer @ [telefoonnummer 4]
Het telefoonnummer @ [telefoonnummer 4] was in de tenlastegelegde periode in gebruik bij de [medeverdachte 1] , zo leidt het hof af uit de analyse van de historische telefoongegevens van dat nummer in combinatie met de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij dat nummer lange tijd in gebruik heeft gehad. De verdachte heeft over zijn relatie met [medeverdachte 1] verklaard dat zij elkaar al tien jaar kennen. [medeverdachte 1] is op 30 december 2021 onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden voor onder meer zijn bijdrage aan de drugsinvoer die in deze strafzaak ook aan de verdachte wordt tenlastegelegd. Hij was degene die contact met koerier [betrokkene 1] onderhield, zo blijkt uit in de telefoon van [betrokkene 1] aangetroffen verwijderde Whatsapp-gesprekken. In die gesprekken verzond [betrokkene 1] op 19 februari 2021 COVID-19 testuitslagen en afbeeldingen van de paspoorten van zichzelf en [betrokkene 2] , en een instapkaart op haar naam voor de vlucht van Aruba naar Curaçao op diezelfde dag. [medeverdachte 1] heeft verzocht om een foto van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zodat hij zou weten hoe zij waren gekleed. Verder blijkt uit de Whatsappgesprekken dat [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] bijna dagelijks contact hadden. Er zijn tussen 19 en 22 februari 2021 in Whatsapp 63 audiobestanden verstuurd en er zijn meerdere telefoongesprekken via Whatsapp gevoerd.
Telefoonnummer @ [telefoonnummer 2]
Uit onderzoek blijkt dat het nummer @ [telefoonnummer 2] bij de verdachte in gebruik was, aangezien dit telefoonnummer bij verschillende boekingen van vliegtickets op de naam van de verdachte werd verstrekt en dit nummer veelvuldig contact had met het telefoonnummer van de partner van de verdachte. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij dit nummer gebruikt had. Verder blijkt uit onderzoek dat het nummer @ [telefoonnummer 2] in de periode 8 september 2020 tot en met 8 maart 2021 veertien keer contact heeft gehad met het telefoonnummer van de [medeverdachte 1] en 73 keer met het telefoonnummer van [betrokkene 3] . Ook zit dit nummer in een WhatsApp groepsgesprek van 19 februari 2021 samen met onder meer medeverdachten [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] . Het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] belt op 25 februari 2021 om 10:04 uur met het nummer @ [telefoonnummer 1] en straalt dan een zendmast op Schiphol aan, maar is niet bij de verdachte aangetroffen. Het hof leidt uit dit een en ander af dat dit nummer betrokken was bij de invoer van de cocaïne vanuit Curaçao .
Op grond van de bewijsmiddelen concludeert het hof dat de verdachte voorafgaand aan en op 25 februari 2021 in direct contact stond met de [medeverdachte 1] , die praktische zaken rondom de invoer regelde en veelvuldig contact onderhield met koerier [betrokkene 1] . Ook had de verdachte voorafgaand aan en op 25 februari 2021 contact met het nummer van [betrokkene 3] , die bij een eerdere strafzaak van de verdachte met betrekking tot de invoer van verdovende middelen betrokken is geweest. Op 25 februari 2021 is de verdachte met de trein naar Schiphol gereisd, waar bij de AKO de afspraak met de koeriers zou plaatsvinden. De verdachte verscheen op die afgesproken locatie en heeft daar de koeriers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aangesproken. Direct daarna heeft hij een aantal keer gebeld met het aan [betrokkene 3] toegeschreven telefoonnummer en is er telefonisch contact geweest met de (inmiddels veroordeelde) [medeverdachte 1] en iemand die op dat moment de gebruiker was van het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] , die zich ook op Schiphol bevond.
