Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:479

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
24/00707
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 WVW 1994Art. 9 lid 5 WVW 1994Art. 130 WVW 1994Art. 131 WVW 1994Art. 134 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewijsvereisten rijden met geschorst rijbewijs en bekendmaking schorsingsbesluit

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens het rijden met een geschorst rijbewijs en vernieling. In cassatie wordt betoogd dat de bewijsvoering onvoldoende is om vast te stellen dat het schorsingsbesluit van het rijbewijs van kracht was en aan de verdachte bekend is gemaakt op het moment van de overtreding.

De advocaat-generaal stelt dat ook voor een bewezenverklaring van artikel 9 lid 5 WVW Pro 1994 vereist is dat uit de bewijsvoering blijkt dat het rijbewijs geschorst was en dat het besluit aan de verdachte bekend is gemaakt. Uit de verklaringen van de verbalisanten en de verdachte zelf blijkt dat de verdachte wist van de schorsing en dat de schorsing op de pleegdatum van kracht was. De bewijsvoering, waaronder RDW-registraties en verklaringen, is voldoende om dit vast te stellen.

De conclusie is dat het middel faalt en het cassatieberoep moet worden verworpen. Ambtshalve wordt opgemerkt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, maar dit leidt niet tot strafvermindering. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het arrest van het hof te bevestigen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte wist van de schorsing van zijn rijbewijs en het besluit aan hem bekend is gemaakt.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00707
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle bij arrest van 16 februari 2024 (parketnr. 21-002067-21) in de zaak met parketnummer 08-030083-21 veroordeeld wegens onder 1 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” en in de zaak met parketnummer 08-241480-19 wegens onder 1 “overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” en onder 2 “overtreding van artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994”. Het hof heeft de verdachte voor het in beide zaken onder 1 bewezenverklaarde een taakstraf opgelegd voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Het hof heeft de verdachte wegens het in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 2 bewezenverklaarde een geldboete opgelegd van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader is omschreven.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 28 april 2019 zagen twee verbalisanten tijdens een surveillancedienst de op naam van de verdachte gestelde auto rijden. Uit navraag via het RDW-register bleek dat het rijbewijs van de verdachte op 22 februari 2019 was geschorst voor categorie B. Eén van de verbalisanten herkende aan de hand van een recente foto de bestuurder van de auto als de verdachte. De verdachte heeft ondanks het stopteken van de verbalisanten en de geluids- en optische signaleren van hun voertuig zijn snelheid verhoogd en gevaarlijk rijgedrag veroorzaakt. De verdachte is onder meer veroordeeld wegens het – kort gezegd – besturen van een auto terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. In cassatie wordt geklaagd over de bewijsvoering voor dit feit. In het bijzonder wordt betoogd dat niet blijkt dat er een besluit tot ongeldigverklaring was, dat deze van toepassing was op de bewezenverklaarde datum en dat het besluit aan de verdachte was bekendgemaakt.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 tenlastegelegde ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat (i) het besluit van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) tot schorsing van de geldigheid van het op naam van de verdachte gestelde rijbewijs ten tijde van de bewezenverklaarde gedraging van kracht was en (ii) dit besluit aan de verdachte was bekendgemaakt.
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 08-241480-19 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 28 april 2019 te [plaats] , terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de [a-straat] , een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest (met weglating van verwijzingen): [1]

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 08-241480-19:
4.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] , hoofdagent van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte van 10 juli 2019 […] voor zover inhoudende als
verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
V: Volgens het RDW heeft u een geschorst rijbewijs voor de categorie B. Was u hiervan op de hoogte?
A: Ja, daar ben ik van op de hoogte.
5.
Het in de wettelijke vorm door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , respectievelijk hoofdagent en aspirant van politie, Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces verbaal van overtreding van 23 juli 2019 […] voor zover inhoudende als
relaas van verbalisanten, zakelijk weergegeven:
Op zondag 28 april 2019 omstreeks 16.15 uur, waren wij, verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met de noodhulp voor de regio [plaats] . Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , zag dat ons vanuit tegengestelde richting een voertuig passeerde. Dit voertuig betrof een witte Seat Ibiza, voorzien van het [kenteken] . Ik, verbalisant, [verbalisant 2] bevroeg het genoemde kenteken via het RDW register. Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , zag dat er een rood uitroepteken vermeld stond bij het zoekresultaat van het RDW. Ik, verbalisant, zag dat er bij de te naam gestelde, betreffende: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , een maatregel van toepassing was op het rijbewijs. Het betrof een schorsingsmaatregel die 22 februari 2019 van kracht was voor de categorie B.
