ECLI:NL:PHR:2026:627

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/02721
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 12 SvArt. 12i SvArt. 167 SvArt. 242 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over ontvankelijkheid OM en bewijs in zaak zware mishandeling met tinnitus als zwaar lichamelijk letsel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof 's-Hertogenbosch van 3 juli 2024, waarin verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling. Het hof legde een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op en een taakstraf, en kende gedeeltelijke schadevergoeding toe aan de benadeelde partij.

De verdediging voerde onder meer een preliminair verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie (OM), stellende dat het opsporingsonderzoek onrechtmatig was hervat na een ingetrokken artikel 12 Sv Pro-klacht, zonder machtiging van de rechter-commissaris. Dit verweer werd door het hof verworpen, dat oordeelde dat er sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden (nova) die het hernieuwde onderzoek rechtvaardigden.

Daarnaast klaagde de verdediging dat het hof niet had beslist op een verzoek tot het horen van twee getuigen en dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het letsel als zwaar lichamelijk letsel was aangemerkt. Het hof oordeelde dat tinnitus als blijvend letsel zwaar lichamelijk letsel vormt en wees de overige verweren af.

De procureur-generaal concludeert dat de middelen falen, dat het beroep tot vernietiging strekt maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf, en adviseert vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn. De overige klachten worden verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen behalve voor de strafduur, die wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02721
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-001710-20) heeft de verdachte bij arrest van 3 juli 2024 wegens "zware mishandeling" veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat P.D. Popescu heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt over de verwerping van het preliminaire verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. De steller van het middel voert aan dat het hof er blijkens de verwerping van het verweer, zoals dat is opgenomen in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 19 juni 2024, van uitgaat dat het opsporingsonderzoek tegen de verdachte is hervat naar aanleiding van nieuwe feiten en omstandigheden, terwijl het opsporingsonderzoek volgens de steller van het middel – zoals ook in hoger beroep door de verdediging is betoogd – in werkelijkheid is hervat naar aanleiding van een door de aangever ingediende klacht op grond van art. 12 Sv Pro, die nadien is ingetrokken.
2.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 heeft de raadsman van de verdachte blijkens het proces-verbaal van die terechtzitting een preliminair verweer gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in:
“Ik verzoek u om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hete hangijzer is de sepotbrief die cliënt heeft ontvangen. Ik zal het verloop van de gang van zaken weergeven, voor zover deze is te reconstrueren op basis van de dossierstukken.
Op 10 juli 2019 ontvangt cliënt de kennisgeving van niet verdere vervolging, waarin de officier van justitie schrijft:
"Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij
a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen."
Optie b bleek van toepassing, omdat op 17 juli 2019 de aangever zijn beklag deed bij het gerechtshof. Daarmee is de artikel 12-procedure in gang gezet.
Op 22 augustus 2019 stuurt de AG het verzoek aan de officier om in het kader van de artikel 12-procedure te rapporteren met als deadline 19 september. Een dergelijke rapportage ontbreekt echter. De vervolging is wel hernieuwd. Dat mag duidelijk zijn. Er bestaan twee politiedossiers in het digitale mapje procesdossier.
Het ene dossier is ingekomen op 18 september 2019 op het parket met als eindpv- datum 22 juni 2019. Het andere dossier is 16 maart 2020 ingekomen met als eindpv- datum 15 januari 2020. Het laatste dossier is inclusief het hernieuwde onderzoek. Dat blijkt niet alleen uit de data van de processen-verbaal, maar ook uit het proces verbaal van bevindingen d.d. 15 januari 2020 van [verbalisant] .
"De aangever is een artikel 12 procedure Pro gestart. De officier van justitie heeft de politie een aantal vragen gesteld welke wij hebben uitgevoerd. De navolgende dossierstukken zijn na aanleiding van de artikel 12 procedure Pro."
Dit proces-verbaal is als het ware de scheidslijn tussen oud en hernieuwd onderzoek.
Op 20 november 2019 rapporteert de politie naar de officier van justitie over het hernieuwde onderzoek. Op 18 februari 2020 ontvangt aangever een brief van het OM waarin men aangeeft dat de zaak opnieuw wordt beoordeeld. Op 5 maart 2020 wordt de dagvaarding voor cliënt aangemaakt.
Over het verdere verloop van de artikel 12 - procedure is niets terug te vinden in het dossier. In. eerste aanleg heb ik daarover vragen gesteld op zitting en daar is alleen een antwoord op gekomen van de zijde van de benadeelde partij. Zie het proces verbaal ter terechtzitting.
"De raadsvrouw van de benadeelde partij voert aan dat deze procedure is ingetrokken omdat er door het Openbaar Ministerie aanvullend onderzoek is gedaan en toen is besloten verdachte alsnog te dagvaarden."
Maar wat betekent dat precies? Bij de verdediging leeft de vraag of een dergelijke artikel 12 klacht Pro wel kan worden ingetrokken, omdat het niet meer is dan de wens van een benadeelde partij om te persisteren in de aangifte. En een aangifte kan je ook niet intrekken. Waarom een klacht ex artikel 12 wel Pro? Dat is slechts een zijdelingse gedachtegang mijnerzijds. Het gaat er om hoe het hof het heeft opgevat. Voor hetzelfde geld heeft het gerechtshof het zogenaamde ‘intrekken’ van de klacht beschouwd als het bericht van de belanghebbende dat deze geen belang meer had bij de behandeling van de klacht. Voor hetzelfde geld is de klacht dientengevolge kennelijk niet-ontvankelijk verklaard door het gerechtshof op basis van artikel 12c Sv. We weten het niet en de verdediging wil het graag weten, maar het is niet de hoofdzaak. De hoofdzaak is dat de klacht ex artikel 12 een Pro 'conditio sine qua non' is voor het hernieuwde onderzoek en daarmee de hernieuwde vervolging van cliënt.
De klacht 'an sich' bevat overigens geen nova. Er wordt gesteld dat de [getuige 1] niet door de politie is gehoord, maar uit het dossier blijkt dat [getuige 1] reeds op 5 november 2018 was gehoord.
Een korte beschrijving van artikel 12 procedure Pro voor alle duidelijkheid:
Indien een artikel 12 procedure Pro is gestart door middel van een klacht, dan verzoekt de AG natuurlijk een rapportage aan het parket aangaande het sepot van de officier en neemt hij daarna een standpunt in om het gerechtshof te adviseren of het Openbaar Ministerie meent dat nader onderzoek noodzakelijk is en/of de beklaagde alsnog vervolgd moet worden of niet. Het laatste woord is natuurlijk aan het gerechtshof. Als deze procedure eenmaal in gang is gezet, kan het Openbaar Ministerie niet op eigen houtje alsnog besluiten onderzoek te verrichten en alsnog besluiten de beklaagde te vervolgen. Het is het gerechtshof dat bepaalt of nader onderzoek moet worden verricht en/of de beklaagde alsnog moet worden vervolgd.
In de onderhavige zaak komt desalniettemin het volgende naar voren:
[verbalisant] schreef het:
"De aangever is een artikel 12 procedure Pro gestart. De officier van justitie heeft de politie een aantal vragen gesteld welke wij hebben uitgevoerd. De navolgende dossierstukken zijn na aanleiding van de artikel 12 procedure Pro."
De officier van justitie sprak het op de zitting in eerste aanleg uit:
"De aangever heeft toen een artikel 12 procedure Pro gestart en naar aanleiding daarvan heeft de officier van justitie een aantal onderzoek wensen vervuld."
En de politierechter overwoog in het vonnis:
"De politierechter constateert dat er een sepotbeslissing naar verdachte is uitgegaan op 10 juli 2019. Vervolgens is er een artikel 12 procedure Pro gestart. Naar aanleiding hiervan heeft het Openbaar Ministerie nader onderzoek laten doen door de politie. Niet het Openbaar Ministerie, maar de aangever heeft vervolgens besloten om de artikel 12 procedure Pro in te trekken. Het Openbaar Ministerie geeft vervolgens aan, dat zij door het aanvullende onderzoek beschikken over nieuwe stukken en op grond van een novum tot vervolging van verdachte overgaan."
