Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
3.Het tweede middel
4.Het derde middel
5.Het vierde middel
Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 8 april 2023 van de politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023087742-2, voor zover inhoudende (blz. 42) :
Nadere bewijsoverweging t.a.v. de bestanddelen ‘een ambtenaar werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ en ‘een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening’ (hierna kortweg ook: ‘ambtenaar in functie’)
doorde overheid was na dit arrest een aanstelling
onder toezicht en verantwoordelijkheidvan de overheid voldoende. [13] Wel bleef vereist dat sprake was van “een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd ten einde een deel van de taak van de Staat of zijn organen te verrichten.” Deze verruiming bracht mee dat voortaan ook werknemers van private partijen met een publieke taak onder omstandigheden in strafrechtelijke zin als ambtenaar konden worden aangemerkt. In 2004 vond de laatste verruiming plaats en verdween de uitdrukkelijke vermelding van het verrichten van een overheidstaak uit het hiervoor genoemde criterium; voldoende was vanaf dat moment dat sprake is van een persoon “die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd.” [14] In de desbetreffende zaak oordeelde de Hoge Raad dat derhalve ook een medewerker van een particulier beveiligingsbedrijf als ambtenaar kon worden beschouwd, nu de beveiliging van de gebouwen van een universiteit (zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon) aan dat bedrijf was uitbesteed. [15] In navolging van deze aanpassing kunnen volgens Sikkema ook werknemers van particuliere bedrijven waaraan een overheidsinstelling een bepaalde bevoegdheid heeft uitbesteed, worden aangemerkt als ambtenaren. [16]
eersteplaats gaat het om personen die in dienst zijn van de overheid en die een overheidstaak uitoefenen. Over deze categorie bestaat weinig discussie. Denk bijvoorbeeld aan de burgemeester, de politieagent de belastinginspecteur en de trambestuurder. Deze kring van personen werd op grond van het in 1911 door de Hoge Raad geformuleerde criterium – en dus vóór alle hiervoor beschreven verruimingen van het criterium – reeds als ambtenaar gezien.
tweedeplaats is er de categorie van personen die feitelijk niet in dienst zijn van de overheid, maar die wel een overheidstaak uitvoeren. Gelet op de in 1995 geformuleerde verruiming van het criterium en de (mede) daaruit voortvloeiende functionele en materiële invulling van het ambtenarenbegrip zal ook over deze categorie personen in de regel weinig discussie bestaan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de reclasseringsmedewerker of de deurwaarder. In deze gevallen speelt de vraag of zo’n persoon onder toezicht en verantwoordelijkheid van de overheid is aangesteld nauwelijks een zelfstandige dan wel beperkende rol. Het is – als opgemerkt – immers moeilijk denkbaar dat iemand een overheidstaak uitvoert zonder daartoe op een of andere manier door de overheid te zijn aangesteld. [29]
derdeplaats kan het daarbij gaan om personen van wie niet op voorhand duidelijk is dat zij een overheidstaak uitoefenen, bijvoorbeeld omdat hun werkzaamheden slechts indirect dienstbaar zijn aan een overheidstaak. Ik noem wederom de beveiligingsmedewerker van de TU Delft, maar denk hier ook aan de wegwerker die onderhoud uitvoert aan het wegennetwerk. Dit is waar de hiervoor besproken en door Sikkema bepleite ondergrens en het door de Hoge Raad geformuleerde criterium van belang zijn. Hier zal de toetsing door de rechter zich vooral (moeten) toespitsen op de vraag of de betreffende persoon feitelijk onder toezicht en verantwoording van de overheid werkzaam is. De (onder-)grens wordt bereikt wanneer het gaat “om situaties waarin het overheidsorgaan geen beslissende invloed meer kan uitoefenen op de vervulling van de taak.” [30] Daarnaast meen ik dat er ook enige beperking voortvloeit uit de zinsnede dat het moet gaan om een “functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd”. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad heb ik niet precies kunnen destilleren wat de betekenis van deze zinsnede is. Het zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat de functie van de betreffende persoon op een of andere manier moet kunnen worden gerelateerd aan het publieke domein of in verband moet staan met een maatschappelijk belang om als ambtenaar te worden aangemerkt. In die opvatting zouden dan bijvoorbeeld – anders dan Van Roomen en Sikkema menen – schoonmakers en kantinepersoneel in een overheidsgebouw bezwaarlijk als ambtenaar kunnen worden aangemerkt, terwijl dat voor een portier van een overheidsgebouw – die in zijn hoedanigheid in direct contact staat met de bezoekers van zo’n overheidsgebouw – wel goed mogelijk is.
daaronder ookis begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd”. [31]
6.Het vijfde middel
Vordering tot schadevergoeding [benadeelde]