3.4Voorts heeft het hof in het arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:
“
Opzet
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs van door ‘misbruik’-handelen toereikend is dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.
Naast dit opzetvereiste geldt een ander, zwaarder opzetvereiste ten aanzien van de uitbuiting, namelijk in de vorm van het oogmerk van uitbuiting.
Het hof stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.
De medeverdachte [medeverdachte] is geboren in Indonesië en op haar negentiende naar Nederland geëmigreerd. Ten tijde van het tenlastegelegde woonde zij inmiddels zo’n 20 jaar in Nederland. Zij is getrouwd met de verdachte [verdachte] . Samen hebben zij drie kinderen: [kind 1] (geboren op [geboortedatum] 2010), [kind 2] (geboren op [geboortedatum] 2012) en [kind 3] (geboren in 2014, na de ten laste gelegde periode). [medeverdachte] heeft daarnaast nog een zoon uit een vorige relatie: [kind 4] (geboren op [geboortedatum] 1992). In de ten laste gelegde periode was het gezin woonachtig op het adres [a-straat 1] te [plaats] .
[medeverdachte] en [verdachte] zochten hulp bij de verzorging van hun jonge kinderen. Vanwege de medische problemen van hun kinderen, zochten zij iemand die ook ’s nachts beschikbaar was. Omdat het in Nederland moeilijk was om dergelijke hulp te vinden, heeft [medeverdachte] daartoe contact gelegd met tussenpersonen in Indonesië. Uiteindelijk zijn de aangeefsters [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] (hierna: de aangeefsters) allen op enig moment in de ten laste gelegde periode naar Nederland gekomen, met als doel geld te verdienen met hun werkzaamheden voor [medeverdachte] en [verdachte] . Zij leefden in hun land van herkomst in armoedige omstandigheden en waren dringend op zoek naar werk om hun families financieel te ondersteunen. De aangeefsters zijn met toeristenvisa of transitvisa naar Nederland gereisd. Er is hen geen andere verblijfsrechtelijke titel verleend en er is voor hen geen tewerkstellingsvergunning aangevraagd. [medeverdachte] en [verdachte] hebben de reis naar Nederland bekostigd.
Voorafgaand aan de komst naar Nederland heeft [medeverdachte] telefonisch contact gehad met elk van de aangeefsters. Voor geen van de aangeefsters is een schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. Er waren geen werktijden afgesproken. Wel werden de volgende mondelinge afspraken gemaakt. De aangeefsters zouden bij een werkweek van zeven dagen twee vrije dagen per maand krijgen. Als de aangeefsters op die vrije dagen toch werkten, zouden zij extra geld krijgen. [medeverdachte] heeft met de aangeefsters afgesproken dat zij een salaris van ongeveer 350 euro per maand zouden verdienen.
Toen de aangeefsters ieder voor zich op enig moment in de ten laste gelegde periode aankwamen in Europa (in Parijs, België of op Schiphol), haalde [medeverdachte] , al dan niet samen met [verdachte] , de aangeefsters op en bracht hen naar hun woning in [plaats] . De aangeefsters hebben allen vervolgens enige tijd gewoond en gewerkt in die woning van de verdachten. De kosten van eten en inwoning werden door [medeverdachte] en [verdachte] gedragen. Hun salaris -voor zover dit werd uitbetaald- werd steeds overgemaakt op rekeningen van anderen dan van aangeefsters, zodat aangeefsters er zelf niet over beschikten.
De werkzaamheden van de aangeefsters bestonden uit het zorgen voor (één van) de kinderen van [medeverdachte] en [verdachte] , en taken van huishoudelijke aard. Zoals [medeverdachte] zelf heeft verklaard, moesten de aangeefsters zeven dagen per week beschikbaar zijn, met maximaal twee vrije dagen per maand. Overdag en ’s avonds verrichtten de aangeefsters huishoudelijke taken en/of pasten op de kinderen. Op grond van de verklaringen van de aangeefsters gaat het hof ervan uit dat dat minstens twaalf uur per dag het geval was. Dit aantal uur heeft de verdachte overigens ook niet betwist.
