Conclusie
1.Inleiding
2.De procesgang
3.Het eerste middel
hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 29 april 2014 in Nederland en/of te Indonesië en/of te Frankrijk en/of te België tezamen en in vereniging met een ander, [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie heeft geworven, vervoerd, en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5]
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 1 juni 2017.
Ik was toen de kostwinner van het gezin. Ik heb zicht op mijn bankrekening.
Ook de drie andere vrouwen hebben geholpen in de huishouding en alle drie woonden ze een tijd bij ons in. Ook zij kwamen uit Indonesië. De vrouwen deden licht huishoudelijk werk.
Ik wist dat de paspoorten van de vrouwen in de kast lagen. Dat vonden we veilig.
Een tante heeft een tijdje geholpen en er waren wat Indonesische mensen die in Nederland wonen en hielpen, maar die mensen waren niet ook ’s nachts aanwezig. Het was om die reden toch een heel andere situatie. Als een van onze kinderen ’s nachts een ernstige aanval krijgt van benauwdheid moeten we acuut met dat kind naar het ziekenhuis kunnen gaan.
Ik betaalde alles voor de aangeefsters.
Ik zei tegen [verdachte] dat ik geld nodig had voor nanny’s. Wij hadden een gezamenlijke rekening. Ik heb van die rekening geleend en betaalde daarvan mijn tante, zodat de aangeefsters naar Nederland konden komen.
[verdachte] is met mij meegegaan toen ik [aangeefster 4] en [aangeefster 5] heb opgehaald in België.”
Opzet
[verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [aangeefster 1] opgehaald op Schiphol, en [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig.
eerste deelklachtbetwist dat de verdachte zich hiervan bewust was en daar misbruik van heeft gemaakt. Het oordeel van het hof hieromtrent zou onbegrijpelijk zijn dan wel ontoereikend zijn gemotiveerd.
agencyin Indonesië de aangeefsters naar Nederland stuurde, deze agency alles regelde, dat met sommige aangeefsters was afgesproken dat de echtgenote hun salaris onder zich zou houden en pas aan het eind van het verblijf zou uitbetalen. Ik zie niet in waarom dit de begrijpelijkheid omtrent het bewustzijn van de verdachte inzake de kwetsbare positie dan wel het overwicht zou ondergraven. Deze omstandigheden betekenen immers niet dat de verdachte, die blijkens zijn tot het bewijs gebezigde verklaring de financiële administratie van het gezin en de belastingaangifte deed en ook op de hoogte was van het feit dat aangeefsters’ paspoorten waren ingenomen, waarmee hij kennelijk instemde, [4] geen wetenschap kon hebben van de kwetsbare positie van de aangeefsters, met wie hij praktisch gezien samenwoonde, en het overwicht dat hij als verdachte ten opzichte van hen had. De in dit verband nog geformuleerde klacht dat het hof de mogelijkheid heeft opengelaten dat de verdachte heeft gedacht dat de aan de aangeefsters betaalde bedragen gebruikelijk waren voor oppassers uit Indonesië, stuit verder af op de overweging van het hof dat deze bedragen “zeer” laag waren, “zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn”. De door het hof in aanmerking genomen omstandigheden zijn dan ook voldoende om de bewezenverklaring op dit punt te staven, ook in het licht van hetgeen de verdediging op de zitting hiertegen heeft ingebracht.
tweede deelklachtziet op de bewezenverklaring van het medeplegen. In de toelichting op het middel wordt het standpunt ingenomen dat het oordeel van het hof dat beide verdachten nauw en bewust hebben samengewerkt onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd, met name in het licht van hetgeen namens de verdediging hieromtrent is aangevoerd en met inachtneming van hetgeen in het kader van de voorgaande deelklacht is betoogd.