Deze feiten en omstandigheden zijn redengevend voor het bewijs dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne. De verdachte heeft geen aannemelijke, verifieerbare, de redengevendheid ontzenuwende verklaring voor deze belastende feiten en omstandigheden gegeven. De verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij de telefoon met telefoonnummer @ [telefoonnummer 1] bij station […] heeft gevonden en dat hij daarom niets met de invoer te maken kan hebben, maar deze verklaring vindt onvoldoende steun in het dossier. Uit het politiedossier blijkt immers dat dit nummer op 25 februari 2021 om 09:18 uur aanstraalde bij een zendmast bij [a-straat 1] . Via diezelfde zendmast is omstreeks 09:23 uur contact geweest met het [telefoonnummer 5] : algemeen bekend is dat dit nummer dient om beltegoed op te waarderen. Deze zendmast bevindt zich niet in de omgeving van station […] , maar op een locatie gelegen tussen de woning van de partner van verdachte en station […] , zo stelt het hof vast. Een kwartier na het aanstralen van [a-straat 1] , te weten om 09:38 uur, is de verdachte vanaf station […] in de trein naar station Schiphol gestapt. In die korte tijdspanne zou de telefoon op de grond bij station […] zijn terechtgekomen en zou de verdachte de telefoon hebben gevonden. Bovendien is de verdachte kort daarna door zowel het nummer @ [telefoonnummer 4] als @ [telefoonnummer 2] op nummer @ [telefoonnummer 1] gebeld, terwijl dat volgens zijn verhaal een nieuw nummer (immers van een gevonden telefoon) was dat niet bekend was bij deze perso(o)n(en). De verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Het hof schuift het verweer van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde.
De verdachte heeft een substantiële bijdrage geleverd aan de invoer van cocaïne door als afhaler de koeriers daadwerkelijk op de afgesproken plek aan te spreken en door vóór, tijdens en na deze ontmoeting in nauw contact te staan met de verschillende personen die op hun beurt weer in contact stonden met de koerier(s), met het doel de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport te verzekeren. De verdachte was in zijn rol als afhaler een belangrijke schakel bij deze manier van drugsimport en leverde daaraan een bijdrage van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde en verwerpt het tot vrijspraak strekkende verweer.”
3.6
Het hof heeft – kort gezegd – bewezenverklaard dat de verdachte op 25 februari 2021 tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk cocaïne binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Dit feit is strafbaar gesteld in art. 2 aanhef Pro en onder A Ow. Onder het begrip “binnen het grondgebied brengen” in de zin van deze bepaling moet ingevolge art. 1 lid 4 Ow Pro ook worden verstaan “verlengde invoer”, oftewel elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn. Hieronder valt ook het gereed staan om verdovende middelen na de aankomst daarvan in Nederland te onderscheppen. [1]
3.7
Voor het juridisch kader inzake medeplegen verwijs ik naar de overzichtsarresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
NJ2014/390 m.nt. Mevis, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718,
NJ2015/395 m.nt. Mevis en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,
NJ2016/411 m.nt. Rozemond. Kort gezegd moet voor de kwalificatie medeplegen in elk geval sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Dit is aan de orde als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Relevante factoren hierbij kunnen zijn de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [2] De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Bij een gezamenlijke uitvoering van het delict zal het normaal gesproken steeds om medeplegen gaan. [3] De rechter kan bij zijn oordeel over het medeplegen in aanmerking nemen dat de verdachte voor een omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen gezien redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. [4] De toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter over het medeplegen wordt in belangrijke mate bepaald door de precieze bewijsvoering van de feitenrechter, waaronder een op het medeplegen toegesneden nadere motivering. [5]
3.8
Uit de (promis)overwegingen van het hof blijkt dat het hof is uitgegaan van onder meer de volgende vaststellingen:
- de verdachte is op 25 februari 2021 om 9.45 uur verschenen in het stationsgebied van Schiphol ter hoogte van de AKO, waar de drugskoeriers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – die eerder die ochtend op Schiphol waren geland na een vlucht vanuit Curaçao en bij wie in totaal 1.107,70 gram cocaïne was aangetroffen – wachtten omdat daar een afspraak zou plaatsvinden;
- de verdachte is toen richting [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gelopen en heeft hen aangesproken;
