Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:438

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
24/02041
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 310 SrArt. 311.1.5 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 339 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring hennepteelt en diefstal elektriciteit in gehuurde woning

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep en het stelen van elektriciteit door middel van verbreking in een woning die hij huurde. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder het aantreffen van een hennepkwekerij met 353 planten, illegale elektriciteitsaansluiting, en het feit dat verdachte de enige huurder was van het pand.

De verdediging voerde aan dat een derde, genaamd [betrokkene 1], de kwekerij zou hebben geëxploiteerd en dat verdachte geen wetenschap had van de hennepteelt. Deze verklaring werd door het hof als ongeloofwaardig verworpen vanwege het ontbreken van contactgegevens en het niet aannemelijk zijn van de terbeschikkingstelling van de woning.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bewezenverklaring en bewijsvoering voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd. De stelling dat verdachte niet betrokken was bij de hennepteelt en elektriciteitsdiefstal faalt. De Hoge Raad merkt ambtshalve op dat de redelijke termijn mogelijk is overschreden, wat kan leiden tot strafvermindering. Het cassatieberoep wordt verworpen met eventueel strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewezenverklaring van hennepteelt en diefstal elektriciteit wordt bevestigd met mogelijk strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02041
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 14 mei 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch [1] wegens onder 1 primair “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en onder 2 primair “diefstal, waarbij de schuldige dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals in het arrest is vermeld.
1.2
Namens de verdachte heeft M.C. van der Want, advocaat te Middelburg, twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
De middelen richten zich achtereenvolgens tegen de bewezenverklaring van het onder 1 primair en het onder 2 primair tenlastegelegde. Gelet op de samenhang daartussen, geef ik – alvorens de middelen (onder 3 en 4) te bespreken – de bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof weer.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering van het hof

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1. primair
hij in de periode van 15 augustus 2021 tot 27 oktober 2021 te [plaats] opzettelijk heeft geteeld (in een pand gelegen aan [a-straat 1]) een hoeveelheid van 353, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel;
2. primair
hij in de periode van 15 augustus 2021 tot 27 oktober 2021 te [plaats] een hoeveelheid elektriciteit, die aan Enexis B.V. toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”
2.2
De bewezenverklaring van 1 primair en 2 primair steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij d.d. 3 november 2021 (pagina's 4 tot en met 7 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant]:
Proces-verbaalnummer: PL2000-2021288427-1
Controle Basisregistratie Personen (BRP)
Op het adres [a-straat 1], [postcode] [plaats], staat de volgende persoon ingeschreven:
Ingangsdatum: 13 februari 2020
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1981
Binnentreden woning
In voornoemde woning werd op 27 oktober 2021 binnengetreden. Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij aanwezig was, waarvan de planten kennelijk waren geoogst.
Kweekruimte 1
Na het binnentreden zag ik het volgende: dit betrof een kweektent van 6 bij 3 meter, waar 213 plantenpotten in stonden. De armaturen, koolstoffilters en slakkenhuizen waren reeds verwijderd. Er hingen nog 6 ventilatoren, 1 kachel en 1 thermometer. Tevens trof ik in de kweektent 9 vuilniszakken met knipafval en 2 vervuilde scharen aan.
Kweekruimte 2
Na het binnentreden zag ik het volgende: dit betrof een kweektent van 2 bij 3 meter, waar 70 plantenpotten in stonden. De armaturen, koolstoffilters en slakkenhuizen waren reeds verwijderd. Er hingen nog 4 ventilatoren.
Kweekruimte 3
Na het binnentreden zag ik het volgende: dit betrof een kweektent van 2 bij 3 meter, waar 70 plantenpotten in stonden. De armaturen, koolstoffilters en slakkenhuizen waren reeds verwijderd. Er hingen nog 3 ventilatoren en 1 thermometer. Tevens trof ik in de kweektent 3 vuilniszakken met knipafval en 1 vervuilde schaar aan.
Vaststelling hennep
Ik constateerde op grond van mijn kennis en ervaring, opgedaan bij eerdere ontmantelingen van hennepkwekerijen, dat het hennepplanten waren.
Elektriciteitsvoorziening
De elektriciteitsvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht. Hierbij werd geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen. Het bleek dat de stroom voor de meter rechtstreeks op de hoofdleiding was afgetakt. Deze aftakking was reeds verwijderd toen wij het pand betraden.
