ECLI:NL:PHR:2026:714

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
26/01943
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282 SrArt. 287 SrArt. 288 SrArt. 289 SrArt. 310 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening zaak Zes van Breda wegens nieuw forensisch bewijs en twijfel aan verklaringen

De zaak betreft de beruchte Zes van Breda, veroordeeld voor medeplegen van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag in 1994 en bevestigd in hoger beroep en cassatie. Nieuw forensisch onderzoek en deskundigenrapporten hebben geleid tot ernstige twijfels over de betrouwbaarheid van het bewijs en de verklaringen van de vrouwelijke verdachten.

De oorspronkelijke veroordeling was gebaseerd op belastende verklaringen van drie vrouwelijke verdachten en bewijsstukken waaronder verklaringen van getuigen en forensisch onderzoek uit de jaren 90. Nieuw DNA-onderzoek toonde aan dat bloedsporen en haren op de plaats delict en het slachtoffer afkomstig zijn van een onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst, wat niet strookt met de eerdere bewijsvoering.

Daarnaast is het tijdstip van overlijden door een nieuwe deskundige herbeoordeeld, waarbij geconcludeerd werd dat de eerdere schatting niet houdbaar is. Ook de verklaringen van zogenaamde bushokjesgetuigen, die niets bijzonders zagen, zijn opnieuw beoordeeld en blijken minder betrouwbaar dan aanvankelijk gedacht.

De verdediging voerde aan dat de belastende verklaringen onder druk en onjuiste omstandigheden zijn afgelegd, maar het hof verwierp dit verweer op basis van uitgebreid onderzoek. De procureur-generaal concludeert dat de nieuwe feiten en inzichten het ernstige vermoeden wekken dat de veroordeelden vrijgesproken zouden zijn als deze bekend waren geweest, en vordert herziening en verwijzing naar een ander hof.

Uitkomst: Procureur-generaal vordert herziening en verwijzing naar ander hof wegens nieuw forensisch bewijs en twijfel aan verklaringen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/01943 H
Zitting7 juli 2026
VORDERING TOT HERZIENING
P.M. Frielink
In de zaak
[veroordeelde 3] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de veroordeelde

1.Inleiding

1.1
Deze zaak staat ook wel bekend als “de Zes van Breda”. Bij onherroepelijk arrest in herziening van het hof Den Haag van 14 oktober 2015 (parketnummer 22-000261-13) heeft dit hof – met aanvulling en verbetering van gronden – een eerdere veroordeling van de veroordeelde gehandhaafd. Dat betreft de veroordeling door de rechtbank Breda bij vonnis van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208-94) voor – kort gezegd – het medeplegen van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag [1] tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest.
1.2
Ik vorder dat de Hoge Raad der Nederlanden in deze zaak de herziening zal gelasten van de bovengenoemde onherroepelijke uitspraak van het hof Den Haag.
1.3
De aanleiding tot deze vordering is gelegen in herzieningsaanvragen die door de verdediging van de drie mannelijke gewezen verdachten, G.G.J.A. Knoops en C.J. Knoops-Hamburger, beiden advocaat in Amsterdam, zijn ingediend. In die zaken concludeer ik vandaag tot gegrondverklaring van de aanvragen tot herziening. Vier van de vijf in die aanvragen opgevoerde herzieningsgronden leveren naar mijn mening niet alleen een novum op in die zaken, maar ook in de zaken van de drie vrouwelijke gewezen verdachten. Ook voor hen geldt dat die nova het ernstige vermoeden wekken dat de rechter de veroordeelde vrouwen zou hebben vrijgesproken als hij destijds met die gegevens bekend was geweest. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat namens de veroordeelde vrouwen niet ook een herzieningsverzoek is ingediend, heb ik elk van hen per brief geïnformeerd over de ontvangen herzieningsaanvragen van de mannelijke gewezen verdachten. In die brief heb ik erop gewezen dat als ik tot de conclusie zou komen dat die aanvragen zouden moeten worden toegewezen, die eventuele uitkomst ook voor hen van belang zou kunnen zijn. Tegen die achtergrond heb ik hen gevraagd wat zij ervan zouden vinden als ik in dat geval door middel van een vordering tot herziening hun zaken zou betrekken in de lopende herzieningsprocedure.
1.4
De veroordeelde in deze zaak heeft mij telefonisch te kennen gegeven dat zij een dergelijke vordering ondersteunt. Ik merk op dat de veroordeelde het telefoongesprek met mij voerde in aanwezigheid van de raadsman die haar in de strafzaak heeft bijgestaan. Na afloop van het telefoongesprek heeft hij het standpunt van de veroordeelde, voor wie hij in deze herzieningszaak als contactpersoon optreedt, per mail bevestigd.
1.5
Voor een beter begrip van de vordering en de gronden hiervan zal ik eerst de voorgeschiedenis van de zaak schetsen.

2.Het verloop van de zaak

2.1
Uit de stukken van het geding kan over het verloop van de zaak het volgende worden opgemaakt.
2.2
Op 4 juli 1993 omstreeks 11:00 uur werd door de politie op de vloer van de keuken van het Chinees-Indisch restaurant “Peacock”, gevestigd aan de [a-straat 1] in Breda, het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] , ook wel ‘ [slachtoffer] ’ genoemd. Het slachtoffer was de vrouw/moeder van de eigenaren van het restaurant. Zij bleek met grof geweld om het leven te zijn gebracht. Er waren diverse sieraden en sleutels weggenomen. De gokkast in de hal van het restaurant was opengebroken en de geldlade lag op de grond. Het slachtoffer had in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in de elders in Breda gelegen woning van één van haar zoons geslapen om op haar kleinkinderen te passen. De zoon en schoondochter van het slachtoffer waren die nacht niet in hun woning aanwezig. Op 4 juli 1993 verrichtte de politie een buurtonderzoek. Eén van de in dat kader gehoorde getuigen, te weten één van de vrouwelijke gewezen verdachten, verklaarde dat zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 drie personen voor het restaurant had gezien. Twee maanden later, op 9 september 1993 werd het politieonderzoek (“ [onderzoek 1] ”) gesloten.
2.3
Een half jaar later, op 18 maart 1994, ontving de politie van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID) informatie dat meerdere met naam genoemde verdachten in 1993 betrokken waren geweest bij een overval in Breda. Daarbij was een Chinese vrouw om het leven gekomen. Naar aanleiding van deze informatie werd het opsporingsonderzoek (“ [onderzoek 2] ”) heropend. Drie mannen, te weten [medeverdachte 1] (bijgenaamd “ [medeverdachte 1] ”) [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , en drie vrouwen, te weten [veroordeelde 2] , [veroordeelde 1] en [veroordeelde 3] , werden als verdachten aangehouden. Omwille van de leesbaarheid worden de drie mannelijke gewezen verdachten hierna aangeduid als [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en de drie vrouwelijke gewezen verdachten als [veroordeelde 2] , [veroordeelde 1] en [veroordeelde 3] .
2.4
Op 2 november 1994 veroordeelde de rechtbank Breda de drie mannen voor – kort gezegd – het medeplegen van gekwalificeerde doodslag [2] . Eerder dat jaar veroordeelde de rechtbank de drie vrouwen al voor de medeplichtigheid aan dit misdrijf, te weten op 26 juli 1994 [veroordeelde 2] en [veroordeelde 1] en op 11 oktober 1994 [veroordeelde 3] . [3]
2.5
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [veroordeelde 1] stelden hoger beroep in. Op 11 juli 1995 veroordeelde het hof Den Bosch hen opnieuw. [4]
2.6
Vervolgens stelden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] beroep in cassatie in. Op 10 september 1996 verwierp de Hoge Raad de door hen ingestelde cassatieberoepen. [5]
2.7
[medeverdachte 1] heeft enige tijd na de afloop van zijn gevangenisstraf zijn veroordeling onder de aandacht gebracht van het project “Gerede Twijfel”. Dit betrof een onderzoeksproject binnen de juridische faculteit van de Universiteit van Maastricht en onder de noemer “Project Gerede Twijfel Antenne VU” ook van de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU). Een projectgroep van de VU heeft zich onder begeleiding van rechtspsycholoog prof. dr. P.J. van Koppen en criminoloog prof. dr. H. Nelen gebogen over deze zaak. De door deze projectgroep getrokken conclusie hield in dat gerede twijfel bestaat aan de juistheid van de veroordeling van [medeverdachte 1] . Vervolgens heeft Van Koppen zich gewend tot de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS) [6] met een verzoek tot het instellen van een onderzoek als bedoeld in art. 2 van Pro het Instellingsbesluit CEAS (oud). [7] Nadat de toegangscommissie van de CEAS het Openbaar Ministerie had verzocht aanvullend DNA-onderzoek (van destijds op de plaats delict aangetroffen en nog bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) voorhanden zijnde sporenmateriaal) te laten verrichten, zijn de resultaten van dit aanvullend onderzoek onder de aandacht gebracht van het College van procureurs-generaal. Het College van procureurs-generaal heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad verzocht te beoordelen of er aanleiding is voor het indienen van een vordering als bedoeld in art. 458 lid Pro 1 (oud) Sv.
2.8
Onder leiding van advocaat-generaal bij de Hoge Raad Aben is vervolgens een evaluatieonderzoek verricht in het kader waarvan nieuw forensisch-technisch onderzoek is uitgevoerd, naspeuringen naar ontbrekende onderdelen van het dossier en ontbrekende stukken van overtuiging zijn gedaan en verklaringen zijn opgenomen van betrokkenen, getuigen en destijds met het opsporingsonderzoek belaste personen. In dat kader zijn onder anderen [veroordeelde 2] , [veroordeelde 1] en [veroordeelde 3] geïnterviewd.
2.9
Op 5 juni 2012 heeft A-G Aben een vordering strekkende tot herziening van de veroordelingen van alle zes gewezen verdachten ingediend. De vordering berust op negen nova als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder 2, Sv (oud) en is gebaseerd op de resultaten van het aanvullend onderzoek en het evaluatieonderzoek. [8]
2.1
De Hoge Raad heeft op 26 juni 2012 een tussenarrest gewezen. [9] De reden daarvoor vormde de vermelding in randnr. 8.2.1 van de vordering tot herziening, voor zover inhoudende dat “geen van de drie vrouwen ook maar enige belangstelling heeft getoond voor een herziening van hun veroordelingen.” De Hoge Raad achtte het tegen die achtergrond van belang ten aanzien van elk van de zes gewezen verdachten te kunnen vaststellen dat een herzieningsprocedure niet tegen hun wil in zou gaan en wenste daarover nader te worden geïnformeerd.
2.11
Naar aanleiding van het op 26 juni 2012 uitgesproken tussenarrest heeft A-G Aben een schriftelijke aanvulling op zijn vordering overgelegd. [10] In deze aanvulling wordt geconcludeerd dat uit de door hem gevoerde gesprekken met de gewezen verdachten en/of hun advocaten blijkt dat de vordering tot herziening niet tegen de wil van de gewezen verdachten ingaat.
2.12
Op 18 december 2012 heeft de Hoge Raad de vordering tot herziening van alle zaken gegrond verklaard vanwege een gegeven als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv en de zaken verwezen naar het hof Den Haag, opdat de zaken op de voet van art. 472 lid 2 Sv Pro opnieuw zouden worden behandeld en afgedaan. [11] De Hoge Raad is tot dit oordeel gekomen op basis van verklaringen van twee getuigen die wel in het bij de politie achtergebleven politiedossier zaten, maar niet in het dossier dat destijds aan het Openbaar Ministerie en de rechter ter beschikking was gesteld. Deze twee getuigen zouden in de nacht van 3 op 4 juli 1993 tussen ongeveer 02.30 uur en 04.30 uur in een bushokje hebben gezeten met zicht op de onmiddellijke omgeving van de voorkant van het restaurant waarin het slachtoffer om het leven is gebracht. Zij hebben verklaard in dat tijdvak niets bijzonders te hebben gezien. De verklaringen van deze ‘bushokjesgetuigen’ leken volgens de Hoge Raad in tegenspraak met de voor het bewijs gebruikte verklaringen van de vrouwelijke gewezen verdachten. Daarmee was voldaan aan het wettelijke criterium van een ernstig vermoeden dat de rechters tot een andere beslissing zouden zijn gekomen als zij de verklaringen van de ‘bushokjesgetuigen’ hadden gekend.
2.13
Op 14 oktober 2015 heeft het hof Den Haag ten aanzien van vier van de gewezen verdachten de eerdere beslissingen van het hof Den Bosch en ten aanzien van twee van de gewezen verdachten de eerdere beslissingen van de rechtbank Breda gehandhaafd, met aanvulling en verbetering van de gronden. [12] Het Haagse hof achtte, evenals de rechtbank Breda en het hof Den Bosch, de bekennende en belastende verklaringen van [veroordeelde 2] , [veroordeelde 1] en [veroordeelde 3] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Het novum, de verklaringen van de zogenoemde ‘bushokjesgetuigen’, dat de directe aanleiding was voor de herziening, had in de visie van het hof Den Haag na nader onderzoek geen wezenlijk nieuw licht op de zaken geworpen. Hetzelfde gold voor de forensische bevindingen ten aanzien van de destijds ter plaatse aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg, waarvan volgens het hof niet kon worden vastgesteld dat deze delictgerelateerd waren. Het hof liet de eerdere veroordelingen in stand. De gewezen verdachten hebben hiertegen beroep in cassatie ingesteld.