Dit alles terwijl het gerechtshof - naar mijn weten - nooit een bevel tot nader onderzoek heeft gegeven, laat staan dat de advocaat-generaal dat heeft gecommuniceerd naar de officier van justitie en/of politie. In plaats van te rapporteren aangaande de redenen van het sepot heeft de officier van justitie besloten nader onderzoek te verrichten. Vervolgens is door de officier van justitie en/of het parket duidelijk gemaakt aan de raadsvrouw van de benadeelde partij dat de klacht kon worden ingetrokken, omdat de officier van justitie cliënt alsnog wilde vervolgen. Dit is geen speculatie. Het staat als een paal boven water. Het is logisch dat de benadeelde partij de vervolging van cliënt wenst daarom ook de artikel 12 klacht Pro en zich daarom daarna ook heeft gevoegd als benadeelde partij. Waarom zou de raadsvrouw van de benadeelde partij dan de klacht intrekken, behalve anders dan wanneer zij weet dat het Openbaar Ministerie cliënt toch gaat vervolgen?
Het afwachten van een beschikking van het gerechtshof zou voor de benadeelde partij alleen maar een risico vormen dat de benadeelde partij
nietde vervolging van cliënt voor elkaar zou krijgen, omdat het hof ook kon oordelen dat cliënt niet moest worden vervolgd. De raadsvrouw heeft wat dat betreft de belangen van haar cliënt optimaal behartigd, maar het Openbaar Ministerie heeft de belangen van cliënt grof veronachtzaamd door zo te handelen, gezien het volgende.
Het is een één-tweetje tussen het Openbaar Ministerie en de benadeelde partij, waarbij cliënt, als beklaagde, buitenspel wordt gezet doordat hem een rechtspositie wordt ontzegd. Hij is immers niet gehoord op de dreigende hernieuwde vervolging door het gerechtshof en het gerechtshof is óók buitenspel gezet, omdat het Openbaar Ministerie niet heeft geadviseerd wat het gerechtshof in de optiek van het OM het beste kon bevelen, maar het OM zelf heeft besloten de vervolging te hernieuwen.
De vervolging van cliënt is derhalve 'contra legem' en als U, Edelgrootachtbaar College, dit goedkeurt; dan opent het een deur naar misbruik, een truc, een juridische kunstgreep op z'n minst, omdat benadeelde partijen in een in gang gezette artikel 12 procedure Pro de klacht kunnen intrekken, zodra blijkt dat het Openbaar Ministerie spijt heeft van het sepot en toch verder wenst te onderzoeken en te vervolgen. Het resultaat is dat een beklaagde zodoende wordt vervolgd zonder dat die beklaagde in de gelegenheid is gesteld om op de klacht gehoord te worden en zonder dat het gerechtshof zelfs maar oordeelt op de klacht. In de visie van de verdediging is dit dan ook in strijd met een goede procesorde omdat het gehele proces van de artikel 12 procedure Pro is omzeild in strijd met het wettelijke stelsel en het Openbaar Ministerie op eigen gelegenheid een onderzoek hernieuwt zonder machtiging van de rechter commissaris ex art. 255 lid 4 Sv Pro. (Daarover later meer.) Door dit vormverzuim hebben de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.
De Hoge Raad oordeelde in het Alcoholslotprogramma-arrest van 3 maart 2015 dat de beginselen van een goede procesorde kunnen meebrengen dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is doordat een inbreuk is gemaakt op het beginsel van 'ne bis in idem’. Het arrest van het gerechtshof Den Haag bleef in stand, toen zij het volgende overwoog:
"Naar het oordeel van het hof is een strafrechtelijke vervolging als in casu, voor hetzelfde feitencomplex als waarvoor reeds de maatregel van het alcoholslot is opgelegd in strijd met het wettelijk stelsel. Hieraan moet de conclusie worden verbonden dat het openbaar ministerie op grond van artikel 68 van Pro het Wetboek van Strafrecht niet- ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte.''
Naast het beginsel van ‘ne bis in idem’ doet cliënt een beroep op het beginsel van ‘nemo debet bis vexari’, omdat hij meent dat hij nodeloos is en wordt gekweld door een zaak die feitelijk afgedaan had moeten zijn. Tot slot doet cliënt een beroep op de rechtszekerheid, omdat hij mocht vertrouwen op de sepotbeslissing en de voorwaarden die daarin worden genoemd. Cliënt mocht erop vertrouwen dat een herroeping van de vervolging gepaard zou gaan met de waarborgen die de wet kent in de artikel 12-procedure.
Rekening houdend met de schending van de voornoemde, elementaire rechtsbeginselen meent de verdediging dat een ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in hoger beroep een schending oplevert van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro.
In de visie van de verdediging is de sanctie van niet-ontvankelijkheid evenzeer van belang met het oog op een educatief signaal naar het Openbaar Ministerie. Men stelt namelijk dat er niets aan de hand is. Als er discussie bestond over de ernst van de vormverzuimen dan zou dat betekenen dat er wel enig inzicht bestond in het feit dat in strijd is gehandeld met de voornoemde, elementaire rechtsbeginselen. Nu dit niet het geval is, dient lering te worden getrokken uit de onderhavige zaak door middel van het duidelijke signaal van niet-ontvankelijkheid. In dit verband moet worden opgemerkt dat men - in de bescheiden visie van de verdediging - hardleers is, indien men zich blind houdt voor de ratio van de artikel 12 procedure Pro en ‘sec’ stelt dat sprake is van ‘nova’. Immers ook dan, voor zover deze redenering zou kunnen volgen, moet worden gezegd dat sprake is van een vergelijkbaar vormverzuim met het oog op artikel 255 Sv Pro.
Lid 1
De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
Lid 2
Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
Lid 3
In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake van deze nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek.
Lid 4
Tot de instelling van een opsporingsonderzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet overgegaan dan na machtiging door de rechter-commissaris, verleend op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.
De machtiging van de rechter-commissaris in de zin van lid 4 ontbreekt in het dossier. Deze rechterlijke toets bestaat natuurlijk ter bescherming van dezelfde, zojuist aangehaalde, elementaire rechtsbeginselen en het onderstreept in de visie van de verdediging het wettelijke stelsel en het grote belang dat de wetgever hecht aan de voorafgaande rechterlijke toets voordat een zaak opnieuw wordt onderzocht na een sepot. Deze voorafgaande rechterlijke toetsing geldt namelijk zowel voor artikel 255 Sv Pro als voor art 12 Sv Pro.
Kort samengevat was door het indienen van de klacht ex artikel 12 niet Pro niets onder de zon; geen enkel novum. Toch is het Openbaar Ministerie de zaak weer gaan onderzoeken en vervolgen zonder machtiging van de RC of bevel van het gerechtshof. Dat betekent dat het dossier op dezelfde inhoud opnieuw beoordeeld is, terwijl de zaak al geseponeerd was. De wet biedt deze mogelijkheid niet.
Nu in het onderhavige geval de procedure reeds is hernieuwd in de vorm van dagvaarden en zelfs een veroordeling in eerste aanleg is sprake van een onherstelbaar vormverzuim: er is immers sprake van toetsing na vervolging in plaats van een toetsing vóór een eventuele vervolging.
[…]”
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 oktober 2022 houdt voor zover relevant voorts het volgende in:
“De raadsman van de verdachte brengt hierop het volgende naar voren.
Allereerst wil ik een opmerking maken over artikel 255, lid 4 van het Wetboek van Strafvordering. Ik stel mij op het standpunt dat de sepotbeslissing in deze zaak daaronder valt, dan wel dat dit artikel analoog moet worden toegepast. Maar eigenlijk is dit hier niet het probleem. Het probleem is dat mijn cliënt op 10 juli 2019 een sepotbrief ontvangt, waaraan hij een gerechtvaardigd vertrouwen mag verbinden dat er bepaalde voorwaarden zijn verbonden aan een mogelijke herziening van de sepotbeslissing, te weten dat er een klacht ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering wordt ingediend die niet wordt doorgezet en dat die klacht geen nova bevat. Daarnaast wordt in het klaagschrift van de benadeelde partij gesteld dat [getuige 1] niet door de politie gehoord is, terwijl dit wel het geval was.
Naar aanleiding van deze beklagprocedure ex artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering is de zaak vervolgens teruggestuurd naar de officier van justitie en die heeft hierop het opsporingsonderzoek herstart, gericht jegens mijn cliënt. Hiervoor worden de getuigen nogmaals gehoord en vervolgens komen de WhatsAppberichten naar voren. Deze Whatsappberichten kunnen worden gezien als een nova, maar deze zijn mijns inziens niet de aanleiding geweest om het opsporingsonderzoek te herstarten, hetgeen een materiële daad van vervolging is. Dagvaarden is de formele daad van vervolging, het draait hier om de materiële daad van vervolging, het opsporingsonderzoek gericht jegens mijn cliënt.
