Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
acta iure imperii). Wanneer de onrechtmatige daad is gelegen in de uitoefening van openbaar gezag, is de Rome II-verordening dus niet van toepassing en moet worden teruggevallen op het nationale recht. Voor de uitleg van het begrip “uitoefening van openbaar gezag” is de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU (HvJ) bepalend.
acta iure imperii, voor zover zij niet overeenstemmen met de uitoefening van bevoegdheden die buiten het bestek van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels vallen.
contractor, de werkzaamheden werden volledig in Afghanistan verricht en de Afghaanse eisers hebben ook geen andere banden met Nederland. Zij woonden en werkten in Afghanistan en waren in dienst van een Afghaanse onderneming. De enige band met Nederland is dat de contractspartij van de werkgever van de Afghaanse eisers de Nederlandse Staat is en dat zij werden ingezet om (de buitenste ring van) de Nederlandse ambassade te bewaken. Dat is tegenover de overige omstandigheden niet voldoende om aan te nemen dat er een kennelijk nauwere band is met Nederland dan met Afghanistan . Datzelfde geldt voor het feit dat op de verhouding tussen de Staat en Asman Abi Nederlands recht van toepassing is verklaard. Die verhouding is immers een andere dan die tussen de Staat en de Afghaanse eisers.
effective controluitoefent over een gebied buiten zijn eigen grondgebied. Of een staat daadwerkelijk
effective controluitoefent is “
a question
effective controlis aangenomen, gaat het veelal om een (militaire) aanwezigheid die meebrengt dat een staat in een bepaald gebied daadwerkelijk zijn wil kan opleggen aan anderen.
effective controlhad op de luchthaven van Kaboel, passeert het hof dat betoog. Voor de activiteiten op de luchthaven was de Staat afhankelijk van andere mogendheden. Bovendien stellen de Afghaanse eisers niet dat zij op de luchthaven aanwezig zijn geweest toen er evacuaties plaatsvonden.
effective control(of
control and authority) had in de zin van het EVRM en het IVBPR.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1-3hebben betrekking op het op de rechtsverhouding tussen de Staat en de Afghaanse bewakers toepasselijke recht, en zijn gericht tegen het oordeel van het hof in de rov. 6.6, 6.12-6.17, 6.22-6.27 en 6.32, dat, zeer kort gezegd, het Afghaanse recht van toepassing is en moet worden toegepast, voor zover dat kenbaar is. De
onderdelen 4-5klagen over het oordeel van het hof in de rov. 6.32-6.33 dat naar Afghaans recht en naar Nederlands recht op de Staat geen zorgplicht rust die meebrengt dat hij de Afghaanse bewakers naar Nederland moet overbrengen.
Onderdeel 6is gericht tegen het oordeel van het hof in de rov. 6.39 en 6.42-6.43 dat de Staat geen rechtsmacht in de zin van het EVRM en het IVBPR heeft over de Afghaanse bewakers en dat het beroep op het EVRM en het IVBPR van de Afghaanse bewakers daarom faalt.
Onderdeel 7bestrijdt het oordeel van het hof in de rov. 6.44-6.52 over de door de Afghaanse bewakers ingeroepen algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het door hen gestelde beleid van de Staat.
acta iure imperii)”.
acta iure imperii’komt ook voor in andere verordeningen op het gebied van het internationale privaatrecht, zoals de Brussel Ibis-verordening. [18] Dat begrip wordt voor alle verordeningen in dezelfde zin uitgelegd door het Hof van Justitie EU. [19] Bij de bespreking hierna van de betekenis van het begrip ‘uitoefening van het openbaar gezag’ wordt daarom mede rechtspraak van het Hof van Justitie EU betrokken die betrekking heeft op andere verordeningen dan de Rome II-verordening.
