Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-241480-19:
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
verklaring van [verbalisant 2], afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:
verklaring van [verbalisant 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:
NJ2019/454 m.nt. Vellinga, r.o. 2.4.2 houdt in dat om tot een bewezenverklaring van een op art. 9 lid 2 eerste Pro volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, uit de bewijsvoering allereerst moet blijken (a) “dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard”, (b) “het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte” en (c) “van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking” (vgl. art. 3:40 en Pro 3:41 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) resp. art. 124 lid 3 en Pro 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het CBR aan de houder van het rijbewijs waarin het besluit is weergegeven alsmede uit een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. [3] De stellers van het middel sluiten zich in de toelichting op het middel aan bij het door AG Harteveld in zijn conclusie voor HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:933 ingenomen standpunt dat de zojuist voor art. 9 lid 2 eerste Pro volzin WVW 1994 genoemde eisen – behoudens de eis dat het besluit van kracht is doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking, omdat de wet een dergelijke voorwaarde niet stelt aan een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs – ook gelden bij art. 9 lid 5 WVW Pro 1994. [4] Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen zal volgens Harteveld uit de bewijsvoering moeten blijken dat de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en dat het desbetreffende besluit aan de verdachte is bekendgemaakt. Volgens de stellers van het middel kan dit in het onderhavige geval niet uit de gebezigde bewijsvoering worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring voor wat betreft het onderdeel dat het “rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst” ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
PHvK) en bij het uitblijven van een betwisting van het op de pleegdatum van kracht zijn van het schorsingsbesluit, kon het hof mijns inziens op grond van de RDW-bevraging(en) – inhoudend dat (sinds 22 februari 2019) een schorsingsmaatregel van kracht was – oordelen dat de schorsing op 28 april 2019 nog van kracht was. [11] De bewezenverklaarde onderdelen “dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst” en “gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is” kunnen zo bezien in voldoende mate uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit de bewijsvoering blijkt ook dat de verdachte “weet” had van de schorsing, zodat daaruit – bij gebrek aan een onderbouwde betwisting – toereikend volgt dat het besluit daartoe aan hem is bekendgemaakt. [12] Overigens merk ik op dat het hof in dit verband in het bestreden arrest heeft overwogen dat voor de overtuiging heeft meegewogen dat de verdachte toen hij een stopteken van de politie kreeg daar geen gevolg aan gaf maar ervandoor ging.