Verdachte
Als verdachte is aangemerkt [verdachte]. De verdachte is de enige ingeschreven volgens de Gemeentelijke Basis Administratie. Daarnaast is de verdachte de contractant van deze woning volgens de woningcorporatie.
Hennepplantenresten
Droge resten van hennepplanten waren aangetroffen op/in een doos in de woonkamer. Natte resten van hennepplanten waren aangetroffen op/in een 12-tal (60 liter) vuilniszakken met knipafval.
Knippen van hennep
In kweekruimte 1 en de hal naar kweekruimte 3 waren 3 knipschaartjes aangetroffen. Hierop bevonden zich hennepresten.
Lege jerrycans
In kweekruimte 1 en de badkamer waren 6x 10 liter Hypro A en 6x 10 liter B, 6x 5 liter Plagron, 12x 1 liter diverse voedingsmiddelen aangetroffen, waarin normaliter groei- en/of bloeimiddel is verpakt.
2. Het proces-verbaal rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij d.d. 14 april 2022 (pagina’s 47 tot en met 53 van het politiedossier), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant]:
Inleiding
Naar aanleiding van het proces-verbaal nummer 2021288427-1
(het hof begrijpt: PL2000-2021288427-1)d.d. 27 oktober 2021 heb ik een onderzoek ingesteld naar het wederrechtelijk verkregen voordeel van:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1981
Ontnemingsperiode
Tussen 1 augustus 2021 en 27 oktober 2021. Deze periode beslaat 12 weken. Door de aanwezigheid van hennepresten en knipafval is vastgesteld dat er in ieder geval 1 oogst is geweest.
3. Een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 339, eerste lid onder sub 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een aangifte van Enexis-medewerker bekend onder nummer 73011, namens Enexis Netbeheer B.V. (pagina’s 11 tot en met 36 van het politiedossier), voor zover inhoudende:
Ik ben in mijn hoedanigheid van Medewerker Beheersen Netverlies bij netwerkbedrijf Enexis Netbeheer B.V. gerechtigd tot het doen van aangifte.
Enexis Netbeheer B.V. transporteert en distribueert energie naar de contractant van pand [a-straat 1] [postcode] [plaats]. Op 27 oktober 2021 werd een hennepkwekerij met diefstal energie aangetroffen in het pand op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Uit onze administratie blijkt dat [verdachte] in elk geval op het moment van binnentreden op 27 oktober 2021 contractant was op genoemd perceel.
Uit onderzoek bleek dat er een illegale aansluiting voor de hoofdbeveiliging was gemaakt, op de aansluitleiding in de hoofdaansluitkast. Er was een illegale elektriciteitskabel aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep en de elektrische installatie in het betreffende pand voorzag van elektriciteit. De illegale kabel is buiten de hoofdveiligheid in de aansluitkast van Enexis Netbeheer om aangesloten. Om deze aftakking te realiseren is het noodzakelijk geweest de verzegeling van de aansluitkast te verbreken en de kast te openen. De originele zegels zijn verwijderd, vervangen en of gemanipuleerd. Hiervoor heeft Enexis Netbeheer geen toestemming verleend.
4. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2021 (pagina’s 41 tot en met 46 van het politiedossier), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [verdachte]:
‘V’ staat voor vraag verbalisant/verbalisanten.
'A' staat voor antwoord-opmerking verdachte.
‘O’ staat voor opmerking verbalisant/verbalisanten.
V; Waar woont u en waar staat u ingeschreven?
A: [a-straat 1], [postcode] [plaats].
V: Woon je daar alleen?
A: Ja.
V: Staat u ingeschreven op dit adres?
A: Klopt.
V: Sinds wanner bent u eigenaar of huurder van de woning?
A: Ik denk sinds begin vorig jaar, januari of februari
(het hof begrijpt: 2020).
V: Wie betaalt de huur van de woning en hoeveel bedraagt deze?
A: € 635,00 per maand en die betaal ik zelf.”
2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

Algemeen
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Standpunt verdediging
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit. Daartoe is in de kern het volgende aangevoerd. Ten aanzien van de telkens primair tenlastegelegde feiten heeft de verdediging naar voren gebracht dat er geen bewijs voorhanden is voor het medeplegen of plegen, nu de verdachte een duidelijke verklaring heeft afgelegd over een derde, genaamd [betrokkene 1]. De politie had hier nader onderzoek naar kunnen verrichten. Ten aanzien van de telkens subsidiair tenlastegelegde feiten heeft de verdediging naar voren gebracht dat de verdachte ontkent dat hij wetenschap had van de aangetroffen hennepkwekerij en dat dergelijke wetenschap op basis van het procesdossier niet kan worden vastgesteld. Het enkele door de verdachte ter beschikking stellen van de woning aan een persoon die hij niet heel goed kende, is voor deze vaststelling naar het standpunt van de verdediging onvoldoende, omdat de verdachte daarover een duidelijke verklaring heeft afgelegd. Volgens de verdediging kan niet worden bewezen dat bij de verdachte sprake was van dubbel opzet.
