Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:368

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
3 april 2026
Zaaknummer
25/00926
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1999Art. 25 Nadere Regeling toezicht effectenverkeer 1995Art. 149 RvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt adviesplicht en bewijsregels in effectenleasezaak Dexia

In deze zaak staat centraal of Dexia Nederland B.V. terecht is veroordeeld in een civiele procedure over effectenleaseovereenkomsten waarbij de afnemer door tussenpersonen zonder vereiste vergunning is geadviseerd. De Hoge Raad behandelt de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten aansprakelijk is voor schadevergoeding aan de afnemer.

De feiten betreffen dat de afnemer meerdere effectenleaseovereenkomsten met Dexia heeft gesloten, die tussentijds zijn geëindigd met een restschuld die deels is vergoed. De afnemer stelt dat hij door tussenpersonen Spaar Select en Excellent Adviseurs persoonlijk en vergunningplichtig is geadviseerd, wat Dexia betwist. De rechtbank wees de vorderingen van Dexia af, het hof bekrachtigde dit en veroordeelde Dexia in de proceskosten.

De Hoge Raad bevestigt het juridisch kader dat een tussenpersoon zonder vergunning die een gepersonaliseerde aanbeveling doet, de aanbieder aansprakelijk maakt indien deze dit wist of behoorde te weten. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de afnemer voldoende feiten heeft gesteld over het advies en dat Dexia onvoldoende concreet heeft betwist dat er vergunningplichtig is geadviseerd. Dexia is daardoor niet toegelaten tot bewijslevering. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Dexia wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bekrachtigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00926
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
In de zaak
Dexia Nederland B.V.
(hierna: Dexia)
tegen
[verweerder]
(hierna: [verweerder] )

1.Inleiding

1.1
Sinds het arrest B/Dexia is in efffectenleasezaken geprocedeerd over de toepassing van de voorwaarden waaronder de aanbieder van effectenleaseproducten 100% van de schade van de afnemer moet vergoeden. Deze voorwaarden houden, kort gezegd, in (i) dat een tussenpersoon (cliëntenremisier) zonder te beschikken over de daarvoor vereiste vergunning de afnemer heeft geadviseerd de overeenkomst met de aanbieder van een effectenleaseproduct aan te gaan en (ii) de aanbieder dit wist of behoorde te weten. [1] Het eerste vereiste is door de Hoge Raad uitgewerkt in de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] en een aantal arresten van 9 juni 2023. [3] Het tweede vereiste is aan bod gekomen in HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882 (Dexia/T).
1.2
De thans in cassatie aanhangige zaak (evenals de zaken 25/00882 en 25/00929, waarin grotendeels dezelfde cassatieklachten van Dexia aan de orde zijn en waarin ik vandaag eveneens concludeer) stelt het eerste vereiste aan de orde. Dexia klaagt, kort gezegd, dat het hof ten onrechte dan wel onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de afnemer van de betreffende effectenleaseovereenkomsten bij het aangaan van deze overeenkomsten door de betrokken tussenpersonen – Spaar Select en Excellent Adviseurs − is geadviseerd en dat aan bewijslevering aan de zijde van Dexia op dit punt niet wordt toegekomen.
1.3
[verweerder] meent dat de onderhavige zaak niet wezenlijk verschilt van eerdere zaken die door de Hoge Raad zijn beoordeeld. Volgens Dexia is wel sprake van een relevant verschil, kort gezegd, omdat zij in deze zaak specifiek heeft betwist dat bij [verweerder] een huisbezoek heeft plaatsgevonden, dat Spaar Select een vaste werkwijze had, en dat Excellent Adviseurs haar vaste werkwijze in dit geval, gezien het ontbreken van een afspraakbevestiging, zou hebben gevolgd. [4] Het cassatieberoep slaagt naar mijn mening niet.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan: [5]
(i) Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia worden hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.
(ii) [verweerder] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten met (rechtsvoorgangers van) Dexia gesloten:
Nr.
Contract
Datum
Naam
Leasesom
Looptijd
Termijnbedrag
1
[001]
01-06-1999
Allround Sparen met maandbetaling
€ 10.890,72
240
€ 45,38
2
[002]
01-06-1999
Allround Sparen met Maandbetaling
€ 19.890,72
240
€ 45,38
3
[003]
17-06-2002
AEX Plus Effect Maandbetaling 20 jaar
€ 12.000,00
240
€ 50,00
(iii) De overeenkomsten zijn tussentijds geëindigd en daarbij is een totale restschuld ontstaan van € 2.243,16. Deze restschuld heeft [verweerder] voldaan. Dexia heeft op enig moment twee derde van de restschuld, vermeerderd met de wettelijke rente, aan [verweerder] uitgekeerd.
(iv) Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde “Dexia Aanbod” en door de zogenaamde “Duisenberg regeling” heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de “Duisenberg regeling” verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [verweerder] is niet aan die regeling gebonden doordat hij gebruik heeft gemaakt van de zogenaamde “opt-out-verklaring”.
(v) Dexia heeft vervolgens [verweerder] uitgenodigd om te onderzoeken of tot een gezamenlijke oplossing voor de afwikkeling van de overeenkomst gekomen kon worden. [verweerder] heeft hierop niet gereageerd.
2.2
In deze procedure vordert Dexia een (zogenaamde negatieve) verklaring voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [verweerder] gesloten overeenkomst aan al haar verbintenissen heeft voldaan, daaronder begrepen schadevergoedingsverbintenissen, en derhalve niets meer aan [verweerder] verschuldigd is met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding. [verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen.
2.3
De rechtbank heeft de vorderingen van Dexia afgewezen.
2.4
Dexia is in hoger beroep gekomen van het vonnis. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 17 december 2024 [6] het vonnis van de rechtbank – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bekrachtigd en Dexia veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.
2.5
Dexia heeft bij procesinleiding van 13 maart 2025 tijdig cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is in de procesinleiding reeds op onderdelen toegelicht. Dexia heeft geen afzonderlijke schriftelijke toelichting ingediend. [verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep en zijn standpunt schriftelijk toegelicht. Dexia heeft hierop bij repliek gereageerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdelen 1 tot en met 4klagen over het oordeel dat (Dexia onvoldoende heeft betwist dat) [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Excellent Adviseurs is geadviseerd.
Onderdeel 5bevat een veegklacht.
