Conclusie
gegevens zoals besproken”) schreef [eiser 2] :
Welke percelen behoren tot de woning?
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1bevat klachten tegen het oordeel dat de overeenkomst partieel nietig is. Volgens
onderdeel 2voldoet het bestreden arrest niet aan het specialiteitsvereiste, zodat het niet als leveringsakte kan dienen en
onderdeel 3bevat een veegklacht.
nietbij art. 1:89 BW is afgeweken, is partiële nietigheid (art. 3:41 BW). Hiermee wordt het nietige deel van de rechtshandeling ‘afgesplitst’ en blijft de rechtshandeling voor het overige bestaan [9] . Art. 3:41 BW is van toepassing op alle vermogensrechtelijke rechtshandelingen en op alle nietigheden die van rechtswege intreden, ook de nietigheid die intreedt nadat vernietiging heeft plaatsgevonden [10] . De vernietiging van een rechtshandeling op de voet van art. 1:88 en 1:89 BW kan dus leiden tot een partiële nietigheid [11] .
nietin onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. De feitenrechter heeft van de Hoge Raad veel ruimte gekregen voor toepassing van art. 3:41 BW en deze toepassing kan in cassatie dus slechts beperkt worden getoetst [14] . De vraag of sprake is van een ‘onverbrekelijk verband’ tussen het in stand gebleven deel en het nietige deel, is een vraag van uitleg van de rechtshandeling. Daarbij kunnen, aldus de Hoge Raad, van belang zijn de aard, inhoud (wat hebben partijen verklaard?) en strekking (wat hebben partijen beoogd?) van de rechtshandeling, de mate waarin de onderscheiden onderdelen met elkaar verband houden, en hetgeen partijen met de rechtshandeling hebben beoogd. In het licht daarvan dient de rechter te beoordelen of, mede gelet op de overige omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokken partijen, voor gedeeltelijke instandhouding van de rechtshandeling al dan niet
voldoende rechtvaardiging bestaat [15] .
X/Green Homes [18] . Eiser had een hotel en een stuk grond aan Green Homes verkocht. Eiser vorderde nakoming, waarna Green Homes zich verweerde met een beroep op bedrog dat door het hof was gehonoreerd. De strekking van het cassatieberoep was dat het hof had verzuimd het beroep van eiser op art. 3:41 BW te toetsen, waarmee de verkoop en levering van de grond buiten de vernietiging zou blijven. A-G Valk las in de stellingen van eiser slechts dat een ‘gedeeltelijke vernietiging’ op zijn plaats was en dat die vernietiging niet mede behoorde te zien op het stuk grond dat was verkocht. Maar eiser had
nietgesteld dat de door Green Homes ingeroepen vernietigingsgrond slechts op een deel van de rechtshandeling zag en dat tussen dit deel en het resterende deel geen onverbrekelijk verband bestond. Green Homes had dat ook niet in de stellingen van eiser gelezen [19] . Omdat de rechter niet gehouden is om art. 3:41 BW ambtshalve toe te passen en eiser geen duidelijk beroep had gedaan op deze bepaling, strekte de conclusie van A-G Valk tot verwerping, waarna de zaak werd afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
subonderdeel 1.Avoeren aan dat het hof met zijn oordeel dat de overeenkomst partieel nietig is buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden (1.2), althans een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken heeft gegeven (1.3), maar in ieder geval een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven (1.4).