Ik, verbalisant, [verbalisant 2] herkende de bestuurder, nader genoemd als verdachte van het betrokken voertuig voor 100% als zijnde de te naam gestelde van het voertuig, dit naar aanleiding van de recente foto. In het betrokken voertuig zaten geen andere personen. […]
6.
De
verklaring van [verbalisant 2], afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:
Wij waren op een surveillancedienst. We hebben veel voertuigen gecontroleerd. Ik was bijrijder. Ik had de taak om kentekens te controleren. In de verte zag ik een witte auto aanrijden. Ik pakte het toetsenbord er bij en controleerde het kenteken. Toen kwam er iets roods naar voren, er was iets met dat rijbewijs. Het was een rood teken wat naar voren komt en dan staat er ‘maatregel rijbewijs’. Toen besloten we om verder te controleren. Toen zag ik onder andere een foto van de tenaamgestelde. Wij stonden stil voor het kruispunt en de auto reed voorbij. Hij reed best wel sloom. Ik herkende de bestuurder als de persoon als die ik op de foto zag. Ik herkende hem als [verdachte] . Hij zat alleen in de auto. U vraagt mij hoe zeker ik van mijn zaak ben dat het [verdachte] betrof. Ik herkende hem van de foto. De afstand tussen ons en de witte auto was ongeveer 3 à 4 meter. Mijn ogen zijn goed. Wij reden vervolgens achter de witte auto aan. Wij zagen al vrij snel dat hij sneller ging rijden. Ik had de foto gezien en ik herkende het gezicht van de bestuurder als zijnde de persoon van de foto. U houdt mij voor dat ik heb verklaard dat hij best wel sloom reed toen hij passeerde en vraagt mij hoe lang ik de bestuurder heb kunnen zien. Dat weet ik niet meer. Wel lang genoeg om de persoon te herkennen. Ik zei ook direct tegen mijn collega dat ik hem herkende.
8.
De
verklaring van [verbalisant 1], afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 augustus 2022, voor zover inhoudende:
U vraagt mij naar de dag van het incident, 28 april 2019, en vraagt mij wat ik mij kan herinneren. Er kwam een wit voertuig uit tegengestelde richting. Mijn collega trok het kenteken na. Er kwam een rood vlaggetje op de diensttelefoon, een signalering. Er bleek een maatregel van toepassing. We hebben gekeken waar de tenaamgestelde woonde. Hij woonde in [plaats] . Mijn collega keek naar de bestuurder. Er stond een recente foto van de tenaam-gestelde in het systeem. Ik had die foto vooraf gezien. Toen de auto passeerde, controleerde ik het kenteken. Ik keek ook vluchtig naar de bestuurder. Ik zag iemand die leek op de foto in het systeem. Ik kon op dat moment niet met zekerheid vaststellen dat de bestuurder dezelfde persoon was als de persoon op de foto. Mijn collega zat naast me en zei: “Dat is hem, honderd procent”. Wij zijn vervolgens gekeerd en erachteraan gegaan. U vraagt mij hoe hard de auto voorbij reed. Meneer kwam uit de bebouwde kom, dus de snelheid was laag. 40 à 50 km per uur. […].”
3.4
In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel in de eerste plaats de vraag opgeworpen of in een geval als het onderhavige, waarin het gaat om een overtreding van art. 9 lid 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW 1994), uit de bewijsvoering moet blijken dat het besluit van het CBR waarbij de geldigheid van het rijbewijs is geschorst aan de verdachte is bekendgemaakt. De stellers van het middel wijzen verder in de toelichting op het middel op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2023 [2] waarin het hof het standpunt inneemt dat in een geval als het onderhavige ook moet worden vastgesteld of de schorsing al van kracht is en dat dit moet worden vastgesteld aan de hand van een door het CBR bepaald moment van inwerkingtreding en/of dat er een besluit als bedoeld in art. 134 lid 4 of Pro 7 (oud) WVW 1994 is geweest. Volgens de stellers van het middel kan uit de gebezigde bewijsvoering niet blijken dat het schorsingsbesluit van kracht was ten tijde van de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedraging, omdat een RDW-bevraging daartoe (in lijn met de opvatting van genoemd hof) niet zou volstaan.
