Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De strafzaak (24/01965)
3.Het eerste middel
[A-G: aannemelijkheid]ontbeert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
[A-G: aannemelijkheid]heeft. Anders dan de raadsman heeft gesteld, bevat het dossier ook geen steun voor deze verklaring van de verdachte. De enkele aanwezigheid van een matras in de woning is daartoe niet toereikend.
[A-G: het vonnis dat door de rechtbank is gewezen in de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak]is [betrokkene] veroordeeld wegens ‘opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel’ gepleegd op 27 oktober 2020, en wegens ‘diefstal’, gepleegd in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 27 oktober 2020.
€ 53.823,85.
€ 53.823,85aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.”
dat cliënt slechts € 3.000,00 heeft gekregen voor het ter beschikking stellen van zijn woning, de door cliënt gemaakte kosten dit bedrag overstijgen en cliënt aldus geen voordeel heeft genoten. Dat is nog steeds het standpunt van de verdediging.
op27 oktober 2020) een ander strafbaar feit heeft begaan, te weten het telen van (een grote hoeveelheid) hennep in de periode
voorafgaand aan27 oktober 2020. Bij de schatting van de omvang van het uit de baten van die hennepteelt verkregen wederrechtelijk voordeel is de rechtbank uitgegaan van één eerdere oogst. De aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting is gelijk aan het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld. Daarmee is het wederrechtelijk verkregen voordeel volledig aan de betrokkene toegerekend.