2.14
A-G Harteveld heeft in alle zaken geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden arresten en tot terugwijzing van de zaken naar een aangrenzend hof opdat de zaken opnieuw zouden worden berecht en afgedaan. [13]
2.15
De Hoge Raad oordeelde anders en heeft op 19 december 2017 de cassatieberoepen van de gewezen verdachten verworpen. [14]
2.16
Op 18 december 2019 heeft W. Korver, advocaat-generaal bij het ressortsparket, locatie Den Bosch, op verzoek van de verdediging het NFI verzocht een inventarisatie uit te voeren van onderzoeksmateriaal uit de strafzaak dat op het NFI is bewaard.
2.17
Op 27 augustus 2020 heeft een bijeenkomst plaatsgevonden van het NFI, het ressortsparket en Knoops’ Advocaten. De uitkomst van deze bijeenkomst was de overkoepelende onderzoeksvraag of nieuw forensisch-technisch onderzoek aan nog beschikbaar onderzoeksmateriaal informatie zou kunnen opleveren die (op bronniveau) inzicht geeft van wie de in deze zaak veiliggestelde biologische sporen afkomstig zijn. Afgesproken is dat het NFI in een rapport zal aangeven wat de mogelijkheden voor aanvullend technisch onderzoek zijn.
2.18
Het NFI heeft in een rapport van 9 november 2021 een niet uitputtende opsomming gegeven van een aantal mogelijkheden voor aanvullend onderzoek. [15] Het NFI concludeert in dat rapport dat er in deze zaak meerdere onderzoeksmogelijkheden bestaan voor (1) vergelijkend mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA-onderzoek) dat destijds ook mogelijk was, maar niet is uitgevoerd en (2) onderzoeksmogelijkheden met nieuwe, gevoeligere technieken die destijds nog niet beschikbaar waren. Volgens het NFI kan aanvullend DNA-onderzoek leiden tot (1) het verkrijgen van DNA-profielen uit sporen waar dat met technieken van destijds niet is gelukt, (2) het verkrijgen van meer genetische informatie van onbekende personen in DNA-mengprofielen en (3) het via vergelijkend DNA-onderzoek vaststellen van wie zowel nieuwe als eerder verkregen DNA-profielen afkomstig kunnen zijn.
2.19
Bij brieven van 3 februari 2022 ( [medeverdachte 1] ) [16] en 7 april 2022 ( [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) [17] heeft de verdediging zich gewend tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad met een verzoek tot het verrichten van nader feitenonderzoek als bedoeld in art. 461 lid 1 Sv Pro naar het bestaan van een grond voor herziening van de veroordelingen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
2.2
Advocaat-generaal bij de Hoge Raad Hofstee heeft op grond van art. 462 Sv Pro namens de procureur-generaal de verzoekschriften van de verdediging ter advisering doorgeleid aan de Adviescommissie afgesloten strafzaken (ACAS). [18] Op 16 januari 2023 heeft de ACAS advies uitgebracht. [19] De ACAS concludeert dat nader forensisch onderzoek zoals genoemd in het rapport van het NFI van 9 november 2021 in beginsel wenselijk is en adviseert met inschakeling van één of meer (DNA-)deskundige(n) de mogelijkheden daartoe te verkennen. Indien de uitkomsten van nader forensisch onderzoek daartoe aanleiding geven, adviseert de ACAS alle relevante stukken over het aantreffen en schouwen van het slachtoffer in handen te stellen van een medisch-forensisch deskundige voor nader onderzoek naar de tijdspanne van overlijden en de vraag of de inschatting daarvan destijds door de schouwarts naar huidig wetenschappelijk inzicht bruikbaar is of niet.
2.21
Op 26 februari 2023 heeft A-G Hofstee de verdediging medegedeeld dat hij overeenkomstig het advies van de ACAS en de daarvoor door haar gegeven gronden zal overgaan tot het door de verdediging verzochte nader feitenonderzoek. [20] Dit (en ander) onderzoek is uitgevoerd. Op 27 november 2025 heeft de rechter-commissaris een afsluitend proces-verbaal van bevindingen opgemaakt. Op de resultaten van het nader feitenonderzoek kom ik later (in randnr. 4) terug.
2.22
Bij schrifturen van 12 november 2025 heeft de verdediging herzieningsverzoeken ingediend tegen de veroordelende arresten van het hof Den Haag van 14 oktober 2015 in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .

3.De onherroepelijke veroordeling

3.1
Ten laste van [veroordeelde 3] is door het hof Den Haag bij arrest van 14 oktober 2015 – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank Breda van 11 oktober 1994 – bewezenverklaard dat:
“ [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda opzettelijk [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) van het leven heeft/hebben beroofd,
immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] opzettelijk
- die [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) gewurgd en
- tegen het lichaam geschopt/gestompt/geslagen en
- met een of meer voorwerpen geslagen
ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd vergezeld en voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten:
A. wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 Sr Pro) daarin bestaande dat:
die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda, opzettelijk [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en beroofd gehouden, immers heeft/hebben die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] ,
- die [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) gedwongen in een auto plaats te nemen en
- haar gedwongen in die auto te blijven en
- haar in die auto vervoerd naar restaurant “Peacock” en
- haar aldaar gedwongen middels geweld en dreiging met geweld daar te verblijven,
en
B. diefstal in vereniging (art. 310, 311, 312 [Sr]), daarin bestaande dat:
die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] , in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen
- een hoeveelheid geld (afkomstig uit de gokautomaat van restaurant “Peacock”) toebehorende aan anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2]
en waarbij die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 3] en/of die [medeverdachte 2] de weg te nemen hoeveelheid geld onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht d.m.v. braak van de gokkast
en welke diefstal van geld werd voorafgegaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), gepleegd met het oogmerk die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat
die [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), onder bedreiging van een schietwapen werd gedwongen de sleutels van het restaurant “Peacock” af te staan,
en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers straffeloosheid te verzekeren;
bij het plegen van welk misdrijf verdachte, tezamen en in vereniging met anderen in de nacht van 3 op 4 juli 1993 te Breda opzettelijk behulpzaam is geweest door:
- die [slachtoffer] ( [slachtoffer] ) middels een voorwendsel te bewegen het huis waarin zij zich bevond te verlaten en
- haar te brengen/duwen/trekken in de richting van een auto met de daders.”
3.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door het hof Den Haag gebezigde bewijsmiddelen:
“1. Een
proces-verbaal van bevindingenin verband met het aantreffen van het [slachtoffer] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 22-23 van dossier 1, sub 3, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
Op zondag 4 juli 1993 te 10.58 uur kregen wij de opdracht te gaan naar de [a-straat 1] , restaurant Peacock, alwaar sprake zou zijn van een gepleegde inbraak. Tevens zou er mogelijk een dode vrouw in het pand liggen.
Op 4 juli 1993 te 11.00 uur kwamen wij ter plaatse op de [a-straat 1] te Breda. Wij zijn restaurant Peacock binnengegaan.
In de hal naar de keuken zagen wij dat een gokkast opengebroken was. We zagen dat er scherven op de grond lagen.
Vervolgens zijn wij naar het kookgedeelte gelopen.
Wij zagen dat op de vloer ruggelings een vrouw lag, die kennelijk was overleden.
2. Een
proces-verbaal van bevindingenbetreffende het verhoor van [getuige 1] en [getuige 2] i.v.m. de confrontatie met het [slachtoffer] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan een opsporingsambtenaar (pag. 36 van dossier 2, sub 5, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
Op 4 juli 1993 zijn in het Chinees restaurant Peacock aan de [a-straat 1] te Breda twee personen geconfronteerd met het in dat restaurant aangetroffen stoffelijk overschot. Deze personen betroffen:
1. [getuige 2] , zijnde de kok van restaurant Peacock voomoemd en aldaar werkzaam;
2. [getuige 1] , zijnde de echtgenoot van het slachtoffer.
Nadat beide personen met het stoffelijk overschot van de vrouw waren geconfronteerd, verklaarden zij ieder dat zij daarin de in leven genaamd zijnde vrouw [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] , herkenden.
3. Een
geschrift, zijnde een kopie van een
verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door J.W.M.M. de Veth, lijkschouwer van de gemeente Breda, d.d. 4 juli 1993. Dit geschrift houdt onder meer in – zakelijk weergegeven – (pag. 32 van dossier 2, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
Ondergetekende verklaart het lijk van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1936 te [geboorteplaats] , overleden op 4 juli 1993, persoonlijk te hebben geschouwd en er niet van overtuigd te zijn, dat de dood door een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Bij de lijkschouw ter plaatse om 12.15 uur waren mijn bevindingen:
- verwondingen aan het hoofd;
- brilhematoom;
- bloedverlies uit neus, mond en [het hof leest in, mede gelet op het proces-verbaal van technisch onderzoek naar aanleiding van het op 4 juli 1993 in perceel [a-straat 1] te Breda aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw, van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, d.d. 7 juli 1993, pag. 51 van dossier 3, sub 1, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”:] linkeroor;
- met de hand voelbare daling van de lichaamstemperatuur;
- beginnende lijkstijfheid aan de armen.
Tijdstip van overlijden: korter dan 8 uur tevoren en langer dan 4 uur tevoren.
Bij de uitwendige lijkschouw die om 16.45 uur plaatsvond in het mortuarium waren mijn bevindingen:
- lijkvlekken;
- gezwollen rood gelaat;
- puntvormige bloedinkjes in de hals/nek, in het gelaat en aan de binnenzijde van de oogleden, ten gevolge van verstikking;
- in de hals een horizontale streepvormige afdruk van een (mogelijk stomp) voorwerp, mogelijk passend bij een voorwerp gebruikt voor verwurging;
- op het achterhoofd een kale plek ter grootte van een gulden, aan de rand een puntvormige verwonding welke gebloed heeft. Ter plaatse hiervan maar dan onder de behaarde hoofdhuid een impressie in de schedel ter grootte van een gulden;
- op diverse plaatsen blauwe plekken.
4. Een
proces-verbaal van bevindingenvan de sectie op het [slachtoffer] en het vrijgeven van het stoffelijk overschot, van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 35 van dossier 2, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
Op 5 juli 1993 is het stoffelijk overschot van [slachtoffer] ter sectie overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk. Op 5 juli 1993 werd door de patholoog anatoom dr. Voortman een aanvang genomen met de sectie op het stoffelijk overschot van [slachtoffer] . Door dr. Voortman werd de navolgende voorlopige conclusie gegeven van zijn bevindingen: “De sectiebevindingen wijzen op verstikking als doodsoorzaak, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch, hevig samendrukkend geweld op de hals (passend bij wurging of wurggreep). Daarbij had uitwendig mechanisch botsend en samendrukkend geweld op hoofd, borstkas en bovenste deel buik ingewerkt, waardoor onder meer beiderzijds verscheidene ribbreuken waren veroorzaakt. Door overstrekking van de halswervelkolom (bijvoorbeeld doordat het hoofd heftig naar achteren slaat) was beschadiging van de halswervelkolom aan de voorzijde ontstaan”.
5. Een
proces-verbaal van verhoorvan de [getuige 3] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 4 juli 1993 tegenover een opsporingsambtenaar afgelegde
verklaring van [getuige 3](pag. 121-123 van dossier 5, sub 4, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
Ik ben restauranthouder van het Chinees restaurant “Peacock”, gevestigd aan de [a-straat 1] te Breda. Mijn moeder is genaamd [slachtoffer] .
6. Een
proces-verbaal van verhoorvan de [getuige 2] van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 4 juli 1993 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [getuige 2](pag. 182-185 van dossier 6, sub 1, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
Ik werk in restaurant “Peacock” gevestigd aan de [a-straat 1] te Breda.
Vandaag, 4 juli 1993, ben ik naar het restaurant gereden. Ik ben toen naar de ingang van het restaurant gelopen. De deur was niet op slot. Ik ben naar binnen gegaan. Toen ik binnen was, liep ik direct richting de keuken. Op mijn weg naar de keuken zag ik dat er iets met de gokautomaat was. Ik zag dat voor de automaat een bakje op de grond lag. Dit was een bakje, afkomstig uit die automaat, waar het geld altijd in zit. Ik liep door naar de keuken en ging die binnen.
Toen ik verder de keuken inkeek, zag ik dat er iemand op de grond lag. Ik zag direct dat het [slachtoffer] , de moeder van de eigenaar van het restaurant, [het hof begrijpt: [slachtoffer] , echtgenote van [getuige 1] ] was.
7. Een
proces-verbaal van verhoorvan de [getuige 4] , van de gemeentepolitie Breda, afdeling centrale recherche, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 7 juli 1993 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [getuige 4](pag. 299-300 van dossier 8, sub 2, van ordner 1 politie-pvb “Peacock”):
Ik ben werkzaam als exploitatiemanager bij de firma [A] te [plaats] . Ik kom bij restaurant Peacock sinds oktober 1990. Ik bezoek de zaak om de veertien dagen.
Toen ik daar voor het laatst op 26 juni 1993 was geweest, was de speelautomaat in orde. Er was geen braakschade.
De door u bedoelde speelautomaat staat bij Peacock drie maanden in de zaak. Ik ben de enige die bij hem de geldladen leeghaalde.
De gemiddelde opbrengst per veertien dagen is ongeveer tussen de fl. 750,- en fl. 1.100,-.