De verklaring van de verdachte
De verdachte heeft in het verhoor door de politie het volgende verklaard (het proces-verbaal van verhoor d.d. 25 november 2021, pagina’s 41 tot en met 46 van het politiedossier). De verdachte zou samen met zijn vriendin in de woning aan [a-straat 1] in [plaats] gaan wonen, maar hun relatie kwam tot een einde. De verdachte ontmoette in Rotterdam een Bulgaarse persoon, welke persoon zichzelf ‘[betrokkene 1]’ noemde. Deze [betrokkene 1] vroeg aan de verdachte of hij over een woning beschikte. De verdachte heeft tegenover [betrokkene 1] aangegeven dat hij over een woning beschikte, maar dat dit door lekkageproblemen en problemen met de verhuurder een kale woning betrof. [betrokkene 1] gaf hierop aan dat hij de woning tot december 2021 wel wilde gebruiken en dat hij de woning in de tussengelegen periode zou opknappen en schilderen. Hierna zou [betrokkene 1] naar zijn vrouw en kinderen in Bulgarije gaan. De verdachte heeft op 15 augustus 2021 de sleutel aan [betrokkene 1] gegeven en is vanaf dat moment niet meer in de woning geweest. [betrokkene 1] betaalde aan de verdachte geen vergoeding voor zijn verblijf in de woning en de verdachte hoefde aan [betrokkene 1] niets te betalen voor het opknappen van de woning. [betrokkene 1] heeft zijn achternaam niet verteld en heeft geen contactgegevens gegeven en documenten overgelegd ter legitimatie van zichzelf. De verdachte kon [betrokkene 1] niet bereiken en beschikte niet een telefoonnummer van [betrokkene 1]. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte daaraan het volgende toegevoegd (het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 30 april 2024). De verdachte kreeg vanuit de gemeente geen vergoeding om de woning in te richten en beschikte enkel over meubels uit zijn vorige woning. Tijdens het contact tussen de verdachte en [betrokkene 1] in Rotterdam bleek dat [betrokkene 1] uit zijn huis was gezet en klusjesman was. Tijdens dit contact heeft de verdachte met [betrokkene 1] afgesproken hoe het huis eruit moest komen te zien en hebben zij afgesproken dat de kosten voor de verbouwing zouden worden gedragen door [betrokkene 1]. De vloer moest worden opgeknapt en er moest schilderwerk worden verricht. De verdachte wenste dat alles wit werd. Er werd niets afgesproken op papier en [betrokkene 1] zou de sleutels na de afgesproken periode door de brievenbus gooien. [betrokkene 1] betrof een man van 1.75 meter lang met kort haar, een redelijke baard en oorbel en reed in een Bulgaarse auto. De verdachte heeft twee tot drie keer een pakketje opgehaald bij de buren en heeft toen niets opvallends gezien met betrekking tot de door hem aan [betrokkene 1] ter beschikking gestelde woning.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op grond van de door haar gebezigde bewijsmiddelen de navolgende feiten en omstandigheden vast. Op 27 oktober 2021 werden in het pand aan de [a-straat 1] in [plaats] drie kweekruimtes aangetroffen. In en rondom de kweekruimtes werden 353 plantenpotten, vuilniszakken met daarin droog en nat hennepafval en apparatuur en voedingsmiddelen aangetroffen, welke goederen in verband kunnen worden gebracht met de hennepteelt. In de woning heeft in ieder geval één oogst plaatsgevonden, gedurende de periode 1 augustus 2021 tot 27 oktober 2021. Voorts werd in voormeld pand een illegaal aangelegde elektriciteitskabel aangetroffen die buiten de elektriciteitsmeter om liep en de elektrische installatie in voormeld pand voorzag van elektriciteit. De verdachte heeft in het verhoor door de politie verklaard dat hij staat ingeschreven op het adres [a-straat 1] in [plaats], dat hij op dit adres alleen woont, dat hij sinds begin 2020 huurder is van het pand op dit adres en dat de maandelijkse huurlasten van € 635,00 en de kosten voor het gebruik van gas, water en licht van € 70,- door hem worden betaald.