Inleiding op de onderdelen 1-4 [7]
3.2.1
In zijn arresten van 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, heeft de Hoge Raad in vijf zaken het juridisch kader voor de schadeverdeling in geval van niet-toegestane advisering door een tussenpersoon en voor de beoordeling of sprake is van dergelijke advisering, als volgt weergegeven: [8]
“3.2.1. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt de enkele omstandigheid dat de aanbieder in strijd met art. 41 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1999 (oud) – dan wel het daarmee materieel overeenkomende art. 25 Nadere Pro Regeling toezicht effectenverkeer 1995 (oud) – een effectenleaseovereenkomst heeft gesloten met een afnemer terwijl de aanbieder wist of behoorde te weten dat de afnemer tot het aangaan van die overeenkomst advies had gekregen van een tussenpersoon die niet beschikte over de daarvoor vereiste vergunning, mee dat de billijkheid in beginsel eist dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft, zowel wat betreft een eventuele restschuld als wat betreft de door de afnemer reeds betaalde rente, aflossing en kosten.
3.2.2.
Van een niet-toegestane advisering door een tussenpersoon is sprake indien de tussenpersoon, zonder over een vergunning te beschikken, in het kader van zijn beroep of bedrijf aan een afnemer een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product heeft gedaan. Voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke gepersonaliseerde aanbeveling is vereist, maar ook voldoende, dat een effectenleaseproduct is voorgesteld als geschikt voor deze afnemer of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer. Voor de beoordeling of de tussenpersoon een aanbeveling heeft gedaan die berust op een afweging van diens persoonlijke omstandigheden, is van belang of de tussenpersoon al dan niet (i) heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer, (ii) ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product, (iii) naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product heeft geadviseerd. Maar ook als deze omstandigheden in een concreet geval niet worden vastgesteld, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
3.2.3.
Indien de tussenpersoon zonder vergunning advies in de hiervoor bedoelde zin heeft gegeven aan een afnemer en de aanbieder dit wist of behoorde te begrijpen, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van de aanbieder geheel in stand blijft. Daarbij is de inhoud van het advies of een eventueel eigen inzicht van de afnemer in het af te nemen effectenleaseproduct niet meer van belang. Ook niet van belang zijn daarbij de wijze waarop de tussenpersoon zijn advies heeft verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonlijk financieel plan, en de omstandigheid dat (i) de afnemer had kunnen begrijpen dat de tussenpersoon met name een bepaald effectenleaseproduct wenste te verkopen, (ii) de tussenpersoon zich presenteert als deskundige op het gebied van financiële advisering, (iii) de tussenpersoon ongevraagd contact heeft gezocht met de afnemer, dan wel dat de afnemer uit eigen beweging contact heeft gezocht met de tussenpersoon, (iv) er voordien geen contact was geweest tussen de afnemer en de tussenpersoon, dan wel dat tussen hen al een relatie bestond, (v) de tussenpersoon de afnemer thuis heeft bezocht voor een gesprek, dan wel alleen telefonisch of schriftelijk contact met de afnemer heeft gehad.”
3.2.2
In deze vijf zaken ging het kort gezegd om het volgende. In de bestreden arresten gaf het hof Arnhem-Leeuwarden de stellingen van de afnemer weer en stelde het vast dat die stellingen door Dexia werden betwist. Vervolgens oordeelde het hof dat de afnemers onvoldoende hadden onderbouwd dat sprake was van advisering zoals bedoeld in de arresten B/Dexia en T/Dexia, [9] ook als veronderstellenderwijs zou worden uitgegaan van de juistheid van de door de afnemers gestelde feitelijke gang van zaken. Het hof wees de vorderingen die erop waren gebaseerd dat sprake was van dergelijke advisering, daarom af. De Hoge Raad vernietigde de arresten van het hof, omdat het hof had miskend dat in de stellingen van de afnemers besloten lag dat de verschillende adviseurs de producten hadden voorgesteld als geschikt voor de situatie van de afnemers en dat deze stellingen voldoende waren voor het oordeel dat sprake is van een gepersonaliseerde aanbeveling waarvoor een vergunning vereist is. [10]
3.3
In de zaak Dexia/T, waarin de Hoge Raad eveneens op 9 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:882) arrest wees, ging het niet alleen om de vraag of voldoende was gesteld om aan te nemen dat de afnemer door de tussenpersoon (Spaar Select) was geadviseerd, maar ook om de vraag of het hof kon aannemen dat Dexia bekend was of behoorde te zijn met de omstandigheid dat de tussenpersoon (Spaar Select) de afnemer had geadviseerd.
3.4.1
Het hof ’s-Hertogenbosch had in de zaak Dexia/T onder meer geoordeeld dat Dexia onvoldoende gemotiveerd had betwist dat Spaar Select de afnemer had geadviseerd om de overeenkomst met Dexia aan te gaan. Daartoe (i) gaf het hof de stellingen van de afnemer weer (rov. 3.11), (ii) overwoog het hof dat, gelet op de concrete en specifieke stellingen van de afnemer en mede gelet op de kennis van Dexia over de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, het op de weg van Dexia had gelegen om de stellingen van de afnemer concreet en gemotiveerd te betwisten en (iii) oordeelde het hof dat gelet op de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en de betrokkenheid van Dexia daarbij, en aangezien de concrete stellingen van de afnemer over hoe Spaar Select in zijn geval heeft gehandeld aansluiten bij die gebruikelijke werkwijze, het op de weg van Dexia lag om concreet toe te lichten dat en waarom in het geval van de afnemer is afgeweken van die gebruikelijke werkwijze en dat Dexia dat niet heeft gedaan (rov. 3.12). [11]
3.4.2
De tegen deze overwegingen gerichte klachten van Dexia zijn door de Hoge Raad verworpen met toepassing van artikel 81 RO Pro. Deze klachten hielden onder meer in:
(i) dat de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niets zegt over de vraag of in het geval van de afnemer sprake is geweest van een advies in de zin van het arrest
B/Dexia; en
(ii) dat de vaststelling dat de stellingen van de afnemer aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select, zonder enige verdere staving aan de hand van stukken, niet als grondslag kan dienen voor het oordeel dat Dexia de stellingen van de Afnemer onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, waarbij er door het middel op werd gewezen (a) dat de beweerde gebruikelijke werkwijze van Spaar Select niet altijd is gevolgd, (b) deze in het geval van de afnemer niet is gevolgd nu bij hem geen sprake is van een Persoon Financieel Plan en planning en (c) dat sprake is van blote stellingen die de afnemer pas na 16 jaar voor het eerst naar voren heeft gebracht. [12]
3.5
Ook de klachten die waren gericht tegen het oordeel van het hof over de wetenschap van Dexia werden verworpen. Daartoe overwoog de Hoge Raad in het arrest Dexia/T:
“3.1 De onderdelen 2.2 en 2.3 van het middel klagen dat het hof zijn oordeel (in rov. 3.17) dat Dexia wist of behoorde te weten dat Spaar Select voorafgaand aan het sluiten van de effectenleaseovereenkomst [de afnemer] had geadviseerd, niet heeft kunnen baseren op de gebruikelijke werkwijze en nauwe samenwerking met Spaar Select. Volgens de onderdelen zien de producties waarop het hof dit oordeel baseert, niet op enige wetenschap van Dexia ten aanzien van de relatie tussen Spaar Select en [de afnemer], en zijn de daarin gehanteerde termen te onbepaald.
