Conclusie
1.Inleiding
2.Het verloop van de zaak
3.De onherroepelijke veroordeling
proces-verbaal van bevindingenin verband met het aantreffen van het slachtoffer [slachtoffer] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 22-23 van dossier 1, sub 3, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
proces-verbaal van bevindingenbetreffende het verhoor van [getuige 1] en [getuige 2] i.v.m. de confrontatie met het slachtoffer [slachtoffer] e.v. [getuige 1] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan een opsporingsambtenaar (pag. 36 van dossier 2, sub 5, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
geschrift, zijnde een kopie van een
verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door [naam 3] , lijkschouwer van de gemeente Breda, d.d. 4 juli 1993. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (pag. 32 van dossier 2, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van bevindingenvan de sectie op het slachtoffer [slachtoffer] en het vrijgeven van het stoffelijk overschot, van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 35 van dossier 2, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorvan de getuige [getuige 3] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [getuige 3](pag. 121-123 van dossier 5, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorvan de getuige [getuige 2] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [getuige 2](pag. 182-185 van dossier 6, sub 1, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorvan de getuige [getuige 4] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [getuige 4](pag. 299-300 van dossier 8, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van bevindingenvan technisch onderzoek naar aanleiding van het op 4 juli 1993 in perceel [a-straat 1] te Breda aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw, van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 040793 1200 9104. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 41-93 van dossier 3, sub 1, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 4e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 3 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [veroordeelde 1][het hof leest als roepnaam: [veroordeelde 1] ] (pag. 669-674 van dossier 19, sub 10, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 5e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
rklaring van [veroordeelde 1](pag. 675-678 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 6e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
verklaring van [veroordeelde 1](pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 13e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 439-445 van dossier 13, sub 24, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 10e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 22 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 429-432 van dossier 13, sub 21, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 15e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 449-450 van dossier 13, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 16e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 14e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 3] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
verklaring van [veroordeelde 3][het hof leest als roepnaam: [veroordeelde 3] ] (pag. 573-576 van dossier 15, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
verklaring van de getuige [veroordeelde 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
De aard van hetnovum
novumals de grond voor herziening in deze zaken betreft een feitelijke omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat twee getuigen verklaringen hebben afgelegd, die – kort en zakelijk weergegeven – inhouden dat zij vanuit het bushokje waar zij zich bevonden, zicht hadden op de plaats delict en in de betreffende nacht van 3 op 4 juli 1993 niets bijzonders hadden gezien. Deze verklaringen van de zogenoemde “bushokjesgetuigen” [getuige 5] en [getuige 6] werden in 1993 opgenomen tijdens een zogenaamd buurtonderzoek dat deel uitmaakte van het eerste opsporingsonderzoek ( [onderzoek 1] ), en behoorden tot stukken die – zoals blijkt uit het rapport van het evaluatieteam CEAS – wel te vinden waren in het bij de politie behouden dossier (het “politiedossier”) doch die niet door de politie aan het Openbaar Ministerie waren gezonden (het “justitiedossier”) en mitsdien ook niet aan de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waren voorgelegd.
A-G: van bevindingen) te twijfelen.
a priori) bepaalde bevindingen (bijvoorbeeld de resultaten van verricht onderzoek naar DNA-sporen) bekend zijn, of erna (
a posteriori). De regel van Bayes geeft derhalve aan hoe de verhouding van de waarschijnlijkheden van de betreffende hypotheses verandert door de bevinding.
a posteriorikansverhouding met betrekking tot het door hem opgestelde schuldscenario (inhoudende dat één of meer van de verdachten bij het misdrijf is of zijn betrokken) 532 tegen 1 is. De kans op het onschuldscenario (inhoudende dat geen van de verdachten bij het misdrijf is betrokken) is volgens dr. Alkemade maximaal 0,2%.