acta iure imperiiwanneer een overheidsinstantie krachtens haar overheidsbevoegdheden handelt. Een overheidsinstantie oefent dergelijke bevoegdheden uit wanneer zij gebruikmaakt van bevoegdheden die buiten het bestek vallen van de voor betrekkingen tussen particulieren geldende regels van gemeen recht (dus bevoegdheden uitoefent die niet aan eenieder toekomen, maar alleen aan de overheid in haar rol van overheid). Dit wordt vaak uitgedrukt als het geval dat een overheidsinstantie niet op basis van gelijkheid met particulieren deelneemt aan het economische verkeer (
acta iure gestiones). Om te kunnen vaststellen of een zaak al dan niet binnen de werkingssfeer van de Rome II-verordening valt, moeten volgens het Hof van Justitie EU de rechtsbetrekking tussen partijen en het voorwerp van het geschil worden vastgesteld of, als alternatief voor beide, de grondslag en de nadere regels voor de instelling van de vordering worden onderzocht. [20]
acta iure imperii, de verbintenis al buiten de werkingssfeer van de Rome II-verordening valt. [21] Die uitleg lijkt me niet juist. Het Hof van Justitie EU heeft in zijn rechtspraak het verband tussen beide factoren zowel aangeduid met het woord ‘of’ als met het woord ‘en’. De laatstgenoemde variant lijkt echter de overhand te hebben in zijn recente rechtspraak. [22] De omstandigheid dat in zijn recente rechtspraak de grondslag en de nadere regels voor de instelling van de vordering uitdrukkelijk als alternatief zijn aangemerkt voor de beoordeling aan de hand van de rechtsbetrekking tussen partijen en het voorwerp van het geschil, duidt erop dat de rechtsbetrekking tussen partijen en het voorwerp van het geschil juist in samenhang bij de beoordeling moeten worden betrokken.
acta iure imperiiis casuïstisch van aard. [23] Uit die rechtspraak vallen echter wel enige algemene lijnen af te leiden. Zoals het hof heeft overwogen in rov. 6.10 van het arrest, is ‘het openbare doel’ van bepaalde activiteiten (lees: dat deze activiteiten in het publiek belang worden verricht) niet van invloed op de aard van de rechtsbetrekking tussen partijen en volstaat dat doel dus niet om die activiteiten aan te merken als
acta iure imperii. [24] Specifiek met betrekking tot de functies van een ambassade heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat een ambassade, net als ieder ander openbaar orgaan,
iure gestioneskan handelen in de uitoefening van haar functies, bijvoorbeeld door het sluiten van arbeidsovereenkomsten met personen die geen werkzaamheden verrichten waarmee openbaar gezag wordt uitgeoefend. [25] De omstandigheid dat de vordering als zodanig een civielrechtelijk karakter heeft, bijvoorbeeld omdat zij strekt tot schadevergoeding en is ingesteld bij de burgerlijke rechter, is anderzijds niet zonder meer van doorslaggevend belang voor het antwoord op de vraag of een verbintenis betrekking heeft op
acta iure gestiones. Als de grondslag van die vordering handelingen van de overheid betreft die hebben plaatsgevonden in de uitoefening van een overheidsbevoegdheid, is namelijk sprake van
acta iure imperii. [26]
contractorAsman Abi, dat tussen de Staat en de Afghaanse bewakers geen contractuele relatie bestond, en dat de relatie tussen de Afghaanse bewakers en de Staat een afgeleide is van die tussen de Staat en Asman Abi (rov. 6.12). Verder heeft het hof geoordeeld dat het voorwerp van het geschil is de inhuur van beveiligingsdiensten door de Staat van Asman Abi en de daaruit voortvloeiende zorgplicht van de Staat voor de Afghaanse bewakers. Het hof heeft voorts vastgesteld dat hierin ook de grondslag van de vordering is gelegen (rov. 6.14, herhaald in rov. 6.16). Het hof is dus uitgegaan van de hiervoor vermelde, juiste criteria.
vorderendat de Staat bevoegdheden van openbaar gezag uitoefent, als een schadevergoeding in natura of een opheffing van een onrechtmatige toestand – welke uitoefening van bevoegdheden daarin bestaat dat de Staat de Afghaanse bewakers naar Nederland overbrengt –, reeds meebrengt dat de Rome II-verordening niet van toepassing is op grond van art. 1 lid 1 daarvan Pro. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat het hof in rov. 6.14 tweede zin met juistheid heeft geoordeeld dat het gevorderde, dan wel de wijze waarop de toewijzing van het gevorderde moet of kan worden uitgevoerd, geen relevant gezichtspunt is voor het antwoord op de vraag of de verbintenis binnen de werkingssfeer van de Rome II-verordening valt. Dat is ook logisch, omdat het in art. 1 lid 1 Rome Pro II-verordening niet gaat om de (toe te wijzen) vordering, maar om de (onderliggende) verbintenis.
acta iure imperiizich niet voordoet.
lex causae– het recht dat krachtens de toepasselijke conflictregel op de verbintenis van toepassing is – is dus het Afghaanse recht.
