ECLI:NL:PHR:2026:397

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
24/01966
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 3 Opiumwet
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontnemingsmaatregel wegens hennepteelt en afwijzing termijnklacht

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een ontnemingsmaatregel opgelegd aan de betrokkene wegens het telen van hennep in zijn woning. De rechtbank Limburg had de betrokkene veroordeeld tot betaling van €53.823,85 aan wederrechtelijk verkregen voordeel, met een maximale gijzelingstermijn van 1076 dagen bij niet-betaling. Het hof ’s-Hertogenbosch bevestigde dit vonnis.

De betrokkene voerde in cassatie twee middelen aan: ten eerste dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet aan hem kon worden toegerekend, en ten tweede dat de redelijke termijn in eerste aanleg was overschreden. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat het voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend, mede gelet op de bewezenverklaring van hennepteelt en de afwijzing van zijn ontkennende verklaring.

Verder is vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn in de strafzaak reeds is gecompenseerd door strafvermindering, en dat in de ontnemingszaak geen aanvullend verweer is gevoerd. Daarom faalt ook het middel over de termijnoverschrijding. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vonnis van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van €53.823,85 wordt bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01966 P
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 mei 2024 (parketnr. 20-001526-23) de uitspraak van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 mei 2023 bevestigd. In die uitspraak heeft de rechtbank de betrokkene – ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel – de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 53.823,85 aan de Staat. De rechtbank heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in het geval van niet-betaling bepaald op 1076 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de (straf)zaak 24/01965. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 17 mei 2024 ingesteld namens de betrokkene. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam en E. de Witte, ten tijde van het indienen van de schriftuur advocaat in Amsterdam, thans in Middelburg, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel ziet op het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. Het tweede middel heeft betrekking op de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.De strafzaak (24/01965)

2.1
In de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de betrokkene voor 1. het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep, 2. diefstal van elektriciteit door middel van verbreking en 3. diefstal van water door middel van verbreking, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van één jaar en tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel behelst de klacht dat het hof, met de bevestiging van de uitspraak, ten onrechte, dan wel op ontoereikende gronden, heeft geoordeeld dat het “geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan verzoeker toegerekend kan worden, althans dat die toerekening aan verzoeker uit de bewijsconstructie kan worden afgeleid”.
3.2
In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is ten laste van de betrokkene onder meer bewezenverklaard dat hij op 27 oktober 2020 opzettelijk 436 hennepplanten heeft geteeld. Het in die strafzaak door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank van 31 mei 2023 bevat met betrekking tot (onder meer) deze bewezenverklaring de volgende overwegingen:
“Overwegingen van de rechtbank
Verklaring verdachte
De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan vermoedelijk Marokkanen voor de inrichting en exploitatie van een hennepkwekerij, en dat hij aldus – behalve de wetenschap van de aanwezigheid van de kwekerij – geen nadere betrokkenheid daarbij had. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat het dossier geen contra-indicatie bevat voor deze verklaring van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring terzijde dient te worden geschoven nu die verklaring zelfs een begin van
[A-G: aannemelijkheid]ontbeert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de woning van de verdachte, die hij in februari 2020 heeft gekocht én waarin hij als enige bewoner stond ingeschreven, is op 27 oktober 2020 een hennepkwekerij aangetroffen.
De verdachte heeft zijn ontkennende verklaring inhoudende een alternatief scenario op geen enkele wijze onderbouwd, behalve door te stellen dat de persoon, of personen, waaraan hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld ‘naar hij denkt’ Marokkaans is/zijn. Nadere gegevens kon of wilde hij niet verstrekken. Bij doorvragen kon de verdachte zich niets meer herinneren. Bovendien wist hij zelfs niets meer te verklaren op nadere vragen over de persoon of personen aan wie hij zijn woning ter beschikking gesteld zou hebben en de omstandigheden waaronder hij die heeft ontmoet en gesproken. Derhalve valt op geen enkele manier te verifiëren of deze verklaring een begin van
[A-G: aannemelijkheid]heeft. Anders dan de raadsman heeft gesteld, bevat het dossier ook geen steun voor deze verklaring van de verdachte. De enkele aanwezigheid van een matras in de woning is daartoe niet toereikend.
Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat de verdachte diegene is geweest die de hennepkwekerij geëxploiteerd heeft. Dat leidt de rechtbank tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegd hennepteelt (feit 1). De diefstal van de elektriciteit (feit 2) en het water (feit 3) hangen daarmee zo nauw samen, dat de rechtbank ook die feiten, in de primaire variant, bewezen acht. Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank dat geen anderen betrokken zijn bij de hennepkwekerij, zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen van deze feiten. [1]
Periode diefstal stroom en water
Gelet op de aangetroffen indicatoren voor een eerdere oogst in samenhang bezien met de netmetingen van Enexis, acht de rechtbank bovendien bewezen dat de diefstal van stroom (feit 2 primair) en water (feit 3 primair) heeft plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode.
Zo zijn onder meer aangetroffen: stof op de aanwezige apparatuur, kalkaanslag, vervuiling, op diverse plekken hennepresten, een knipmachine (cannacutter) met hennepresten en twee gebruikte koolstoffilters, terwijl sprake was van relatief jonge hennepplanten (ca. 37 respectievelijk 50 centimeter). Zulks duidt op een eerdere teelt. Die conclusie vindt bovendien steun in de bevindingen van Enexis op basis van hun netmetingen. Die hield namelijk in dat op 14 oktober 2020 een oogst zou hebben plaatsgevonden, in bovendien een kwekerij waarbij twee ruimten om en om schakelen, zoals ook in deze is geconstateerd aangezien bij het aantreffen slecht in één van de twee kweekruimtes de verlichting brandde.
Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat de hennepkwekerij reeds langer in bedrijf was, meer specifiek gedurende (minimaal) één volledige teelt van circa acht tot tien weken voorafgaand aan 14 oktober 2020”.
3.3
Met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel bevat de door het hof bevestigde uitspraak van de rechtbank de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoot):
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
InleidingBij voormeld vonnis d.d. 31 mei 2023
[A-G: het vonnis dat door de rechtbank is gewezen in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak]is [betrokkene] veroordeeld wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ gepleegd op 27 oktober 2020, en wegens ‘diefstal’, gepleegd in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 27 oktober 2020.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [betrokkene] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en/of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [betrokkene] zijn begaan.
3.3.2
Het bewijsDe rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen in het vonnis van deze rechtbank van 31 mei 2023 in de onderliggende strafzaak.
Die bewijsmiddelen houden – kort gezegd – in het aantreffen van een in werking zijnde hennepkwekerij op 27 oktober 2020 en indicatoren die leiden tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat [betrokkene] al gedurende een langere periode hennep teelde. Aangetroffen indicatoren waren o.a. stof op apparatuur, hennepresten op grond/kweekzeil, knipscharen en de knipmachine, kalkaanslag op voornoemd zeil, meerdere lege CO2-flessen en vervuilde koolstoffilters.
Dit heeft geleid tot de conclusie van de rechtbank dat minst genomen sprake is geweest van één eerdere oogst voorafgaand aan de aangetroffen teelt. De rechtbank is tevens van oordeel dat [betrokkene] voordeel heeft verkregen uit de baten van die hennepteelt.
3.3.3.
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeelDe rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op
€ 53.823,85.
(…)
3.3.4.
De op te leggen betalingsverplichtingDe rechtbank zal aan [betrokkene] de verplichting opleggen tot betaling van
€ 53.823,85aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsman verklaart als volgt:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 mei 2023 heb bepleit
dat cliënt slechts € 3.000,00 heeft gekregen voor het ter beschikking stellen van zijn woning, de door cliënt gemaakte kosten dit bedrag overstijgen en cliënt aldus geen voordeel heeft genoten. Dat is nog steeds het standpunt van de verdediging.
(…)
De betrokkene verklaart als volgt:
(…) U, voorzitter, houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik ongeveer € 1.000,00 aan vaste lasten had. Dat klopt. U, voorzitter, houdt mij voor dat [u] uit de stukken begrijpt dat ik ongeveer € 1.000,00 per maand voor de hennepkwekerij heb gekregen. Ik wilde mijn woning niet kwijtraken.