8. Een
proces-verbaal van bevindingenvan technisch onderzoek naar aanleiding van het op 4 juli 1993 in perceel [a-straat 1] te Breda aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw, van het Korps Rijkspolitie, district Breda, afdeling technische recherche, d.d. 7 juli 1993, met proces-verbaalnummer 040793 1200 9104. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 41-93 van dossier 3, sub 1, van ordner 1 politie- pvb “Peacock”):
Op 4 juli 1993 werd door ons een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van een vrouw in het Chinees restaurant “Peacock” gevestigd in perceel [a-straat 1] te Breda.
Door ons, opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , werd een onderzoek ingesteld in de ruimte bestemd voor klanten van afhaalmaaltijden. Daar bevond zich een speelautomaat. De onderste klep aan de voorzijde van de kast bleek opengewrikt te zijn. Deze klep lag voorover op de vloer. De drie geldbakken die onderin de kast hadden gestaan, werden links naast de kast op de vloer aangetroffen. Deze bakken bleken leeg te zijn.
9. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 4e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 3 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 3 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 1][het hof leest als roepnaam: [veroordeelde 1] ] (pag. 669-674 van dossier 19, sub 10, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
Een à twee weken voor de dag van de overval op het Chinees restaurant “Peacock” in de [a-straat] te Breda, bevond ik mij op de kamer van [getuige 23] [het hof leest: [getuige 23] ] aan de [d-straat 1] te Breda. De volgende personen waren daar toen ook: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] [het hof leest: [veroordeelde 3] ].
We hebben toen gezamenlijk wat gekletst. Tijdens een van die gesprekken werd toen een voorstel gedaan over een overval op het Chinees restaurant “Peacock”. Het werd door iedereen serieus opgepakt. We waren er allemaal van overtuigd dat er voldoende te halen was bij dit restaurant. Tijdens het gesprek is er uiteindelijk een plan ontstaan. Dit plan is in de daaropvolgende dagen uitgewerkt. De volgende personen zijn serieus met de voorbereiding verdergegaan: Ikzelf, [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Als ik spreek over ‘de jongens’ dan bedoel ik daarmee [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] voomoemd.
De jongens zouden het uiteindelijke plan bedenken en het vervoer regelen. In de weken voorafgaand aan de overval hebben wij veelvuldig over het plan gesproken. Het uiteindelijke plan was als volgt. De buit moest bestaan uit waardevolle spullen en geld. De jongens moesten naar binnen in het pand. Iemand moest ervoor zorgen dat er een werknemer van het restaurant bij het pand zou komen om het alarm uit te schakelen. De jongens zouden dan naar binnen gaan. Het pand zou dan doorzocht worden op de aanwezigheid van kostbare goederen en geld. Daarna zouden we terugkeren naar de [d-straat 1] te Breda. De gestolen spullen zouden vervolgens verkocht worden. De opbrengst zou dan verdeeld worden onder ons allen.
Begin juli 1993 is het tot een uiteindelijke uitvoering gekomen.
‘s-Nachts hebben [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] een Chinees vrouwtje mee naar binnen genomen in het restaurant “Peacock”. Ik ben toen op de uitkijk blijven staan.
Na ongeveer een half uur kwamen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar buiten gerend. Ze waren zichtbaar opgewonden. Met een bloedgang zijn ze in de auto gestapt. Ik ben ook in deze auto gestapt. Toen zijn we met hoge snelheid weggereden.
10. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 5e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 4 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 4 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde ve
rklaring van [veroordeelde 1](pag. 675-678 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
Bij de voorbereidingen op de overval op het Chinees restaurant “Peacock” te Breda waren ikzelf, [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] [het hof leest: [veroordeelde 3] ], [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken. We hebben diverse keren met elkaar gesproken over het uiteindelijke plan voor de overval Er zijn toen wat afspraken gemaakt. De jongens, ik bedoel hiermee [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , hebben hierbij een belangrijke rol gespeeld. Omdat we ervan uitgingen dat het restaurant voorzien was van een alarminstallatie, werd gezocht naar een mogelijkheid om het restaurant binnen te komen. Hiervoor werd de volgende oplossing gevonden. Ergens in de omgeving van het restaurant zou een Chinees vrouwtje wonen. Dit vrouwtje had de sleutels van het restaurant. Het was een oudere vrouw en we hadden dus weinig weerstand van haar te verwachten. De vrouw zou goedschiks dan wel kwaadschiks mee naar het restaurant worden genomen. [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zouden met de auto in de buurt blijven. Indien de vrouw zou tegenstribbelen, kon ze met de auto worden afgevoerd.
Uiteindelijk hebben de jongens besloten de overval te plegen in de nacht van zaterdag 3 juli op zondag 4 juli 1993. We hebben toen om twee uur ‘s-morgens bij restaurant “Peacock” afgesproken. Omstreeks dit tijdstip ben ik met [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in een auto gestapt. Vervolgens zijn we met zijn vieren naar de [a-straat] gereden. Aangekomen op de [a-straat] heeft [medeverdachte 3] de auto geparkeerd op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant “Peacock”. We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] . Zij kwamen namelijk op eigen gelegenheid naar “Peacock”. Tegen vier uur kwamen [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] aangereden.
Ik ben vervolgens met [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] de Chinese vrouw gaan halen. We zijn te voet naar de vrouw gelopen. Vanaf het restaurant “Peacock” zijn we naar de woning gelopen.
Aangekomen bij het huis heeft [veroordeelde 3] aangebeld. Ik stond op een afstand van ongeveer twee à drie meter van deze deur. [veroordeelde 2] stond naast [veroordeelde 3] . Na korte tijd ging het licht in de gang aan. Het Chinese vrouwtje opende vervolgens de voordeur. Het vrouwtje was gekleed in nachtkleding. Het vrouwtje werd met enige drang mee naar buiten genomen. Vervolgens zijn we in de richting van het restaurant “Peacock” gelopen. [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] hielden de vrouw bij haar armen vast. De vrouw begon zich daartegen te verzetten. Een van de jongens heeft de vrouw toen met geweld achter in de auto geduwd.
Vervolgens zijn [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met de auto in de richting van de vrouw gereden. De vrouw werd toen met geweld achterin de auto geduwd.
Inmiddels stond de auto met het vrouwtje voor de ingang van het restaurant. Vervolgens zag ik dat [medeverdachte 3] het vrouwtje bedreigde met een vuurwapen. Ook de andere jongens hebben haar bedreigd. Ze werd toen gedwongen naar de deur van het restaurant te lopen. Het vrouwtje werkte echter niet mee. Ze werd toen door [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] diverse keren opzettelijk met kracht geslagen. Door het gebruikte geweld kwam de vrouw ten val. Toen de vrouw op de grond lag, werd zij hard getrapt door [medeverdachte 2] . Vervolgens hebben de jongens de vrouw omhoog getrokken. Korte tijd later werd de deur geopend. Vervolgens hebben [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de vrouw mee naar binnen genomen. Ik ben op de uitkijk gaan staan.
11. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 6e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 1] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 5 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
Door ons werden aan verdachte de volgende foto’s getoond:
- nr. 94 BRDA 03 102, [medeverdachte 2] , [geboortedatum] /1975;
- nr. 92GP BRDA 10 227, [medeverdachte 3] , [geboortedatum] /1975;
- nr. 92GP BRDA 11 316, [medeverdachte 1] , [geboortedatum] /1974
als de op 5 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 1](pag. 679-680 van dossier 19, sub 11, van ordner 3 politie-pvb “Peacock”):
U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 03 102. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 2] .
U toont mij een foto voorzien van nummer 92GP BRDA 10 227. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 3] .
U toont mij een foto voorzien van nummer 92GP BRDA 11 316. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 1] , bijgenaamd [medeverdachte 1] .
12. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 13e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 28 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 439-445 van dossier 13, sub 24, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
Een tot twee weken voor 3 juli 1993 was ik bij [getuige 23] aan de [d-straat 1] te Breda op visite. Die avond vond een gesprek plaats tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Uit dit gesprek bleek dat men van plan was om in te breken aan de [a-straat] te Breda. Er werden afspraken gemaakt over wat er allemaal gedaan moest worden. [veroordeelde 1] moest bij deze inbraak op de uitkijk staan.
Met betrekking tot de nacht van 3 op 4 juli 1993 kan ik het volgende verklaren.
Omstreeks 04.30 uur kwam ik met [veroordeelde 3] de [a-straat] in gereden. Ik zag dat voor restaurant “Peacock” een auto stond. Ik zag dat bij deze auto stonden de mij bekende [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] .
Op het moment dat [veroordeelde 3] en ik de auto passeerden, zag ik dat [veroordeelde 1] in deze auto zat. Ook zag ik dat [medeverdachte 1] in de auto zat.
Hierna zijn [veroordeelde 3] , [veroordeelde 1] en ik naar de straat tegenover de [a-straat] gelopen. Wij zijn naar een woning gelopen. Er werd bij deze woning aangebeld. Ik zag dat een Chinese vrouw opendeed. Dit was dezelfde vrouw als die ik wel eens bij restaurant “Peacock” had gezien.
[veroordeelde 3] en ik hebben tegen de vrouw gezegd dat ze mee moest komen naar het restaurant. [veroordeelde 1] heeft vervolgens de vrouw vastgepakt en trok deze vrouw mee in de richting van de [c-straat] . Een stukje verder, in dezelfde straat, zag ik de auto staan. Ik zag dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in de auto zaten.
[veroordeelde 3] , [veroordeelde 1] en ik zijn vervolgens te voet naar de Jorisstraat gelopen. Ik zag de auto wegrijden naar de Jorisstraat. Toen wij vlakbij het restaurant waren, zag ik dat de vrouw uit de auto was. Ik zag dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] ook uitgestapt waren. Ik zag dat zij geschopt en geslagen werd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
13. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 10e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 22 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 22 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 429-432 van dossier 13, sub 21, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
Ik zag dat [medeverdachte 1] karatetrappen maakte in de richting van de Chinese vrouw. Ik zag dat [medeverdachte 1] hierbij de vrouw over het gehele lichaam raakte. Ik zag dat [medeverdachte 2] met tot vuisten gebalde handen de Chinese vrouw in haar maag stompte. Ook sloeg hij haar op haar bovenlichaam. Plotseling zag ik dat [medeverdachte 3] onder zijn kleding vandaan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp pakte. Ik zag dat hij dit vuurwapen tegen de slaap van de Chinese vrouw drukte. [medeverdachte 3] zei tegen de Chinese vrouw dat zij mee moest werken. Ook vroeg [medeverdachte 3] aan de Chinese vrouw om de sleutels af te geven. Ik zag op een gegeven moment dat [medeverdachte 1] een sleutelbos in zijn handen hield, waarmee hij naar de toegangsdeur van het afhaalgedeelte van het Chinese restaurant liep.
14. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 15e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 6 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 449-450 van dossier 13, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
Ten tijde van het gebeurde in de nacht van 3 op 4 juli 1993 heb ik niets gezien of gehoord van een buit. Later hoorde ik dat ze geld hadden buit gemaakt.
15. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 16e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 2] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 6 mei 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als
relaasvan opsporingsambtenaren (pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
Door ons werden aan verdachte de volgende foto’s getoond:
- nr. 92GP BRDA 10227, [medeverdachte 3] , [geboortedatum] /1975;
- nr. 92GP BRDA 11316, [medeverdachte 1] , [geboortedatum] /1974;
- nr. 94 BRDA 03 102, [medeverdachte 2] , [geboortedatum] /1975;
- nr. 94 BRDA 04 151, [veroordeelde 3] , [geboortedatum] /1973;
- nr. PL1500 94 0274, [veroordeelde 1] , [geboortedatum] /1975
als de op 6 mei 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 2](pag. 451-452 van dossier 13, sub 27, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
U toont mij een foto voorzien van nummer 92 GP BRDA 10 227. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 3] .
U toont mij een foto voorzien van nummer 92 GP BRDA 11 316. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 1] , bijgenaamd [medeverdachte 1] .
U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 03 102. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [medeverdachte 2] .
U toont mij een foto voorzien van nummer 94 BRDA 04 151. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [veroordeelde 3] .
U toont mij een foto voorzien van nummer PL1500 94 0274. De persoon hierop herken ik als de mij bekende [veroordeelde 1] .
16. Een
proces-verbaal van verhoorinhoudende het 14e verhoor [van] verdachte [veroordeelde 3] , van politiedistrict Breda, team Zuid Oost, bijstandsteam Noord-Brabant West, d.d. 28 april 1994, met proces-verbaalnummer 04/07/93-44. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven –:
als de op 28 april 1994 tegenover opsporingsambtenaren afgelegde
verklaring van [veroordeelde 3][het hof leest als roepnaam: [veroordeelde 3] ] (pag. 573-576 van dossier 15, sub 26, van ordner 2 politie-pvb “Peacock”):
Toen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het restaurant “Peacock” binnengingen, duwden zij die vrouw met geweld voor zich uit naar binnen. [veroordeelde 2] en ik zijn ook naar binnengegaan.
Ik liep door de keukendeur de keuken binnen.