Juridisch kader
3.5
Tot de voor de bespreking van het middel relevante regelgeving behoren de volgende bepalingen:
- Art. 9 leden Pro 2 en 5 WVW 1994 luidt:
“2. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen. Hetzelfde verbod geldt voor degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren en dat hij bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs moet voldoen aan de bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 123b, derde lid, gestelde voorwaarden, tenzij aan hem, nadat hij aan deze voorwaarden heeft voldaan, een ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven.
5. Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst, verboden gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is, op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen besturen.”
- Art. 130 leden Pro 1 t/m 3 WVW 1994, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde, luidt:
“1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.
3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt tevens gedaan in bij ministeriële regeling aangegeven gevallen van overtreding van de voorwaarden van deelname aan het alcoholslotprogramma. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.”
- Art. 130 leden Pro 1 t/m 3 WVW 1994 luidt nu:
“1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.
2. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdeel a, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, ten aanzien van wie een vermoeden als bedoeld in het eerste lid bestaat, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs.
3. De in het tweede lid bedoelde vordering wordt gedaan indien de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is. Het ingevorderde rijbewijs wordt gelijktijdig met de schriftelijke mededeling, bedoeld in het eerste lid, aan het CBR toegezonden.”
- Art. 131 leden Pro 1 en 2 WVW 1994, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde, luidt:
“1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid,
b. oplegging van een alcoholslotprogramma, of
c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR […]”
- Art. 131 leden Pro 1 en 2 WVW 1994 luidt nu:
“1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen, respectievelijk tot:
a. oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid, of
b. een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid.
Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.
2. Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt:
a. in de gevallen, bedoeld in artikel 130, derde lid, de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene voor één of meer categorieën van motorrijtuigen geschorst tot de dag waarop het in artikel 134, vierde of zevende lid, bedoelde besluit van kracht wordt;
b. indien de geldigheid van het rijbewijs van betrokkene overeenkomstig onderdeel a wordt geschorst, en diens rijbewijs niet overeenkomstig artikel 130, tweede lid, is ingevorderd, bepaald dat betrokkene zijn rijbewijs dient in te leveren bij het CBR […]”
- Art. 134 leden Pro 4 en 7 WVW 1994, zoals dat gold ten tijde van het bewezenverklaarde, luidt:
“4. Indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
[…]
7. Indien het CBR van oordeel is dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een bij ministeriële regeling vast te stellen maatregel op. Indien het CBR besluit tot oplegging van de educatieve maatregel gedrag en verkeer zijn de artikelen 132 en 132a van overeenkomstige toepassing. In het geval van oplegging van de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma zijn de artikelen 132b tot en met 132o van overeenkomstige toepassing.”
- Art. 134 leden Pro 4 en 7 WVW 1994 luidt nu:
“4. Indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.
[…]
7. Indien het CBR van oordeel is dat op grond van de uitslag van het onderzoek betrokkene niet als niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld, legt het aan betrokkene overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels een bij ministeriële regeling vast te stellen maatregel op. Indien het CBR besluit tot oplegging van een educatieve maatregel zijn de artikelen 132 en 132a van overeenkomstige toepassing.
- Art. 5 Regeling Pro maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (hierna: Regeling) luidt:
“Een vordering tot overgifte van het rijbewijs, bedoeld in artikel 130, tweede lid, van de wet geschiedt in de volgende gevallen:
[…]”
- Art. 6 Regeling Pro luidt:
“In de gevallen, bedoeld in artikel 5, schorst het CBR overeenkomstig artikel 131, tweede lid, onderdeel a, van de wet de geldigheid van het rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, tenzij een educatieve maatregel als bedoeld in artikel 131, eerste lid, onderdeel a, van de wet wordt opgelegd of het CBR op grond van artikel 23, vierde of vijfde lid, afziet van het opleggen van een onderzoek.”