[…]
Na hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
Het preliminaire verweer dat door de raadsman van de verdachte is gevoerd acht het hof ontijdig, omdat het hof zonder nader onderzoek te doen geen beslissing kan nemen op dat verweer. Op het verweer zal later worden beslist.
[…]
Gelet hierop schorst het hof het onderzoek in het belang van het nader onderzoek voor onbepaalde tijd.”
2.4
Het onderzoek op de terechtzitting is vervolgens op 13 september 2023 met instemming van de procesdeelnemers in andere samenstelling voortgezet. Het proces-verbaal van deze terechtzitting houdt onder meer in:
“Op laatstgenoemde zitting heeft het hof naar aanleiding van een preliminair verweer van de raadsman het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst en opdracht gegeven aan de officier van justitie tot het opmaken van een aanvullend proces-verbaal, alsmede de griffier van het hof verzocht om de stukken van de artikel 12 Sv Pro-procedure aan het procesdossier toe te voegen. Inmiddels heeft het hof in het procesdossier een proces-verbaal van bevindingen van de [Officier van Justitie 1] d.d. 14 april 2023 aangetroffen en op 12 september 2023 per e-mail digitale stukken van de artikel 12 Sv Pro-procedure ontvangen. In het procesdossier bevonden zich al stukken van laatstgenoemde procedure. Op het eerste gezicht bevinden zich bij de gisteren ontvangen stukken, behalve de brief waarin de intrekking van het klaagschrift is aangekondigd, nauwelijks nieuwe stukken.
[…]
De voorzitter deelt mede dat het hof hedenochtend per e-mail een schriftelijk stuk van de raadsman heeft ontvangen, inhoudende een pleitnotitie bevattende een preliminair verweer.
De raadsman verklaart als volgt.
Het stuk dat ik aan het hof heb gestuurd bevat een voortgezet preliminair verweer dat in het verlengde ligt van mijn verweer op de vorige zitting van uw hof. Het hof vond mijn preliminaire verweer op de vorige zitting ontijdig en ik hoop dat mijn verweer nu wel tijdig wordt bevonden.
[…]
De raadsman voert vervolgens zijn preliminaire verweer overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof per e-mail gezonden pleitnota, die aan dit proces-verbaal wordt gehecht en hier als ingelast moet worden beschouwd.”
2.5
De pleitnotitie van 13 september 2023 houdt het volgende in:
“Op de vorige zitting is de zaak aangehouden naar aanleiding van het preliminaire verweer. De verdediging heeft geen nieuwe stukken ontvangen ten aanzien van het dossier in de artikel 12, maar heeft wel het proces-verbaal van de officier van justitie ontvangen. De verdediging ziet de stelling ingenomen in het preliminaire verweer in dit proces-verbaal bevestigd. Met name in de telefoonnotitie van de officier van justitie d.d. 18 februari 2020:
"Naar aanleiding van gegronde art 12 klacht Pro nader onderzoek laten verrichten".
De officier plaatste daarbij in het proces-verbaal de voetnoot dat een steekhoudende klacht werd bedoeld en niet een klacht die daadwerkelijk gegrond is verklaard door het gerechtshof. Dit staat wat mij betreft symbool voor hetgeen bepleit is door de verdediging, namelijk dat het oordeel om alsnog te vervolgen is genomen door het OM in plaats van het gerechtshof naar aanleiding van de artikel 12 klacht Pro. Dat is het hele punt.
Zie de laatste alinea onder punt 2 van het proces-verbaal.
''Aangezien er nog geen ambtsbericht was opgesteld, heb ik contact opgenomen of laten opnemen met mr. [betrokkene 1] met het verzoek om haar artikel 12-klacht in te trekken, nu [verdachte] toch vervolgd zou worden. Een opdracht vanuit het gerechtshof zou immers geen meerwaarde hebben.”
Geen meerwaarde. Met zoveel woorden heb ik het ook verwoord in het preliminaire verweer:
"Waarom zou de raadsvrouw van de benadeelde partij dan de klacht intrekken, behalve anders dan wanneer zij weet dat het Openbaar Ministerie cliënt toch gaat vervolgen?
Het afwachten van een beschikking van het gerechtshof zou voor de benadeelde partij alleen maar een risico vormen dat de benadeelde partij niet de vervolging van cliënt voor elkaar zou krijgen, omdat het hof ook kon oordelen dat cliënt niet moest worden vervolgd. De raadsvrouw heeft wat dat betreft de belangen van haar cliënt optimaal behartigd, maar het Openbaar Ministerie heeft de belangen van cliënt grof veronachtzaamd door zo te handelen..."
De officier van justitie heeft niet de meerwaarde ingezien van het wettelijke systeem dat rechterlijke toetsing eist om alsnog te vervolgen, d.w.z. de bevoegdheid van het gerechtshof om, al dan niet nader, onderzoek of vervolging te bevelen. De officier had gewoon conform de opdracht moeten rapporteren aan de AG, maar daarnaast is het rechtens te respecteren belang van de beklaagde om te worden gehoord niet meegewogen door de officier van justitie. Met andere woorden, een grove veronachtzaming van de belangen van cliënt.
De advocaat-generaal heeft op de vorige zitting aangegeven dat zijns inziens sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden waardoor de officier van justitie de vervolgingsbeslissing mocht herzien, (p.2 van het pv ttz)
"De officier van justitie heeft vooral navraag gedaan bij de benadeelde partij over de Whatsappberichten en bankafschriften welke de officier van justitie aanleiding gaven nader onderzoek te doen".
De officier van justitie probeert het ook:
"Wel blijkt uit het proces verbaal van bevindingen 2018227768-29 d.d. 13 november 2019 dat er op 4 november 2019 een e-mail is ontvangen van [getuige 2] . Deze email is verzonden na het versturen van de sepotbrief."
"Naar aanleiding van deze klacht en het bekend worden van de Whatsappberichten en bankafschrift is verdachte aanvullend gehoord."
Naar het gevoel van de verdediging probeert het Openbaar Ministerie zo de indruk te wekken dat er naast de artikel 12 klacht Pro ook nova bestaan, zijnde de e-mail met Whatsappgesprekken en bankafschriften. Dat klopt niet. De klacht is een conditio sine qua non. Je kan die zaken niet uit elkaar trekken omdat je toch nog de herbeoordeling van de sepotbeslissing op een manier wilt rechtvaardigen. Dat lijkt whisfull thinking en redeneren naar het doel en is eigenlijk niet eerlijk. Er wordt niet spontaan gemaild. Op 17 juli 2019 wordt de artikel 12 klacht Pro ingediend en dan volgen onderzoekshandelingen. [verbalisant] geeft op p. 40 aan dat de aanvullende dossierstukken zijn opgemaakt naar aanleiding van de artikel 12 procedure Pro. Een van die stukken is het verhoor van [getuige 2] op 8 oktober 2019, zie p. 48.
"Op verzoek van [Officier van Justitie 2] heb ik een aantal vragen voor u"
Naar aanleiding van de vraag
"De verdachte ontkend dat hij u kent. Kunt aantonen dat de verdachte u wel degelijke kent?"vertelt [getuige 2] whatsappgesprekken te kunnen sturen, zo gezegd zo gedaan, en de betreffende e-mail wordt ontvangen op 4 november 2019.
In het klaagschrift ex art. 12 staat Pro niets over whatsappgesprekken of de ontkenning van cliënt. Sterker nog de raadsvrouw geeft daarin aan dat zij niet over de dossierstukken beschikt. Desondanks probeert de officier van justitie in het proces-verbaal de mogelijkheid te opperen dat een novum aangereikt door de benadeelde partij de aanleiding zou zijn voor nader onderzoek door de politie.
"Hoewel ik het mij niet kan herinneren ligt het in de rede dat er op enig moment contact is geweest tussen klager of mr. [betrokkene 1] en het Openbaar Ministerie of de politie. Dit contact moet aanleiding zijn geweest om op basis van nieuwe informatie nader onderzoek te doen. Ik kan mij niet herinneren of dat contact via mij is gelopen of via een van mijn collega’s.
Wel is mij duidelijk dat er op enig moment een kantelpunt is geweest tussen het ontbreken van een connectie tussen [verdachte] en [aangever] en het vervolgens opdracht geven aan de politie om de tot dantoe ontbrekende connectie te onderzoeken en verdachte daarmee te confronteren.
Naar aanleiding van de inhoud van de klacht en deze aanvullende informatie is er naar mijn verwachting aan de politie opdracht gegeven om via [getuige 2] de WhatsApp gesprekken en het bankafschrift te achterhalen. Om zo de connectie tussen verdachte en aangever bevestigd te zien. Toen deze WhatsApp gesprekken en het bankafschrift ontvangen waren, is besloten de verdachte hiermee te confronteren."