Op dat moment zag ik dat de Chinese vrouw op haar rug op de keukenvloer lag. Ik zag dat het gezicht van de vrouw onder het bloed zat. Ik zag dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hysterisch op haar stonden in te trappen. Ik hoorde en zag dat de vrouw luide pijnkreten uitte en dat zij trachtte zich te verweren tegen het slaan en schoppen van de drie jongens. Ik zag dat, ondanks het feit dat de vrouw zich telkens probeerde op te richten, zij telkens weer tegen de vloer werd geschopt. De drie jongens sloegen de vrouw met kookgerei zoals pannen en potten. Ook sloegen ze haar met gebalde vuisten op het hoofd en bovenlichaam. Ik zag dat één van de drie jongens de Chinese vrouw, die nog steeds op haar rug lag te spartelen, met beide handen beetpakte, waarbij hij zijn handen onder het hoofd rond de hals sloot. Ik zag dat hij zijn handen iets dichtkneep en dat hij de vrouw vanaf de vloer omhoog trok, tot het einde van de tafel. Terwijl de vrouw door die jongen werd meegesleurd, zag ik dat de twee andere jongens haar constant bleven schoppen. Ik zag dat zij met kracht met gestrekte benen de vrouw in haar zij trapten, waarbij zij het lichaam raakten met hun schoenzolen. Ik hoorde op een gegeven moment dat de vrouw een rochelend geluid maakte. Ik zag dat de eerste jongen hierop, terwijl hij inmiddels met de vrouw aan het einde van de tafel was gekomen, zijn handen rond haar hals weghaalde. Ik zag dat de vrouw geknield op de keukenvloer zat. Hierna zag ik dat die jongen de vrouw met zichtbaar veel kracht, met één van zijn geschoeide voeten, hard in de rug trapte, waarbij hij het lichaam aan de achterzijde met zijn schoenzool raakte. Ik zag dat de vrouw als gevolg van de trap in haar rug, met kracht tegen de keukenvloer smakte, waarbij zij met haar aangezicht op de vloer terechtkwam. Ik zag dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de Chinese vrouw beetpakten en haar omdraaiden, zodat ze met de rug op de keukenvloer kwam te liggen. Ik zag dat het hoofd van de vrouw ernstig verwond was. Toch gingen de drie genoemde jongens verder met het mishandelen van de Chinese vrouw. Ik zag dat zij haar bleven schoppen en slaan.
Ik hoorde dat een van de jongens zei: “Ze moet dood, want ze heeft ons gezien”.
Ik zag vervolgens dat een jongen een wadjang-pan met beide handen hoog boven zijn hoofd hief en vervolgens met een krachtige zwaaibeweging de pan neerwaarts liet gaan. Ik zag en hoorde dat de pan de vrouw met kracht op het hoofd raakte. Ik zag dat de vrouw na de laatste klap totaal bewegingloos op de vloer bleef liggen.
Al die tijd is [veroordeelde 2] in de keuken blijven staan.
17. De ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 mei 1995 in de zaken van de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [veroordeelde 1] afgelegde
verklaring van de getuige [veroordeelde 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –:
Ik heb van het plan om bij het Chinees restaurant “Peacock” te Breda in te breken gehoord. Op 4 juli 1993 was ik uitgeweest met [veroordeelde 2] . [veroordeelde 2] en ik zijn omstreeks 04.15 of 04.30 uur, het begon buiten te dagen, naar de [a-straat] gegaan.
Op de [a-straat] troffen wij toen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Ik kende de jongens toen al.
Een van de jongens vroeg toen het adres van de eigenaar van het restaurant “Peacock”. Ik heb toen gezegd dat ik de eigenaar wist te wonen. Toen werd aan mij gevraagd naar dit adres te gaan. Wij werden achtervolgd door een auto, waarin [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zaten. Zij zijn met de auto op de hoek van de straat blijven staan.
Wij zijn naar het huis van de eigenaar gegaan. Toen wij daar aankwamen, begon het al een beetje licht te worden.
[slachtoffer] deed toen open. Zij had nachtkleding aan, volgens mij een pyjama. Zij is toen met ons meegegaan. Zij is tussen ons in meegelopen. Op een gegeven moment werd [slachtoffer] in de auto getrokken door een van de jongens. In de auto zijn toen voorts [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gestapt.
Wij zijn teruggegaan naar het restaurant. Toen wij daar aankwamen, kwam de auto ook aanrijden. Het portier werd opengemaakt en [slachtoffer] werd eruit getrokken. Zij werd toen geslagen. De drie jongens hebben [slachtoffer] toen mee naar binnen genomen. Ik ben toen ook naar binnen gegaan, doch niet gelijk met hen.
Ik hoorde toen van alles. In de keuken speelde zich toen niet veel goeds af. Ik hoorde het gegil van een vrouw en het lawaai van vallende pannen en zo.
Ik ben toen in de keuken geweest. In de keuken waren de drie jongens, [veroordeelde 2] en [slachtoffer] . Ik heb [slachtoffer] toen op de grond zien liggen. De drie jongens sloegen en schopten [slachtoffer] , terwijl zij op de grond lag. Zij gilde toen. [veroordeelde 2] stond toen aan de andere kant van de keuken. Tussendoor heeft een van de jongens [slachtoffer] nog bij haar keel gepakt en haar op die manier omhoog getild. Hij had [slachtoffer] toen in een wurggreep. [slachtoffer] verzette zich en spartelde tegen.
Toen de jongen [slachtoffer] losliet, probeerde ze weg te kruipen. Terwijl ze op haar knieën zat, met haar rug naar de jongens toe, heeft een van hen haar een forse trap in haar rug gegeven, waardoor ze met haar gezicht op de grond viel.
Terwijl ze daar lag heeft [medeverdachte 3] met de pan, een soort wok, op haar achterhoofd geslagen. Daarna bewoog [slachtoffer] niet meer.
Er heeft tijdens het slaan en schoppen nog iemand gezegd: “Moet dat nou?”.”
3.3
Het vonnis van de rechtbank Breda houdt – voor zover door het hof Den Haag bevestigd en hier van belang – met betrekking tot het bewijs het volgende in:

8.2. De bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de vraag of verdachte zich op het moment dat de jongens haar vroegen wat het adres van de eigenaar van het restaurant Peacock was, zich welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat zij door haar handelingen medeplichtig was aan gekwalificeerde doodslag, ontkennend dient te worden beantwoord. [veroordeelde 3] zou zich op dat moment niet adequaat hebben gerealiseerd wat de draagwijdte van haar handelingen was.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat zelfs al zou verdachte op het moment dat de jongens haar naar het adres vroegen de draagwijdte van haar antwoord niet kunnen overzien, zij daarna zich heeft moeten afvragen waarom zij daarnaar vroegen. Vanaf het moment dat verdachte samen met [veroordeelde 2] en [veroordeelde 1] , naar de woning waar [slachtoffer] zich bevond, toe liep, en daarna [slachtoffer] , samen met de twee andere meisjes, bewoog het huis waarin zij zich bevond te verlaten, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank bewust moeten zijn van de kwade bedoelingen van de drie jongens, die immers midden in de nacht de sleutels van Peacock nodig hadden. Zij heeft dat ook in haar tegenover de politie afgelegde verklaringen aangegeven. Bij haar 15e verhoor zegt verdachte: “ [veroordeelde 2] en ik zijn vervolgens te voet vanaf de [a-straat] gelopen naar de flat, waar de eigenaar van Peacock woonde. Ik besefte uiteraard wel dat de 3 jongens niet veel goeds van plan waren.” Bij haar 16e verhoor verklaart zij: “Ik hoorde dat [medeverdachte 2] aan ons vroeg: “Wie weet waar de eigenaar van Peacock woont?” Hij moest volgens mij gewoon degene hebben die de beschikking had over de sleutels van het Chinees restaurant.” en “Ik wilde eigenlijk de eigenaar helemaal niet gaan halen. Ik wilde mezelf wat tijd gunnen om na te denken wat ik eigenlijk ging doen en of ik daar wel achterstond. Ik zag en hoorde echter dat de Opel Omega, met daarin [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , achter ons aan kwam rijden. Zij volgden ons. Dat was voor mij erg bedreigend. Er zat voor mij niets anders op dan toch maar naar de woning van de [getuige 1] te lopen.”
Uit de over verdachte opgemaakte rapporten door de psycholoog Oudejans en de psychiater Van Balkom is ook niet gebleken dat het opzet bij verdachte totaal heeft ontbroken, alhoewel zij niet als volledig toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd ten aanzien van het ten laste gelegde.
Het verweer van de raadsvrouw dient derhalve te worden verworpen.
De rechtbank zal echter met de mate van bewustheid en betrokkenheid van verdachte bij het gebeuren in de nacht van 3 op 4 juli 1993 rekening houden bij de strafoplegging.”
3.4
Het arrest van het hof Den Haag houdt het volgende in (met weglating van voetnoten):
“1.3.5
De aard van hetnovum
De aard van het
novumals de grond voor herziening in deze zaken betreft een feitelijke omstandigheid, namelijk de omstandigheid dat twee getuigen verklaringen hebben afgelegd, die – kort en zakelijk weergegeven – inhouden dat zij vanuit het bushokje waar zij zich bevonden, zicht hadden op de plaats delict en in de betreffende nacht van 3 op 4 juli 1993 niets bijzonders hadden gezien. Deze verklaringen van de zogenoemde “bushokjesgetuigen” [getuige 5] en [getuige 6] werden in 1993 opgenomen tijdens een zogenaamd buurtonderzoek dat deel uitmaakte van het eerste opsporingsonderzoek ( [onderzoek 1] ), en behoorden tot stukken die – zoals blijkt uit het rapport van het evaluatieteam CEAS – wel te vinden waren in het bij de politie behouden dossier (het “politiedossier”) doch die niet door de politie aan het Openbaar Ministerie waren gezonden (het “justitiedossier”) en mitsdien ook niet aan de rechtbank en het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch waren voorgelegd.
De Hoge Raad is van oordeel dat het ernstige vermoeden rijst dat de rechter tot een andere beslissing zou zijn gekomen als die verklaringen wel aan de rechter ter beschikking waren geweest.
II. Formele verweren
2.1
Détournement de pouvoir: uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten
Door de verdediging is in de zaken van alle verdachten een verweer ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering gevoerd.
Met een beroep op strijd met de behoorlijke procesorde is in alle zaken geconcludeerd tot bewijsuitsluiting van alle verklaringen van de verdachten in zowel de eigen zaken als in de hoedanigheid van getuige in de zaken van de medeverdachten afgelegd in de voorgaande procedures. Alleen hun verklaringen afgelegd in de herzieningsprocedure bij dit hof worden door het vormverzuim niet geraakt.
Ter onderbouwing van het gestelde is – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd:
1. Het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] is op basis van onvoldoende aanwijzingen gestart. Er is sprake geweest van tunnelvisie of anders gezegd van een schuldpresumptie doordat de politie zich in het [onderzoek 2] -onderzoek enkel heeft laten leiden door informatie van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID);
2. [veroordeelde 2] is ten onrechte als verdachte aangehouden. Daarvoor waren onvoldoende aanwijzingen voorhanden. Zij is aangehouden voor een poging tot inbraak, waarvan pas nadat de politie daarom had gevraagd, door de aangever aangifte was gedaan, dat wil zeggen na de aanhouding van [veroordeelde 2] ;
3. Er is volgens [verbalisant 3] bewust voor gekozen om de vrouwelijke verdachten eerst aan te houden, omdat aangenomen werd dat zij als kwetsbare personen zouden meewerken met de politie en er twijfels waren over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [veroordeelde 2] als getuige afgelegd;
4. Justitie heeft bewust het risico gecreëerd op valse bekentenissen en het ontstaan van dwaling.
De advocaat-generaal heeft bij repliek te dien aanzien naar voren gebracht dat van onrechtmatige aanhoudingen geen sprake is geweest en dat ook overigens de conclusies van de verdediging onjuist zijn.
Het hof overweegt naar aanleiding van het onderzoek in de herzieningsprocedure als volgt.
2.1.1
Met betrekking tot de start van het opsporingsonderzoek [onderzoek 2]
De anonieme informatie, afkomstig van de CID, die op 18 maart 1994 is binnengekomen bij [verbalisant 3] , is – zoals al eerder overwogen – aanleiding geweest om het reeds gesloten opsporingsonderzoek [onderzoek 1] te heropenen en het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] te starten. Dat enkele feit is onvoldoende om te concluderen dat de start van het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] onrechtmatig was, aangezien er geen rechtsregel aan in de weg staat dat opsporingsambtenaren anonieme informatie gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek.
Feitelijk beschikte de politie bij de start van het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] overigens ook over informatie verkregen uit het eerdere opsporingsonderzoek [onderzoek 1] , dat in september 1993 werd gesloten en welk onderzoek niet was gericht op de verdachten in deze herzieningsprocedure. Dat de verbalisanten bij de start van het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] beschikten over informatie over het opsporingsonderzoek [onderzoek 1] , blijkt ook uit de hierna te noemen processen-verbaal van aanhouding van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] .
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat het tweede opsporingsonderzoek onder de naam [onderzoek 2] is gestart op grond van onvoldoende aanwijzingen, zoals door de verdediging is betoogd. Evenmin is naar aanleiding van het onderzoek in de herzieningsprocedure aannemelijk geworden dat de opsporingsambtenaren zich enkel hebben laten leiden door eerdergenoemde CID-informatie.
2.1.2
Met betrekking tot de aanhoudingen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3]
Vaststaat dat [veroordeelde 2] op 11 april 1994 als verdachte is aangehouden en dat [veroordeelde 3] op 19 april 1994 als verdachte is aangehouden.
De vier andere verdachten zijn op 27 april 1994 als verdachte in het opsporingsonderzoek [onderzoek 2] aangehouden.
Met betrekking tot de aanhouding van [veroordeelde 2] hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 10 mei 1994 opgemaakt, waarin kort samengevat en voor zover thans van belang de volgende feiten en omstandigheden zijn gerelateerd, op grond waarvan [veroordeelde 2] als verdachte is aangemerkt en aangehouden.