- Art. 23 leden Pro 4 en 5 Regeling luidt:
“4. Indien de mededeling, bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de wet is gedaan op basis van feiten en omstandigheden als genoemd in de bij deze regeling behorende bijlage 1, vermeld onder A, onderdeel IV, Herhaaldelijk niet of niet op de juiste wijze naleven van essentiële verkeersregels dan wel verkeerstekens, kan het CBR besluiten af te zien van het opleggen van een onderzoek, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
5. Het CBR kan, voor zover het een onderzoek naar de rijvaardigheid betreft, afzien van het opleggen van het in het tweede of het derde lid bedoelde onderzoek, indien de mededeling, bedoeld in artikel 130 van Pro de wet, is gebaseerd op feiten of omstandigheden, die al eerder hebben geleid tot een mededeling gebaseerd op feiten of omstandigheden als genoemd in bijlage 1, onderdeel A, subonderdeel IV, en het CBR in het kader van die eerdere mededeling al een onderzoek naar de rijvaardigheid heeft opgelegd.”
- Art. 27 Regeling Pro luidt:
“Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde lid, van de wet, indien de uitslag van het onderzoek, respectievelijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene:
a. niet de rijvaardigheid bezit voor de desbetreffende categorie of categorieën motorrijtuigen;
b. niet voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijk en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen.”
3.6
HR 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1146,
NJ2019/454 m.nt. Vellinga, r.o. 2.4.2 houdt in dat om tot een bewezenverklaring van een op art. 9 lid 2 eerste Pro volzin WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, uit de bewijsvoering allereerst moet blijken (a) “dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard”, (b) “het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte” en (c) “van kracht was doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking” (vgl. art. 3:40 en Pro 3:41 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) resp. art. 124 lid 3 en Pro 132 lid 4 WVW 1994). Dat aan dit vereiste is voldaan kan bijvoorbeeld blijken uit een mededeling van het CBR aan de houder van het rijbewijs waarin het besluit is weergegeven alsmede uit een aantekening waaruit blijkt dat, wanneer en op welke wijze verzending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden. [3] De stellers van het middel sluiten zich in de toelichting op het middel aan bij het door AG Harteveld in zijn conclusie voor HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:933 ingenomen standpunt dat de zojuist voor art. 9 lid 2 eerste Pro volzin WVW 1994 genoemde eisen – behoudens de eis dat het besluit van kracht is doordat zeven dagen zijn verlopen na die bekendmaking, omdat de wet een dergelijke voorwaarde niet stelt aan een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs – ook gelden bij art. 9 lid 5 WVW Pro 1994. [4] Om tot een bewezenverklaring van een op art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen zal volgens Harteveld uit de bewijsvoering moeten blijken dat de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en dat het desbetreffende besluit aan de verdachte is bekendgemaakt. Volgens de stellers van het middel kan dit in het onderhavige geval niet uit de gebezigde bewijsvoering worden afgeleid, zodat de bewezenverklaring voor wat betreft het onderdeel dat het “rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst” ontoereikend zou zijn gemotiveerd.
3.7
In genoemd arrest van 25 juni 2024 gaat de Hoge Raad niet in op het door AG Harteveld (ambtshalve) opgeworpen punt. De Hoge Raad beperkt zich tot de bespreking van de klacht die met het middel was voorgesteld, namelijk dat uit de bewijsvoering van het hof niet kon volgen dat de verdachte ‘wist’ dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Ook nadien is dit punt bij mijn weten niet beslecht door de Hoge Raad.