Het hof sluit niet uit dat de aangeefsters, zoals door de verdediging is aangevoerd, tussendoor af en toe tijd hadden om op de bank te zitten, te eten of gebruik te maken van hun telefoon. Vaststaat echter dat de aangeefsters ook tijdens die momenten beschikbaar moesten zijn. Dit geldt ook voor het door de verdediging naar voren gebrachte rustmoment tijdens het slapen van de kinderen overdag. Op dat moment hadden de aangeefsters nog steeds niet de vrijheid om te doen wat zij wilden. Zij moesten in de kamer met de kinderen blijven en stil zijn om de kinderen niet wakker te maken.
De verdachten hielden er rekening mee dat een van de kinderen in de nacht naar het ziekenhuis gebracht moest worden en wilden voor die mogelijkheid dat er ook ’s nachts hulp van aangeefsters beschikbaar was.
De aangeefsters spraken de Nederlandse taal niet. Zij begaven zich doorgaans slechts in het bijzijn van [medeverdachte] of met de kinderen buiten de woning.
Ook moesten de aangeefsters hun paspoort aan [medeverdachte] afgeven. Het hof gaat, anders dan de verdediging, ervan uit dat de aangeefsters hierna niet de beschikking hadden over hun paspoort. In dat verband acht het hof met name van belang dat [medeverdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 15 november 2021 heeft verklaard dat het veiliger was om de paspoorten onder haar te nemen omdat de aangeefsters haar kinderen dan niet konden meenemen naar Indonesië. Met deze doelstelling van het innemen van de paspoorten ligt het, naar het oordeel van het hof, in het geheel niet voor de hand dat de aangeefsters hun paspoort tot hun eigen beschikking hadden. Daar komt nog bij dat enkele aangeefsters het gezin hebben verlaten en daarna zijn aangetroffen zonder hun paspoort. Het hof hecht daarom waarde aan de verklaringen van de aangeefsters dat zij geen beschikking hadden over hun paspoort en deze ook niet kregen wanneer zij [medeverdachte] daar om vroegen.
[aangeefster 1] was in de periode van september 2011 tot ongeveer februari 2012 werkzaam voor [medeverdachte] en [verdachte] . In die periode werkte er drie à vier dagen per week ook een andere oppas: [naam 1] . [aangeefster 1] heeft na de eerste maand van haar dienstverband twee maandsalarissen van in totaal 700 euro uitbetaald gekregen door overmaking van dat bedrag aan haar familie in Indonesië. [medeverdachte] heeft daarna namens haar drie keer 200 euro betaald voor Arisan (het hof berijpt: een soort gezamenlijk spaarsysteem), maar dit geld heeft ze nooit teruggekregen. [aangeefster 1] heeft tijdens haar dienstverband één vrije dag opgenomen. In december 2011 heeft [aangeefster 1] [medeverdachte] laten weten dat ze weg wilde. [medeverdachte] heeft tegen haar gezegd dat ze dan 3.000 euro moest betalen wegens gemaakte kosten. De verklaring van [aangeefster 1] op dit punt wordt ondersteund door sms’jes van [medeverdachte] waarin zij schrijft dat [aangeefster 1] dit bedrag moet terugbetalen. [aangeefster 1] is eind januari, begin februari 2012 vertrokken.
[aangeefster 2] heeft van 10 mei 2012 tot en met oktober 2012 bij [medeverdachte] en [verdachte]
gewerkt. Zij heeft het salaris van drie maanden uitbetaald gekregen. Het geld is - op verzoek van [aangeefster 2] - betaald aan een vriendin in Indonesië. De overige maanden heeft zij niet uitbetaald gekregen. Tijdens haar tewerkstelling heeft zij een maand samen met een tante voor de kinderen gezorgd.
[aangeefster 2] heeft voorts ook een periode gelijktijdig met [naam 1] gewerkt. Zij is in oktober 2012 vertrokken na een ruzie met [verdachte] . Later heeft [medeverdachte] haar gevraagd of ze weer wilde komen werken. Dat heeft ze gedaan, in december 2013. Ze werkte daar toen gelijktijdig met de hierna te noemen [aangeefster 3] .