Eerlijk gezegd denk ik wel dat ik kan weten waarom de officier van justitie zich het niet kan herinneren wat de nieuwe informatie van de benadeelde partij was. Ik denk dat het niet wordt herinnerd omdat die informatie er niet was. Het is gewoon een vraag geweest van de officier, zie p. 48.
Kortom, de suggestie wordt gewekt dat de whatsappgesprekken nova waren of andere niet te herinneren, maar wel in de rede liggende informatie.
Edelgrootachtbaar College, ik denk dat we er geen doekjes om moeten winden.
Wat er is gebeurd? De zaak is geseponeerd en daarna wordt een artikel 12 klacht Pro ingediend. De AG vraagt om een rapportage bij de officier van justitie. Die slaat het dossier erop na en wat blijkt? In de ID-staat ziet de officier een foto van het paspoort van cliënt en hij vindt die foto sprekend lijken op de verdachte op de beelden. De officier heeft spijt dat de zaak door hem of haar is geseponeerd, want desgevraagd door een collega waarom toch is vervolgd, blijkt uit de telefoonnotitie het volgende.
"Aanvullend pv aangevraagd bij politie. Verdachte staat wat mij betreft gewoon herkenbaar in beeld. Zeker de foto op zijn paspoort waar hij wat slanker is lijkt hij sprekend, met deze foto had ik de zaak nooit geseponeerd. Ik had alleen maar die foto 's buiten bij het huis van aangever."
Het probleem is dat deze ID-staat met de foto van het paspoort is gemaakt op 10 januari 2019. Het is dus een foutje geweest om de zaak te seponeren en dan is het goed invoelbaar dat de officier van justitie die fout wil herstellen en een praktische insteek zoekt om de klager c.q. benadeelde partij ter wille te zijn door de zaak weer op te pakken. Feit is echter dat dit niet kon omdat de zaak al was geseponeerd.”
2.6
Uit het proces-verbaal van de zitting van het hof van 13 september 2023 blijkt dat het hof tijdens die zitting te kennen heeft gegeven de zaak eerst ten principale te willen behandelen, zodat, mocht er sprake zijn van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv, het hof dat oordeel kon afwegen tegen de overige inhoud van het dossier. De beslissing op het preliminaire verweer zou dan bij eindarrest worden gegeven. Nadat de verdediging daartegen bezwaar had gemaakt, besloot het hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd te schorsen en de beslissing op het preliminaire verweer op de nadere zitting mede te delen.
2.7
Op de terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2024 is de zaak aangehouden. Het hof heeft het onderzoek op de terechtzitting vervolgens op 19 juni 2024 met instemming van de advocaat-generaal en de raadsman in andere samenstelling hervat. Het hof heeft het preliminaire verweer blijkens het proces-verbaal als volgt verworpen:
“Het hof heeft goed nagedacht over het preliminaire verweer. Ik schets de gang van zaken die het hof heeft vastgesteld. Het feit waarvoor u hier terecht staat, heeft plaatsgevonden op 22 september 2018 rond 17:30 uur. Er is aangifte gedaan op 27 september 2018. Op 10 juli 2019 heeft u een sepotbrief gekregen van het Openbaar Ministerie. Het dossier is vervolgens verstrekt aan mr. [betrokkene 1] . Zij heeft een artikel 12 Sv Pro-procedure ingesteld. Daarmee is aangegeven dat zij en de aangever deze zaak graag aan de orde wilden stellen. Op 4 november 2019 is een e-maiIbericht ontvangen van [getuige 2] , de neef van de aangever, met een bankafschrift van een overgemaakt bedrag van € 2.000,00 aan [A] B.V. en WhatsApp-berichten. Het Openbaar Ministerie heeft gezegd dat dit WhatsApp berichten betreffen van een gesprek tussen [getuige 2] en de verdachte. Dat is via een proces-verbaal van 13 november 2019 in het procesdossier gekomen. Op dat moment is nader onderzoek gedaan naar de bankafschriften en de WhatsApp berichten en daar werd een melding van gemaakt op 18 februari 2020. Op 20 februari 2020 is een brief gekomen van mr. [betrokkene 1] waaruit blijkt dat de artikel 12 Sv Pro-procedure werd ingetrokken. Op 8 juli 2020 is het Openbaar Ministerie overgegaan tot vervolging. Daarvan heeft de advocaat-generaal op 5 oktober 2022 gezegd dat dat met name te maken had met de aanwezigheid van een foto van de verdachte die later is opgedoken waarbij men de foto overeen vond komen met het signalement in de verklaring van de aangever en van de getuige. Er blijken uit het dossier ook wel degelijk contacten te zijn geweest tussen de verdachte en de neef van aangever die samen met aangever een bedrijf zou hebben gehad in die tijd. Dit was de aanleiding voor het instellen van verder onderzoek. Het hof ziet die nieuwe stukken inderdaad als nova, in die zin dat het hof vindt dat het Openbaar Ministerie geen verzuim van vormen heeft tentoongespreid door verder te gaan met het onderzoek. Het hof vindt dus dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. Het Openbaar Ministerie was bevoegd tot het doen van onderzoek als daar aanleiding voor is en die aanleiding was er ook in het begin. Dat het onderzoek later weer is opgepikt door de politie, is een bevoegdheid van het Openbaar Ministerie. Het hof kan alleen een vormverzuim plaatsen als er een beslissing wordt genomen bijvoorbeeld tot het instellen van vervolging. Dat dit in uw zaak is gebeurd, is dus geen schending van een vormverzuim en geen schending van artikel 255 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dus ook de rechter-commissaris heeft hier naar het oordeel van het hof geen rol, maar er is een beslissing geweest om te seponeren op basis van artikel 167 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Dit is een sepot dat niet afdoet aan de mogelijkheid om verder onderzoek te doen. Dat u hierna toch in vervolging bent gesteld, vindt het hof geen vormverzuim. Het hof wijst het preliminair verweer af en acht het Openbaar Ministerie ontvankelijk in de vervolging. Dat betekent dat wij de zaak vandaag inhoudelijk gaan behandelen.”
2.8
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een op 10 juli 2019 door de officier van justitie aan de verdachte verstuurde “kennisgeving sepot”, inhoudende:
“Geachte [verdachte] ,
Op mijn kantoor is een proces-verbaal binnengekomen, waarin u als verdachte bent aangemerkt.
Inmiddels heb ik besloten u daarvoor niet verder te vervolgen.
De reden hiervoor is dat naar mijn oordeel:
er onvoldoende bewijs is
Een eventueel eerder verstrekte dagvaarding / (verkorte) oproeping
voor een terechtzitting komt hiermee te vervallen.
Deze zaak is hiermee afgedaan, tenzij
a. ik op grond van nieuwe feiten of omstandigheden deze beslissing moet herzien;
b. het gerechtshof alsnog een vervolging beveelt. Dat kan als een ander, die is benadeeld door een feit waarvan u nu verdacht wordt, zich beklaagt over mijn beslissing u niet te vervolgen.
De officier van justitie
Deze zaak met parketnummer 02-165228-19 betreft
een proces-verbaal van [betrokkene 2] . M/W Brabant, team Etten-Leur e.o. ter
zake van:
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel gepleegd 22 september 2018
te [plaats] , gemeente [plaats] ”
Juridisch kader
2.9
De relevante wettelijke bepalingen van het Wetboek van Strafvordering luiden als volgt:

Artikel 167
1. Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over.
2. Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het openbaar ministerie kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden, de beslissing of vervolging plaats moet hebben voor een daarbij te bepalen termijn uitstellen.
[…]
Artikel 242
1. Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidende onderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat verdere vervolging moet plaats hebben, door het uitvaardigen van een strafbeschikking of anderszins, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over.
2. Zoolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan van verdere vervolging worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend. Het openbaar ministerie kan, onder het stellen van bepaalde voorwaarden, de beslissing of verdere vervolging plaats moet hebben voor een daarbij te bepalen termijn uitstellen.
3. […]
Artikel 243
1. Indien de officier van justitie afziet van verdere vervolging, doet hij de verdachte daarvan onverwijld schriftelijk mededeling.
2. […]
3. De kennisgeving van niet verdere vervolging wordt aan de verdachte betekend.
4. De officier van justitie doet in geval van vervolging wegens een misdrijf aan de rechtstreeks belanghebbende die hem bekend is, onverwijld schriftelijk mededeling van de kennisgeving van niet verdere vervolging.