3.8
Anders dan het geval is wat betreft het van kracht worden van een besluit tot ongeldigverklaring van een rijbewijs (zie in dat verband de hiervoor onder 3.6 genoemde voorwaarde c) houdt de wegenverkeerswetgeving geen specifieke termijn in voor de inwerkingtreding van een besluit tot schorsing van de geldigheid van een rijbewijs. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft in een uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:243 de opvatting van de hand gewezen dat voor een schorsing van het rijbewijs op grond van art. 131 lid 2 aanhef Pro en onder a WVW 1994 standaard dezelfde termijn van zeven dagen na de bekendmaking van het besluit moet worden toegepast – zo lang de wetgever niet anders heeft bepaald – zoals die geldt voor de in de art. 124 en Pro 132 WVW 1994 geregelde gevallen van ongeldigverklaring. In een geval van schorsing van de geldigheid van een rijbewijs kan volgens de Afdeling worden teruggevallen op de algemene regeling die is opgenomen in de Awb – zie art. 3:40 en Pro 3:41. Die bepalingen houden kort gezegd in dat een besluit niet in werking treedt voordat het is bekendgemaakt, waarbij bekendmaking geschiedt door toezending of uitreiking van het besluit aan de belanghebbende. Als het gaat om een besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs is toezending de gebruikelijke manier. Daarbij geldt de terpostbezorging door het CBR als het moment van bekendmaking. Volgens de Awb sluit deze wijze van bekendmaking niet uit dat in een besluit wordt bepaald dat het gehele besluit of een bepaald onderdeel ervan pas enige tijd na bekendmaking in werking treedt. [5]
3.9
Dat laatste is van belang omdat onmiddellijke inwerkingtreding van een besluit tot schorsing van een rijbewijs dat is bekendgemaakt door toezending per post in de visie van de Afdeling tot onwenselijke situaties kan leiden, omdat degene die zonder geldig rijbewijs rijdt zich blootstelt aan bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties. Het is bij bekendmaking op de genoemde wijze goed denkbaar dat iemand zonder geldig rijbewijs rijdt terwijl hij of zij zich daarvan niet bewust is. Ook zonder dat iemand de kans loopt om te worden veroordeeld voor art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 kunnen de gevolgen van een aanhouding zonder geldig rijbewijs voor die bestuurder onevenredig belastend zijn, bijvoorbeeld doordat de persoon als gevolg van die aanhouding korte tijd heeft vastgezeten en is vervolgd voor het rijden zonder geldig rijbewijs. Volgens de Afdeling sluiten het algemene uitgangspunt van de Awb over de inwerkingtreding en de uitvoeringspraktijk onder de WVW 1994 niet naadloos op elkaar aan en vereisen de rechtszekerheid en een zorgvuldige besluitvorming dat het CBR zich rekenschap geeft van deze discrepantie tussen het bestuursrecht en het strafrecht [6] en dienen zij zo nodig een “veiligheidsmarge” in acht te nemen wanneer het schorsingsbesluit door toezending ervan wordt bekendgemaakt. Concreet houdt dat in dat het CBR een moment van inwerkingtreding bepaalt op grond waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat degene tot wie het besluit is gericht daarvan kennis heeft genomen of redelijkerwijs heeft kunnen nemen. De termijn die moet worden bepaald moet passen bij de mate van urgentie, maar ook bij de wijze van bekendmaking. Bij enkel toezending per post geldt dat bezorging – en de daaraan gekoppelde mogelijkheid van het besluit kennis te nemen – op zijn vroegst op enig moment van de volgende dag plaatsvindt, en veelal later. Het CBR kan kiezen voor de in de Awb opgenomen mogelijkheid van uitreiking in plaats van toezending of ervoor zorgen dat de betrokkene anderszins alvast op de hoogte is van de schorsing van zijn rijbewijs, indien onmiddellijk – vanwege het belang van de verkeersveiligheid – een effectieve schorsing nodig wordt geacht. [7]
3.1
Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat de onder 3.6 weergegeven opvatting van AG Harteveld, voor zover deze inhoudt dat uit de bewijsvoering moet kunnen blijken dat het rijbewijs is geschorst (vgl. de onder 3.6 genoemde voorwaarde a) en het desbetreffende besluit aan de verdachte is bekendgemaakt (vgl. de onder 3.6 genoemde voorwaarde b), in lijn ligt met de rechtspraak van de Afdeling. Ook tegen die achtergrond is mijns inziens goed verdedigbaar dat (ook) voor een bewezenverklaring van art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 is vereist dat (in elk geval) uit de bewijsvoering moet blijken dat de geldigheid van het rijbewijs is geschorst en dat het desbetreffende besluit aan de verdachte is bekendgemaakt. Deze vereisten hangen samen met de in art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 voorkomende aansprakelijkheidsvoorwaarde dat de verdachte “weet of redelijkerwijs moet weten” dat zijn rijbewijs is geschorst, althans in die zin dat de bewijsvoering voor het één tevens aan de bewijsvoering voor het ander kan bijdragen.
