Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het derde middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
2 december 2014.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had geoordeeld dat het voordeel over een periode van 5 oktober 2009 tot en met 15 december 2009 voor tweederde deel aan de betrokkene toerekenbaar was en voor een derde deel aan een medeverdachte.
De betrokkene voerde onder meer aan dat de verdeling van het voordeel niet duidelijk was en dat hem niet meer dan 50% toegerekend mocht worden, mede gezien de samenwerking met de medeverdachte. De Hoge Raad overwoog dat voor de toerekening niet vereist is dat de feiten en omstandigheden aan wettige bewijsmiddelen zijn ontleend, maar dat deze uit het onderzoek ter terechtzitting moeten blijken.
De verklaring van de betrokkene dat de medeverdachte zijn chauffeur was en hem een gevoel van veiligheid gaf, ondersteunde het oordeel van het hof dat het aandeel van de medeverdachte kleiner was. De Hoge Raad vond het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en verwierp het beroep. Daarmee bleef de toerekening van het voordeel zoals door het hof vastgesteld in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toerekening van tweederde van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de betrokkene.