5. Indien in de zaak een bevel krachtens de artikelen 12 of 13 is gevraagd of gegeven, doet de officier van justitie een mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien niet dan nadat daarin is bewilligd door het gerechtshof binnen wiens rechtsgebied de vervolging is ingesteld. De officier van justitie doet te dien einde de processtukken, vergezeld van een verslag houdende de gronden voor de mededeling dat van verdere vervolging wordt afgezien, toekomen aan het gerechtshof.
[…]
Artikel 246
1. Door eene kennisgeving van niet verdere vervolging eindigt de zaak.
2. […]
[…]
Artikel 255
1. De verdachte kan na zijn buitenvervolgingstelling, na de hem betekende beschikking, houdende verklaring dat de zaak geëindigd is, of na de hem betekende kennisgeving van niet verdere vervolging, in het laatste geval behoudens artikel 12i of artikel 246, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden.
2. Als nieuwe bezwaren kunnen enkel worden aangemerkt verklaringen van getuigen of van den verdachte en stukken, bescheiden en processen-verbaal, welke later zijn bekend geworden of niet zijn onderzocht.
3. In dat geval kan de verdachte niet ter terechtzitting van de rechtbank worden gedagvaard, dan na een ter zake van deze nieuwe bezwaren ingesteld opsporingsonderzoek.
4. Tot de instelling van een opsporingsonderzoek als bedoeld in het derde lid wordt niet overgegaan dan na machtiging door de rechter-commissaris, verleend op vordering van de officier van justitie die met de opsporing van het strafbare feit is belast.”
2.1
Aan het openbaar ministerie is in art. 167 lid 1 Sv Pro de bevoegdheid toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Die beslissing leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel. [1]
2.11
Als de vervolging al is gestart, kan van verdere vervolging worden afgezien zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen (art. 242 lid 2 Sv Pro). Van dit “formele sepot” doet de officier van justitie op grond van art. 243 lid 1 Sv Pro schriftelijk mededeling aan de verdachte. Deze kennisgeving van niet verdere vervolging wordt aan de verdachte betekend (art. 243 lid 3 Sv Pro). Daarna kan de verdachte niet opnieuw worden vervolgd ter zake van hetzelfde feit, tenzij het gerechtshof het openbaar ministerie een bevel als bedoeld in art. 12i Sv geeft of er later nieuwe bezwaren als bedoeld in art. 255 lid 2 Sv Pro bekend zijn geworden. In dat laatste geval moet een machtiging van de rechter-commissaris worden verkregen om over te gaan tot een opsporingsonderzoek (art. 255 lid 4 Sv Pro).
2.12
Als de vervolging daarentegen nog niet is gestart, kan de officier van justitie op grond van art. 167 lid 2 Sv Pro besluiten om van vervolging af te zien (“informeel sepot”). Een dergelijk sepot is niet in de wet geregeld. Het openbaar ministerie is op grond van het vertrouwensbeginsel in beginsel gebonden aan de door het openbaar ministerie gedane – of aan deze toe te rekenen – toezegging om niet te vervolgen, mits die toezegging bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. [2] Dit laat onverlet dat ook na een informeel sepot een bevel van het gerechtshof (art. 12i Sv) of het bekend worden van nieuwe bezwaren ertoe kan leiden dat toch vervolging jegens de verdachte wordt ingesteld. [3]
2.13
Uit het voorgaande volgt niet dat een formeel of informeel sepot in de weg staat aan het verrichten van enige opsporingshandelingen, mits de betreffende handelingen niet vereisen dat een rechter in de zaak wordt betrokken. Dat levert immers een vervolgingshandeling op. [4] Ook de Hoge Raad wijst er in zijn arresten op dat zonder “nieuwe bezwaren” wel enige ruimte is voor opsporingshandelingen, zo lang de verdachte daardoor niet (opnieuw) “in rechten wordt betrokken”. [5]
2.14
In het nieuwe Wetboek van Strafvordering komt het onderscheid tussen een formeel en een informeel sepot te vervallen. [6] Een beslissing tot niet-vervolging zal aan de verdachte moeten worden medegedeeld. Blijkens de memorie van toelichting biedt deze verplichte kennisgeving meer rechtsbescherming dan de (informele) sepotmededeling naar geldend recht doet. In alle gevallen waarin een sepotmededeling aan de verdachte is gedaan, wordt naar komend recht voor heropening van het opsporingsonderzoek op grond van nieuwe bezwaren een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Zo beoogt de wetgever de onevenwichtigheid tussen een kennisgeving van niet-verdere vervolging en een (informele) sepotmededeling weg te nemen. Naar het bestaan van nieuwe bezwaren zal op gelijke voet als nu in beperkte mate onderzoek kunnen worden gedaan, maar dit onderzoek mag uitsluitend dienen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen te beslissen of hij de vordering tot heropening van het opsporingsonderzoek bij de rechter-commissaris zal indienen. [7]
Bespreking van het middel
2.15
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte op 10 juli 2019 een sepotbrief heeft gekregen. In die brief staat dat de officier van justitie deze beslissing wegens onvoldoende bewijs heeft genomen en dat de zaak hiermee is afgedaan, tenzij a) de officier van justitie de beslissing op grond van nieuwe feiten en omstandigheden moet herzien, of b) het gerechtshof na een art. 12 Sv Pro-procedure alsnog een vervolging beveelt. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat voorafgaand aan de brief een rechter in de zaak was betrokken, zodat naar het mij voorkomt sprake was van een informeel sepot. [8] Het hof heeft het sepot van 10 juli 2019 derhalve terecht aangemerkt als “een beslissing om te seponeren op basis van artikel 167 van Pro het Wetboek van Strafvordering”.
2.16
Uit de overwegingen van het hof blijkt dat kort na de sepotbrief namens de aangever een klacht in de zin van artikel 12 Sv Pro is ingediend en dat deze klacht op 20 februari 2020 weer is ingetrokken. In de tussentijd zijn kennelijk nieuwe feiten en omstandigheden aan het licht gekomen, namelijk i) een e-mail van 4 november 2019 van [getuige 2] , een neef van aangever, met daarbij een Whatsappgesprek tussen de verdachte en deze [getuige 2] en een bankafschrift, en ii) een kennelijk later opgedoken foto van de verdachte die overeenkwam met het signalement dat de aangever en de getuige in hun verklaringen hadden gegeven. Het hof heeft geoordeeld dat het “die nieuwe stukken inderdaad als nova [ziet], in die zin dat het hof vindt dat het Openbaar Ministerie geen verzuim van vormen heeft tentoongespreid door verder te gaan met het onderzoek”.
2.17
Het hof heeft niet ondubbelzinnig vastgesteld op welk moment en naar aanleiding waarvan opsporingshandelingen door het openbaar ministerie zijn verricht. Een blik achter de papieren muur leert dat de artikel 12 Sv Pro-procedure daar een bepalende rol in heeft gehad. Een proces-verbaal van bevindingen van 15 januari 2020 houdt in: “De aangever is een artikel 12 procedure Pro gestart. De officier van justitie heeft de politie een aantal vragen gesteld welke wij hebben uitgevoerd. De navolgende dossierstukken zijn na aanleiding van de artikel 12 procedure Pro”. Bij de betreffende dossierstukken bevindt zich onder meer een proces-verbaal van verhoor van betrokkene [getuige 2] van 8 oktober 2019. In dit verhoor wordt onder meer gevraagd of [getuige 2] een factuur kan overhandigen van een openstaande schuld die hij heeft bij de verdachte en of hij kan aantonen dat de verdachte hem kent. [getuige 2] heeft in reactie op deze vragen onder meer verklaard “ik zal u de factuur toesturen zodat u deze bij het dossier kan voegen” en “ik kan u whatsapp gesprekken naar u toesturen. Ik zal u een screenshot maken van een gesprek, zijn telefoonnummer en zijn profielfoto. Dit bewijst dat hij mij wel degelijk kent.”
2.18
Dat uit de motivering van het hof niet eenduidig blijkt dat [getuige 2] kennelijk naar aanleiding van het op grond van art. 12 Sv Pro ingediende beklag is gehoord en dat ten gevolge van dit verhoor nieuwe feiten en omstandigheden bekend zijn geworden, kan de verdachte echter niet baten. Zoals hiervoor onder 2.13 reeds aan de orde kwam, staat een sepot niet in de weg aan het verrichten van een dergelijke (beperkte) opsporingshandeling.