3.11
Zoals onder 3.4 reeds is vermeld wijzen de stellers van het middel in de toelichting op het middel ook nog op een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2023 waarin het hof het standpunt inneemt dat in een geval als het onderhavige ook moet worden vastgesteld of de schorsing al van kracht is en dat dit moet worden vastgesteld aan de hand van een door het CBR bepaald moment van inwerkingtreding en/of dat er een besluit als bedoeld in art. 134 lid 4 of Pro 7 (oud) WVW 1994 is geweest. Volgens de stellers van het middel kan uit de gebezigde bewijsvoering niet blijken dat het schorsingsbesluit van kracht was ten tijde van de tenlastegelegde (en bewezenverklaarde) gedraging.
3.12
De uitspraak van het hof Amsterdam van 1 februari 2023 houdt voor zover van belang het volgende in:
“Het hof is – mede tegen de achtergrond van het arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2019 – van oordeel dat om tot een bewezenverklaring van een op artikel 9, vijfde lid, WVW 1994 toegesneden tenlastelegging te kunnen komen, moet kunnen worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte is geschorst, dat het desbetreffende besluit is bekend gemaakt aan de verdachte én dat dat besluit ten tijde van het tenlastegelegde van kracht was.
In dit geval kan uit het dossier worden afgeleid dat de politie op 21 mei 2020 heeft geconstateerd dat de verdachte als bestuurder in een personenauto heeft gereden op de [b-straat] te [plaats] . Verder kan daaruit worden opgemaakt dat op 21 mei 2020 het aan de verdachte afgegeven rijbewijs van categorie B vanaf 22 augustus 2019 als geschorst stond geregistreerd in het register van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW).
In het dossier bevindt zich echter geen schriftelijk besluit tot schorsing van het rijbewijs van de verdachte. Dat diens rijbewijs is geschorst, kan formeel dus niet worden vastgesteld. Daarnaast bevat het dossier geen aantekening of enig ander stuk waaruit kan blijken dat, wanneer en op welke wijze uitreiking of verzending van de mededeling van het besluit aan de verdachte heeft plaatsgevonden. Voor zover de bekendmaking van het besluit door toezending ervan heeft plaatsgehad, is voorts niet bekend of het CBR (in lijn met r.o. 5.2 van de uitspraak van de ABRvS) een moment van inwerkingtreding heeft bepaald. Onbekend gebleven is verder of en zo ja, wanneer het CBR een besluit als bedoeld in artikel 134, vierde of zevende lid, WVW 1994 (oud) heeft genomen. Om die redenen kan niet worden vastgesteld vanaf wanneer er een tot schorsing van het rijbewijs van de verdachte strekkend besluit van kracht was en of dat laatste (ook nog) op 21 mei 2020 het geval is geweest. De op 7 mei 2020 door de verdachte afgelegde verklaring geeft omtrent een en ander in ontoereikende mate uitsluitsel. De RDW-registratie volstaat in dit verband evenmin. Bij die stand van zaken kan hier geen bewezenverklaring volgen, zodat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.”
Als relevante achtergrond wijs ik erop dat de advocaat-generaal er blijkens het arrest op had gewezen dat de verdachte reeds op 7 mei 2020 heeft verklaard dat zijn rijbewijs “eerder geschorst geweest is” en dat hij “een medisch onderzoek had gehad en was goedgekeurd door een arts”. Volgens de advocaat-generaal kon uit de verklaring van de verdachte worden afgeleid dat hij op 21 mei 2020 van de schorsing op de hoogte is geweest. Eveneens blijkens het arrest betoogde de raadsvrouw van de verdachte dat zich in het dossier geen schorsingsbrief van het CBR bevond, niet bleek dat deze brief aan de verdachte is bekendgemaakt en dat de verdachte heeft getwijfeld of zijn rijbewijs (nog) geschorst was, nu hij op 7 mei 2020 (ook) heeft verklaard “Volgens mij mag ik nu weer rijden”.