Na het stopzetten van het opsporingsonderzoek [onderzoek 1] is op 21 maart 1994 een vervolgonderzoek ingesteld naar aanleiding van informatie afkomstig van de CID in Breda, waarin – kort samengevat – een aantal personen werd genoemd dat betrokken zou zijn bij de gewelddadige dood van [slachtoffer] . Genoemd werden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [veroordeelde 1] .
Uit eerder onderzoek was naar voren gekomen dat zij deel uitmaakten van een groep voornamelijk Marokkaanse jongens die betrokken was bij meerdere gewapende overvallen en waarbij werd vastgesteld dat de vrouwelijke verdachten informatie verschaften aan de mannelijke. Die dadergroep opereerde vanuit het pand [d-straat 1] in Breda waar ook [veroordeelde 2] verbleef. In het eerdere opsporingsonderzoek [onderzoek 1] was [veroordeelde 2] meerdere malen gehoord als getuige. Zij heeft toen verklaard drie mannen/vrouwen te hebben gezien ter hoogte van het restaurant waar het slachtoffer is gevonden, heeft een signalement gegeven van één van de mannen en heeft verklaard over een geparkeerde auto op het trottoir voor de ingang van het restaurant.
Zij kende het slachtoffer, heeft voor de avond van het delict tegen een getuige gezegd dat er die avond een moord ging gebeuren en heeft verklaringen afgelegd die in strijd waren met de verklaringen van andere getuigen.
Verder heeft [veroordeelde 2] tegen een getuige gezegd dat zij het lichaam van het slachtoffer in het restaurant heeft zien liggen en is er verklaard dat [veroordeelde 2] in december 1993 in het bezit was van een gouden sieraad dat overeenkwam met de omschrijving van de halsketting die van het slachtoffer is weggenomen. [veroordeelde 3] heeft verklaard dat [veroordeelde 2] bevriend was met [veroordeelde 1] en betrokken is geweest bij een poging tot diefstal uit de cafetaria “ [B] ”, waarbij opviel dat de modus operandi vergelijkbaar was met eerdere strafbare feiten waarbij informatie werd verschaft door vrouwen in de groepering, terwijl het feit werd gepleegd door mannelijke daders.
Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek in de herzieningsprocedure geen reden aan de juistheid van dat proces-verbaal (
A-G: van bevindingen) te twijfelen.
Naar het oordeel van het hof vloeide uit die voorhanden zijnde informatie een voldoende redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering voort om [veroordeelde 2] als verdachte aan te merken en aan te houden op verdenking van overtreding van de artikelen 287 c.q. 288 c.q. 289, c.q. 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Uit de verklaringen van [getuige 25] , afgelegd tijdens zijn verhoren als getuige op 22 januari 2014 en 12 februari 2014 bij de raadsheer-commissaris, komt naar voren – kort samengevat en voor zover thans van belang – dat hij toentertijd als politiefunctionaris verbonden was aan het team Breda Zuidoost en naar eigen zeggen ver van het politieonderzoek afstond. Hij heeft vóór de aanhouding van [veroordeelde 2] met de verantwoordelijke officier van justitie gesproken, over het feit dat er voor [veroordeelde 2] , die als eerste aangehouden zou moeten worden, een dwangmiddel moest worden gevonden. In dat verband is de term détournement de pouvoir gebruikt, in de zin van het toepassen van dwangmiddelen op oneigenlijke gronden.
Die verklaringen maken het oordeel van het hof met betrekking tot de aanhouding van [veroordeelde 2] , zoals hiervoor overwogen, echter niet anders. Op het moment van aanhouding bestond er immers voldoende verdenking jegens [veroordeelde 2] om die aanhouding te rechtvaardigen.
Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat [betrokkene 1] , de eigenaar van “ [B] ”, is benaderd om aangifte te doen enkel om de aanhouding van [veroordeelde 2] te rechtvaardigen, overweegt het hof dat – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – dit naar zijn oordeel niet aannemelijk is geworden.
Met betrekking tot de aanhouding van [veroordeelde 3] hebben de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 20 mei 1994 opgemaakt, waarin – kort samengevat en voor zover thans van belang – de volgende feiten en omstandigheden zijn gerelateerd op grond waarvan [veroordeelde 3] als verdachte is aangemerkt en is aangehouden.
Uit eerder onderzoek was naar voren gekomen dat [veroordeelde 3] in de maand juli 1993 deel uitmaakte van een dadergroep, waarvan de in de informatie afkomstig van de CID in Breda genoemde personen deel uitmaakten.
[veroordeelde 2] was eerder als verdachte aangemerkt en uit haar verklaring kwam naar voren dat [veroordeelde 3] details zou hebben gezien met betrekking tot de dood van het slachtoffer.
Vervolgens is [veroordeelde 3] als getuige gehoord. Zij heeft verklaard de bewuste nacht van 4 juli 1993 met [veroordeelde 2] thuis te zijn gekomen. Daarbij zijn er tegenstrijdigheden geconstateerd tussen haar verklaring en die van [veroordeelde 2] en de [getuige 23] . In haar getuigenverklaring van 12 april 1994 heeft [veroordeelde 3] verklaard dat zij uit angst voor de genoemde Marokkaanse mannen niet durfde te verklaren.
Het hof heeft naar aanleiding van het onderzoek in de procedure in herziening geen reden aan de juistheid van dat proces-verbaal te twijfelen.
Naar het oordeel van het hof vloeide uit die voorhanden zijnde informatie een voldoende redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering voort om [veroordeelde 3] als verdachte aan te merken en aan te houden op verdenking van overtreding van de artikelen 287 c.q. 288 c.q. 289, c.q. 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.
2.1.3
Met betrekking tot de beslissing om eerst de vrouwelijke verdachten aan te houden
Afgaande op de respectievelijke processen-verbaal van aanhouding die zich in de strafdossiers van de verdachten bevinden, constateert het hof dat [veroordeelde 1] als laatste is aangehouden op 27 april 1994; [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zijn eerder die dag aangehouden.
In dat licht bezien, gaat het hof ervan uit dat de bezwaren van de verdediging zich richten op de beslissing om eerst [veroordeelde 2] en vervolgens [veroordeelde 3] aan te houden.
Desgevraagd naar de reden van die beslissing heeft de eerdergenoemde [verbalisant 3] als getuige bij de raadsheer-commissaris tijdens zijn verhoor op 14 en 25 februari 2015 verklaard – kort samengevat en voor zover thans van belang – dat hij niet meer weet waarom [veroordeelde 2] als eerste is aangehouden.
Op de vraag van de verdediging waarop de verwachting van [verbalisant 3] was gebaseerd, die hij in een interview tegenover de CEAS heeft genoemd, te weten dat de vrouwen eerder zouden verklaren, heeft [verbalisant 3] geantwoord dat het een bekend gegeven is dat vrouwen makkelijker verklaren dan mannen. Daarbij waren deze mensen bekend uit andere onderzoeken.
Naar het oordeel van het hof kan uit die beide uitlatingen van [verbalisant 3] – in onderling verband en samenhang bezien – niet zonder meer geconcludeerd worden dat de reden voor het als eerste aanhouden als verdachte van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] was gelegen in de omstandigheid, dat zij zouden meewerken met de politie en er toentertijd getwijfeld werd aan de betrouwbaarheid van de verklaringen afgelegd door [veroordeelde 2] , zoals de verdediging heeft gesteld.
Naar aanleiding van het onderzoek in de herzieningsprocedure is dat naar het oordeel van het hof ook overigens niet aannemelijk geworden.
2.1.4
Met betrekking tot het door justitie bewust creëren van het risico op valse bekentenissen en het ontstaan van dwaling
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is naar oordeel van het hof enig vormverzuim – zoals door de verdediging betoogd – niet aannemelijk geworden, terwijl evenmin aannemelijk is geworden dat het Openbaar Ministerie bewust enig risico heeft genomen zoals door de verdediging is betoogd.
Het hof verwerpt het verweer.
2.2
De toelaatbaarheid en bruikbaarheid als bewijsmiddel van het Bayesiaanse rapport
Door de advocaat-generaal is ter terechtzitting in herziening op 17 maart 2015 een rapportage, opgesteld door dr. F.J.M. Alkemade, ingebracht, waarin een Bayesiaanse analyse van de onderhavige zaak is gemaakt. De regel van Bayes is een wiskundige formule die de kansverhouding beschouwt van de waarschijnlijkheid van twee hypothesen (bijvoorbeeld de hypothese dat een verdachte een bepaald wapen heeft gebruikt versus het scenario dat een (onbekende) derde dat bepaalde wapen heeft gebruikt). De verhouding van de waarschijnlijkheden kan men beschouwen voordat (
a priori) bepaalde bevindingen (bijvoorbeeld de resultaten van verricht onderzoek naar DNA-sporen) bekend zijn, of erna (
a posteriori). De regel van Bayes geeft derhalve aan hoe de verhouding van de waarschijnlijkheden van de betreffende hypotheses verandert door de bevinding.
Dr. Alkemade trekt in zijn rapport de conclusie dat de
a posteriorikansverhouding met betrekking tot het door hem opgestelde schuldscenario (inhoudende dat één of meer van de verdachten bij het misdrijf is of zijn betrokken) 532 tegen 1 is. De kans op het onschuldscenario (inhoudende dat geen van de verdachten bij het misdrijf is betrokken) is volgens dr. Alkemade maximaal 0,2%.
Op verzoek van de verdediging heeft het hof vervolgens prof. mr. dr. H. Prakken opgedragen om een contra-expertise uit te brengen ten aanzien van het rapport van dr. Alkemade. In zijn rapportage stelt prof. Prakken dat dr. Alkemade’s rapport als bijdrage aan de bewijsvoering geen waarde heeft vanwege de vele subjectieve elementen, de fouten, het zonder argumentatie buiten beschouwing laten van enkele relevante bevindingen en een schuldhypothese die niet bruikbaar is voor een oordeel over de individuele verdachten. Op basis van het rapport kunnen geen conclusies worden getrokken over de schuld of onschuld van de verdachten.
Beide deskundigen zijn ook [ter] terechtzitting bij het hof gehoord, waarbij zij voor het overgrote deel bij de in hun schriftelijke rapportages neergelegde standpunten zijn gebleven.
De verdediging heeft bij pleidooi aangevoerd dat het rapport van dr. Alkemade dient te worden uitgesloten van het bewijs om redenen dat:
a. het niet voldoet aan de criteria van het zogenaamde “Schoenmakersarrest” van de Hoge Raad; en (subsidiair):
b. het “volstrekt onbruikbaar” is om hetzij als “richtlijn” hetzij als bewijsmiddel bij de beoordeling van de onderhavige strafzaak te gebruiken.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De rechter moet zijn oordeel over de expertise van een deskundige baseren op het beroep, de opleiding en de ervaring van de betrokkene en beoordelen of zijn aldus vastgestelde deskundigheid zich uitstrekt tot het onderwerp waarover van hem een verklaring wordt verlangd. Ook dient de rechter na te gaan volgens welke methode het deskundigenonderzoek werd uitgevoerd, waarom deze methode betrouwbaar mag worden geacht en in hoeverre de deskundige in staat was deze methode vakkundig toe te passen (HR 27 januari 1997,
NJ1998, 404, “Schoenmakersarrest”).
In casu is gebleken dat er op het specifieke onderzoeksgebied geen deskundigen zijn geregistreerd in het deskundigenregister van het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (NGRD). Omdat – voor zover het hof bekend – nog niet eerder een dergelijke meer integrale Bayesiaanse analyse in een strafzaak is ingebracht, zijn er voorts geen deskundigen in Nederland bekend met ervaring met het opstellen van dergelijke rapportages. Naar het oordeel van het hof dient, indien sprake is van de introductie in het strafrecht van niet eerder bekende wetenschapsgebieden en -methoden, bij de beoordeling of een voorgedragen deskundige als zodanig kan worden beschouwd, een enigszins ruimer beoordelingskader te worden gehanteerd dan bij de beoordeling van deskundigen op binnen de rechtspraak reeds langer bekende wetenschapsgebieden. Een al te strikte toetsing (bijvoorbeeld op het punt van ervaring) zou immers het risico met zich kunnen brengen dat op bepaalde terreinen aanvankelijk niemand voldoende deskundig zou kunnen worden geacht, waardoor ook de introductie van nieuwe wetenschappelijke inzichten in het recht zou kunnen stagneren.
Het hof stelt vast dat dr. Alkemade een opleiding als fysicus heeft genoten, dat hij is gepromoveerd en ervaring heeft met de toepassing van Bayesiaanse analyse, zij het op andere wetenschaps- en onderzoeksgebieden dan het recht. Voorts geeft hij op het opleidingsinstituut voor de rechterlijke macht (SSR-)cursussen op het gebied van de Bayesiaanse statistiek en analyse. Blijkens zijn verklaring ter terechtzitting is hij eenmaal eerder – zij het niet als deskundige maar als adviseur – betrokken geweest bij het Bayesiaans benaderen van een strafzaak. Het hof constateert voorts dat dr. Alkemade in zijn rapport en ter terechtzitting in herziening uitvoerig heeft aangegeven volgens welke methode hij zijn onderzoek heeft uitgevoerd, op welke wijze hij deze methode heeft uitgevoerd en waarom deze methode zijns inziens betrouwbaar kan worden geacht.
Gezien voorgaande feiten en omstandigheden, en in aanmerking nemende het hiervoor geschetste enigszins ruimere toetsingskader, is het hof van oordeel dat dr. Alkemade voor de onderhavige procedure als deskundige kan worden aangemerkt.