3.2
Dexia heeft als aanbieder van een effectenleaseovereenkomst jegens [de afnemer] onrechtmatig gehandeld indien voorafgaand aan de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst met [de afnemer] een cliëntenremisier tevens als financieel adviseur is opgetreden zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning, en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn. Daadwerkelijke (subjectieve) bekendheid van Dexia met de advisering van [de afnemer] door Spaar Select is daarvoor dus niet vereist. [De afnemer] heeft stukken overgelegd waaruit het hof (in rov. 3.14) – in cassatie onbestreden – heeft afgeleid dat Dexia in de periode dat [de afnemer] de overeenkomst sloot, nauw samenwerkte met Spaar Select bij de verkoop van de producten van Dexia door Spaar Select en in dat kader ermee bekend was dat Spaar Select standaard, althans op grote schaal, beleggingsadvies gaf aan de cliënten die zij als remisier vervolgens bij Dexia aanbracht als afnemers van effectenleaseproducten. In het oordeel van het hof ligt besloten dat het hof dit gegeven heeft beschouwd als een voldoende onderbouwing van de stelling van [de afnemer] dat Dexia ook in zijn geval bekend was of behoorde te zijn met de advisering van hem door Spaar Select. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat geldt ook voor het oordeel (in rov. 3.17) dat in het licht daarvan de betwisting door Dexia dat zij op het moment dat Spaar Select [de afnemer] als cliënt bij Dexia aanbracht, van deze advisering op de hoogte was of behoorde te zijn onvoldoende is. Daarop stuiten de klachten van de onderdelen 2.2 en 2.3 af.”
3.6
Tegen deze achtergrond bespreek ik hierna de klachten van het cassatiemiddel. Ik geef eerst de relevante overwegingen van het hof weer.
De in cassatie bestreden overwegingen van het hof
3.7
De klachten van het cassatiemiddel richten zich tegen rov. 4.10-4.14 en 4.18. In rov. 4.10 heeft het hof het beoordelingskader dat is ontleend aan HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, voorop gesteld. Hoewel de onderdelen 2, 3 en 4 van middel ook rov. 4.10 noemen, lees ik daarin geen klachten die zich keren tegen het beoordelingskader als zodanig. De klachten zien op de toepassing van dat kader door het hof in de rov. 4.11-4.14 en 4.18. Hierin overwoog het hof:
“4.11. In de onderhavige zaak heeft [verweerder] een concrete uiteenzetting gegeven van de wijze waarop de tussenpersonen in dit geval hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten, onder "Advisering door de tussenpersoon’’ in het eerste processtuk van [verweerder] in eerste aanleg. De stellingen van [verweerder] komen, samengevat, op het volgende neer. [verweerder] heeft een of meerdere persoonlijke gesprekken gevoerd in 1999 met een medewerker van Spaar Select en in 2002 met een medewerker van Excellent Adviseurs. In beide gevallen is besproken dat [verweerder] (extra) vermogen wenste op te bouwen, met welk doel, en welke middelen [verweerder] daarvoor beschikbaar zou hebben. Naar aanleiding hiervan is [verweerder] in 1999 door de medewerker van Spaar Select en in 2002 door de medewerker van Excellent Adviseurs geadviseerd om het specifieke effectenleaseproduct (in 1999 Allround Sparen en 2002 AEX Plus Effect) van Dexia af te nemen. Deze producten waren volgens de Spaar Select medewerker en de Excellent Adviseurs medewerker geschikt voor de situatie van [verweerder] . [verweerder] heeft op het advies van de medewerker van Spaar Select en de medewerker van Excellent Adviseurs vertrouwd en heeft dit advies opgevolgd. Vervolgens zijn de contracten aan [verweerder] gestuurd en is [verweerder] de effectenleaseovereenkomsten aangegaan, aldus [verweerder] .
4.12.
Dexia heeft gesteld dat [verweerder] zijn stellingen onvoldoende concreet heeft gemaakt nu deze onderdeel zijn van een vast sjabloon van Leaseproces, de informatie volgt uit de leaseovereenkomsten, de aanvraagformulieren en/of een visitekaartje en het gaat om herinneringen van [verweerder] aan gebeurtenissen die zich meer dan 20 jaar geleden afgespeeld hebben. Het hof is van oordeel dat tegenover de gemotiveerde stellingname van [verweerder] Dexia meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit concrete geval destijds geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren, of daarbij in bewijsnood verkeert, omdat zij niet betrokken in geweest bij de gesprekken en (een van) de betrokken tussenpersonen niet meer kan horen, komt daarbij voor haar rekening en risico, omdat Dexia er destijds bewust van heeft afgezien om eigen specifieke voorlichting te geven aan potentiële klanten en voor de afzet van haar producten gebruik heeft gemaakt van deze tussenpersonen. Nu het aan Dexia als een aan toezicht onderworpen effecteninstelling verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, had het op haar weg gelegen om op dit punt controle uit te oefenen. Dit temeer omdat de tussenpersonen provisie ontving voor het aanbrengen van een cliënt en aldus een financieel belang hadden bij de totstandkoming van een overeenkomst tussen Dexia en [verweerder] .
4.13.
De door [verweerder] beschreven gang van zaken duidt erop dat een medewerker van Spaar Select en een medewerker van Excellent Adviseurs een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van specifieke effectenleaseovereenkomsten hebben gedaan. Uit de stellingen van [verweerder] volgt immers dat (i) de adviseurs van Spaar Select en de adviseur van Excellent Adviseurs hebben geïnformeerd naar de wensen en financiële situatie van [verweerder] , (ii) [verweerder] het financiële doel aan de adviseurs kenbaar heeft gemaakt, en (iii) de adviseurs vervolgens specifieke effectenleaseproducten van (de rechtsvoorganger van) Dexia, hebben geadviseerd. De tussenpersonen hebben derhalve niet volstaan met het verstrekken van algemene informatie zonder commentaar te geven of een waardeoordeel te vellen, waar zij als cliëntenremisiers wel toe gehouden waren. Daarmee is voldaan aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verweerder] vergunningplichtig is geadviseerd door Spaar Select en Excellent Adviseurs. Aan (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia wordt niet toegekomen omdat Dexia de door [verweerder] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.