Oordeel van het hof
Naar het oordeel van het hof is de verklaring van de verdachte, zoals hiervoor weergegeven onder
‘De verklaring van de verdachte’, niet aannemelijk geworden. In het bijzonder acht het hof niet aannemelijk dat de verdachte zijn woning, die op dat moment niet geschikt was om te bewonen, juist ter bewoning ter beschikking heeft gesteld aan een persoon genaamd [betrokkene 1]. De verdachte zou de woning gedurende meerdere maanden kosteloos aan deze [betrokkene 1] ter beschikking hebben gesteld, terwijl de verdachte maandelijks een aanzienlijke huursom en daarnaast het gebruik van gas, water en licht was verschuldigd aan de verhuurder en een energiemaatschappij. Voorts kende de verdachte deze [betrokkene 1] voorafgaand aan hun toevallige ontmoeting in Rotterdam in het geheel niet en heeft de verdachte noch tijdens noch na afloop van hun ontmoeting aan deze [betrokkene 1] identiteits- of contactgegevens, zoals een telefoonnummer, gevraagd of gekregen. De verdachte beschikt enkel over een voornaam en een algemeen signalement van deze [betrokkene 1]. De verdachte zou met [betrokkene 1] tijdens hun ontmoeting in Rotterdam slechts zeer algemeen en mondeling geformuleerde afspraken hebben gemaakt over de in de woning te verrichten onderhoudswerkzaamheden en in de periode waarin deze onderhoudswerkzaamheden verricht zou in het geheel geen contact plaatsvinden tussen de verdachte en [betrokkene 1].
De door de verdachte eerder bij verhoor door de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep geschetste gang van zaken waarbij een ander, een zekere ‘[betrokkene 1]’ als gebruiker van de door verdachte gehuurde woning als de eigenlijke pleger van het aan verdachte tenlastegelegde dient te worden aangemerkt, is niet verifieerbaar en wordt op geen enkele wijze ondersteund door het procesdossier, zodat geen aanknopingspunten bestonden voor het verrichten van nader onderzoek. Het hof oordeelt op grond van het voorgaande dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden en zal de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde stellen.
Uit de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte sinds begin 2020 de huurder is van de woning gelegen aan het adres [a-straat 1] in [plaats] en dat de verdachte hier alleen verbleef. Nu op basis van het verhandelde tijdens het onderzoek ter terechtzitting en het thans voorliggende procesdossier voorts niet is gebleken van enige betrokkenheid van enig ander persoon bij de aangetroffen hennepkwekerij en daarbij geconstateerde illegale afname van elektriciteit, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat het verdachte zelf is geweest die in de tenlastegelegde periode op het adres [a-straat 1] te [plaats] de tenlastegelegde hoeveelheid hennep heeft geteeld en de hoeveelheid elektriciteit heeft weggenomen (vgl. HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554 en HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511). Het hof oordeelt dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het telkens primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals hierna bewezen is verklaard.
Het verweer van de verdediging wordt verworpen. Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan de bespreking van het verweer, voor zover betrekking hebbende op de telkens subsidiair tenlastegelegde feiten.”

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het onder 1 primair bewezenverklaarde opzettelijk telen van hennep in de periode van 15 augustus 2021 tot 27 oktober 2021 te [plaats] onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen. In ieder geval zou het oordeel van het hof op dit punt blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd. Daartoe wordt door de steller van het middel aangevoerd dat zelfs als niet wordt uitgegaan van de verklaring van de verdachte dat een derde in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] heeft verbleven, uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode bij de woning is geweest. Evenmin is gebleken dat de verdachte enige gedraging heeft verricht ten aanzien van de hennepkwekerij. Volgens de steller van het middel wordt het verweer van de verdachte onvoldoende weerlegd door de bewijsmiddelen en ontbreekt een nadere bewijsoverweging.
3.2
Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde telen van hennep houden de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in dat in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] op 27 oktober 2021 een hennepkwekerij, bestaande uit drie kweekruimtes, is aangetroffen (bewijsmiddel 1) en dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode de huurder van de betreffende woning was (bewijsmiddelen 1 en 4).