Het hof heeft echter op basis van het onderzoek ter terechtzitting in herziening geconstateerd dat er wetenschappelijk onvoldoende overeenstemming bestaat over de vraag of de door dr. Alkemade gehanteerde methode van (klassieke) Bayesiaanse analyse betrouwbaar kan worden toegepast op en in complexe strafzaken als de onderhavige, waarin sprake is van vele, en bovendien ten opzichte van elkaar niet immer als onafhankelijk te beschouwen, bevindingen. In dit kader heeft het hof mede in zijn beoordeling betrokken dat, blijkens zijn rapport en toelichting ter terechtzitting, dr. Alkemade niet de beschikking had over het gehele dossier, doch slechts over een hem door de advocaat-generaal ter beschikking gestelde selectie daaruit. Er blijken bovendien aanzienlijke verschillen van inzicht tussen deskundigen te bestaan over welke (en op welke wijze) bevindingen in complexe strafzaken zaken in de analyse dienen te worden betrokken, hoe de (
a priori) kansen van de bevindingen (betrouwbaar) kunnen worden vastgesteld dan wel ingeschat en welke expertise voor die vaststelling dan wel inschatting noodzakelijk is. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de betrouwbaarheid van voormelde methode en daarmee van de uit het gebruik van de methode voortvloeiende uitkomsten, naar de huidige stand van de wetenschap te onzeker is voor daadwerkelijke toepassing in een complexe strafzaak als de onderhavige.
Om deze reden heeft het hof de conclusie(s) uit voormelde rapportage van dr. Alkemade bij de beoordeling van het bewijs dan ook geheel buiten beschouwing gelaten.
III. Verklaringen van de vrouwelijke verdachten
3.1
Verklaringen afgelegd onder druk?
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1]
Kort en zakelijk weergegeven is het standpunt van de verdediging dat de bekennende en belastende verklaringen tegenover de politie afgelegd door [veroordeelde 3] , [veroordeelde 2] en [veroordeelde 1] onder (ongeoorloofde) pressie tot stand zijn gekomen en dat aan hen stukken zijn voorgehouden waardoor zij die verklaringen hebben afgelegd, dan wel dat de verklaringen vals zijn gelet op hun psychische predisposities en derhalve als onbetrouwbaar terzijde dienen te worden geschoven dan wel uitgesloten dienen te worden van het bewijs. Dat geldt tevens voor hun destijds in eerste aanleg en in hoger beroep als verdachten en als getuigen afgelegde overige verklaringen.
Mr. Loevendie heeft daarbij, op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder in hoofdstuk 1 van de pleitnota en bij dupliek herhaald, gewezen op de bijzondere kwetsbaarheid van de drie vrouwelijke verdachten en andere personen in het onderzoek [slachtoffer] zoals de getuigen [getuige 23] en [getuige 24] , en dat hen bij gelegenheid van hun verhoren waarschijnlijk gegevens zijn aangedragen. Ten aanzien van [veroordeelde 2] merkt hij op dat zij bij iedereen die haar kent als niet betrouwbaar bekend staat en ten aanzien van [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] dat hun negatieve jeugdervaringen aan hun kwetsbaarheid bijdragen. Mr. Loevendie wijst daarbij op de door de deskundigen prof. dr. E. Rassin, dr. E. Geraerts en dr. R. Horselenberg uitgebrachte rapportages. Hij voegt daaraan toe dat controle op welke gegevens in de verhoren zouden zijn aangedragen en op die gestelde druk niet is uit te oefenen, aangezien de verhoren destijds niet werden opgenomen en geen verhoorplannen in het dossier zijn opgenomen. De belastende verklaringen van [veroordeelde 3] , [veroordeelde 2] en [veroordeelde 1] zijn vals, althans onvoldoende betrouwbaar, en dienen daarom van het bewijs te worden uitgesloten.
Mr. Knoops heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder in hoofdstuk 7 van de pleitnota betoogd dat de verklaringen van de vrouwelijke verdachten valse bekentenissen zijn. Hij heeft daarbij als factoren die van invloed zijn op het afleggen van een valse bekentenis de persoonlijke risicofactoren besproken, te weten de jeugdige leeftijd van de vrouwelijke verdachten, hun intellectuele beperkingen en psychische stoornissen, alsook de situationele factoren tijdens de verhoren en overige relevante (persoons)kenmerken. Onder verwijzing naar de door dr. Horselenberg uitgebrachte rapportage betoogt mr. Knoops dat de valse bekentenis van [veroordeelde 2] als afgedwongen valse bekentenis dient te worden beschouwd, al dan niet ingebeeld. [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] hebben eveneens een afgedwongen valse bekentenis afgelegd. De rapportages van de deskundigen prof. Rassin en dr. Geraerts worden aangevoerd in het kader van de bij [veroordeelde 2] gestelde aanwezige suggestibiliteit en neiging tot ‘compliance’, een en ander gestaafd met bij de pleitnota gevoegde producties. Primair wordt aangevoerd dat alle verklaringen van de drie vrouwelijke verdachten, die zij in de opsporingsonderzoeken en de eerdere procedures hebben afgelegd, uitgesloten dienen te worden van het bewijs, subsidiair dat aan hun verklaringen geen waarde dient te worden toegekend bij de weging van het bewijs. Bij dupliek is aangevoerd dat [veroordeelde 2] door een misleidende verhoorwijze aan haar jeugd werd herinnerd, hetgeen haar tot haar verklaringen zoals afgelegd bracht.
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van [medeverdachte 1]
Mr. Knoops heeft erop gewezen dat [medeverdachte 1] onverlet de omstandigheden tijdens de verhoren steeds heeft verklaard onschuldig te zijn aan het hem ten laste gelegde.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 7 september 2015 en schriftelijk neergelegd in meer in het bijzonder de paragrafen 5.3 tot en met 6.1.5 (pagina’s 99-118) van het requisitoir, als zijn standpunt kenbaar gemaakt dat [veroordeelde 3] , [veroordeelde 2] en [veroordeelde 1] niet dan wel onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun bekennende en belastende verklaringen vals zijn waar zij stellen dat deze destijds tot stand zouden zijn gekomen onder ongeoorloofde pressie door de verhorende verbalisanten. Ter terechtzitting in de procedure in herziening geven zij, wanneer zij worden geconfronteerd met hun verklaringen bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Breda, ter terechtzitting in eerste aanleg van de rechtbank Breda en in hoger beroep van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, bij herhaling aan dat zij zich niet herinneren waarom zij bij hun valse verklaringen zijn gebleven. Zij hebben zich destijds niet op hun zwijgrecht beroepen en hetgeen zij verklaren over pressie is niet onderbouwd. Onder verwijzing naar de door prof. Rassin, dr. Horselenberg en dr. Geraerts uitgebrachte rapportages geeft de advocaat-generaal als zijn visie dat aan de rapporten geen betekenis toekomt als het gaat om de vraag of er al dan niet sprake zou kunnen zijn geweest van valse bekentenissen. De diepte-interviews zijn niet meer dan de weergave van datgene wat de verdachten zelf aan de onderzoekster hebben medegedeeld. Voor wat betreft de “compliance” en/of “suggestibility” die bij de drie vrouwelijke verdachten te constateren zou zijn, is onvoldoende empirisch bewijs. Voor zover sprake is geweest van druk tijdens de verhoren, is die gepast geweest en binnen de grenzen van het toelaatbare. In de visie van de advocaat-generaal zijn de verklaringen derhalve betrouwbaar en tot het bewijs te bezigen, en dit geldt temeer daar de verklaringen op hoofdlijnen gelijkluidend zijn ten aanzien van hetgeen zich in de avond en nacht van 3 op 4 juli 1993 heeft afgespeeld in het licht van hetgeen is ten laste gelegd.
De verhoorsituatie
Het hof gaat bij de bespreking van dit door de raadslieden als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt naar voren gebracht onderdeel van de pleidooien uit van de volgende feiten en omstandigheden.
[veroordeelde 2]
is in deze zaak voor het eerst gehoord als getuige, en wel in het buurtonderzoek en drie maal in het politieonderzoek, te weten op 4 juli 1993 door [verbalisant 5] (buurtonderzoek), 5 juli 1993 door [verbalisant 6] , op 7 juli 1993 door de verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 10] en op 10 augustus 1993 door de verbalisanten [verbalisant 8] en [verbalisant 9] . [veroordeelde 2] verklaart dan onmiddellijk dat zij in de avond van 3 op 4 juli 1993 uit was geweest met [veroordeelde 3] , dat zij tussen 05.00 en 05.30 uur in de [a-straat] aankwamen, en dat zij drie personen voor restaurant “Peacock” heeft zien staan, en zij blijft bij deze verklaring. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat [veroordeelde 2] bij gelegenheid van deze verhoren onder druk is gezet om te verklaren en het onderzoek in de procedure in herziening maakt dat niet anders. Weliswaar is [veroordeelde 2] bij gelegenheid van het verhoor van 10 augustus 1993 geconfronteerd met de uitlatingen van anderen over hetgeen zij zou hebben gezegd over schoenen die zij had gekregen van de [getuige 1] , en over een moord die op 3 juli 1993 gepleegd zou worden, maar na haar verklaring daarover, is zij niet verder verhoord, noch als getuige noch als verdachte. Daar komt bij dat [veroordeelde 2] in de procedure in herziening ter terechtzitting van 17 maart 2015 desgevraagd heeft aangegeven dat zij zich de verklaringen in het buurtonderzoek niet herinnert en dat zij niet weet waaruit de druk bestond.
Het onderzoek [onderzoek 1] is gesloten op 9 september 1993. Op 11 april 1994 omstreeks 07.20 uur wordt [veroordeelde 2] aangehouden door de verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 12] . Zij wordt op 11 april 1994 om 11.30 uur in verzekering gesteld. Zij verklaart dan dat zij met betrekking tot de zaak “Peacock” verkeerde verklaringen heeft afgelegd en dat zij getuige is geweest. Als piketadvocaat is opgetreden mr. K.M. van der Zouwen, advocaat te Breda.
Als verdachte is [veroordeelde 2] in de periode van 11 april 1994 tot en met 9 mei 1994 zeventien keer verhoord. Bij het eerste tot en met het veertiende verhoor werd het verhoorkoppel gevormd door de verbalisanten [verbalisant 12] en [verbalisant 11] ; de verhoren vijftien en zestien zijn afgenomen door verbalisanten [verbalisant 13] en [verbalisant 14] en het zeventiende verhoor door verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 10] . Alleen op 18 april 1994 en 6 mei 1994 is [veroordeelde 2] twee keer per dag verhoord; [21] alle overige verhoren vonden plaats met een tussenpoos van minimaal één dag. Het hof stelt vast dat ten aanzien van de lengte van de verhoren slechts in het geval van het vijfde verhoor van [veroordeelde 3] als getuige op 12 april 1994 door de verbalisanten een opmerking over de lengte van het verhoor wordt gemaakt, zodat het er voor moet worden gehouden dat de andere verhoren in de zaak [slachtoffer] niet zodanig lang waren dat deze ook een opmerking daarover door de verbalisanten rechtvaardigden. Hetgeen [veroordeelde 2] in de procedure in herziening verklaart over veelvuldige verhoren van meerdere malen per dag vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de stukken en is ook overigens in het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden.
Tijdens het
eersteverhoor als verdachte op 11 april 1994 om 08.10 uur heeft [veroordeelde 2] belastend verklaard over [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] op de plaats delict en geeft zij aan dat zij hen op 5 juli 1993 in het pand aan de [d-straat 1] te Breda heeft gezien, bij welke gelegenheid haar is gevraagd wat zij wist van de moord op [slachtoffer] en wat zij had gezien. Zij is toen door [medeverdachte 3] bedreigd en haar is gezegd dat zij tegenover de politie een verhaal moest ophangen. Zij herkent op de haar getoonde foto’s [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] .
Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat reeds op dat moment sprake zou zijn van druk die door de verbalisanten zou zijn uitgeoefend. De aanhouding van [veroordeelde 2] was immers diezelfde ochtend om 07.20 uur, het eerste verhoor was om 08.10 uur en daarin verklaart [veroordeelde 2] reeds belastend voor anderen, terwijl zij ook bij gelegenheid van haar verhoor inverzekeringstelling aangeeft getuige te zijn geweest van hetgeen op de plaats delict zou hebben plaatsgevonden.
In haar derde verhoor op 11 april 1994 omstreeks 19.30 uur verklaart [veroordeelde 2] wederom over een bedreiging na de moord; zij geeft aan dat haar vóór het delict, door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is gevraagd waar zij werkte. In haar vierde verhoor, op 12 april 1994, verklaart zij dat zij vanaf begin juli 1993 regelmatig aan de [d-straat 1] te Breda kwam. Op diezelfde dag is [veroordeelde 2] ook omstreeks 12.54 uur verhoord. In deze verklaring blijft [veroordeelde 2] bij hetgeen zij eerder heeft verklaard en vult zij deze aan.
[veroordeelde 2] is voor de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Breda geleid op 14 april 1994. Zij is bij gelegenheid van dit verhoor bijgestaan door haar toenmalige raadsman mr. Van der Zouwen. Tegenover de rechter-commissaris heeft zij in het bijzijn van haar raadsman niet verklaard over enige door de verhorende verbalisanten op haar uitgeoefende druk of andere situationele aspecten van de verhoren, noch over bijzonderheden die haar persoon betreffen, zoals een zwangerschap.