(…)
4.18.
Op grond van het voorgaande, komt het hof in deze zaak tot het volgende oordeel.
Dexia was ermee bekend dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en Excellent Adviseurs advies werd verleend aan potentiële klanten. Gezien die gebruikelijke werkwijze had het op de weg van Dexia gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten met [verweerder] navraag te doen bij Spaar Select en Excellent Adviseurs om te beoordelen of er al dan niet was geadviseerd. Indien Dexia al niet wist dat [verweerder] door Spaar Select en Excellent Adviseurs was geadviseerd, dan had zij dus behoren te weten dat Spaar Select en Excellent Adviseurs [verweerder] hadden geadviseerd, in die zin dat deze een gepersonaliseerde aanbeveling had gekregen van Spaar Select en Excellent Adviseurs tot het aangaan van de effectenleaseovereenkomsten. Dexia betwist dat onvoldoende en voor het leveren van (tegen-)bewijs is op dit punt dan ook geen plaats.”
Onderdeel 1
3.8
Onderdeel 1richt in de
subonderdelen 1.1 tot en met 1.4klachten tegen rov. 4.11-4.13, 4.14 en 4.18, waarin het hof oordeelt dat Dexia onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat [verweerder] voor het sluiten van de overeenkomsten door Spaar Select respectievelijk Excellent Adviseurs is geadviseerd.
3.9
Subonderdeel 1.1klaagt dat het hof onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en dat hij vergunningplichtig is geadviseerd. Dit oordeel is volgens het subonderdeel gebaseerd op louter blote stellingen van [verweerder] (rov. 4.13) en ’s-hofs constatering dat Dexia heeft afgezien van controle (rov. 4.12 en 4.18). Volgens het subonderdeel valt niet in te zien hoe de afwezigheid van een dergelijke controle van invloed kan zijn op de mate waarop [verweerder] voldoende feitelijke omstandigheden moet stellen voor zijn stelling dat hij vergunningplichtig is geadviseerd.
3.10.1
Deze klacht dient naar mijn mening te falen.
3.10.2
Het hof heeft (in rov. 4.11) overwogen dat [verweerder] een concrete uiteenzetting heeft gegeven van de wijze waarop de tussenpersonen in dit geval hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomsten. Het hof heeft geoordeeld dat dit een gemotiveerde stellingname is (rov. 4.12). In rov. 4.13 heeft het hof geconcludeerd dat de door [verweerder] beschreven gang van zaken erop duidt dat een medewerker van Spaar Select en een medewerker van Excellent Adviseurs een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van specifieke effectenleaseovereenkomsten hebben gedaan. Het hof heeft daarbij getoetst aan de door de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 geformuleerde criteria.
Voorts heeft het hof (in rov. 4.12) overwogen dat Dexia tegenover de door [verweerder] geschetste gang van zaken meer concreet had moeten maken dat en waarom volgens haar in dit concrete geval geen sprake is geweest van advisering. Dat Dexia daartoe niet in staat is, komt naar oordeel van het hof voor haar rekening en risico. Het was, kort gezegd, Dexia verboden om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, zodat het op haar weg had gelegen om op dit punt controle uit te oefenen.
3.10.3
Uit rov. 4.11 en 4.12 volgt dat het hof de stellingen van [verweerder] niet heeft aangemerkt als ‘louter blote stellingen’. Uit rov. 4.13 blijkt dat naar het oordeel van het hof de stellingen van [verweerder] , kort gezegd, duiden op advisering. Deze oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefden geen nadere motivering om begrijpelijk te zijn.
Anders dan het subonderdeel veronderstelt, berusten deze oordelen niet op de omstandigheid dat Dexia heeft afgezien van controle. Deze omstandigheid speelt geen rol bij de beoordeling van de vraag of [verweerder] voldoende feiten heeft gesteld ter adstructie van zijn stelling dat hij is geadviseerd (rov. 4.13), maar enkel bij de beoordeling of Dexia de door [verweerder] naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist (rov. 4.14). In zoverre berust het subonderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en faalt het bij gebrek aan feitelijke grondslag
3.11
Subonderdeel 1.2klaagt dat het hof in rov. 4.11-4.14 en 4.18 onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat Dexia de door [verweerder] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist en dat aan (nadere) bewijslevering door Dexia niet wordt toegekomen.
3.12
Het subonderdeel voert daartoe
in de eerste plaats(in
nr. 28) aan dat Dexia aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd dat het in deze zaak gaat om twee tussenpersonen en dat [verweerder] de vaste werkwijze van Excellent Adviseurs heeft gesteld, maar dat Dexia heeft betoogd dat die werkwijze niet geldt voor Spaar Select; dit was een gefragmenteerde franchiseorganisatie en had geen vaste werkwijze. Het hof heeft onbegrijpelijk dat onderscheid niet gemaakt en heeft het verweer ten aanzien van Spaar Select niet (kenbaar) in zijn oordeel betrokken, aldus de klacht.
3.13.1
Deze klacht berust naar mijn mening op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en dient daarom te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.13.2
Zoals het hof overweegt (in rov. 4.11) heeft [verweerder] in zijn eerste processtuk onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon” uiteengezet hoe de tussenpersonen in zijn geval hebben gehandeld (zie conclusie van antwoord nrs. 21-34). Daarna is [verweerder] pas ingegaan op de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs (conclusie van antwoord nrs. 35-42) en van (onder meer) Spaar Select (conclusie van antwoord nrs. 43 e.v., i.h.b. 53-70). [verweerder] heeft betoogd dat hij werd geadviseerd en dat dit de filosofie van Dexia was (conclusie van antwoord nr. 75 e.v.).
Dexia heeft, zoals het subonderdeel aanvoert, betoogd dat Spaar Select geen vaste werkwijze had (memorie van grieven nrs. 43 en 60-61).
3.13.3
Het hof gaat in rov. 4.11-4.14 in op de stellingen van [verweerder] in zijn eerste processtuk onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon” en de betwisting daarvan door Dexia. Het hof gaat in deze overwegingen niet expliciet in op de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select.