2.19
Voor zover het middel ook beoogt te klagen over het oordeel van het hof dat het “die nieuwe stukken inderdaad als nova [ziet], in die zin dat het hof vindt dat het Openbaar Ministerie geen verzuim van vormen heeft tentoongespreid door verder te gaan met het onderzoek”, merk ik op dat het hof daarmee kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat de na het sepot bekend geworden feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn dat een herziening van de sepotbeslissing gerechtvaardigd is te achten. [9] Dat oordeel is, mede gelet op het voorbehoud dat in de sepotbrief wordt gemaakt, niet onbegrijpelijk. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats.
2.2
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te beslissen op een (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van twee getuigen.
3.2
Het verzoek waarop het middel doelt is vervat in de blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2023 aan het hof toegezonden pleitnotities. Die houden dienaangaande het volgende in:
“Mocht u het verweer willen verwerpen, dan wil ik u verzoeken om de verdediging de gelegenheid te geven het verweer nader te substantieren door de [Officier van Justitie 2] te horen, aangezien de recherche naar aanleiding van de artikel 12-procedure vragen heeft gesteld op het verzoek van deze officier. De verdediging wil weten waarom die onderzoekshandelingen zijn verricht en of er contact is geweest met de benadeelde partij c.q. diens vertegenwoordiger. Daarnaast zal de verdediging in dit geval de advocate van de benadeelde partij wensen te horen zodat deze nadere toelichting kan geven over het contact met het Openbaar Ministerie en het intrekken van het klaagschrift en dat vragen daaromtrent kunnen worden gesteld mede met het oog op het proces verbaal van de officier van justitie.”
3.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 september 2023 houdt voor zover relevant het volgende in:
“De raadsman verklaart in aanvulling daarop als volgt.
Ten overvloede merk ik op dat ik in mijn pleitnota mr. [betrokkene 1] bedoel waar ik spreek over de raadsvrouw van de benadeelde partij.
De voorzitter deelt het volgende mede.
Naar aanleiding van het verzoek van de raadsman om mr. [betrokkene 1] als getuige te horen zodat deze nadere toelichting kan geven over het contact met het Openbaar Ministerie en het intrekken van het klaagschrift, wijs ik op een stuk dat zich bevindt in het onlangs ontvangen digitale dossier van de artikel 12 Sv Pro-procedure, te weten: een brief van mr. [betrokkene 1] aan de 12 Sv-kamer van het hof d.d. 20 februari 2020. In deze brief schrijft zij dat zij inmiddels van het openbaar ministerie heeft vernomen dat de verdachte alsnog wordt vervolgd en dat het klaagschrift wordt ingetrokken.
De raadsman verklaart als volgt.
Ondanks deze brief handhaaf ik mijn verzoek om mr. [betrokkene 1] te horen. Ik wil haar daarover nadere vragen stellen.”
3.4
Het verzoek is een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 lid 1 Sv Pro en art. 415 lid 1 Sv Pro om toepassing te geven aan art. 315 Sv Pro. Een verzuim om op een dergelijk verzoek te beslissen heeft ingevolge art. 330 in Pro samenhang met art. 415 Sv Pro nietigheid tot gevolg. [10] Dat is alleen anders indien de verdediging door het verzuim redelijkerwijs niet geacht kan worden in enig belang te zijn geschaad. [11]
3.5
Uit de stukken blijkt dat de aan het verzoek verbonden voorwaarde is vervuld, maar niet dat het hof op het in het middel bedoelde verzoek heeft beslist. Om die reden lijden het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak in beginsel aan nietigheid.
3.6
Tot cassatie hoeft het voorgaande echter niet te leiden . Het verzoek van de raadsman van de verdachte strekte er blijkens de onderbouwing van het verzoek toe het reeds gevoerde preliminaire verweer “nader te substantiëren” door de bedoelde getuigen te horen omtrent de reden voor het verrichten van onderzoekshandelingen en het contact dat er tussen het openbaar ministerie en de advocaat van de benadeelde partij is geweest. Uit de beoordeling van het eerste middel volgt dat het voor de beoordeling van het preliminaire verweer mijns inziens niet van belang is dat er naar aanleiding van de art. 12 Sv Pro-klacht enige onderzoekshandelingen zijn verricht in de vorm van het horen van [getuige 2] . Hetzelfde geldt mijns inziens in het onderhavige geval voor het contact dat er tussen de advocaat van de benadeelde partij en het openbaar ministerie is geweest over het intrekken van de art. 12 Sv Pro-klacht. Gelet hierop heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht dat het hof het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van twee getuigen niet uitdrukkelijk heeft afgewezen. [12]
3.7
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel bevat de klacht dat het hof het verweer dat namens de verdachte is gevoerd, inhoudende dat zwaar lichamelijk letsel niet bewezen kan worden, onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof niet is ingegaan op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt voor zover dat betrekking had op de aard van het letsel van de aangever en het ontbreken van de noodzaak tot medisch ingrijpen.
4.2
In het door het hof voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigde vonnis is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij:
“op 22 september 2018 te [plaats] aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende) gehoorschade, tinnitus, heeft toegebracht door die [aangever] meermalen tegen het hoofd te slaan en vervolgens die [aangever] tegen het lichaam te schoppen en vervolgens een klapdeur meermalen tegen het hoofd van die [aangever] te gooien.”
4.3
De bewezenverklaring van deze feiten steunt ten eerste op de volgende door het hof overgenomen bewijsmiddelen:
“3.1.1.
het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgenomen als pagina 3 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
"Op 22 september 2018 kwam een man mijn restaurant binnen. De man was ongeveer 1.90 lang en had een gezet postuur. De man had donker blond haar in stekels geknipt. Ik zag dat de oren van deze man naar buiten stonden. Hij vroeg of ik [aangever] was en noemde me een eikeltje. Daarnaast zei hij dat ik 5000 euro moest betalen. Ik heb met mijn neef een bedrijf gehad, [B] BV. Ik ben begin 2018 uit dat bedrijf gestapt. Mijn neef betaalde de levering van de taco’s niet. Ik probeer de man richting de uitgang te krijgen. Ineens draaide hij zich om en voor ik het wist, zag ik dat zijn rechtervuist naar mijn gezicht toe kwam en voelde ik ineens een hevige pijn in mijn linkerslaap. Voor ik wist wat er gebeurde, voelde ik een tweede vuistslag onder mijn oog neerkomen en had ik even een black-out. Ik voelde een hevige pijn in mijn gezicht en ik voelde ook een hevige pijn toen ik voelde dat de man mij aan het schoppen was. Ik voelde overal bloed stromen. Vervolgens zag ik en voelde ik dat de toegangsdeur, dit is een klapdeur, met geweld tegen mij aan werd geslagen keer op keer. De deur kwam een aantal keren heel hard tegen mijn hoofd aan. Mijn vriend kwam aangerend en de man rende het restaurant uit. Ik heb mijn neef gebeld en hij wist dat het ging om het bedrijf [A] en dat de naam van de man [verdachte] is. Ik ben met mijn verwondingen naar de dokter geweest en ik heb nog steeds een suis in mijn oren."
de geneeskundige verklaring door [deskundige 1] , opgenomen als pagina 7 tot en met 9 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm waarin het letsel van verdachte wordt beschreven en waaruit o.a. blijkt dat [aangever] meermalen heeft aangegeven last te hebben van oorsuizen en een hardnekkige pieptoon in beide oren.
het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor [getuige 1] opgenomen als pagina 12 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
"Op 22 september 2018 was ik bij [aangever] zijn restaurant " [C] " gelegen aan de [a-straat] in [plaats] . Omstreeks 17:00 uur was ik daar. Ik zag dat er een binnen kwam. De man zag er als volgt uit:
-
Man
-
Blank
-
1.90 a 2.00 meter lang
-
Ongeveer 30 jaar oud
-
Lang en slank postuur
-
Gelaat tussen hoekig en rond in.