[aangeefster 3] heeft bij [medeverdachte] en [verdachte] verbleven en gewerkt in de periode van augustus 2013 tot
december 2013. Zij heeft ongeveer 130 euro betaald gekregen. [aangeefster 3] heeft dit geld voor extra gewerkte dagen ontvangen. Het geld is gestort op de rekening van de ouders van [aangeefster 3] . Verder heeft ze geen salaris ontvangen. In een gedeelte van de periode dat [aangeefster 3] bij [medeverdachte] en [verdachte] werkte, werkte er ook een andere oppas.
[aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben gelijktijdig bij [medeverdachte] en [verdachte] gewoond en gewerkt. Zij zijn samen in maart 2014 begonnen en hebben daar gewerkt tot aan het moment van de aanhouding van de verdachten op 29 april 2014. Zij hebben het salaris voor de maand maart 2014 uitbetaald gekregen op een rekening in Indonesië. [aangeefster 2] , [aangeefster 3] , [aangeefster 4] en [aangeefster 5] hebben geen vrije dagen gehad of opgenomen.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster in hun geheel onbetrouwbaar zijn en daarom niet als bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof volgt dit standpunt niet, reeds omdat de inhoud van een zeer groot deel van de verklaringen overeenkomt met de inhoud van de verklaringen van de verdachte en door de verdediging dan ook niet wordt betwist. Waar de verklaringen wel zijn betwist en door het hof als bewijs worden gebruikt, heeft het hof hierboven gemotiveerd waarom het de verklaring op dat specifieke punt tevens betrouwbaar acht.
Wat de verdediging ten aanzien van de mogelijke onderlinge beïnvloeding van de aangeefsters heeft aangevoerd, doet evenmin af aan de feiten en omstandigheden zoals in het voorgaande door het hof vastgesteld. Daarbij geldt ook hier dat de hiervoor aangenomen feiten grotendeels niet worden betwist door de verdediging. Op de enkele punten waarop de feiten afwijken van het door de verdediging geschetste scenario, heeft het hof deze afwijking niet enkel gebaseerd op door de verdediging betwiste verklaringen van de aangeefsters.
Handelingen en dwangmiddelen
Gelet op de bovenstaande vastgestelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat [medeverdachte] en [verdachte] door misbruik te maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters hen hebben geworven, vervoerd en gehuisvest, en hebben bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en au pair werkzaamheden.
Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de aangeefsters zich in een situatie bevonden die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige werknemer in Nederland pleegt te verkeren. De aangeefsters verbleven illegaal in Nederland en hadden niet de beschikking over hun paspoorten. Zij spraken geen Nederlands, en waren onbekend met de Nederlandse cultuur en samenleving. Er was geen schriftelijke arbeidsovereenkomst opgesteld. De aangeefsters kwamen uit armoedige omstandigheden in Indonesië en hadden in Nederland geen beschikking over hun inkomen. Zij waren hierdoor voor huisvesting, eten en communicatie afhankelijk van de verdachten. Ook is een aantal aangeefsters voorgehouden dat zij een schuld moesten betalen aan verdachten als zij (voortijdig) zouden vertrekken. Met de advocaat-generaal concludeert het hof dat de aangeefsters zich in een kwetsbare positie bevonden en dat er sprake was van een uit de feitelijke verhouding voortvloeiend overwicht.
Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van misleiding van de aangeefsters door de verdachten.
Ten aanzien van de vraag of [medeverdachte] en [verdachte] zich bewust moeten zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de aangeefsters waaruit dit overwicht en deze kwetsbare positie voortvloeiden, overweegt het hof als volgt.
[medeverdachte] komt uit Indonesië en woonde al geruime tijd in Nederland. Zij is getrouwd met [verdachte] , een Nederlandse man. Zij heeft enige tijd in Nederland gewerkt en kan dus bekend worden verondersteld met de arbeidsmarkt en werkomstandigheden die in Nederland de norm zijn. Zij wist ook dat vrouwen die in Indonesië als kinderoppas werken het niet breed hebben. Ook de overige hierboven genoemde omstandigheden waren haar bekend.