Het hof behandelt de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select wel met zoveel woorden in de rov. 4.16-4.17 in het kader van de vraag of Dexia wetenschap had van advisering door Excellent Adviseurs en Spaar Select. In rov. 4.17 concludeert het hof ten aanzien van Spaar Select dat “
uit de door [verweerder] overgelegde stukken volgt dat door [sic] het informeren naar de financiële omstandigheden van (potentiële) afnemers en het adviseren van effectenleaseproducten als geschikt voor die (potentiële) afnemers de gebruikelijke werkwijze was van Spaar Select.” In rov. 4.18 concludeert het hof dat Dexia bekend was met de gebruikelijke werkwijze van (ook) Spaar Select en dat het, gezien die werkwijze “
op de weg van Dexia had gelegen, zoals hiervoor is overwogen, om (…) navraag te doen bij Spaar Select (…) om te beoordelen of al dan niet was geadviseerd.
3.13.4
Hieruit volgt dat het hof, anders dan het subonderdeel aanvoert, het verweer van Dexia dat Spaar Select geen vaste werkwijze had wel in zijn oordeel heeft betrokken. Het hof heeft dit verweer verworpen in rov. 4.16-4.18.
Het hof was naar mijn mening niet gehouden om dit verweer met zoveel woorden te betrekken in rov. 4.11-4.14, omdat het hof daarin met name de stellingen van [verweerder] in diens conclusie van antwoord onder het kopje “Advisering door de tussenpersoon”, en het verweer van Dexia daartegen, beoordeelde. Die stellingen van [verweerder] gingen over wat er zijn geval was gebeurd en niet over de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select. In deze lezing van rov. 4.11-4.14 wordt niet toegekomen aan het verweer van Dexia over de vaste werkwijze.
De rov. 4.11-4.14 kunnen overigens ook zo gelezen worden, dat het hof daarin stilzwijgend zijn oordeel in rov. 4.16-4.18 over de gebruikelijke werkwijze van (ook) Spaar Select heeft verdisconteerd. Het hof verwijst immers naar de controleplicht van Dexia in zowel rov. 4.12 (in verband met het plicht van Dexia om geen klant te accepteren na verboden advisering door een cliëntenremisier) als in rov. 4.18 (in verband met de gebruikelijke werkwijze en de wetenschap van Dexia daarvan). Ook in deze lezing van rov. 4.11-4.14 faalt de eerste klacht van het subonderdeel bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.14
Het subonderdeel klaagt
in de tweede plaats(in
nr. 29) dat Dexia in haar memorie van grieven nrs. 60-61 heeft aangeboden haar betwistingen te voorzien van tegenbewijs door het horen van twee met name genoemde getuigen en dat niet valt in te zien wat van Dexia te dier zake in redelijkheid nog meer mocht worden verwacht.
3.15
Het bedoelde bewijsaanbod [13] betreft de stelling van Dexia dat geen sprake is geweest van een persoonlijke aanbeveling zoals bedoeld door de Hoge Raad (dus dat het product niet is aanbevolen als geschikt voor [verweerder] en ook niet is aanbevolen op basis van een afweging van zijn persoonlijke omstandigheden), dat er geen sprake was van een vaste werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select waarvan het geven van vergunningplichtig advies deel heeft uitgemaakt, en dat de activiteiten van Excellent Adviseurs en van Spaar Select in deze beperkt zijn gebleven tot activiteiten die waren toegestaan in haar hoedanigheid van cliëntenremisier.
3.16
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof is voorbijgegaan aan dit bewijsaanbod van Dexia, dient het te falen. Het hof heeft in rov. 4.14 (in verband met de door [verweerder] gestelde advisering) en in rov. 4.18 (in verband met het door [verweerder] gestelde bestaan van een gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select en wetenschap daarvan van Dexia) immers geoordeeld dat aan (tegen-)bewijslevering niet wordt toegekomen omdat Dexia de door [verweerder] gestelde feiten onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Het hof heeft de door [verweerder] gestelde feiten daarom conform art. 149 lid 1 Rv Pro als vaststaand aangenomen zodat er geen plaats was voor bewijslevering.
3.17
Voor zover het subonderdeel klaagt dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Dexia, [14] verwijs ik naar de bespreking van
subonderdeel 1.4. Dat subonderdeel werkt de klacht dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan de stelplicht van Dexia namelijk nader uit.
3.18
Het subonderdeel klaagt
in de derde plaats(in
nrs. 30-31) dat rechtens onjuist is dat het hof de omvang van de betwistplicht van Dexia heeft ingevuld op basis van informatie waarover zij niet daadwerkelijk beschikt, maar volgens het hof zou hebben beschikt als zij aan een bepaalde (en vermeende) materiële rechtsplicht uitvoering had gegeven, namelijk door destijds bij Excellent Adviseurs en Spaar Select onderzoek te doen naar hetgeen was voorgevallen in het verkeer met [verweerder] . Bij beantwoording van de vraag of een partij de stellingen van haar wederpartij voldoende gemotiveerd betwist heeft, mag volgens de klacht slechts belang toekomen aan de informatie waarover eerstgenoemde partij daadwerkelijk of beschikt of moet beschikken, dat laatste in die zin dat het niet anders kan dan dat die partij over die informatie beschikt.
Aan het verzuim om bepaalde informatie in te winnen, wordt de sanctie verbonden van de aanname dat die informatie, als zij was ingewonnen, een voor de afnemer gunstige inhoud zou hebben gehad. Dit verzuim behoort volgens de klacht niet tot gevolg te hebben dat een procespartij het recht wordt ontzegd de ware toedracht boven water te halen.
Het ligt volgens het subonderdeel voor de hand dat Dexia te horen zou hebben gekregen dat niet is gevraagd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] en dat geen gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan. Dexia had dan niets anders of meer kunnen doen dat de gestelde feiten te betwisten op de wijze zoals zij dat thans heeft gedaan. Daarmee was de gegeven betwisting voldoende. Een andersluidend oordeel zou ertoe leiden dat in feite van Dexia wordt verlangd dat zij reeds tevoren een begin van bewijs van haar betwisting zou leveren, hetgeen rechtens onjuist zou zijn. Het hof heeft de lat van de betwisting door Dexia dan ook in zoverre te hoog gelegd.
3.19
Zoals gezegd, heeft het hof in rov. 4.12 overwogen dat, nu het aan Dexia verboden was om van haar cliëntenremisiers cliënten aan te nemen aan wie adviezen waren verstrekt, het op haar weg had gelegen om op dit punt controle uit te oefenen. In rov. 4.18 verwijst het hof terug naar deze controleplicht in verband met het oordeel dat in het kader van de gebruikelijke werkwijze van Spaar Select en van Excellent adviseurs advies werd verleend aan potentiële klanten.