3.3
Het hof heeft verder geoordeeld dat de stelling van de verdachte dat hij zijn woning aan een derde ter beschikking heeft gesteld en dat deze derde in ruil daarvoor zijn woning zou opknappen, niet aannemelijk is geworden. Het hof heeft daarbij in het bijzonder niet aannemelijk geacht dat de verdachte zijn woning, die op dat moment niet geschikt was voor bewoning, juist ter bewoning aan deze derde beschikbaar heeft gesteld. De verdachte zou daarbij deze woning gedurende meerdere maanden kosteloos aan deze derde beschikbaar hebben gesteld, terwijl de verdachte maandelijks huur was verschuldigd evenals kosten voor gas, water en licht. Ook zou de verdachte deze derde persoon voorafgaand aan hun toevallige ontmoeting in Rotterdam niet kennen en zou hij niet beschikken over identiteits- of contactgegevens van deze derde. Daarnaast zouden er slechts zeer algemeen en mondeling afspraken zijn gemaakt over de in de woning te verrichten werkzaamheden en zou er in de periode dat de werkzaamheden werden verricht in het geheel geen contact hebben plaatsgevonden tussen de verdachte en deze derde. Deze verklaring van de verdachte is naar het oordeel van het hof niet alleen niet verifieerbaar, maar wordt ook op geen enkele wijze ondersteund door het procesdossier, zodat geen aanknopingspunten bestonden voor het verrichten van nader onderzoek. Het hof stelt de lezing van de verdachte dan ook als ongeloofwaardig terzijde. Dit oordeel, dat zich in cassatie slechts in beperkte mate laat toetsen, [2] is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het hof komt uiteindelijk tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte zelf is geweest die in de tenlastegelegde periode op het adres [a-straat 1] te [plaats] de hennep heeft geteeld.
3.4
Gelet op het voorgaande volgt voldoende uit de bewijsmiddelen dat het de verdachte is geweest die de hennep heeft geteeld en is dat oordeel van het hof begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij wijs ik erop dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat de eigenaar of huurder van een pand waar een hennepkwekerij wordt aangetroffen in zaken waarin direct bewijs voor betrokkenheid van de verdachte bij de hennepteelt ontbreekt, toch als pleger kan worden veroordeeld als het niet anders kan zijn dan dat hij degene is geweest die de hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Deze conclusie is gerechtvaardigd als de eigenaar of huurder, zoals in de onderhavige zaak, ondanks dat alle pijlen in zijn richting wijzen, geen (aannemelijke) verklaring aflegt over de hem belastende feiten en omstandigheden. [3] Dat is slechts anders wanneer het hof vaststellingen heeft gedaan ten aanzien van de wezenlijke betrokkenheid van derden bij de hennepteelt, [4] of wanneer het hof in de bewijsvoering indicaties voor dergelijke betrokkenheid opneemt. [5] Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake, zodat het hof niet tot een nadere motivering was gehouden.
3.5
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel bevat in de kern de klacht dat de onder 2 primair bewezenverklaarde diefstal van elektriciteit onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen, omdat daaruit enkel kan worden afgeleid dat illegaal elektriciteit is afgenomen. Van concrete gedragingen van de verdachte ten behoeve van deze diefstal is volgens de steller van het middel niet gebleken. Gewezen wordt op twee arresten van de Hoge Raad. [6]
4.2
Voor ‘s hofs bewezenverklaring en bewijsvoering verwijs ik naar hetgeen hiervoor is weergegeven onder 2.1 tot en met 2.3 van deze conclusie.
4.3
Met betrekking tot de bewezenverklaring van diefstal van elektriciteit bij een hennepkwekerij heeft de Hoge Raad in een arrest van 20 april 2021 overwogen: [7]
“In gevallen als het onderhavige, waarin het aantreffen van een hennepkwekerij gepaard gaat met het aantreffen van aanwijzingen dat de elektriciteit die wordt gebruikt voor die kwekerij, kort gezegd, ‘buiten de meter om’ wordt afgenomen, en de verdachte op die grond (ook) de diefstal van elektriciteit wordt verweten, verdient die diefstal zelfstandige aandacht in de bewijsvoering. De betrokkenheid van de verdachte bij de teelt van hennep brengt immers op zichzelf nog niet mee dat hij zich ook schuldig maakt aan het opzettelijk wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (…). Bij die bewijsvoering kan onder meer het volgende van belang zijn. Onder ‘wegnemen’ van een goed als bedoeld in artikel 310 van Pro het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het zich verschaffen van de feitelijke heerschappij over het goed dan wel het aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende onttrekken van dat goed. Elektriciteit wordt in deze zin pas ‘weggenomen’ door het verbruik ervan door apparaten of installaties die zijn aangesloten op het elektriciteitsnet (…). Dat als algemeen uitgangspunt kan gelden dat een rechthebbende weet wat zich in zijn pand bevindt dan wel wat zich daar afspeelt, volstaat doorgaans niet voor het bewijs van het opzettelijk wegnemen van de elektriciteit. Wel kunnen concrete gedragingen van de verdachte waaruit zijn betrokkenheid bij die teelt blijkt en de omstandigheden waaronder die teelt plaatsvond, meebrengen dat (het niet anders kan zijn dan dat) de verdachte zich ook heeft schuldig gemaakt aan het wegnemen van de daarbij gebruikte elektriciteit (…).”