lex causae, zoals de grond en de omvang van de aansprakelijkheid (onder a in art. 15), het bestaan, de aard en de begroting van de schade (onder c), en de wijze van tenietgaan van de verbintenis (onder h). De bepaling is bedoeld om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid van de werkingssfeer van de
lex causaete dienen in de lidstaten, maar laat uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat andere onderwerpen met een materieelrechtelijk karakter eveneens worden beheerst door de
lex causae. [29]
lex causaewijzigingen aangebracht in de periode tussen het moment van het ontstaan van de verbintenis die aan de vordering ten grondslag ligt, en het moment van het aanhangig maken van die vordering in een procedure. De Afghaanse bewakers hebben in deze zaak aangevoerd dat het Afghaanse recht na de machtsovername door de Taliban in augustus 2021 aldus is gewijzigd dat het recht dat daarvóór tot stand is gekomen, is opgeschort. [30] Met betrekking tot de vraag welk recht in dat geval van toepassing is, is de heersende opvatting in de Nederlandse literatuur en (lagere) rechtspraak dat de
lex causaein haar wijzigingen moet worden gevolgd, met inachtneming van het overgangsrecht van de
lex causae. Dit uitgangspunt berust erop dat de
lex causaezelf het beste is toegerust om haar temporele gelding te bepalen, en dat het overgangsrecht een onlosmakelijk onderdeel van de
lex causaevormt. [31] Dit betekent dat niet zonder meer kan worden gesteld dat de
lex causaezoals die gold op het moment dat de verbintenis is ontstaan, daarop (nog steeds) van toepassing is. Bij een wijziging van de
lex causaezal moeten worden nagegaan of het oude dan wel het nieuwe recht van toepassing is op de verbintenis.
lex causae, in dit geval dus het Afghaanse recht, bepaalt welk recht temporeel van toepassing is op de vordering van de Afghaanse bewakers. Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat het aan de hand van Afghaans (overgangs)recht heeft bepaald dat het Afghaanse recht van toepassing is zoals dat gold ten tijde van de machtsovername door de Taliban, is het onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van de Afghaanse bewakers omtrent de kenbaarheid van dat Afghaanse recht, en van het partijdebat.
vanaf de machtsovername door de Talibanniet meer kenbaar is, het hof om die reden oordeelt dat het recht van vóór de machtsovername moet worden toegepast in het onderhavige geval, nu het toepasselijke recht niet kenbaar is, en het middel tevergeefs die oordelen bestrijdt, zoals hierna zal worden besproken.
lex causaeambtshalve toepassen. Bij de parlementaire behandeling van Boek 10 BW heeft de wetgever op advies van de Staatscommissie IPR de zogeheten leer van het facultatieve conflictenrecht uitdrukkelijk verworpen. [35] Deze in de literatuur bepleite leer houdt in dat de rechter het conflictenrecht slechts toepast als een van de partijen zich erop beroept dat buitenlands recht van toepassing is, zodat bij gebreke van een dergelijk beroep de rechter de
lex foritoepast. De Staatscommissie IPR achtte die leer met name niet gepast omdat zij tekort doet aan de kern van het internationaal privaatrecht, namelijk de erkenning dat buitenlands recht gelijkwaardig is aan het eigen recht, en de bereidheid om dat recht toe te passen. [36]
lex causaeis door de wetgever toegelicht met de argumenten dat die verplichting in het verlengde ligt van de verplichting tot het ambtshalve toepassen van het conflictenrecht, strookt met art. 25 Rv Pro en reeds in de rechtspraak van de Hoge Raad vaste voet heeft gekregen. [37] Deze verplichting brengt mee dat de rechter uit eigen beweging en onafhankelijk van de standpunten van partijen zich moet vergewissen van de inhoud van de
lex causae. [38] Uitgangspunt is dat de rechter het buitenlandse recht zo veel mogelijk uitlegt en toepast op de wijze zoals in het desbetreffende land gebeurt, dus met inbegrip van de rechtspraak en literatuur en de aldaar heersende opvattingen. [39] Om de inhoud van de
lex causaete achterhalen kan de rechter niet alleen gebruikmaken van het internet, bibliotheken en (digitale) databanken, maar ook een deskundigenbericht gelasten, inlichtingen inwinnen bij speciaal daarvoor uitgeruste instellingen, zoals het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) en het Asser Instituut, of een verzoek doen tot het verstrekken van inlichtingen over buitenlands recht op grond van de Europese Overeenkomst van 1968. [40] In de praktijk spelen partijen en hun advocaten ook een belangrijke rol bij het informeren van de rechter over de inhoud van het buitenlandse recht. [41]
lex causaeis niet geregeld in de Rome II-verordening, zodat dit een onderwerp betreft dat aan het recht van de lidstaten is overgelaten. [42]
lex causae. [43] De wetgever heeft er echter uitdrukkelijk rekening mee gehouden dat de rechter in een bepaald geval niet in staat is om de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht met voldoende zekerheid vast te stellen:
lex causaeniet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. De wetgever heeft het bewust aan de rechter overgelaten om in een concreet geval tot een passende oplossing te komen. Toepassing van een wel te achterhalen, verwant rechtsstelsel lijkt daarbij een belangrijke optie te zijn, die aansluit bij het doel van de verwijzingsregel in het conflictenrecht om het geschil te beslissen volgens de regels die daarvoor het meest in aanmerking komen. Ook kan worden gedacht aan toepassing van de
lex fori. Zie in deze zin ook het advies van de Staatscommissie IPR, waarop de wetgever zich heeft gebaseerd:
lex fori, moet worden toegepast. [47] In de literatuur is betoogd dat uit deze uitspraak moet worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat de
lex foride voorkeur verdient bij toepassing van de openbare orde-exceptie. [48] Het is de vraag of dat zo is, omdat het buiten toepassing laten van de betrokken bepaling in die zaak tot gevolg had dat de
lex causaezich niet meer voor toepassing leende, ook niet in aangepaste vorm. [49] Het ligt voor de hand dat eerst moet worden onderzocht of de oplossing niet in de
lex causaekan worden gevonden. [50] Wat hier van zij, deze namens de Afghaanse bewakers ingeroepen uitspraak is hier niet relevant, nu strijd met de openbare orde hier niet speelt en de uitspraak dus niet van toepassing is.
lex fori(rov. 6.24). In dit geval heeft het hof het een passende oplossing geacht om aansluiting te zoeken bij het recht van Afghanistan dat wel gekend kan worden – namelijk het recht dat gold vóór de machtsovername door de Taliban –, omdat de vraag welke verplichtingen de Staat jegens de Afghaanse bewakers heeft, een nauwere band heeft met Afghanistan dan met Nederland (rov. 6.25). Deze oplossing – de toepassing van het wel bekende, eerder in het land dat door de conflictregel wordt aangewezen, van toepassing geweest zijnde recht – is niet met zoveel woorden in de toelichting op art. 10:2 BW Pro genoemd, maar sluit goed aan bij de oplossingen die daarin wel zijn genoemd. Het met die oplossing aangewezen recht zal het door de conflictregel aangewezen recht immers in veel gevallen (vermoedelijk) het meeste benaderen en de zaak zal in die gevallen dus ook het nauwst zijn verbonden met dat recht als ‘second best’. Het hof wijst in rov. 6.25 ook op die nauwere band. In zijn oordeel ligt mede besloten dat het hof de
lex forieen minder passende oplossing vond in dit geval. Verder strookt de door het hof gekozen oplossing met het hiervoor in 3.22 genoemde uitgangspunt dat wanneer een lacune in de
lex causaeontstaat ten gevolge van toepassing van de openbare orde-exceptie, de oplossing zoveel mogelijk wordt gezocht in een ander deel van de
lex causae. Naar ik meen, geeft het oordeel van het hof – dat slechts beperkt toetsbaar is in cassatie omdat het samenhangt met de uitleg van buitenlands recht – dan ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
lex causaeniet kenbaar is, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechter in een dergelijk geval de
lex fori, dus in dit geval het Nederlandse recht, moet toepassen. De door het hof genoemde vrijheid is volgens het subonderdeel ook in strijd met het vereiste van art. 6 EVRM Pro dat het recht toegankelijk en voorzienbaar moet zijn. De toepassing van de
lex foriis volgens het subonderdeel temeer aangewezen in kort geding, omdat die rechtsgang niet toelaat dat (nader) onderzoek wordt gedaan naar eventuele alternatieve, buitenlandse rechtstelsels en op korte termijn een beslissing moet worden gegeven.
lex causaeslechts deels kan worden vastgesteld, de rechter de
lex foriof het nauw verbonden recht – volgens de Afghaanse bewakers het Nederlandse recht – op de gehele vordering moet toepassen. De door het hof gekozen oplossing is in strijd met de verplichting van de rechter om het buitenlandse recht toe te passen zoals de rechter in het desbetreffende land dat zou doen, en het vereiste van art. 6 EVRM Pro dat het recht toegankelijk en voorzienbaar moet zijn, aldus het subonderdeel. Ook in dit verband wordt geklaagd dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het Afghaanse recht wel kenbaar is, dat oordeel onbegrijpelijk is om de in het kader van subonderdeel 3.2 genoemde redenen en de stellingen van de Afghaanse bewakers over de relevantie en de kenbaarheid van de Labor Code uit 2007 en het standpunt dat hun vordering ook beheerst zou kunnen worden door het algemene Afghaanse verbintenissenrecht of de sharia, welk recht ook niet kenbaar is. Tot slot klaagt het subonderdeel dat, voor zover het hof heeft geoordeeld dat het algemene Afghaanse verbintenissenrecht of de sharia niet kenbaar is, het hof heeft miskend dat de vordering voor zover die tevens berust op een grondslag die niet kenbaar is, moet worden beoordeeld naar de
lex fori.