3.2
Anders dan de klacht tot uitgangspunt neemt, heeft het hof hiermee geen rechtsregel geschonden. De eisen die aan de betwisting van de stellingen van de wederpartij kunnen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden, zoals de mate waarin de wederpartij haar stellingen heeft geconcretiseerd en eventueel reeds heeft onderbouwd. [15] In dat kader kan ook relevant zijn in hoeverre Dexia redelijkerwijs in staat was om haar betwisting nader te motiveren en te onderbouwen. [16]
3.21
Anders dan het subonderdeel betoogt, heeft het hof niet aan het verzuim van Dexia om bepaalde informatie in te winnen de sanctie verbonden van de aanname dat die informatie, als zij was ingewonnen, een voor de afnemer gunstige inhoud zou hebben gehad. Het hof heeft ook geen oordeel gegeven over wat Dexia te horen zou hebben gekregen indien zij destijds navraag had gedaan bij Excellent Adviseurs en bij Spaar Select. Hetgeen de klacht op deze punten aanvoert, mist feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak. Het hof heeft in rov. 4.12 alleen uiteengezet waarom het voor risico en rekening van Dexia komt dat zij, naar zij stelt, haar betwisting niet kan concretiseren.
3.22
De klachten van
subonderdeel 1.2slagen niet.
3.23
Subonderdeel 1.3klaagt dat indien en voor zover zou moeten worden geoordeeld dat de bewijslast in dezen niet op [verweerder] , maar op Dexia zou rusten, het hof heeft miskend dat Dexia voldoende heeft gesteld ter onderbouwing van haar stelling dat met hetgeen zij reeds aan [verweerder] had voldaan, [verweerder] geen vordering meer op Dexia had, om te worden toegelaten tot bewijslevering, althans dat het oordeel van het hof in dat opzicht onbegrijpelijk is te noemen.
3.24
Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft niet geoordeeld dat de bewijslast in dezen op Dexia rust. Het hof heeft geoordeeld dat hetgeen Dexia in het kader van haar betwisting naar voren heeft gebracht, onvoldoende is in het licht van de gemotiveerde stellingname van [verweerder] .
Voor zover het subonderdeel (in
nr. 33) wijst op de stelling van Dexia dat geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, verwijs ik naar de bespreking van
subonderdeel 1.4.
3.25
Subonderdeel 1.4klaagt dat voor zover moet worden aangenomen dat het hof acht heeft geslagen op de gemotiveerde betwisting door Dexia van de stellingen dat er vergunningplichtig is geadviseerd, het hof daaraan onjuist, althans ontoereikend gemotiveerd te hoge eisen heeft gesteld met het oordeel dat Dexia de vergunningplichtige advisering onvoldoende heeft betwist. Het hof heeft diens conclusie dat er vergunningplichtig is geadviseerd gebaseerd op de door [verweerder] gestelde (i) algemene werkwijze van ‘de tussenpersonen’ en (ii) niet nader geduide gesprekken in 1999 en 2002. Daartegenover staat de betwisting van Dexia dat een huisbezoek nooit heeft plaatsgevonden en dat een schriftelijke afspraakbevestiging daarvan in deze zaak ontbreekt. Anders dan het hof meent, is dat een voldoende betwisting, aldus het subonderdeel.
3.26
In dit subonderdeel komen naar mijn mening de kernpunten van het betoog van Dexia in cassatie in deze zaak samen. [17] Ik stel voorop dat de beoordeling of bepaalde stellingen voldoende (gemotiveerd) zijn betwist, in beginsel is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. [18]
3.27
Het hof heeft in rov. 4.11-4.14 de stellingen van [verweerder] en de betwisting daarvan door Dexia beoordeeld. Zijn oordelen heb ik hiervoor in 3.10.2 verkort weergegeven.
3.28.1
Volgens het subonderdeel heeft het hof zijn oordeel mede gebaseerd op de algemene werkwijze van de tussenpersonen.
3.28.2
Zoals hiervoor (in 3.13.4) al is opgemerkt, heeft het hof m.i. in rov. 4.11-4.14 niet reeds de gebruikelijke werkwijze van Excellent Adviseurs en van Spaar Select verdisconteerd (en behoefde het hof dat niet te doen). Zo bezien mist de klacht op dit punt feitelijke grondslag.
Maar ook indien rov. 4.11-4.14 aldus moeten worden gelezen dat het hof daarin deze gebruikelijke werkwijze wel heeft verdisconteerd en dus wordt uitgegaan van de alternatieve lezing van rov. 4.11-4.14 als bedoeld in 3.13.4, getuigt dat naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting of van het stellen van te hoge eisen aan de betwisting door Dexia van de stellingen van [verweerder] . Het hof heeft de stellingen van partijen over de al dan niet gebruikelijke werkwijze van de tussenpersonen beoordeeld in rov. 4.15-4.18 en geconcludeerd dat de betwisting door Dexia onvoldoende is.
3.29.1
Het subonderdeel spreekt voorts van ‘niet nader geduide gesprekken in 1999 en 2002’ waarop het hof zijn oordeel zou hebben gebaseerd.
3.29.2
Het hof heeft de stellingen van [verweerder] op dit punt echter op een andere wijze omschreven in rov. 4.11, 4.12 en 4.13 (zie hiervoor in 3.10.2). De klacht mist op dit punt feitelijke grondslag.
3.3
De klacht verwijst voorts naar de stellingen van Dexia dat een huisbezoek nooit heeft plaatsgevonden en dat een schriftelijke afspraakbevestiging daarvan ontbreekt.
3.31.1
Ik vat het partijdebat op dit punt samen.
3.31.2
Dexia heeft in eerste aanleg erop gewezen, kort gezegd, (i) dat het feit dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden niets zegt over het verloop van dat huisbezoek en (ii) dat blijkens de prejudiciële beslissing van HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, een huisbezoek geen relevante omstandigheid is voor de beoordeling of door een tussenpersoon is geadviseerd (conclusie van repliek nr. 40).
Dexia heeft in hoger beroep de stellingen van [verweerder] dat de medewerker van Excellent Adviseurs en de medewerker van Spaar Select hem thuis bezocht hebben en hem hebben geadviseerd, betwist (memorie van grieven nr. 28). Dexia heeft daartoe gesteld dat niet is komen vast te staan dat Excellent Adviseurs en Spaar Select hebben geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen van [verweerder] ; dat in recente vonnissen is aangenomen dat als een huisbezoek is aangetoond er – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – vanuit zou moeten worden gegaan dat de tussenpersoon ook heeft geïnformeerd naar de financiële situatie en doelen; dat in die zaken het bestaan van een huisbezoek is afgeleid uit een schriftelijke afspraakbevestiging, die in deze zaak echter ontbreekt; en dat blijkens de prejudiciële beslissing een huisbezoek geen relevante omstandigheid is.