Ook [verdachte] wist dat de aangeefsters afkomstig waren uit Indonesië en de Nederlandse taal niet spraken. Ook moet hij kennis hebben gehad van de zeer lage bedragen die zijn uitbetaald aan de aangeefsters, zeker in verhouding tot de uren die zij werkten en beschikbaar moesten zijn. [verdachte] deed immers de financiële administratie van het gezin. Daarnaast wist [verdachte] dat de paspoorten van de aangeefsters niet door henzelf werden bewaard. Over de verblijfsstatus van de aangeefsters heeft [verdachte] verklaard dat hij er vanuit ging dat [medeverdachte] dit – al dan niet met de hulp van een bureau – goed geregeld had. Het hof hecht aan deze verklaring geen waarde. Aan de aanvraag voor een verblijfsvergunning en tewerkstellingsvergunning worden strenge voorwaarden gesteld. Dit is een algemeen bekend feit. Daar komt bij dat [verdachte] – blijkens aangetroffen formulieren en garantstellingen – veelvuldig betrokken was bij de IND-procedures van Indonesische familieleden die op bezoek kwamen bij [medeverdachte] . Hij was bovendien de kostwinner en degene die de administratie deed. Dat [verdachte] ervan uitging dat [medeverdachte] in een periode van enkele jaren voor vijf huishoudelijke hulpen een verblijfsstatus en een tewerkstellingsvergunning had kunnen verkrijgen zonder dat [verdachte] daarbij werd betrokken (in het bijzonder voor het aanleveren voor de administratieve bescheiden), acht het hof volstrekt ongeloofwaardig. In dat kader is ook nog opvallend dat [verdachte] zich ook niet heeft bekommerd om de fiscale afwikkeling van de betalingen aan de aangeefsters. Het hof is van oordeel dat het niet anders kan dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van de verblijfsstatus van de aangeefsters. Met deze kennis moet [verdachte] hebben geweten dat de aangeefsters van de verdachten afhankelijk waren.
Het hof concludeert dat beide verdachten misbruik hebben gemaakt van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van de kwetsbare positie van de aangeefsters.
Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen overweegt het hof als volgt. Betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezen verklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Ook wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt het hof het volgende af. [medeverdachte] was degene die, al dan niet met behulp van een tussenpersoon, contact legde met de aangeefsters in Indonesië en ervoor zorgde dat zij naar Nederland konden komen. Zij sprak dezelfde taal als de aangeefsters, zij stuurde hen aan en zij was hun aanspreekpunt. [verdachte] was zich bewust van de reden waarom gebruik is gemaakt van Indonesische vrouwen. Hij heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat zij de kinderen niet naar een opvang in Nederland hadden gebracht. Dat had te maken met cultuurverschil en met opvattingen over hygiëne. Het inschakelen van Indonesische mensen die in Nederland woonden, werkte niet goed. Zij waren ’s nachts niet aanwezig, zo verklaarde [verdachte] , terwijl het mogelijk was dat de verdachten ’s nachts acuut naar het ziekenhuis moesten.
[verdachte] heeft samen met [medeverdachte] [aangeefster 1] opgehaald op Schiphol, en [aangeefster 4] en [aangeefster 5] in België. De aangeefsters woonden en werkten in het huis waar zowel [medeverdachte] als [verdachte] woonachtig waren. [verdachte] was dus dagelijks getuige van de omstandigheden waaronder de aangeefsters werkten, profiteerde van de door de aangeefsters verrichtte werkzaamheden en werkte mee aan hun huisvesting door de aangeefsters toe te staan in de woning te verblijven. Dat hij niet of nauwelijks met de aangeefsters communiceerde, doet daar niet aan af. [verdachte] deed de financiële administratie van het gezin en was kostwinner. Hij moet dus op de hoogte zijn geweest van de financiële situatie van het gezin, de kosten die ten behoeve van de aangeefsters zijn gemaakt en de salarissen die (deels) zijn uitbetaald aan de aangeefsters. Daarnaast wist [verdachte] ook waar de paspoorten van de aangeefsters werden bewaard. Dit vonden hij en [medeverdachte] naar eigen zeggen veilig.
[verdachte] heeft hiermee bijgedragen aan de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuiting van de aangeefsters. Dat het initiatief voor het werven mogelijk meer uitging van [medeverdachte] , doet hier niet aan af. De verdachten vervulden ieder een eigen, elkaar over en weer aanvullende rol. Het hof is dan ook van oordeel dat de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte] en [verdachte] is komen vast te staan en dat het ten laste gelegde medeplegen kan worden bewezen verklaard.”