(…)
[U], advocaat-generaal, vraagt mij of dat ik in totaal € 3.000,00 heb gekregen. Dat klopt. U, advocaat-generaal vraagt mij of dat ik die € 3.000,00 contant heb ontvangen. Ja, ik heb
€ 3.000,00 contant ontvangen. U, advocaat-generaal, vraagt mij of dat ik het bedrag van
€ 3.000,00 in een keer heb ontvang of dat ik drie maal € 1.000,00 heb ontvangen. Op de dag dat ik de sleutel had gegeven heb ik € 3.000,00 voor drie maanden gekregen. U, advocaat-generaal, houdt mij voor dat ik een boete van de water- en elektriciteitsbedrijven heb gekregen en ik aldus het bedrag van € 3.000,00 weer heb uitgegeven. (…) U, advocaat-generaal houdt mij voor dat ik in totaal € 3.000,00 aan water en elektra heb uitgegeven en ik aldus € 0,00 heb overgehouden. Dat klopt. (…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Cliënt heeft verklaard dat hij niets heeft verdiend. Hij heeft de feiten niet gepleegd. Hij heeft geen hennep geteeld en verkocht. (…) Het hof dient te controleren of cliënt wel echt geld heeft verdiend en hoeveel dit dan is. Cliënt kan het bedrag van meer dan € 50.000,00 niet betalen.
Alles overziend heeft cliënt geen onaannemelijke verklaring afgelegd. Hij is medeplichtig aan het tenlastegelegde. Hij heeft daarmee geen cent verdiend.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel stel ik het volgende voorop. Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, mede gelet op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. [2] De schatting van het op geld waardeerbare voordeel kan slechts worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen. [3] Wat betreft de mate van toerekening van het voordeel aan de betrokkene geldt niet de eis dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen moeten zijn ontleend. Voldoende is dat die feiten en omstandigheden, zoals een bepaalde rolverdeling, uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. [4]
3.6
De rechter die over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet oordelen, is gebonden aan het oordeel van de rechter in de strafzaak. De in de strafzaak uitgesproken bewezenverklaring staat in een ontnemingsprocedure niet meer ter discussie. Dat doet er echter niet af aan dat de rechter in een ontnemingszaak een zelfstandig oordeel toekomt over alle verweren die betrekking hebben op de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [5] Daaronder moeten, zo meen ik met A-G Aben, [6] óók worden begrepen kwesties die betrekking hebben op de (mate van) toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dergelijke kwesties spelen met name indien uit de hoofdzaak blijkt dat een betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van een strafbaar feit. Maar ook een veroordeling voor het plegen staat er op zichzelf niet aan in de weg om in de ontnemingszaak aan te nemen dat anderen dan de pleger vanwege hun bijdrage aan het delict eveneens een deel van de opbrengst hebben ontvangen. De veroordeling dwingt immers niet tot de vaststelling dat de betrokkene bij het begaan van dat delict als enige heeft gehandeld c.q. als enige voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dat delict. [7]
3.7
Terug naar de onderhavige zaak. Zoals blijkt uit de onder randnr. 3.3 weergegeven overwegingen, heeft de rechtbank in de door het hof bevestigde ontnemingsuitspraak geoordeeld dat er voldoende aanwijzingen bestaan dat de betrokkene (naast het onder 1 bewezen verklaarde opzettelijk telen van hennep
op27 oktober 2020) een ander strafbaar feit heeft begaan, te weten het telen van (een grote hoeveelheid) hennep in de periode
voorafgaand aan27 oktober 2020. Bij de schatting van de omvang van het uit de baten van die hennepteelt verkregen wederrechtelijk voordeel is de rechtbank uitgegaan van één eerdere oogst. De aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting is gelijk aan het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld. Daarmee is het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan de betrokkene toegerekend.
3.8
In het middel wordt niet de (op art. 36e lid 2 Sr gebaseerde) vaststelling van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de orde gesteld, maar wordt, als gezegd, opgekomen tegen het door het hof bevestigde (impliciete) oordeel dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene kan worden toegerekend. De stellers van het middel stellen zich op het standpunt dat het bevestigde oordeel van de rechtbank dat “het berekende voordeel aan verzoeker kan worden toegerekend (…) op grond van de jurisprudentie van Uw Raad (…) te ontlenen [moet] zijn aan de bewijsvoering”. Met de kale overweging van de rechtbank dat betrokkene “voordeel heeft verkregen uit de baten van hennepteelt”, is volgens de stellers van het middel niet aan dat uit de rechtspraak te destilleren vereiste voldaan. Ook zou het oordeel over die toerekening, mede gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk zijn.