3.31.3
[verweerder] heeft hierop gereageerd met, kort gezegd, de stelling dat, huisbezoek of niet, als een paal boven water staat dat er met de tussenpersonen persoonlijk contact is geweest waarin hij is geadviseerd. [19]
3.32
In het licht van dit partijdebat faalt het subonderdeel ook voor zover daarin wordt geklaagd dat het oordeel van het hof over de betwisting van Dexia onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is gezien het betoog van Dexia dat een huisbezoek nooit heeft plaatsgevonden en dat (dan wel: omdat) een schriftelijke afspraakbevestiging daarvan ontbreekt.
De stellingen van Dexia op dit punt komen immers niet zozeer neer op een betwisting van de stelling dat er huisbezoek heeft plaatsgevonden, als wel op betwisting van de relevantie van een huisbezoek voor de aanname dat er sprake is geweest van advisering.
Voor zover Dexia heeft betwist dat er huisbezoeken bij [verweerder] hebben plaatsgevonden met het argument dat een afspraakbevestiging ontbreekt, kon het hof daaraan voorbijgaan. In de eerste plaats, omdat de afwezigheid van een afspraakbevestiging niet de mogelijkheid uitsluit dat een huisbezoek heeft plaatsgevonden. In de tweede plaats, omdat er ook zonder een huisbezoek persoonlijk contact tussen de tussenpersoon en de (latere) afnemer kan zijn geweest, zoals [verweerder] in hoger beroep ook heeft aangevoerd.
In het licht hiervan kon het hof komen tot zijn oordelen in rov. 4.11-4.14 zonder nader in te gaan op de stellingen van Dexia over (de relevantie van) een huisbezoek respectievelijk afspraakbevestiging.
3.33
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de klachten van
onderdeel 1niet slagen.
Onderdeel 2
3.34
De klacht van
onderdeel 2richt zich tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14 van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel heeft het hof in de bestreden rechtsoverwegingen ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat aan [verweerder] een gepersonaliseerde aanbeveling is gedaan en dat hij vergunningplichtig is geadviseerd. Het gestelde huisbezoek was immers een essentieel onderdeel van diens stelling dat er vergunningplichtig is geadviseerd. Dexia heeft dat huisbezoek gemotiveerd betwist, terwijl het hof geen woord aan dat huisbezoek wijdt en dat niet (kenbaar) in diens beslissing heeft betrokken.
3.35
De klacht van
onderdeel 2is naar ik meen een herhaling van zetten van de klacht van
subonderdeel 1.4en faalt naar mijn mening dan ook in het spoor van voornoemde klacht.
Onderdeel 3
3.36.1
Onderdeel 3richt zich eveneens tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14 van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel heeft het hof ten onrechte en/of ontoereikend gemotiveerd geoordeeld dat aan een (nadere) (tegen-)bewijslevering aan de zijde van Dexia niet wordt toegekomen, omdat de door [verweerder] gestelde zelfstandige feiten onvoldoende zijn betwist. Immers heeft [verweerder] gesteld (vergunningplichtig) te zijn geadviseerd tijdens een huisbezoek en heeft hij ten bewijze van de beweerde advisering een tweetal aanvraagformulieren met stempel van [betrokkene 1] in het geding gebracht. Dexia heeft dit huisbezoek gemotiveerd betwist, omdat het ontbrak aan een schriftelijke afspraakbevestiging en gesteld dat uit de overgelegde aanvraagformulieren niet kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] [verweerder] (tijdens het beweerde huisbezoek) zou hebben geadviseerd. Ter onderbouwing van die betwisting heeft Dexia aangeboden om [verweerder] en [betrokkene 1] als getuigen te horen. Niet valt in te zien wat Dexia nog meer zou moeten aanvoeren ter onderbouwing van haar betwisting van het beweerde huisbezoek, om te worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs.
3.36.2
In de toelichting op het onderdeel wordt (in
nr. 40) aangevoerd dat (i) de oordelen van het hof in rov. 4.11-4.12 van de zaak abstraheren op basis van een vastgestelde algemene werkwijze in plaats van te kijken naar het specifieke geval. Daarbij wordt (in
nr. 41) aangevoerd, samengevat, dat (ii) Dexia heeft aangevoerd dat in geval van een huisbezoek die vaste werkwijze inhield dat er altijd een schriftelijke afspraakbevestiging was die in dit geval ontbreekt zodat het huisbezoek niet is komen vast te staan en (iii) dat Dexia heeft gesteld dat Spaar Select geen vaste werkwijze had. Hieraan wordt (in
nr. 42) de conclusie verbonden dat niet valt in te zien wat van Dexia meer kan worden verwacht ter betwisting van de gestelde algemene werkwijze ten aanzien van een huisbezoek.
3.37
Ook deze klacht is naar mijn mening in de kern een herhaling van zetten.
Het hof heeft in rov. 4.11-4.14 de stellingen van [verweerder] en de betwisting daarvan door Dexia beoordeeld. Zijn oordelen heb ik hiervoor in 3.10.2 verkort weergegeven.
Voor wat betreft de stelling onder (i) dat de oordelen van het hof in rov. 4.11-4.12 van de zaak abstraheren op basis van een vastgestelde algemene werkwijze, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.13.4 en 3.28.2 is opgemerkt.
Voor wat betreft de stelling onder (ii) over het ontbreken van een afspraakbevestiging, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.32 is opgemerkt.
Voor wat betreft de stelling onder (iii) dat Spaar Select geen vaste werkwijze had, verwijs ik naar hetgeen daarover hiervoor in 3.13.4 is opgemerkt.
De betwisting van Dexia dat er sprake is van advisering heeft het hof, in het licht van de gemotiveerde stellingname door [verweerder] , onvoldoende geacht (rov. 4.12). Het hof is daarom niet aan nadere bewijslevering toegekomen. Dit is gezien art. 149 Rv Pro niet onjuist en voorts ook niet onbegrijpelijk. [20] De klacht van
onderdeel 3slaagt daarom niet. [21]
Onderdeel 4
3.38
Onderdeel 4richt zich eveneens tegen rov. 4.10-4.13 en 4.14 van het bestreden arrest. Volgens het onderdeel heeft het hof met de bestreden rechtsoverwegingen het recht van Dexia op een eerlijk proces geschonden. Met de onjuiste/onbegrijpelijke oordelen dat (i) vergunningplichtig is geadviseerd en/of (ii) Dexia de door [verweerder] (te dien aanzien) gestelde feiten onvoldoende heeft betwist, werd Dexia niet toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Daarmee is haar volgens het onderdeel onjuist de mogelijkheid onthouden om het hof te overtuigen dat er in dit concrete geval niet vergunningplichtig is geadviseerd.