lex foriwordt toegepast. Soms zal genoegen moeten worden genomen met een zekere mate van waarschijnlijkheid, zoals in de literatuur voor het kort geding wordt opgemerkt, onder meer in de literatuur die het hof bij rov. 6.6 in voetnoot 4 van zijn arrest noemt. Dat geldt overigens ook in een bodemzaak, omdat het achterhalen van de (precieze) inhoud van buitenlands recht nu eenmaal niet altijd met volledige zekerheid mogelijk is. Dat is ook juist de reden waarom in art. 79 RO Pro is bepaald dat de Hoge Raad niet controleert of de lagere rechter het buitenlandse recht juist heeft vastgesteld en uitgelegd. Die controle zou de Hoge Raad te veel werk kosten, de kans op fouten bij die vaststelling en uitleg is bovendien relatief groot en die fouten zouden afbreuk doen aan het gezag van de Hoge Raad. Er zal dus moeten worden geleefd met vaststellingen en uitleg van buitenlands recht door lagere rechters die niet altijd volledig en correct zijn. Gelet op het geldende cassatieprocesrecht bestaat alleen in het geval dat daarbij sprake is van motiveringsgebreken, plaats voor ingrijpen door de cassatierechter. [53]
als zodanigtot verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid leidt. De inlener van personeel is geen werkgever en de eis van goed werkgeverschap van art. 7:611 BW Pro is dus als zodanig niet op hem van toepassing. De inlener zal normaal gesproken ook geen zeggenschap hebben over de veiligheid van de werknemers buiten de werkplek (arbeidsomstandigheden). Die zeggenschap, verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid rusten uitsluitend bij de werkgever van dat personeel. Genoemde verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid zijn dus in principe niet op de inlener van toepassing.
effective controluit over een buiten zijn grondgebied gelegen gebied (dus
ratione loci), en (ii) de desbetreffende staat oefende buiten zijn grondgebied daadwerkelijk controle en gezag uit over een persoon (dus
ratione personae). Of een van deze uitzonderingen zich voordoet, moet steeds worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. [64] Omdat het middel niet de vaststelling van het hof in rov. 6.35 bestrijdt dat geen sprake is van geval (i), is in dit cassatieberoep uitsluitend geval (ii) van belang.
control over the Convention interests’) uitdrukkelijk als criterium verworpen. [67]
effective controluitoefende in Afghanistan
ratione loci. Ten aanzien van de vraag of de Staat daadwerkelijk controle en gezag uitoefende over de Afghaanse bewakers (
ratione personae), heeft het hof in rov. 6.42 overwogen dat de Afghaanse bewakers in de buitenste ring van het ambassadeterrein werkten, in hun eigen huizen verbleven en onder het gezag vielen van de Afghaanse autoriteiten. Zij waren volgens het hof vrij om te gaan en staan waar zij wilden. Het enkele feit dat de Staat invloed kon uitoefenen op hun werkzaamheden heeft het hof in rov. 6.42 van onvoldoende gewicht geacht om aan te nemen dat de Staat controle en gezag kon uitoefenen over de Afghaanse bewakers.
lex causae. Dat neemt allicht niet weg dat publiekrechtelijk normen die deel zijn gaan uitmaken van het privaatrecht, daarmee privaatrechtelijk zijn geworden en in zoverre dus privaatrechtelijk zijn. Denk alleen al bijvoorbeeld aan de vele gevallen dat de overtreding van een publiekrechtelijke norm – of wellicht beter gezegd: een norm van publiekrechtelijke herkomst – een onrechtmatige daad oplevert. Daarnaast zijn er echter publiekrechtelijke voorschriften die geen deel uitmaken van het privaatrecht, maar wel direct van invloed zijn of ingrijpen in privaatrechtelijke rechtsverhoudingen. Die plegen afzonderlijk op hun toepasselijkheid te worden beoordeeld middels de leer van de voorrangsregels. [74]
lex causae. [75] Uit de considerans onder (32) van de Rome II-verordening blijkt dat de rechter alleen in uitzonderlijke omstandigheden een voorrangsregel kan toepassen. [76]