3.9
Voor zover het middel berust op de veronderstelling dat een oordeel over de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden ontleend aan wettige bewijsmiddelen faalt het, omdat daarmee een eis wordt gesteld die het recht niet kent (zie hiervoor onder randnr. 3.5).
3.1
Met betrekking tot de klacht over de begrijpelijkheid van het door het hof bevestigde oordeel over de toerekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene, geldt het volgende. In de met de onderhavige zaak samenhangende strafzaak is de verklaring van de betrokkene dat hij zijn woning aan anderen ter beschikking had gesteld voor de inrichting en exploitatie van een hennepkwekerij en hij geen verdere betrokkenheid heeft gehad bij de aangetroffen kwekerij, door de rechtbank terzijde gesteld. De betrokkene is vervolgens veroordeeld voor - voor zover in deze van belang - het als pleger opzettelijk telen van (een grote hoeveelheid) hennep op 27 oktober 2020 (de datum waarop de hennepkwekerij in de woning van de verdachte is aangetroffen).
3.11
Tegen deze achtergrond acht ik het in de ontnemingszaak door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit de baten van de hennepteelt in de woning van de betrokkene voorafgaand aan 27 oktober 2020, aan de betrokkene kan worden toegerekend, geenszins onbegrijpelijk. Dat in het bevestigende ontnemingsvonnis besloten liggende oordeel behoefde ook geen nadere motivering. Uit de bewijsvoering in de strafzaak volgt immers dat de betrokkene degene is geweest die de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Door of namens de betrokkene is in feitelijke aanleg ook geen verweer gevoerd met betrekking tot de verdeling van het geschatte voordeel, maar is enkel aangevoerd dat de betrokkene - vanwege zijn rol als medeplichtige - geen voordeel heeft genoten. Gelet op zowel die bewijsvoering als de procesopstelling, zie ik niet in waarom het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank nader gemotiveerd had moeten worden. Het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, meer in het bijzonder de door de tolk afgelegde verklaring over de taal waarin een in de woning van de verdachte aangetroffen tekst is geschreven en de overgelegde brief van de (toenmalige) partner van de betrokkene, noopte het hof ook niet tot een nadere motivering. Daaruit blijkt immers, anders dan door de steller wordt betoogd, geenszins van betrokkenheid van anderen bij de teelt van hennep in de woning van de betrokkene, laat staan van een dusdanig wezenlijke betrokkenheid die maakt dat moet worden aangenomen dat ook anderen voordeel hebben verkregen uit de baten van die hennepteelt.
3.12
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank, dat aan de overschrijding van de redelijke termijn in de ontnemingszaak geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden omdat in de gelijktijdig behandelde strafzaak al strafvermindering is toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn, onjuist, dan wel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, is.
4.2
Het - door het hof bevestigde - vonnis houdt met betrekking tot de op te leggen betalingsverplichting het volgende in:
“Nu de rechtbank al in de strafzaak strafvermindering heeft toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn, volstaat de rechtbank in deze ontnemingsprocedure met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6, eerste lid, EVRM”.
4.3
Het is vaste rechtspraak dat in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop vóór de bestreden uitspraak, wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman is behandeld en ter terechtzitting een dergelijk verweer niet is gevoerd. Dat geldt ook indien het hof ambtshalve heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden. [8]
4.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2024 blijkt dat de betrokkene en zijn raadsman op de terechtzitting aanwezig waren, maar dat toen door of namens de betrokkene geen verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn. Reeds hierom faalt het middel.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Blijkens de aan het (bevestigde) vonnis in de strafzaak gehechte tenlastelegging is aan de verdachte onder 1, 2 en 3, telkens primair, niet ook ten laste gelegd dat hij die feiten met een of meer anderen heeft gepleegd. De partiële vrijspraak lijkt dan ook op een verkeerde lezing van de tenlastelegging te berusten.
2.Zie onder meer HR 1 juli 1997, ECLI:NL:HR:1997:AB7714,
3.HR 13 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:740,
4.HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3491,
5.HR 8 juni 1999, ECLI:NL:HR:ZD1501,
6.Zie zijn conclusies van 19 juni 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:623) vóór HR 18 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1690 en 17 december 2024 (ECLI:NL:PHR:2024:1381) vóór HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:351 (art. 81 RO Pro).
7.Zie wederom A-G Aben in zijn in de vorige noot aangehaalde conclusies.
8.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,