3.39
Deze klacht slaagt niet. In de zaak Dombo/Nederland heeft het EHRM overwogen dat het in art. 6 EVRM Pro verankerde recht op een eerlijk proces impliceert dat elke partij een redelijke gelegenheid moet krijgen om zijn zaak, inclusief zijn bewijs, te presenteren onder omstandigheden die hem niet wezenlijk benadelen ten opzichte van zijn wederpartij. [22] Het recht op een eerlijk proces impliceert als zodanig reeds dat de rechter de stellingen en bewijsaanbiedingen van een partij serieus neemt [23] en dus respondeert op een verzoek om tot bewijslevering te worden toegelaten. [24] Het recht op bewijs is echter niet absoluut of onvoorwaardelijk. Het is aan het nationale recht en de nationale rechter om regels te stellen aan de toelaatbaarheid van het bewijs en de wijze waarop het bewijs beoordeeld moet worden. [25] Op grond van art. 149 Rv Pro kan – ingeval een van de partijen (in dit geval [verweerder] ) aan zijn stelplicht heeft voldaan – pas aan (eventuele) bewijslevering worden toegekomen, indien de wederpartij (in dit geval Dexia) de naar voren gebrachte feiten voldoende gemotiveerd heeft betwist. [26] Van voldoende gemotiveerde betwisting aan de zijde van Dexia was volgens het hof geen sprake, zodat het hof aan de bewijslevering aan de zijde van Dexia niet is toegekomen. Ik zie dan ook geen reden om aan te nemen dat het hof het recht van Dexia op een eerlijk proces heeft geschonden.
Onderdeel 5; slotsom
3.4
De veegklacht van
onderdeel 5, inhoudende dat met het slagen van bovenstaande klachten ook rov. 4.21 en het dictum geen stand kunnen houden, faalt in het spoor van bovenstaande klachten.
3.41
De slotsom is dat geen van de voorgestelde onderdelen doel treft, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Plv.

Voetnoten

1.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2016/274 m.nt. C.W.M. Lieverse (B/Dexia), rov. 5.7 en 6.2.3. Zie ook HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, NJ 2019/98 m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai, JOR 2018/305 m.nt. C.W.M. Lieverse (T/Dexia), rov. 3.6.4.
2.HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862, NJ 2022/342 m.nt. M. Haentjens, JOR 2022/177 m.nt. C.W.M. Lieverse, AB 2022/328 m.nt. R. Stijnen, rov. 2.10.13-2.10.16.
3.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.2.1-3.2.3.
4.Zie hiervoor bijvoorbeeld de schriftelijke repliek nr. 9.
5.Zie het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 11 juli 2023, zaak/rolnummer: 10165361 \ EL EXPL 22-76, rov 2.2-2.5 (niet gepubliceerd), waarvan het hof Arnhem-Leeuwarden in zijn in cassatie bestreden arrest (in rov. 4.1) is uitgegaan.
6.Hof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:7918.
7.De inhoud van nrs. 3.2.1-3.5 is overgenomen uit de nrs. 3.3.1 e.v. van mijn conclusies (ECLI:NL:PHR:2024:332 en 333) voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715 en 716.
8.HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889
9.Zie HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 (B/Dexia)
10.Zie HR 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:880, 884-886 en 889, rov. 3.3.
11.Zie de conclusie voor het arrest Dexia/T (ECLI:NL:PHR:2023:241) onder 3.7.2.
12.Zie de conclusie voor het arrest
13.Het bewijsaanbod wordt geciteerd in de schriftelijke repliek nr. 6.
14.Zie hierover ook de schriftelijke repliek in onder meer de nrs. 7-9.
15.Vgl. V. van den Brink, ‘Stellen, betwisten, bewijzen – een handleiding, TvPP 2008/4, par. 4.1-4.2; M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis 2020, par. 3.4.2, 3.4.4, 3.5.2 en 11.7.1; B.T.M. van der Wiel, in: H.W.B. thoe Schwartzenberg/J.W. de Groot, E.M. Hoogervorst & B.T.M. van der Wiel (red.), Civiel bewijsrecht voor de rechtspraktijk 2025, p. 86-93; D.J. Beenders, T&C Rv, art. 149 Rv Pro, aant. 2c (actueel tot en met 1 oktober 2025); G. de Groot, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 149 Rv Pro, aant. 3 (actueel t/m 16-01-2026). Zie voorts de conclusie van A-G Hartlief, ECLI:NL:PHR:2020:453 onder 3.5-3.8.
16.Vgl. ook mijn conclusie nrs. 3.17.2 en 3.19.2 voor HR 17 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:715.
17.Zie ook de schriftelijke repliek in onder meer de nrs. 14, 18 en 22.
18.Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/157; A.E.H. van der Voort Maarschalk, ‘De toetsing in cassatie’, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie, 2020, nr. 68-69.
19.Schriftelijke toelichting namens [verweerder] nr. 9 onder verwijzing naar de memorie van antwoord nrs. 74, 75 en 84.
20.Zie ook de schriftelijke toelichting namens Dexia nrs. 6 en 14.
21.Ik merk voor de volledigheid nog op dat in de toelichting op het onderdeel (in
22.Zie onder meer EHRM 27 oktober 1993, nr. 14448/88,
23.Zie onder meer EHRM 19 april 1994, nr. 16034/90, NJ 1995/462 m.nt. E.A. Alkema (Van de Hurk/Nederland), rov. 59; EHRM 12 juni 2003, no. 35968/97, EHRC 2003/61 m.nt. J.H. Gerards (Van Kück/Duitsland), rov. 48.
24.Vgl. EHRM 3 mei 2007, nr. 7577/02 (Bochan/Oekraïne), rov. 82.
25.Zie onder meer EHRM 12 juli 1988, nr. 10862/84, NJ 1988.851 m.nt. E.A. Alkema (Schenk/Zwitserland), rov. 46; EHRM 21 januari 1999, nr. 30544/96, JB 1999/42 m.nt. A.W. Heringa (Garcia Ruiz/Spanje), rov. 28; EHRM 1 juni 2023, nr. 19750/13 (Grosham/Tsjechië), rov. 131-134.
26.Zie ook P. Smits, Artikel 6 EVRM Pro en de civiele procedure;, 2008, p.132-133.