4.4
Met name deze laatste overweging is voor de onderhavige zaak van belang, hetgeen is ontleend aan het – eveneens in de schriftuur aangehaalde – arrest van de Hoge Raad van 9 april 2019. [8] Het hof had in die zaak, niet onbegrijpelijk, vastgesteld dat het standpunt van de verdachte dat erop neerkomt dat niet hij, maar een derde, de hennepkwekerij in zijn woning heeft ingericht en geëxploiteerd, “zelfs het begin van aannemelijkheid ontbeert”. Dit in aanmerking genomen, achtte de Hoge Raad het kennelijke oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is geweest die ten behoeve van het telen van hennep in zijn woning met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een hoeveelheid stroom heeft weggenomen door middel van verbreking, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [9] Met andere woorden, wanneer uit de bewijsvoering blijkt dat een hennepkwekerij door de verdachte alleen is opgezet, ingericht en onderhouden terwijl die hennepkwekerij was voorzien van een illegale elektriciteitsaansluiting, dan kan daaruit in beginsel de conclusie worden getrokken dat het niet anders kan zijn dat dat de verdachte ook degene is geweest die de elektriciteit heeft weggenomen. [10]
4.5
Terug naar de onderhavige zaak. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden in dat op de dag dat de hennepkwekerij in de woning is aangetroffen is geconstateerd dat de elektriciteitsvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen (bewijsmiddel 1). Uit onderzoek bleek dat er een illegale elektriciteitskabel was aangelegd die buiten de elektriciteitsmeter om liep en dat hiervoor de verzegeling van de aansluitkast is verbroken (bewijsmiddel 3). Ten slotte volgt uit de bewijsmiddelen – zoals reeds opgemerkt – dat de verdachte gedurende de gehele tenlastegelegde periode de (enige) huurder van de betreffende woning was (bewijsmiddelen 1 en 4).
4.6
Verder blijkt uit de nadere bewijsoverwegingen in het bestreden arrest dat het hof van oordeel is dat het namens de verdachte gevoerde verweer dat hij de woning aan een derde ter beschikking had gesteld en deze derde als pleger van het tenlastegelegde moet worden aangemerkt, niet aannemelijk is geworden. Daarnaast heeft het hof overwogen dat niet is gebleken van enige betrokkenheid van enig ander persoon bij de aangetroffen hennepkwekerij en de geconstateerde illegale afname van elektriciteit.
4.7
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte zelf is geweest die in de tenlastegelegde periode op het adres [a-straat 1] te [plaats] de tenlastegelegde hoeveelheid hennep heeft geteeld en de hoeveelheid elektriciteit heeft weggenomen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.8
Het tweede middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad mogelijk uitspraak gaat doen meer dan twee jaren nadat op 24 mei 2024 het cassatieberoep is ingesteld. Daarmee zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro worden overschreden en kan de Hoge Raad, als hij dat nodig vindt, de opgelegde taakstraf verminderen. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met eventueel strafvermindering vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 20-002311-23. Dit arrest is gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSHE:2024:1648.
2.Vgl. HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2573.
3.Vgl. HR 12 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:850; HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554; HR 15 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:48; HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2340; HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2534; HR 2 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2573; HR 3 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1553 en HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5560. Zie ook: N. Seijlhouwer-de Visser, ‘De strafrechtelijke aansprakelijkheid van de eigenaar of huurder van een henneppand’,
4.Vgl. HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202 en HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2967.
5.Vgl. HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:46 en HR 23 oktober 2012, ECLI:NL:2012:BX6764.
6.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,
7.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,
8.HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554.
9.HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:554, r.o. 2.4.
10.Vgl. ook HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:350 en HR 8 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1592. Zie in diezelfde lijn de conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Knigge voorafgaand aan HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:390, randnr. 3.8 en de conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Bleichrodt voorafgaand aan HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:511,