klacht 1.2 [20] is het hof met het bestreden oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. [verweerster] heeft in de context van de vernietiging van de overeenkomst door [eiseres 3] geen beroep gedaan op partiële nietigheid (art. 3:41 BW). Ook heeft zij niet betoogd dat geen onverbrekelijk verband in de zin van art. 3:41 BW bestaat tussen (enerzijds) het gedeelte van de overeenkomst dat ziet op de echtelijke woning en (anderzijds) het gedeelte van de overeenkomst dat verband houdt met de bedrijfsmatig gebruikte delen. Evenmin heeft [verweerster] in die context gesteld dat de aard, inhoud en/of strekking van de overeenkomst, de mate waarin de onderscheiden onderdelen van de overeenkomst met elkaar verband houden en/of hetgeen partijen met de overeenkomst hebben beoogd, meebrengen dat de overeenkomst partieel nietig is. Hier heeft ook geen partijdebat over plaatsgevonden. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat [verweerster] in grief III
weleen beroep heeft gedaan op partiële nietigheid, heeft het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de processtukken gegeven, omdat [verweerster] geen stellingen heeft ingenomen van die strekking (
klacht 1.3). Daarnaast is het bestreden oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (
klacht 1.4). Tussen partijen is niet in discussie geweest óf een onverbrekelijk verband in de zin van art. 3:41 BW bestaat. Gelet op het verloop van het geding en het processuele debat hoefde [eisers] op deze beslissing niet bedacht te zijn, terwijl zij zich over de juistheid en consequenties daarvan niet heeft kunnen uitlaten. Het oordeel is om die reden in strijd met het fundamentele beginsel van procesrecht dat partijen over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de rechterlijke beslissing voldoende moeten zijn gehoord, dan wel in strijd met art. 24 Rv [21] .
zodat ook de koopovereenkomst in zoverre vernietigd en dus nietig is. Grief II, waarmee [verweerster] het tegendeel bepleit, is dus tevergeefs voorgedragen’, (cursivering, A-G)
grief IIIheeft [verweerster] de afwijzing van de vordering tot de overdracht van de bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken bestreden. Zij meent dat
overeenstemming is bereikt over een koopprijs voor alleen die bedrijfsmatig gebruikte onroerende zakenen verwijst daarbij naar een uitgebrachte taxatie, waarin aan de percelen [003] (bedrijfspand) en [004] (tuin en opslagplaats achter de loods) tezamen een waarde van € 295.000,- is toegekend. [verweerster] heeft verder betoogd
dat het mogelijk is percelen die zowel bedrijfsmatig als privé worden gebruikt te splitsen(rov. 5.7).
bedoeling van de koopovereenkomstwas dat [verweerster] zekerheid kreeg voor de afbetaling van de schuld van [A] aan Bincx, waartegenover deze het door haar op de bouwplaats uitgeoefende retentierecht opgaf (rov. 5.9).
strekking van de koopovereenkomstwordt ook gediend, zij het in mindere mate, als niet alle verkochte onroerende zaken worden overgedragen, maar alleen de onroerende zaken die bedrijfsmatig worden gebruikt (rov. 5.9).
strekking van art. 1 :88 lid 1 BW– bescherming van de echtelijke woning – er geenszins toe ook de overdracht van de bedrijfsmatig gebruikte onroerende zaken onmogelijk te maken, ook niet als de verkochte kadastrale kavels deels tot de echtelijke woning behoren; die zijn namelijk feitelijk gesplitst in een privédeel en een zakelijk deel en voor zover dat niet zo is, neemt het hof aan dat dat alsnog kan gebeuren door plaatsing van afscheidingen (rov. 5.9).
Door die splitsing wordt de echtelijke woning natuurlijk wel geraakt, maar niet zozeer dat die omstandigheid tot algehele nietigverklaring zou nopen (rov. 5.9).
Bincx/ [verweerster] is haar kant van de overeenkomst direct nagekomendoor haar retentierecht op te heffen. (rov. 5.10).
niet aannemelijk geworden dat [verweerster] verantwoordelijk is voor de vervalsing van de handtekening van [eiseres 3](rov. 5.10).
enige probleembij een partiële instandhouding van de overeenkomst
dat partijen geen koopprijs en geen terugkoopprijs zijn overeengekomen voor alleen de bedrijfsmatig gebruikte delenvan de kavels [004] , [005] en [003] (thans: [001] en [002] ). De overgekomen prijzen zien immers op de gehele percelen. Maar dit zullen partijen nader overeen moeten komen, dan wel in een bodemprocedure moeten laten vaststellen. De overdracht hoeft op die vaststelling niet te wachten (rov. 5.11).