-
Kort donkerblond haar
Ik zag dat hij in de richting van [aangever] liep. Ik hoorde hem vragen wie [aangever] was. Ik hoorde [aangever] zeggen dat hij dat was. Ik hoorde de man zeggen dat hij geld wilde. Hij zei dat hij hier recht op had. Hij zei tegen [aangever] : “Ik krijg nog geld van je.” Ik hoorde [aangever] zeggen dat de man rustig moest doen en dat hij van niets wist, omdat de zaken via zijn neef lopen. Ik hoorde dat de man niet wilde vertellen wie hij was. [aangever] vroeg de man weg te gaan. Ik zag dat ze richting de uitgang liepen. Ik hoorde ineens een aantal klappen. Ik kan de klappen verklaren behorende bij iemand die op zijn gezicht of lichaam wordt geslagen. Ik hoorde [aangever] kreunen en roepen: "AU". Ik ben naar hem toegelopen en ik zag dat de man de deur vast had en deze met kracht een aantal malen tegen het hoofd van [aangever] gooide."
het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor van [aangever] , opgenomen als pagina 46 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West-Brabant. opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
"Ik word elke dag herinnerd aan het feit dat ik ben mishandeld. Ik heb blijvende schade opgelopen aan mijn gehoor. Ik heb er Tinnitus aan overgehouden. Ik slaap elke dag met een koptelefoon op."
het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , opgenomen als pagina 10 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West-Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt, zakelijk weergegeven, in:
“Ik ken [verdachte] . Ik ben samen met mijn neef, [aangever] , een zaak gestart in [plaats] . Hier namen wij ook af van [B] B.V. We kregen een achterstand met betalingen. Ik had [verdachte] een mail gestuurd met daarin een betalingsregeling en dergelijke.”
een schriftelijk bescheid, te weten de schermafdrukken van Whatsapp berichten, opgenomen als pagina 43 van het eindproces-verbaal nr. […] , inhoudende:
Gestuurd door het [telefoonnummer] (opgeslagen onder de naam [A] [verdachte] ) naar [getuige 2] op 19 juli 2018: “IK WIL JOU MORGEN DIRECT SPREKEN [betrokkene 4] . WE GAAN DIT HEEEL SNEL OPLOSSEN!!! Jullie hebben echt de verkeerde voor je... Dus VOLGENDE WEEK VRIJDAG KOM IK ALLE UITSTAANDE POSTEN INNEN in [plaats] , INCLUSIEF de €4600 euro van [B] BV. Regel het maar met je neef [aangever] , mijn geduld is op. "
het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte, opgenomen als pagina 50 in het eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West Brabant, opgemaakt in de wettelijke vorm. Dit proces-verbaal houdt in:
“Verbalisant: Ik heb gisteren een terugbel verzoek gekregen van u. Ik kon u terugbellen op [telefoonnummer] . Ik heb u op dit nummer teruggebeld en ik heb u gesproken. Is dit telefoonnummer van u?
Verdachte: Daar wens ik geen antwoord op te geven.”
een foto van het paspoort van verdachte, opgenomen als pagina 29 in liet eindproces-verbaal nr. […] van de politie Zeeland-West-Brabant, met daarop een foto van verdachte met uitstaande oren en vermelding van zijn lengte, 1.90 meter.”
4.4
Het hof heeft deze bewijsmiddelen in het bestreden arrest als volgt aangevuld:

1. Het proces-verbaal van verhoor van [aangever] d.d. 26 april 2022, los opgenomen:
Het was in ieder geval duidelijk dat de man die op 22 september 2018 in mijn restaurant was en mij bedreigde dat dat ging over [B] B.V. Ik heb hem toen namelijk nog gezegd dat ik niet meer was betrokken bij dat bedrijf.
U houdt mij voor dat ik bij de politie heb verklaard dat mijn neef mij wist te vertellen om welk bedrijf het ging en welke man het was. U vraagt mij hoe mijn neef dat dacht te weten. Na de mishandeling heb ik mijn neef gebeld. Ik heb toen tegen mijn neef gezegd dat er een man in mijn restaurant was en dat het ging over een openstaand bedrag van de taco’s. Mijn neef zei toen dat die man [verdachte] was. Door dit telefoongesprek met mijn neef kwam ik achter de naam van [verdachte] .
2. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 26 april 2022, los opgenomen:
Ik weet dat het om [verdachte] ging omdat mijn neef had gezegd dat die gast van de tortilla’s er was. Er was maar één persoon die tortilla’s aan ons leverde en dat was [verdachte] . Ik weet dat ik met [verdachte] en zijn vrouw in gesprek ben geweest over een betalingsregeling en dat het daarna door [verdachte] uit handen is gegeven aan [D] , en daarna heeft het voorval met mijn neef plaatsgevonden. U vraagt mij of [D] een incassobureau is. Ik denk het. [verdachte] had mij gemaild dat hij de vordering uit handen gaf aan [D] , maar ik heb nooit een brief van [D] gehad.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten: een uittreksel uit het KvK-register (p. 54-55):
Onderneming
Handelsnaam: [A]
Startdatum onderneming: 13-10-2014 (datum registratie: 13-10-2014)
Activiteiten: SBI-code: […] - Vervaardiging van deegwaren
SBI-code: […] - Groothandel in voedings- en genotmiddelen algemeen assortiment
Werkzame personen: 2
Vennoten
Naam: [betrokkene 5]
Geboortedatum: [geboortedatum] -1986
Adres: [b-straat 1] , [postcode] [plaats]
Datum in functie: 13-10-2014 (datum registratie: 13-10-2014)
Bevoegdheid: Onbeperkt bevoegd
Naam: [verdachte]
Geboortedatum: [geboortedatum] -1986
Adres: [b-straat 1] , [postcode] [plaats]
Datum in functie: 13-10-2014 (datum registratie: 13-10-2014)
Bevoegdheid: Onbeperkt bevoegd
4. Het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 juni 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
U, voorzitter, houdt mij voor dat er Whatsappgesprekken zijn gevoerd met [getuige 2] door het telefoonnummer [telefoonnummer] , waarin onder andere tegen [getuige 2] wordt gezegd ‘jullie hebben echt de verkeerde voor je’. Het telefoonnummer waarmee die berichten zijn gestuurd heb ik gebruikt.
[betrokkene 5] is mijn ex-partner.”
4.5
De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 19 juni 2024 gehechte pleitnotitie houdt omtrent het in het middel bedoelde verweer het volgende in:

Subsidiair vrijspraak zware mishandeling
En [getuige 1] verklaart niets over het letsel na de mishandeling, terwijl aangever stelt dat hij en [getuige 1] ook nog met elkaar hebben staan praten over wat er was gebeurd. (p. 2 getuigenverhoor aangever) Het ligt in de rede dat zoiets aangrijpends als bloed dat uit iemands hoofd gutst, bloed op kleding, etc., je bijblijft en dat je het belangrijk genoeg acht om te noemen welk letsel je hebt waargenomen. Dat er niets is genoemd door [getuige 1] maakt dat het aannemelijk is dat het zichtbare letsel meeviel en dat aangever derhalve heeft overdreven in zijn aangifte en in zijn vordering benadeelde partij. [getuige 1] heeft het niet over gutsend bloed, bloedspetters of überhaupt over bloed, terwijl hij persoonlijk aanwezig was tijdens de mishandeling en terwijl hij ook daarna direct contact heeft gehad met aangever. Hij heeft alles kunnen aanschouwen.
Als we kijken naar de ernst van het letsel dat aangever omschrijft, dan zou in de rede hebben gelegen dat aangever vrijwel direct medische hulp had ingeschakeld, althans om daar niet meerdere dagen mee te wachten. Aangever is echter pas twee (2) dagen na de mishandeling langs de huisarts gegaan. De reden die aangever daarvoor geeft, is dat het weekend was en dat hij heeft gewerkt. (p. 5 getuigenverhoor aangever) Met dergelijk letsel en de angst die erbij zou komen kijken, kun je niet doorwerken alsof er niks is gebeurd. Als kok in de keuken bezig zijn met dergelijk lichamelijk letsel lijkt mij daarnaast om redenen van uitvoerbaarheid en hygiëne ongeloofwaardig.
Aangever geeft tijdens getuigenverhoor een ongeloofwaardige verklaring voor het feit dat hij pas vijf (5) dagen na de mishandeling en doodsbedreigingen aan zijn adres en aan die van zijn geliefden aangifte heeft gedaan. De agente zou het hebben afgeraden:
"Zij zei toen dat als zij in mijn schoenen zou staan, zij geen aangifte zou doen."
Het is ongeloofwaardig te noemen dat hij direct na de mishandeling o.a. heeft staan fotograferen, heeft staan bellen, bloedspetters en plassen bloed heeft schoongemaakt, naar zijn zoon is gereden, weer is teruggereden naar het restaurant en daar toen heeft gewerkt. De aard van het lichamelijke en psychische letsel zou hem daarvan beletten. Tenzij het letsel natuurlijk niet dermate ernstig was....
Aangever noemt het een bloedbad, maar de huisarts spreekt over 'gering' bloedverlies (p. 41) Het liggen in een plas bloed en bloed hevig voelen stromen, zoals aangever stelt, is niet te herleiden tot verwondingen. Geen hechtingen of iets dergelijks.