In het zesde verhoor als verdachte op 16 april 1994 om 10.44 uur wordt [veroordeelde 2] bevraagd over personen die aan de [d-straat 1] te Breda woonden. Het zevende verhoor van haar als verdachte op 18 april 1994 ziet op een ander feit. Op diezelfde dag wordt [veroordeelde 2] nader gehoord in de zaak “ [slachtoffer] ”. Zij geeft dan aan het begin van het verhoor (haar achtste verhoor) aan dat zij een volledige verklaring wil afleggen en dat zij eerder niet volledig heeft verklaard vanwege bedreigingen. In dit verhoor, dat als proces-verbaal twee pagina’s beslaat, verklaart [veroordeelde 2] echter niet meer dan dat [medeverdachte 2] iets weggooide in een vuilnisbak en in haar richting een “schietbeweging” en een gebaar langs zijn keel maakte. Klaarblijkelijk is op dat moment niet doorgevraagd door de verbalisanten. Het volgende verhoor van [veroordeelde 2] is pas de dag erna. Daarin geeft zij aan in het restaurant te zijn geweest, daar [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] heeft gezien en zelf het slachtoffer heeft waargenomen.
Het hof stelt vast dat tot dat moment [veroordeelde 1] nog niet was aangehouden in de onderhavige zaak en dat [veroordeelde 3] nog slechts als getuige was gehoord, zodat van enige uitgeoefende druk in de zin van het gestelde aandringen op verklaren aangezien anderen reeds hebben verklaard, geen sprake geweest kan zijn. [veroordeelde 3] had immers als getuige in haar verhoor van 6 augustus 1993 niet meer verklaard dan dat [veroordeelde 2] haar op de maandag na 3 juli 1993 had verteld dat zij drie mannen en een auto had gezien, terwijl zij ook in haar verklaringen als getuige in maart en april 1994 slechts verklaarde over hoe zij in de avond van 3 juli 1993 met [veroordeelde 2] uit was geweest en hoe zij samen naar de Jorisstraat waren gereden om daar te gaan slapen.
[veroordeelde 3] is op 19 april 1994 omstreeks 11.15 uur aangehouden door de verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 16] . Zij is vervolgens om 12.40 uur in verzekering gesteld. Bij die gelegenheid verklaart [veroordeelde 3] dat zij naar waarheid zal gaan verklaren. Na het eerste, dat wil zeggen het sociale verhoor op 19 april 1994, verklaart [veroordeelde 3] in haar tweede tot en met zevende verhoor, die in de schriftelijke neerslag variëren van één tot drie pagina’s, niet bekennend of concreet belastend. Deze verhoren zien hoofdzakelijk op de sfeer in het pand aan de [d-straat] en de personen die daar kwamen, op de aankomst van [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] in de [a-straat] en op het afstaan van DNA-materiaal door [veroordeelde 3] . Ook hier geldt dat van enige uitgeoefende druk in de zin van het gestelde aandringen op verklaren aangezien anderen reeds in belastende zin hebben verklaard, geen sprake geweest kan zijn, en dat dan over en weer voor [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] . Weliswaar reageert [veroordeelde 3] in haar zesde verklaring op hetgeen haar klaarblijkelijk is voorgehouden door verbalisanten, namelijk dat [veroordeelde 2] op de [a-straat] heeft gesproken met iemand die bij de Chinees stond, maar zij ontkent dan nog dat dit heeft plaatsgevonden.
Het hof overweegt daarbij tevens dat het aan een verdachte voorhouden door verbalisanten van hetgeen medeverdachten of getuigen hebben verklaard, geen ongebruikelijke praktijk is en niet als zodanig reeds kan worden gekwalificeerd als het op misleidende wijze in de mond leggen van verklaringen van derden om van een verdachte een bekennende verklaring te verkrijgen.
In haar tiende verhoor op 22 april 1994 verklaart [veroordeelde 2] meer in detail over hetgeen zou zijn gebeurd na haar aankomst op de [a-straat] . Zij verklaart dan belastend over [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , die fysiek geweld op het slachtoffer zouden hebben uitgeoefend, alsook over [veroordeelde 1] die zij zag aan komen lopen. In haar elfde verhoor dat slechts één pagina aan inhoudelijke verklaring betreft, geeft [veroordeelde 2] aan dat [veroordeelde 3] binnen in het restaurant is geweest en aan haar, [veroordeelde 2] , heeft gevraagd wat te doen omdat het slachtoffer mogelijk nog leefde.
Op 22 april 1994 is ook [veroordeelde 3] gehoord, en wel omstreeks 11.00 uur, dat wil zeggen dat dit verhoor tien minuten voor het verhoor van [veroordeelde 2] op diezelfde dag is aangevangen. In dat verhoor, haar achtste als verdachte, verklaart zij voor het eerst over hetgeen is gebeurd nadat zij en [veroordeelde 2] op 4 juli 1993 op de Jorisstraat aankwamen. Zij verklaart dan belastend over een man die van [veroordeelde 2] wegliep in de richting van de toegangsdeur van de keuken van het restaurant en wiens stem zij herkende als ofwel die van [medeverdachte 1] , ofwel die van [medeverdachte 3] (die volgens haar qua stem op elkaar lijken). Tot dat verhoor heeft [veroordeelde 3] namelijk niet méér verklaard dan dat zij en [veroordeelde 2] na een avondje uitgaan naar de [a-straat] waren gekomen om daar te slapen en dat [veroordeelde 2] tegen haar had verteld dat zij, [veroordeelde 2] , drie personen had gezien. Voor wat betreft [veroordeelde 3] achtste verhoor valt naar het oordeel van het hof enerzijds op dat het qua detail voor wat betreft het ten laste gelegde ver achterblijft bij [veroordeelde 2] tiende verhoor, terwijl het anderzijds, en dat dan anders dan [veroordeelde 2] , over het naar binnen kijken door [veroordeelde 3] in het restaurant gaat. Dit in samenhang bezien met de omstandigheid dat [veroordeelde 2] vrijwel gelijktijdig met [veroordeelde 3] is verhoord, maakt dat niet aannemelijk is geworden dat hier sprake zou zijn geweest van enige uitgeoefende druk in de zin van het gestelde aandringen op verklaren aangezien anderen reeds in bepaalde zin zouden hebben verklaard. De verklaring van [verbalisant 16] tegenover de raadsheer-commissaris in de procedure in herziening geeft naar het oordeel van het hof geen aanleiding tot een andere conclusie.
Op 30 mei 1994 is [veroordeelde 2] als getuige gehoord door de rechter-commissaris in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , in aanwezigheid van de raadslieden mrs. Koningsveld, Van Diederen en Drenth. Bij gelegenheid van dit verhoor voor en door een rechter verklaart [veroordeelde 2] niet over ongeoorloofde druk door verbalisanten tijdens de verhoren en ook niet over het aanreiken van gegevens, noch over aspecten die haar persoon betreffen en die van invloed zouden zijn op haar gesteldheid tijdens de verhoren om bekennend of belastend te verklaren. Wel volhardt zij in haar bekennende en belastende verklaring. Dat doet zij overigens ook in de daaropvolgende dertiende tot en met zeventiende politieverhoren. De door de verdediging geopperde mogelijkheid dat een verdachte bij de rechter-commissaris volhardt om niet nogmaals door de politie verhoord te worden, vindt derhalve geen steun. In de procedure in herziening geeft [veroordeelde 2] ter terechtzitting van 17 maart 2015 aan dat het bij de rechter-commissaris allemaal aan haar voorbij is gegaan.
Ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch van 16 en 18 mei 1995, wordt [veroordeelde 2] wederom gehoord door de rechter en in aanwezigheid van raadslieden. Bij die gelegenheid is [veroordeelde 2] gehoord buiten aanwezigheid van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [veroordeelde 1] , op een daartoe strekkend schrijven van een ‘Prw-cas’ van de gevangenis [C] voor wat betreft [medeverdachte 2] , hetgeen door [veroordeelde 2] is aangevuld ter terechtzitting. Zij geeft dan aan bang te zijn voor de genoemde verdachten en voor represailles, gelet op haar verklaringen en hetgeen zich in het verleden reeds heeft afgespeeld. Deze beslissing is door het hof genomen in het kader van het belang van de waarheidsvinding. [veroordeelde 2] verklaart dan dat zij geen hoger beroep tegen haar veroordeling heeft aangetekend. Zij wordt gewezen op haar verschoningsrecht door de voorzitter en geeft dan aan dat zij blijft bij haar verklaring van 30 mei 1994. Over enige op haar uitgeoefende pressie of specifieke omstandigheden die haar persoon betreffen en die van invloed zijn geweest op haar tijdens haar verhoren, verklaart zij ook dan niet. Zij geeft daarentegen aan dat zij achteraf gezien beter direct naar waarheid had kunnen verklaren.
Het hof stelt vast dat [veroordeelde 2] derhalve in de drie keren dat zij voor een rechter stond waarvan proces-verbaal is opgemaakt – nu zij niet in hoger beroep is gegaan, is van het verhandelde ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Breda geen proces-verbaal opgemaakt – niet heeft verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen.
Pas bij gelegenheid van haar interview tegenover de CEAS d.d. 3 november 2010 geeft zij, na aanvankelijk medewerking geweigerd te hebben om de herinnering aan die tijd niet op te halen, wanneer zij over de politieverhoren wordt bevraagd, aan dat haar woorden in de mond waren gelegd door verbalisanten. Zij werd wel vier keer op een dag uit haar cel gehaald, de verhoren waren langdurig en zwaar omdat zij zwanger was en nooit werd haar verteld wat haar rechten waren. Bij de rechter had zij niet gezegd dat ze onschuldig was omdat zij niet meer wist wat wel en wat niet waar was. De interviewers [verbalisant 17] en [verbalisant 18] rapporteren dat [veroordeelde 2] niet toestond dat zij door middel van vragen probeerden te doorgronden wat dan de situationele aspecten van de politieverhoren zouden zijn geweest. Van enige opgaaf van redenen waarom [veroordeelde 2] terugkomt op eerdere verklaringen is ook dan geen sprake.
Ter terechtzitting van dit hof van 17 maart 2015 is [veroordeelde 2] bevraagd over de politieverhoren en de omstandigheden waaronder die plaats hebben gevonden. Zij geeft dan aan dat zij over de periode van het buurtonderzoek niets meer weet; dat de verhoren onprettig waren, de verbalisanten met stemverheffing spraken en op tafel sloegen, hetgeen haar een angstmoment opleverde, waardoor zij is gaan verklaren wat de politie wilde horen. Als haar het proces-verbaal verhoor inbewaringstelling wordt voorgehouden, geeft zij aan niet meer te weten waarop zij doelde met de woorden ‘verkeerde verklaringen’. De politie heeft haar gezegd dat indien zij zou verklaren, zij naar huis kon. Op de vraag of haar zwangerschap reden was om sneller te verklaren, geeft zij aan dat niet te weten, maar wel dat zij niet werd geloofd. Het hof merkt hierbij op dat uit de bij het verhoor in de procedure in herziening van de getuige [getuige 26] gevoegde kopie van de geboorte-aankondiging van de zoon van [veroordeelde 2] afgeleid kan worden dat deze is geboren op 7 december 1994. Dat is als zodanig geen bewijs van wetenschap bij [veroordeelde 2] van haar zwangerschap vanaf 11 april 1994, te weten de aanvang van de verhoren als verdachte, doch hooguit een indicatie. Het hof merkt tevens op dat [veroordeelde 2] in de procedure in herziening niet consistent is waar het haar stelling betreft dat zij de verbalisanten van haar zwangerschap had verteld.
Nadere redenen voor het terugkomen op haar verklaringen in de CEAS-procedure en de procedure in herziening en voor de omstandigheid dat zij dat destijds nimmer, wanneer zij voor een rechter stond, heeft gedaan, maar daarentegen bij haar bekennende en belastende verklaringen is gebleven, heeft [veroordeelde 2] niet gegeven. Naar haar zeggen is het allemaal aan haar voorbijgegaan. Een uitleg waarom zij in haar ogen onjuiste verklaringen heeft afgelegd, kan zij niet geven.
Over de situationele aspecten tijdens de verhoren en de persoonlijke factoren zijn de verbalisanten nader gehoord. [verbalisant 16] heeft aangegeven tijdens het onderzoek niet te hebben geweten van een zwangerschap van [veroordeelde 2] en hij heeft geen herinnering aan eventuele psychologische hulp voor [veroordeelde 2] . [verbalisant 3] heeft, toen hem door mr. Knoops werd voorgehouden de stelling dat [veroordeelde 2] de verbalisanten heeft verteld van haar zwangerschap, aangegeven dat niet te hebben geweten. Met betrekking tot enige op de vrouwelijke verdachten uitgeoefende druk is hij stellig in zijn ontkenning, evenals [verbalisant 16] . Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden dat aan de ambtsedige processen-verbaal van de verhorende verbalisanten getwijfeld dient te worden. Het valt het hof bovendien op dat [verbalisant 3] blijkens de verbatim weergave van zijn interview tegenover de CEAS-interviewers opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop hij werd bevraagd over de situationele aspecten van de verhoren, welke opmerkingen niet zijn neergelegd in de schriftelijke rapportage.