- direct na het aanspreken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de verdachte viermaal contact gehad met het telefoonnummer van [betrokkene 3] (+ [telefoonnummer 3] ), die in 2017 bij een strafzaak tegen de verdachte over de invoer van verdovende middelen als afhaler betrokken was;
- direct na het aanspreken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de verdachte telefonisch contact gehad met [medeverdachte 1] (+ [telefoonnummer 4] / @ [telefoonnummer 4] ), die onherroepelijk is veroordeeld voor zijn bijdrage aan de drugsinvoer in deze strafzaak, welke bijdrage eruit bestond dat [medeverdachte 1] praktische zaken rondom de invoer van cocaïne regelde en (in ieder geval) tussen 19 en 22 februari 2021 veelvuldig contact onderhield met [betrokkene 1] waarin hij onder meer verzocht om een foto van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zodat hij zou weten hoe zij waren gekleed;
- direct na het aanspreken van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] heeft de verdachte ook telefonisch contact gehad met de gebruiker van telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] , die zich op dat moment ook op Schiphol bevond;
- na de aanhouding van de verdachte op 25 februari 2021 om 10.25 uur zijn op de telefoon die bij de verdachte is aangetroffen gemiste inkomende gesprekken geregistreerd van [medeverdachte 1] en de gebruiker van telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] ;
- de verdachte heeft voorafgaand aan 25 februari 2021 in direct contact gestaan met [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] , aangezien met het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] , dat in gebruik was bij de verdachte maar dat op 25 februari 2021 niet bij de verdachte is aangetroffen, in de periode van 8 september 2020 tot en met 8 maart 2021 veelvuldig contact is geweest met het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] ;
- het telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] , dat bij de verdachte in gebruik was, zat op 19 februari 2021 in een WhatsApp groepsgesprek met onder meer [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] .
3.9
Het hof heeft geoordeeld dat deze feiten en omstandigheden redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne en dat de verdachte geen aannemelijke, verifieerbare, de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor “deze belastende feiten en omstandigheden”. Volgens het hof had de verdachte bij de invoer van de drugs de rol van afhaler en heeft hij (i) de drugskoeriers op de afgesproken plek aangesproken en (ii) vóór, tijdens en na deze ontmoeting in nauw contact gestaan met verschillende personen die op hun beurt weer in contact stonden met de drugskoerier(s) met als doel het verzekeren van de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport. Hiermee heeft de verdachte volgens het hof een substantiële bijdrage geleverd aan de invoer van cocaïne, was hij een belangrijke schakel bij deze manier van drugsimport en leverde hij daaraan een bijdrage van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.
3.1
Dat het hof aan de onder 3.8 weergegeven vaststellingen de conclusie heeft verbonden dat de verdachte bij de drugsinvoer de rol had van afhaler en dat hij de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen heeft verricht met het doel om de overdracht van de ingevoerde cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport te verzekeren, acht ik niet onbegrijpelijk. Ook zonder vaststellingen over de inhoud van de communicatie tussen de verdachte en [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 1] en de (tijdelijke) gebruiker van telefoonnummer @ [telefoonnummer 2] kon het hof deze gevolgtrekking maken. Daartoe telt dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte is verschenen op de plek en op het tijdstip waar(op) de drugskoeriers [betrokkene 1] en [betrokkene 2] na hun aankomst met de cocaïne op Schiphol moesten wachten, dat de verdachte [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ook daadwerkelijk heeft aangesproken en dat hij meteen daarna contact heeft gehad met onder meer [medeverdachte 1] , terwijl [medeverdachte 1] praktische zaken rondom de invoer van cocaïne regelde en [medeverdachte 1] eerder [betrokkene 1] had verzocht om een omschrijving van haar kleding. Dat de verdachte geen aannemelijke, verifieerbare, de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven voor deze feiten en omstandigheden, biedt nog verdere ondersteuning aan voormelde gevolgtrekking door het hof. Overigens wordt in cassatie niet bestreden dat de verdachte bij de drugsinvoer was betrokken.
3.11
Het hierop voortbouwende oordeel van het hof dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de invoer van de cocaïne die kan worden gekwalificeerd als medeplegen, getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ik licht dat toe.