3.13
Uit de onder 3.5 weergegeven relevante regelgeving blijkt over de schorsing van rijbewijzen het volgende. In het geval een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven, wordt daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR gedaan onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen (art. 130 lid 1 WVW Pro 1994). Nadat zo’n mededeling is gedaan besluit het CBR tot oplegging van een educatieve maatregel ter bevordering van de rijvaardigheid of geschiktheid of van een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid (deze opties zijn zowel in het huidige art. 131 lid 1 WVW Pro 1994 opgenomen als in de versie van dit artikel die gold ten tijde van het in de onderhavige zaak bewezenverklaarde). Als het CBR laatstgenoemd [8] besluit neemt wordt de geldigheid van het rijbewijs geschorst (art. 131 lid 2 onder Pro a WVW 1994) indien sprake is van een situatie waarin de overgifte van het aan de bestuurder afgegeven rijbewijs door de in art. 159 onder Pro a WVW 1994 bedoelde personen is gevorderd (art. 130 lid 2 WVW Pro 1994) [9] op de grond dat de betrokken bestuurder de veiligheid op de weg zodanig in gevaar kan brengen dat hem met onmiddellijke ingang de bevoegdheid dient te worden ontnomen langer als bestuurder van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor het rijbewijs is afgegeven, aan het verkeer deel te nemen (art. 130 lid 3 WVW Pro 1994). De schorsing duurt tot de dag waarop een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in art. 134 lid 4 WVW Pro 1994 of een besluit tot oplegging van een educatieve maatregel als bedoeld in art. 134 lid 7 WVW Pro 1994 van kracht wordt.
3.14
Art. 9 lid 5 WVW Pro 1994 vereist “dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst” en houdt het verbod in “gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is” op de weg een motorrijtuig van de categorie of categorieën waarop de schorsing betrekking heeft, te besturen of als bestuurder te doen besturen. Uit de onder 3.13 samengevatte regelgeving blijkt dat het schorsingsbesluit van kracht is vanaf het moment dat door het CBR is beslist tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid tot het moment waarop – na een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid van de bestuurder (huidig art. 131 lid 1 onder Pro b WVW 1994) – een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs als bedoeld in art. 134 lid 4 WVW Pro 1994 of een besluit tot oplegging van een educatieve maatregel als bedoeld in art. 134 lid 7 WVW Pro 1994 van kracht wordt. De strafbaarstelling van art. 9 lid 4 WVW Pro 1994 [10] bestrijkt de periode die is gelegen tussen het moment waarop de vordering als bedoeld in art. 130 lid 2 WVW Pro 1994 is gedaan en het moment waarop het CBR het schorsingsbesluit neemt.
3.15
Tegen deze achtergrond valt er mijns inziens veel voor te zeggen dat in gevallen waarin het op de pleegdatum geschorst zijn van het rijbewijs door de verdediging onderbouwd wordt betwist (vergelijk onder 3.12 het verweer in de daar besproken zaak), de feitenrechter is gehouden nader te motiveren op grond waarvan kan worden vastgesteld dat er op de pleegdatum van het feit een tot schorsing van het rijbewijs van de verdachte strekkend besluit van kracht was. Gelet op het onder 3.6 en 3.9 besprokene zou dit – bijvoorbeeld – kunnen blijken uit een mededeling van het CBR waarin (bij toezending per post: de inwerkingtredingsdatum van) het besluit tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid is weergegeven gecombineerd met een aantekening waaruit volgt dat en wanneer toezending van die mededeling aan de houder van het rijbewijs heeft plaatsgevonden, de mededeling aan hem is uitgereikt of de houder van het rijbewijs door het CBR (alvast) anderszins van de schorsing op de hoogte is gesteld en een RDW-bevraging waaruit blijkt dat de schorsingsmaatregel op de pleegdatum van het feit nog van kracht is of een mededeling van het besluit van het CBR als bedoeld in art. 134 lid 4 of Pro 7 WVW 1994.
Terug naar de onderhavige zaak
3.16
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2024 en de aan dat proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte blijkt dat door de verdediging uitsluitend het daderschap van de verdachte is betwist: de verdachte zou niet de persoon zijn geweest die op 28 april 2019 de auto met het [kenteken] heeft bestuurd. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen (zie onder 3.3) kan worden afgeleid dat de verdachte op 10 juli 2019 heeft verklaard dat hij er van op de hoogte was dat hij een geschorst rijbewijs voor de categorie B had (bewijsmiddel 4) en verder dat bij het op de pleegdatum (28 april 2019) door de verbalisanten natrekken van het kenteken van de auto waarin de verdachte als bestuurder is herkend en waarvan hij de tenaamgestelde was (i) een rood uitroepteken te zien was en de verbalisant zag dat het ging om een schorsingsmaatregel die sinds 22 februari 2019 van kracht was voor de categorie B (bewijsmiddel 5), (ii) een rood teken naar voren kwam met daarbij als tekst “maatregel rijbewijs” (bewijsmiddel 6) en (iii) een rood vlaggetje (signalering) op de diensttelefoon verscheen en toen bleek dat er een maatregel van toepassing was (bewijsmiddel 8).