gehele overeenkomstvernietigd wegens het ontbreken van haar toestemming [24] .
nietuit tot de verkoop van de onroerende zaken (bedrijfspand met kantoorruimte en de tuin), omdat [eiseres 3] hier geen eigenaar van is [25] .
subsidiair en met een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid, beperkt tot percelen [003] (bedrijfshal) en [004] (bedrijfsterrein), meer subsidiair tot alleen perceel [003] , in beide gevallen tegen betaling van de overeengekomen prijs van € 300.000 [27] .
De voorzitter wijst erop dat het inherent is aan partiële nietigheid dat de essentialia niet meer vaststaan[onderstreping A-G].
[…] /Rabobank), rov. 3.6).
klacht 1.5onjuist, omdat art. 1:88 lid 1 onder a BW steeds de toestemming van de niet-handelende echtgenoot vereist voor overeenkomsten die betrekking hebben op de vervreemding van percelen die (deels) tot de echtelijke woning behoren, althans op de vervreemding van percelen waardoor de echtelijke woning wordt geraakt. Als de echtelijke woning zich (mede) uitstrekt tot een bepaald perceel of een bepaald perceel (anderszins) van belang is voor de echtelijke woning, is voor de vervreemding van dat gehele perceel op grond van art. 1:88 lid 1 onder a BW toestemming van de niet-handelende echtgenoot vereist [34] .
behoren. Leidend is hier bescherming van het woonmilieu [35] .
klacht 1.6getuigt het oordeel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vernietiging van een rechtshandeling op grond van art. 1:89 lid 1 BW steeds tot gevolg heeft dat de gehele rechtshandeling niet in stand blijft, zodat art. 3:41 BW buiten beeld blijft [36] . In ieder geval miskent het hof dat de vernietiging van een rechtshandeling op grond van art. 1:89 lid 1 BW steeds de gehele rechtshandeling aantast, als die rechtshandeling betrekking heeft op de vervreemding van percelen die (deels) tot de echtelijke woning in de zin van art. 1:88 lid 1 onder a BW behoren, althans wanneer de echtelijke woning in de zin van art. 1:88 lid 1 onder a BW zou worden geraakt.
Dexia-arrest is niet ter zake dienend (zo ook s.t. [verweerster] 23). Daarin ging het om een huurkoopovereenkomst (aandelenlease), waarvoor toestemming van de niet-handelende echtgenoot was vereist (art. 1:88 lid 1 onder d BW). Omdat deze ontbrak, had de niet-handelde echtgenoot de overeenkomst op de voet van art. 1:89 BW vernietigd. Dexia had betoogd dat voor huurkoop het specifieke vormvoorschrift van art. 7A:1576i BW gold: een akte die voldoet aan de vereisten van art. 7A:1576j BW. En art. 7A:1576j lid 3 BW verbond aan het onvolledig zijn of ontbreken van de voorgeschreven akte slechts de (minder vergaande) sanctie dat het eigendomsvoorbehoud van de huurkoop vervalt. Volgens Dexia betekende deze specifieke wettelijke sanctie dat het ontbreken van de schriftelijk verleende toestemming van de andere echtgenoot
nietde nietigheid van de gehele overeenkomst tot gevolg kon hebben, maar alleen het vervallen van het eigendomsvoorbehoud. Dat is in deze uitspraak verworpen met het oordeel dat vernietiging
op grond van art. 1:89 BWin die specifieke context tot gevolg had dat ‘de gehele overeenkomst wordt vernietigd’ [37] . Dat is niet vergelijkbaar met een zaak als de onze (in de Dexia-zaak speelde geen art. 3:41 BW kwestie) en sluit voor dergelijk zaaktype helemaal niet uit dat potentieel sprake kan zijn van partiële nietigheid. Voor de deelklacht over ‘geraakt’ worden geldt hetzelfde als besproken bij klacht 1.5.