3.12
Hoewel betrokkenheid tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een bijdrage aan de uitvoeringshandelingen doorgaans volstaat voor een bewezenverklaring van medeplegen, lijkt het afhalen van verdovende middelen na aankomst in Nederland (als onderdeel van de invoer daarvan) op zichzelf toch onvoldoende te zijn voor de kwalificatie van het medeplegen van de invoer van die verdovende middelen. Relevant daartoe is om te beginnen HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302,
NJ2017/459. Over de rol van de verdachte bleek uit de bewijsvoering slechts dat de verdachte zijn medeverdachte X voor een door ene Y in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol heeft opgewacht en dat de verdachte wist dat X een zending met een naar hij aannam niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben. Volgens de Hoge Raad was het kennelijke oordeel van het hof dat die intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is niet zonder meer begrijpelijk, ook niet als daarbij in aanmerking werd genomen dat het hof het afhalen van X van de luchthaven als uitvoeringshandeling heeft aangemerkt. Ook in HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460 m.nt. Rozemond doorstond het oordeel van het hof dat sprake was van medeplegen de cassatietoets niet. Het hof had vastgesteld dat de rol van de verdachte bestond uit het veiligstellen van een zending cocaïne voor het verdere vervoer en/of de verspreiding van die cocaïne. De Hoge Raad achtte die vaststellingen niet zonder meer toereikend voor het bewezenverklaarde medeplegen en nam daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het hof “niets naders heeft overwogen over de betrokkenheid van de verdachte in de periode voorafgaand aan 3 december 2013”, de datum waarop de drugs het land inkwamen.
3.13
Anders lag het in HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1312. Uit dit arrest kan worden afgeleid dat sprake van medeplegen kan zijn wanneer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte tijdens de voorbereiding en de afhandeling van het delict en de aanwezigheid van de verdachte op belangrijke momenten voldoende tot uitdrukking komt in de overwegingen van de feitenrechter. In deze zaak had het hof over de betrokkenheid van de verdachte vastgesteld dat de verdachte de drugskoeriers en/of hun bagage met daarin de cocaïne heeft opgehaald van Schiphol teneinde de cocaïne veilig te stellen en dat hij ter voorbereiding hierop informatie en aanwijzingen kreeg van de [medeverdachte 2] . Het hof stelde vast dat de verdachte en [medeverdachte 2] rond de aankomst van de koeriers en na afloop daarvan contact hebben onderhouden over de aankomst en de verdere gang van zaken. Volgens A-G Hofstee heeft het hof daarmee ook benadrukt dat voorafgaand aan de drugstransporten informatie is uitgewisseld en dat reeds gezien het aantal onderlinge contacten de samenwerking tussen de verdachten zonder meer intensief was. Hofstee concludeerde dat de bewezenverklaring van medeplegen niet ontoereikend was gemotiveerd en de Hoge Raad deed de zaak af met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
3.14
In de onderhavige zaak ging de bijdrage van de verdachte verder dan in het (onder 3.12 genoemde) arrest HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302,
NJ2017/459. In die zaak betrof de rol van de verdachte slechts het opwachten van een medeverdachte die de cocaïne bij zich heeft, terwijl de verdachte niet eens wist dat het om cocaïne ging. In de onderhavige zaak is onder meer juist vastgesteld dat de verdachte een afhaler was die de overdracht van de cocaïne van de koeriers aan de organisatoren van het transport moest verzekeren. Verder wijkt de onderhavige zaak af van het (eveneens onder 3.12 genoemde) arrest HR 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2640,
NJ2017/460 m.nt. Rozemond. Die afwijking betreft precies het punt dat de Hoge Raad in het bijzonder in aanmerking neemt voor het laten slagen van de cassatieklacht, namelijk of iets naders is overwogen over de betrokkenheid van de verdachte in de periode voorafgaand aan het drugstransport. In de onderhavige zaak heeft het hof erop gewezen dat de verdachte vóór, tijdens en na zijn ontmoeting met de drugskoeriers in nauw contact heeft gestaan met zijn medeverdachten. Ook blijkt uit de bewijsvoering de intensiteit van het contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] voorafgaand aan het drugstransport. Zo heeft het hof vastgesteld dat het telefoonnummer dat in gebruik was bij de verdachte in de periode 8 september 2020 tot en met 8 maart 2021 veertien keer contact heeft gehad met [medeverdachte 1] en 73 keer met [betrokkene 3] en verder dat dit nummer op 19 februari 2021 in een WhatsApp groepsgesprek heeft gezeten met onder meer koerier [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] . Daarmee kan wel degelijk iets worden gezegd over de intensiteit van de samenwerking. Dit duidt op een rol van de verdachte in de fase van de voorbereiding van de invoer van drugs. Hoewel onduidelijkheid bestaat over de inhoud van deze communicatie, kon het hof aan het plaatsvinden daarvan bewijswaarde toekennen wat betreft betrokkenheid voorafgaande aan de uitvoering van het feit, ook erop gelet dat een verklaring over die communicatie is uitgebleven. Voorts blijkt uit de bewijsvoering de onderlinge taakverdeling, aangezien het hof heeft vastgesteld dat [medeverdachte 1] “praktische zaken rondom de invoer regelde en veelvuldig contact onderhield met koerier [betrokkene 1] ” en de verdachte de rol van afhaler had. Bovendien heeft het hof de aanwezigheid van de verdachte op Schiphol op een belangrijk moment, namelijk het moment vlak nadat de drugskoeriers waren aangekomen op Schiphol, in aanmerking genomen en heeft het hof het belang van de rol van de verdachte benadrukt. Op grond van het voorgaande – waaruit blijkt dat de verdachte zowel voorafgaand aan het feit als bij een deel van de uitvoering ervan was betrokken – ben ik van oordeel dat het hof geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat de bewezenverklaring van het medeplegen toereikend is gemotiveerd.
3.15
Tot slot merk ik nog het volgende op over het standpunt van de steller van het middel dat het oordeel van het hof over het medeplegen getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk is, omdat de onderhavige zaak in verschillende opzichten afwijkt van de zaak die ten grondslag lag aan het arrest HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314. Het oordeel van het hof in die zaak dat sprake was van medeplegen, getuigde niet van een onjuiste rechtsopvatting en was evenmin onbegrijpelijk volgens de Hoge Raad. In die zaak had het hof anders dan in de onderhavige zaak vaststellingen gedaan over de inhoud van communicatie tussen de verdachte en andere betrokkenen. De kennelijk in de toelichting op het middel gehanteerde a contrario-redenering, te weten dat medeplegen gezien dit arrest niet kan worden bewezen wanneer geen vaststellingen kunnen worden gedaan over de inhoud van de communicatie tussen betrokkenen, kan geen stand houden. Er zijn geen algemene regels te geven voor het antwoord op de vraag of van medeplegen kan worden gesproken. Dit vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. [6] Dat hangt onder meer samen met de variëteit in de mate waarin de concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband ook de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen. [7] Dat de omstandigheden in HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314 anders waren dan in de onderhavige zaak, zegt dus op zichzelf nog geheel niet of in de onderhavige zaak sprake kan zijn van medeplegen. Wanneer men wil vergelijken zal men dit bovendien moeten doen op alle relevante aspecten van de zaken. Zo telt in de onderhavige zaak dat de verdachte geen aannemelijke, verifieerbare, de redengevendheid ontzenuwende verklaring voor de belastende feiten en omstandigheden heeft gegeven. Ook wijs ik erop dat het hof in de onderhavige zaak heeft vastgesteld dat de verdachte de rol van afhaler van de verdovende middelen had, terwijl de verdachte in HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314 de taak had de afhaler ter voorbereiding hierop informatie en aanwijzingen te geven over de tijdstippen dat de afhaler op Schiphol aanwezig moest zijn/blijven en over de goederen die de afhaler moet overnemen van de koeriers. De rol van afhaler (die een directe bijdrage aan de uitvoering van de drugsimport impliceert) lijkt mij zwaarwegender op medeplegen van de invoer van de verdovende middelen te duiden dan de rol van de verdachte in HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1314 (wiens rol de voorfase van de invoerhandelingen betrof). Dat het hof in de onderhavige zaak geen vaststellingen heeft gedaan over de inhoud van de communicatie, laat bovendien onverlet dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat sprake was van communicatie die betrekking had op de invoer van de drugs.
3.16
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. Vanwege de integrale vrijspraak in eerste aanleg ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 21 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY9575,
2.Vgl. HR 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115, r.o. 2.3.
3.K. Lindenberg en H.D. Wolswijk,
4.HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733,
5.Vgl. HR 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115, r.o. 2.3.
6.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
7.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315,