3.17
In het licht van de verklaring van de verdachte (over de RDW-bevraging van 28 april 2019,
PHvK) en bij het uitblijven van een betwisting van het op de pleegdatum van kracht zijn van het schorsingsbesluit, kon het hof mijns inziens op grond van de RDW-bevraging(en) – inhoudend dat (sinds 22 februari 2019) een schorsingsmaatregel van kracht was – oordelen dat de schorsing op 28 april 2019 nog van kracht was. [11] De bewezenverklaarde onderdelen “dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen is geschorst” en “gedurende de tijd dat de schorsing van kracht is” kunnen zo bezien in voldoende mate uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid. Uit de bewijsvoering blijkt ook dat de verdachte “weet” had van de schorsing, zodat daaruit – bij gebrek aan een onderbouwde betwisting – toereikend volgt dat het besluit daartoe aan hem is bekendgemaakt. [12] Overigens merk ik op dat het hof in dit verband in het bestreden arrest heeft overwogen dat voor de overtuiging heeft meegewogen dat de verdachte toen hij een stopteken van de politie kreeg daar geen gevolg aan gaf maar ervandoor ging.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn vestreken na het instellen van het cassatieberoep op 29 februari 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde straffen kan de Hoge Raad volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. [13]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Hoewel de nummering van de bewijsmiddelen (abusievelijk) van 6 naar 8 verspringt, haal ik het als 8 genummerde bewijsmiddel in de hoofdtekst ook aan als bewijsmiddel 8.
2.Hof Amsterdam 1 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:230. Deze zaak is niet aan de Hoge Raad voorgelegd.
3.Zie voor een duiding van dit arrest HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826,
4.Zie randnr. 5.7 en 5.9 t/m 5.16.
5.ABRvS 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:243, r.o. 5.1.
6.Zie hierover ook J.Th. Drop, ‘Frictie tussen bestuursrecht en strafrecht: de bekendmaking van de schorsing van het rijbewijs’,
7.ABRvS 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:243, r.o. 5.2.
8.De wetsgeschiedenis over art. 131 lid 2 WVW Pro 1994 bevat het volgende: “In het tweede lid van het voorgestelde nieuwe artikel 131 wordt Pro bepaald welke beslissing het CBR dient te nemen indien het rijbewijs door de politie is ingevorderd op grond van artikel 130, derde lid. Het komt er op neer dat in die gevallen waarin het CBR besluit tot het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid, het rijbewijs zal worden geschorst in afwachting van het besluit dat het CBR zal nemen naar aanleiding van de uitkomsten van dat onderzoek. Bij een besluit tot […] het opleggen van een lichte educatieve maatregel of een educatieve maatregel zal het CBR het rijbewijs, indien dat is ingevorderd, meteen teruggeven.” (
9.Art. 131 lid 2 onder Pro b WVW 1994 houdt in dat als het rijbewijs niet overeenkomstig art. 130 lid 2 WVW Pro 1994 is ingevorderd, maar de geldigheid van het rijbewijs wel wordt geschorst, de betrokkene zijn rijbewijs moet inleveren bij het CBR.
10.Voor beide feiten geldt op grond van art. 176 lid 2 WVW Pro 1994 hetzelfde strafmaximum.
11.Vgl. in verband met art. 9 lid 2 eerste Pro volzin Sr bijv. A-G Paridaens in haar conclusie voor HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:155 (randnr. 17-20, HR: 81 RO). Mede bezien in het licht van HR 3 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:826,
12.Een blik achter de papieren muur leert dat de verdachte in dat verhoor van 10 juli 2019 ook verklaart “Ik heb alleen van het CBR een brief gehad dat ik een cursus moest volgen.” De verwijzing naar cursus lijkt te duiden op een schorsing beëindigende beslissing van het CBR als bedoeld in art. 134 lid 7 WVW Pro 1994.
13.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,