Aangever heeft ook geen foto's gemaakt van verwondingen. Wel heeft de aangever, die nota bene kok is in een biefstuk restaurant ( [E] B.V.) een niet te verifiëren foto overlegd, waarop client een slagersjas meent te zien met bloedvlekken. Ook is er een tweetal foto's toegevoegd waarop bloedspetters te zien zouden zijn. Ook deze foto's zijn niet te verifiëren. Waar zijn deze foto's gemaakt? Is dit daadwerkelijk bloed? Is het het bloed van aangever of is het dierlijk bloed (er wordt immers met vlees gewerkt). Cliënt betwijfelt het.
Tinnitus: vergelijk het met gekneusde ribben. Niet te constateren. Enkel op basis van subjectieve klachten. De productie van cliënt.”
4.6
Het bestreden arrest bevat de volgende overwegingen van het hof in relatie tot de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel:
“Met betrekking tot de vraag of het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt, overweegt het hof als volgt.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat de verdachte [aangever] heeft geslagen tegen zijn hoofd, meermalen een deur tegen zijn hoofd heeft gegooid en dat [aangever] dientengevolge letsel in de vorm van tinnitus heeft opgelopen. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of sprake is van zwaar lichamelijk letsel. In dat verband overweegt het hof als volgt.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van zwaar lichamelijk letsel moet worden vooropgesteld dat artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht een (niet limitatieve) opsomming bevat van de gevallen die als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt. Artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht laat de rechter de vrijheid om ook buiten de in dat artikel aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Gelet op de uiteenlopende vormen waarin lichamelijk letsel zich kan voordoen, kan bezwaarlijk precies worden aangegeven wanneer dat letsel als zwaar lichamelijk letsel geldt.
Buiten de niet-limitatieve gevallen van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht dient het bestanddeel ‘zwaar lichamelijk letsel’ indachtig de wetsgeschiedenis te worden ingevuld naar algemeen spraakgebruik. In zijn overzichtsarrest over zwaar lichamelijk letsel heeft de Hoge Raad overwogen dat als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel (al dan niet in combinatie met elkaar) hebben te gelden (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, rov. 2.4, waarin verwezen wordt naar onder meer HR 16 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5802, NJ 2000/510). Met betrekking tot botfracturen overwoog de Hoge Raad dat in de regel sprake is van zwaar lichamelijk letsel indien sprake is van operatief ingrijpen waarbij onder meer de noodzaak en de aard van medisch ingrijpen meeweegt (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, rov. 2.6). Daarnaast betreft het uitzicht op herstel een (mogelijk) gezichtspunt in de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Daarbij geldt - ook buiten de situatie waarin operatief ingrijpen heeft plaatsgevonden - dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, doch ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Voorts kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en/of fysieke beperkingen (vgl. HR 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051, rov. 2.7). In voorkomende gevallen kan in de beoordeling voorts worden betrokken of restschade aanwezig is.
In de verklaring van KNO-arts [deskundige 2] van 28 februari 2019 (bijlage bij de vordering schadevergoeding) is bij de anamnese vermeld: Sinds 5 maanden na ernstige mishandeling continue fluittoon in beide oren. Bij de conclusie van de KNO-arts staat: Tinnitus na mishandeling. Het hof gaat uit van de daarin vermelde diagnose die ook al is vermeld in de verklaring van het Huisartsenteam zoals opgenomen in de bewijsmiddelen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting van het hof zijn de slachtofferverklaringen van 28 november 2018 en 18 juni 2020 voorgehouden. In eerstgenoemde verklaring merkt aangever over het letsel op:
Lichamelijk ben ik sindsdien (het hof begrijpt: sinds het incident van 22 september 2018) niet meer in staat om normaal te functioneren. Ik heb sinds het incident aanhoudend hoofdpijn, troebel zicht in mijn linkeroog en, het meest onprettige, tinnitus. Een aanhoudende piep in mijn oren.
In zijn verklaring van 18 juni 2020, dus ruim anderhalf jaar na het incident, verklaart aangever:
De piep in mijn hoofd bleek tinnitus te zijn, ook niet ongewoon bij dergelijk trauma. Dit zou weken, maanden, jaren kunnen duren maar het kan ook voor de rest van mijn leven aanhouden. Op het moment van schrijven, 18 juni 2020, heb ik er nog onverminderd last van. Ik slaap al bijna 2 jaar met een koptelefoon op zodat ik in slaap kan vallen. Ik ben in staat om het tijdens mijn werk naar de achtergrond te drukken maar als er veel geluid om me heen is dan wordt het vaak te veel en moet ik me even terugtrekken. Ik hoop dat dit ooit nog wegtrekt, het is een handicap in het dagelijks leven en het zorgt regelmatig voor enorme druk en chaos in mijn hoofd.
De gevolgen van de tinnitus, de piep in zijn hoofd die aangever omschrijft, de duur van de tinnitus en de gevolgen die in ieder geval ruim anderhalf jaar na het incident onverminderd aanhouden en het ontbreken van zicht op volledig herstel, maken dat het hof van oordeel is dat tinnitus in het onderhavige geval als zwaar lichamelijk letsel dient te worden aangemerkt.
Bij de vraag of in strafrechtelijke zin causaal verband bestaat tussen de mishandeling en het zwaar lichamelijk letsel van de aangever, dient te worden bezien of het ingetreden gevolg - de tinnitus - redelijkerwijs aan (de gedragingen van) de verdachte kan worden toegerekend (vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1093 en HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:493). Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte meermalen tegen het hoofd van de aangever heeft geslagen. Daarna heeft de verdachte meermalen een deur tegen het hoofd Van aangever gegooid. Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet worden afgeleid dat de aangever een verleden kent met tinnitus en gehoorverlies. Het hof is van oordeel dat het tegen het hoofd slaan en (meerdere malen) een deur tegen het hoofd van aangever aangooien ten minste een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedragingen van de verdachte is veroorzaakt. Dit letsel kan gezien het voorgaande redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend. De enkele suggestie van de verdediging dat het ontstane letsel ook op een andere wijze dan door de mishandeling kan zijn veroorzaakt, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van het hof is door het bovenstaande het causale verband tussen de gedragingen van de verdachte en het opgelopen zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen. Het hof komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Het hof verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren van de verdediging dan ook in al zijn onderdelen.”
4.7
Over dit middel kan ik kort zijn. Door bewezen te verklaren dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (blijvende) gehoorschade, tinnitus, heeft toegebracht, is het hof afgeweken van het standpunt van de verdediging met betrekking tot het toegebrachte letsel. Het hof is expliciet ingegaan op de vraag of het letsel als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt en heeft het dienaangaande gevoerde verweer uitdrukkelijk weerlegd. Het hof heeft daarbij onder meer betrokken dat i) de aangever heeft verklaard dat hij door tinnitus niet meer in staat is normaal te functioneren en dat het een handicap in het dagelijks leven is die voor enorme druk en chaos zorgt, en ii) dat de door aangever omschreven gevolgen van de tinnitus ruim anderhalf jaar na het incident onverminderd aanhouden en dat zicht op volledig herstel ontbreekt. Het hof heeft daarmee aan de motiveringsplicht van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv voldaan. [13] Daarbij neem ik ook in aanmerking dat de raadsman van de verdachte met betrekking tot de tinnitus enkel heeft aangevoerd: “vergelijk het met gekneusde ribben. Niet te constateren. Enkel op basis van subjectieve klachten. De productie van cliënt.”
4.8
Dat het hof daarbij niet in het bijzonder is ingegaan op de gestelde subjectieve aard van het letsel en de omstandigheid dat aangever kennelijk niet direct medische hulp heeft gezocht, doet aan het voorgaande niet af. [14]
4.9
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat het cassatieberoep is ingesteld op 15 juli 2024. Dat brengt mee dat de Hoge Raad waarschijnlijk uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. In dat geval wordt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde straf dient te leiden . [15]
5.3
Overige gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1509, rov. 2.4.1, onder verwijzing naar HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280,
2.Vgl. reeds HR 29 mei 1978,
3.Vgl. B.F. Keulen en G. Knigge,
4.Vgl. G.J.M. Corstens,
5.Vgl. HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4490; HR 17 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:888.
6.Zie
7.Zie
8.De brieft houdt overigens in dat de officier van justitie heeft besloten “niet
9.HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8621.
10.Vgl. HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3678; HR 18 november 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF1204; HR 24 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0429.
11.Vgl. HR 9 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8779.
12.Vgl. HR 9 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8779; HR 11 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4460; HR 7 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7257; HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1875.
13.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
14.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
15.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.