BP/ […] -arrest.
klacht 1.8. Bovendien heeft het hof niet onderzocht of en, zo ja, op welke manier de over te dragen gedeelten van de onroerende zaken dan moeten worden betreden, nu de entree in eigendom van [eisers] blijft en dus niet door [verweerster] kan worden gebruikt. Het ligt daarom in de rede dat de ruimtes die op de entree aansluiten óók allemaal tot de echtelijke woning behoren.
[…] / […](al aangehaald). Dat de bedrijfsmatig gebruikte ruimte slechts te betreden zou zijn via de gemeenschappelijke entree die eigendom van [eisers] blijft, staat niet vast (zo ook s.t. [verweerster] 28) en maakt, zo al juist, op zichzelf nog niet dat die ruimte dan tot de echtelijke woning behoort. Dit is overigens ook niet door [eisers] in feitelijke instanties aangevoerd. De klacht verwijst ook niet naar vindplaatsen in de gedingstukken, zodat het hof niet gehouden was om hier op in te gaan. Een en ander is zonodig natuurlijk ook goederenrechtelijk nader te regelen (s.t. [verweerster] 28 noemt de noodweg van art. 5:57 BW, te denken valt ook aan een erfdienstbaarheid van overpad), iets dat in dit kort geding niet speelt.
klacht 1.9). In ieder geval is het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof de omstandigheid dat [eisers] en [verweerster] (nog) geen overeenstemming hebben bereikt over de koopprijs voor de bedrijfsmatig gebruikte delen niet (kenbaar) betrekt bij de beoordeling of de overeenkomst op grond van art. 3:41 BW partieel in stand kan blijven, maar in dat verband alleen relevant acht dat partijen over die koopprijs nog kunnen onderhandelen (
klacht 1.10).
niettot de essentialia van een (koop)overeenkomst; in onze zaak is dan ook niet vereist dat wilsovereenstemming bestaat over de exacte omvang van de koopprijs voor de bedrijfsmatig gebruikte percelen (in gelijke zin s.t. [verweerster] 33) [40] . De klachten 1.9 en 1.10 ketsen hier al op af. Klacht 1.9 gaat daarnaast uit van een onjuiste constructie van art. 3:41 BW. Of sprake is van een onverbrekelijk verband behelst uitleg van de rechtshandeling. Daarbij kunnen van belang zijn de aard, inhoud (wat hebben partijen verklaard?) en strekking (wat hebben partijen beoogd?) van de rechtshandeling en de mate waarin de onderscheiden onderdelen met elkaar verband houden. Verder kunnen hierbij alle overige omstandigheden van het geval een rol spelen. Het hof heeft deze maatstaf vooropgesteld in rov. 5.8 en vervolgens toegepast in rov. 5.9-5.11. Daarmee heeft het hof art. 3:41 BW niet miskend (in gelijke zin s.t. [verweerster] 31). Ten slotte gaan klachten 1.9 en 1.10 ook uit van een onjuiste lezing van het arrest. Dat geen overeenstemming bestaat over de exacte koopprijs voor de bedrijfsmatige onderdelen die moeten worden overgedragen, is door het hof onderkend in rov. 5.11, maar dit gegeven is in het licht van de overige omstandigheden (5.9-5.10) te licht bevonden om tot een onverbrekelijk verband te komen. Dat maakt niet dat hier sprake is van een motiveringsgebrek.
klacht 1.11. In rov. 5.6 stelt het hof vast dat de entree zowel zakelijk als privé wordt gebruikt. Het hof betrekt die omstandigheid vervolgens niet (kenbaar) in zijn partiële nietigheidsoordeel. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat daaraan in dat kader geen gewicht toekomt, is zijn oordeel onjuist. In ieder geval is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof – in de context van zijn partiële nietigheidsoordeel – geen (kenbare) aandacht aan die relevante omstandigheid heeft gegeven. De omstandigheid dat de tot de echtelijke woning behorende entree zowel zakelijk als privé wordt gebruikt, heeft immers tot gevolg dat de bedrijfsmatig gebruikte delen van de overige onroerende zaken niet los kunnen worden gezien van de echtelijke woning.
klacht 1.12.