NJ1998, 404, “Schoenmakersarrest”).
a priori) kansen van de bevindingen (betrouwbaar) kunnen worden vastgesteld dan wel ingeschat en welke expertise voor die vaststelling dan wel inschatting noodzakelijk is. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van voormelde methode en daarmee van de uit het gebruik van de methode voortvloeiende uitkomsten, naar de huidige stand van de wetenschap te onzeker is voor daadwerkelijke toepassing in een complexe strafzaak als de onderhavige.
eersteverhoor als verdachte op 11 april 1994 om 08.10 uur heeft [veroordeelde 2] belastend verklaard over [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de plaats delict en geeft zij aan dat zij hen op 5 juli 1993 in het pand aan de [b-straat 1] te Breda heeft gezien, bij welke gelegenheid haar is gevraagd wat zij wist van de moord op [slachtoffer] en wat zij had gezien. Zij is toen door [medeverdachte 3] bedreigd en haar is gezegd dat zij tegenover de politie een verhaal moest ophangen. Zij herkent op de haar getoonde foto’s [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
tweedeverhoor op 28 april 1994 verklaart zij dat zij wel iets weet, namelijk dat zij op de avond van het ten laste gelegde feit bij [getuige 9] aan de [b-straat 1] te Breda was en dat daar ook waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die later in die nacht thuis kwamen en zeiden dat een overval op een Chinees mislukt was.
gemiddeldis vanwege “compliance”, en zelfs
laagvanwege suggestibiliteit.
nadit tijdstip begaan.
geenDNA- of ander biologisch materiaal op de kleding of het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Hieruit volgt dat, nu genoemde gewelddadige dood buiten discussie staat, het als gegeven moet worden beschouwd dat de dader of daders kennelijk grof geweld hebben kunnen uitoefenen op het slachtoffer, zonder dat zij daarbij voor de politie vindbare (dactyloscopische, DNA- of haar-) sporen hebben achtergelaten. Aldus bezien kunnen de uitkomsten van het dactyloscopische, DNA- en haaronderzoek met betrekking tot de kleding van het slachtoffer als belastend noch als ontlastend voor de verdachten worden geduid.
NJ1988, 492). Voorwaarde is dan wel dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel gericht was, voldoende verband houdt met het gronddelict. Doorgaans kan, wederom volgens de Hoge Raad, een dergelijk verband worden aangenomen als het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict (HR 22 maart 2011,
NJ2011, 342, ECLI:NL:HR:2011:BO4471).
4.Het feitenonderzoek als bedoeld in art. 463 Sv Pro en de contra-expertise
lijktte gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd en die afkomstig
kanzijn van een bebloede (gewonde) persoon of bebloed object (
cursivering door mij, A-G). Op grond van de getoonde foto viel niet te zeggen of de bloedspat delictgerelateerd is. Een in te stellen onderzoek op het gebied van bloedspoorpatronen leek volgens Van der Scheer destijds niet opportuun. [25]
lijkthet een passieve bloedspat te zijn. Daarbij geeft het lichtrode egale bloedspoor de optische indruk dat het bloed nog niet is ingedroogd. Met andere woorden: het spoor
lijktnog niet te zijn ingedroogd. Uit de gekozen bewoordingen over het bloedspoor spreekt onzekerheid; een nadere duiding ten aanzien van de gradatie van onzekerheid is niet mogelijk, aldus Van der Scheer.
5.Het juridisch kader
6.De voorgedragen gronden voor herziening
rigor mortis(lijkstijfheid) en het tijdstip van overlijden. Volgens Alkemade levert de door de gemeentelijke lijkschouwer op 4 juli 1993 om 12.15 uur waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen een aanwijzing op voor een tijdstip van overlijden vóór 08.15 uur. [56]
rigor mortis(de met betrekking tot de eventuele relatie tot de in dat kader gedane observaties en het vermoedelijke tijdstip van overlijden daaronder begrepen) uit de rapportage van Alkemade te onderzoeken en beoordelen. [57] In dat verband heeft Van de Goot wel een afschrift van de rapportage van Alkemade ontvangen, maar niet (ook) een afschrift van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en het rapport van de gerechtelijke sectie. [58]
in het geheelgeen uitspraken kunnen worden gedaan over de ouderdom van de aangetroffen bloeddruppel. Dit oordeel van het hof is moeilijk te rijmen met de overwegingen van het hof over de indroogtijd en daarmee de delictgerelateerdheid van de bloeddruppel. Verder weeg ik mee dat blijkens het aanvullend rapport van Van der Scheer op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technieken geen nadere duiding kan worden gegeven over de mate waarin de bloeddruppel kan zijn ingedroogd en dat, zoals hiervoor opgemerkt bij de bespreking van de rapporten van het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek zal blijken, de thans uit die rapporten bekend geworden gegevens maken dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aangetroffen (DNA-)sporen van de onbekende Zuidoost-Aziatische man, waaronder de bloeddruppel (en bloedveeg), dadersporen betreffen.