BP/ […] c.s., al aangehaald, bij de vraag of voor het gedeeltelijk in stand laten van de rechtshandeling voldoende rechtvaardiging bestaat ook letten op de overige omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokken partijen. Daartoe kunnen ook de aspecten uit rov. 5.10 worden gerekend (in vergelijkbare zin s.t. [verweerster] 38).
klacht 2.2dat het (deels) slagen van klachten uit onderdeel 1 ook rov. 5.11, 5.12 en 6 aantast, bestaat geen belang: voortbouwende overwegingen binden als gevolg van de vernietiging van de oordelen waar deze op voortbouwen na verwijzing al van rechtswege niet meer en kunnen achterwege worden gelaten in een cassatiemiddel [41] .
klacht 2.3miskent het hof in het bestreden oordeel dat voor leveringsakten van registergoederen het specialiteitsvereiste [42] geldt op grond waarvan ieder over te dragen (gedeelte van een) registergoed in het bijzonder, afzonderlijk en precies moet zijn omschreven. Dit geldt ook voor (het dictum van) een arrest dat in de plaats van een leveringsakte kan treden en in de openbare registers wordt ingeschreven. Volgens
klacht 2.4is dit oordeel in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Het hof geeft geen specifieke omschrijving van de gedeelten van de percelen [004] , [005] , [001] en [002] die [eisers] aan [verweerster] moet overdragen, maar overweegt slechts dat de gedeelten van die percelen die tot de echtelijke woning behoren niét hoeven te worden overgedragen. Aan de hand van (de inhoud en/of het dictum van) het arrest kan dus niet worden vastgesteld welke precieze gedeelten van de percelen moeten worden overgedragen, terwijl dat arrest wél als leveringsakte kan dienen als [eisers] niet tijdig meewerkt aan de levering aan [verweerster] .
als de ondertekeningnamens of door [Beheer] , [eiser 2] of [eiseres 3] van de in de wettige vorm opgemaakte
notariële aktevan levering. In de woorden van s.t. [verweerster] 42: ‘Het Arrest fungeert dus niet als een leveringsakte, maar slechts als een vervangende handtekening, die niet hoeft te voldoen aan het specialiteitsvereiste.’ De daartegen gerichte Repliek [eisers] 6-7 dat dit de essentie van de klacht zou missen en derden die op de registers afgaan niet over de gedingstukken beschikken, zie ik niet opgaan; het is aan de notaris om een en ander op wetsconforme wijze in de op te maken akte te verwoorden en dat lijkt in de gegeven omstandigheden geen onmogelijke opgave. Daarnaast acht ik de wijze waarop het hof heeft omschreven welke (gedeelten van de) percelen moeten worden geleverd aan [verweerster] overigens voldoende duidelijk, zeker voor partijen. Het hof wijst er immers in rov. 5.6 op dat [eisers] met een plattegrond en foto’s hebben toegelicht welke perceeldelen van [004] , [005] en [003] (thans [001] en [002] ) onderdelen bevatten van de echtelijke woning. Het arrest moet worden gelezen in het licht van die gedingstukken. Volgens het hof behoort op basis daarvan de gemeenschappelijke entree, een slaapkamer, een biljartzaal, een doucheruimte, een wasruimte en een stuk tuin tot de echtelijke woning en behoeven deze gedeelten niet te worden overgedragen. Uit de overgelegde plattegrond en foto’s zijn deze ruimtes voldoende duidelijk af te leiden [43] .
klacht 3.1een louter voortbouwende klacht, die geen afzonderlijke bespreking behoeft.