Het onderzoek in de procedure in herziening levert naar het oordeel van het hof voor wat betreft het door [veroordeelde 2] gestelde bekennend verklaren onder druk, in de verklaring van de [getuige 26] tegenover de raadsheer-commissaris een aanwijzing voor de onaannemelijkheid van die stelling. Tijdens haar detentie doet [veroordeelde 2] namelijk in een brief aan haar voormalige lerares [getuige 26] mededeling van ‘een situatie waarin zij was beland’. De brief is naar het hof aanneemt, niet ingegeven door enige druk van wie dan ook. [getuige 26] is gehoord als getuige. Zij verklaart hoe [veroordeelde 2] in correspondentie met haar heeft aangegeven dat en op welke wijze zij in de onderhavige zaak betrokken is geweest. Meer in het bijzonder heeft [getuige 26] daarover het volgende verklaard: ‘ [veroordeelde 2] heeft mij geschreven dat zij in een situatie was gekomen. Ze had niet voorzien wat er zou gebeuren, ze was er ingerold, zo schreef zij mij. (...) [veroordeelde 2] werkte in die tijd in een frituurzaak naast een Chinese winkel. Een aantal jongelui kwam daar regelmatig en die groep heeft contact met [veroordeelde 2] opgenomen en haar vervolgens als het ware misbruikt, omdat zij contact had met de Chinees. Dat groepje wilde de Chinese zaak overvallen, geld halen. (...) Het hele verhaal was dat [veroordeelde 2] zogenaamd die mevrouw wakker moest maken, met het verhaal dat er ingebroken was in het restaurant. [veroordeelde 2] heeft dat gedaan, ze wilden het geld hebben maar er was geen geld. Die jonge jongens wilden sieraden, maar dat wilde die mevrouw niet afgeven. Ze hebben daarop die mevrouw bijna verrot geschopt en geslagen. (...) Die mevrouw is even later doodgegaan. Hoe het verder is gegaan, weet ik niet meer. Dat heeft [veroordeelde 2] me niet verteld.’ Wanneer [veroordeelde 2] daarnaar wordt gevraagd, heeft zij aan die briefwisseling een andere herinnering, namelijk dat die zag op haar zwangerschap en haar detentie: ‘U houdt mij voor dat mijn oud-docente, [getuige 26] , tegenover de raadsheer-commissaris als getuige heeft verklaard dat ik haar een brief had geschreven. (...) Eind vorig jaar heb ik de brieven gezien bij mijn advocaat. Ik heb met mijn eigen ogen gezien dat het mijn handschrift is, want anders had ik nooit geweten dat ik haar had geschreven. U houdt mij voor dat ik haar blijkens haar verklaring heb geschreven dat ik in een situatie was beland. Dat zegt zij. In mijn brieven heb ik eigenlijk alleen gelezen dat ik over mijn zwangerschap heb geschreven en over het feit dat ik het moeilijk had met mijn veroordeling.’
[veroordeelde 3]
is op 19 april 1994 aangehouden om 11.15 uur. Zij is als verdachte vanaf die datum tot en met 9 mei 1994 in totaal twintig keer verhoord. Aanvullend op hetgeen hierboven reeds is overwogen ten aanzien van [veroordeelde 2] geldt dat ook zij
- noch bij gelegenheid van haar verhoor inbewaringstelling;
- noch bij gelegenheid van haar verhoor door de rechter-commissaris als getuige in de zaken [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , in aanwezigheid van de raadslieden mrs. Van Diederen, Drenth en Koningsveld en voorzien van rechtsgeleerde bijstand door haar toenmalige raadsman mr. Santi, waarbij zij aangeeft te blijven bij haar bekennende en belastende verklaringen;
- noch bij gelegenheid van haar verhoor als getuige ter terechtzitting van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 16 mei 1995, in de opmaat waarvan zij door haar toenmalige raadsvrouw mr. Trotman is bijgestaan blijkens pagina 24 van het daarvan opgemaakte proces-verbaal, en bij welke gelegenheid zij aangeeft geen hoger beroep te hebben aangetekend,
enige opmerking maakt over de sfeer tijdens de verhoren of over enige op haar uitgeoefende pressie.
Bij gelegenheid van haar telefonisch gevoerde interview tegenover de CEAS d.d. 20 oktober 2010 door de interviewers [verbalisant 22] en [verbalisant 17] verklaart [veroordeelde 3] , die overigens begint met aan te geven dat zij niet wil meewerken, allereerst dat zij door de politiemensen in het onderzoek [slachtoffer] heel netjes is behandeld. Na een interventie in dat gesprek door haar toenmalige partner [betrokkene 2] , vervolgt zij dan met de mededeling dat zij is geconfronteerd met verklaringen van anderen, en – kort en zakelijk weergegeven – heeft verklaard wat de politie wilde horen. Door de interviewers daarop bevraagd geeft zij geen nadere toelichting op de vraag op welke wijze die verklaringen dan tot stand zijn gekomen.
Het hof stelt vast dat [veroordeelde 3] evenals [veroordeelde 2] in de drie keren dat zij voor een rechter stond waarvan proces-verbaal is opgemaakt – nu zij niet in hoger beroep is gegaan, is van de terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Breda geen proces-verbaal opgemaakt – niet heeft verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen.
Ter terechtzitting in de procedure in herziening geeft [veroordeelde 3] – kort en zakelijk weergegeven – aan dat tijdens haar verhoren geen sprake is geweest van stemverheffing of op tafel slaan door verbalisanten. Als haar de verklaringen van de getuigen [getuige 23] en [getuige 24] worden voorgehouden, geeft zij aan dat zij heeft verklaard zoals zij destijds deed omdat haar door [verbalisant 16] was gezegd dat zij naar huis mocht indien zij zou verklaren. Daarop bevraagd heeft [verbalisant 16] stellig ontkend dat hij deze toezegging heeft gedaan aan [veroordeelde 3] . [verbalisant 15] verklaart dat het er tijdens de verhoren in zijn beleving fair aan toe is gegaan. Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden dat aan de ambtsedige processen-verbaal van de verhorende verbalisanten getwijfeld dient te worden.
Als [veroordeelde 3] nader wordt bevraagd over het “lulverhaal” dat zij naar haar eigen zeggen heeft opgehangen, dat wil zeggen haar bekennende en belastende verklaringen, geeft zij geen reden voor haar thans ontkennende verklaring en kan zij niet aangeven wat in dat “lulverhaal” verzonnen was en wat haar door verbalisanten is voorgehouden. Ook voor de mededeling, die naar het hof aanneemt niet was ingegeven door enige druk van wie dan ook, die [veroordeelde 3] tijdens haar detentie in een brief aan [getuige 23] doet, te weten dat ‘die vrouw’ nog had geleefd als [veroordeelde 3] haar niet had gehaald, kan zij geen reden of redelijke verklaring geven. In de procedure in herziening is de getuige [getuige 27] gehoord door de raadsheer-commissaris d.d. 4 februari 2015. Hij verklaart dan dat [veroordeelde 3] tegen hem gezegd heeft dat zij ‘daar binnen is geweest en het zelf heeft meegemaakt.’ [betrokkene 2] , de voormalige partner van [veroordeelde 3] , heeft tegenover de raadsheer commissaris verklaard dat [veroordeelde 3] , als hij haar vroeg naar het delict waarvoor zij was veroordeeld, steeds het verhaal stopte bij het moment waarop zij, [veroordeelde 3] , een oudere vrouw moest ophalen. Als getuige ter terechtzitting van dit hof van 18 maart 2015, kan [veroordeelde 3] niet aangeven op welk moment en naar aanleiding waarvan zij ging denken dat het anders was gegaan dan zij eerder had verklaard.
[veroordeelde 1]
is op 27 april 1994 omstreeks 12.10 uur aangehouden in de onderhavige zaak door de verbalisanten [verbalisant 23] en [verbalisant 24] . Op diezelfde dag is zij in verzekering gesteld om 13.25 uur. In haar eerste verhoor op 27 april 1994 omstreeks 14.30 uur ontkent zij enige betrokkenheid. Reeds in haar
tweedeverhoor op 28 april 1994 verklaart zij dat zij wel iets weet, namelijk dat zij op de avond van het ten laste gelegde feit bij [getuige 23] aan de [d-straat 1] te Breda was en dat daar ook waren [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die later in die nacht thuis kwamen en zeiden dat een overval op een Chinees mislukt was.
Bij gelegenheid van het verhoor inbewaringstelling d.d. 29 april 1994 heeft [veroordeelde 1] tegenover de rechter-commissaris in aanwezigheid van haar toenmalige raadsman mr. Thomas aangegeven niets te weten van de moord op [slachtoffer] , maar heeft zij wel belastend verklaard over de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij ‘een mislukte overval op een Chinees.’ Op diezelfde dag omstreeks 13.00 uur verklaart zij in haar derde verhoor meer in detail belastend over [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , en tevens over [medeverdachte 3] , [veroordeelde 2] en haar eigen rol. Zij heeft onder andere verklaard over door haar verrichte voorbereidingshandelingen. Tot en met haar negende verhoor op 11 mei 1994 voegt [veroordeelde 1] details toe aan haar bekennende en belastende verklaring.
Bij gelegenheid van haar verhoor door de rechter-commissaris in strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda als getuige in de zaken van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] op 30 mei 1994 trekt zij al haar politieverklaringen in, omdat zij naar haar zeggen onder druk is gezet door de rechercheurs. Zij stelt dan dat wat zij weet, zij weet van de rechercheurs, en dat zij ook via haar advocaat – met wie zij, zo stelt het hof vast, klaarblijkelijk overleg had – verklaringen heeft gelezen. Desgevraagd kan zij niet aangeven waarom [veroordeelde 3] dan in deze zaak heeft verklaard. De beweerdelijke druk is direct nader onderzocht door de verbalisanten te horen in aanwezigheid van de raadsman van [veroordeelde 1] . [verbalisant 15] en [verbalisant 24] verklaren tegenover de rechter-commissaris dat zij geen druk hebben uitgeoefend. [verbalisant 13] geeft aan dat hij [veroordeelde 1] heeft gehoord naar aanleiding van haar eigen eerdere verklaringen. Ook [verbalisant 23] geeft in zijn verklaring aan dat verhoren goed verliepen. Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden dat aan de ambtsedige processen-verbaal van de verhorende verbalisanten getwijfeld dient te worden.
Vervolgens gaat [veroordeelde 1] ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 12 juli 1994, bijgestaan door mr. Thomas, weer terug naar haar eerste verklaring dat zij op de bewuste avond aan de [d-straat] was en dat toen werd gesproken over het restaurant “Peacock” waar wat te halen zou zijn. Zij geeft tegelijkertijd aan dat haar bekennende verklaring onder druk tot stand is gekomen. Uit de pleitnota in eerste aanleg van mr. Thomas valt op te maken dat de proceshouding zodanig was dat de voorbereidingshandelingen van een overval werden erkend. De rechtbank heeft de druk dan wel het in de mond leggen van verklaringen niet aannemelijk geacht.
Ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 25 april 1995 verklaart [veroordeelde 1] dat zij ten onrechte is veroordeeld. Ook in die fase van de procedure zijn de verbalisanten als getuige op dit onderdeel gehoord. Zij blijven bij hun eerdere verklaringen voor wat betreft de gang van zaken en de sfeer tijdens de verhoren. Waar uit de aan de processen-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch gehechte brief van mr. Thomas naar voren komt dat [verbalisant 23] ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard – anders dan in het proces-verbaal is vermeld – dat hij [veroordeelde 1] minstens éénmaal heeft geconfronteerd met verklaringen van anderen, biedt dat naar het oordeel van het hof geen steun voor de stelling dat [veroordeelde 1] verleid is tot haar verklaringen, nu – zoals hierboven reeds is overwogen – het voorhouden van verklaringen van anderen geen ongebruikelijke en evenmin een in zijn algemeenheid ontoelaatbare praktijk is in verhoorsituaties.
[veroordeelde 1] heeft geen cassatie ingesteld tegen het veroordelend arrest van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Het hof stelt vast dat [veroordeelde 1] tot dat moment geen reden van persoonlijke aard opgeeft voor haar eerdere belastende verklaringen, en over de situationele aspecten tijdens de verhoren slechts de druk en het voorhouden van verklaringen van anderen door verbalisanten noemt.
Bij gelegenheid van haar interview tegenover de CEAS d.d. 11 november 2010 geeft [veroordeelde 1] aan dat de verhoren lang duurden en dat zij onder druk heeft verklaard. Als de interviewers haar wijzen op de pleitnota van haar raadsman, zegt zij niet meer dan dat hij ook dit had moeten intrekken en dat ze het niet goed met hem zal hebben besproken. Als de interviewers haar voorhouden dat zij in een andere strafzaak ook bekennend heeft verklaard en haar vragen of het gelet op haar verklaringen in de onderhavige zaak toch niet allemaal uit politiedruk afkomstig kan zijn, geeft [veroordeelde 1] geen direct antwoord.
Ter terechtzitting van dit hof in de procedure in herziening is [veroordeelde 1] bevraagd over de sfeer tijdens de verhoren. Zij geeft dan – kort en zakelijk weergegeven – aan dat zij die vervelend vond omdat er op tafel werd getikt, hetgeen een negatieve jeugdherinnering opriep, dat zij tekende om met rust te worden gelaten en dat zij daarom een “quatschverhaal” is gaan vertellen. In de procedure in herziening is [verbalisant 24] wederom gehoord. Hij heeft er geen herinnering aan dat men destijds een bekennende verklaring wilde hebben en uit zijn verbazing over hetgeen de verbalisanten wordt verweten. Volgens [verbalisant 24] was [veroordeelde 1] ‘zeker niet op haar mondje gevallen’ en heeft hij ‘er geen beeld bij dat wij haar een richting zouden hebben ingestuurd bij het beantwoorden van vragen. Dat was niet onze insteek, want dan had het nog veel mooier op papier moeten staan’. [veroordeelde 1] kan overigens niet aangeven welke informatie haar dan specifiek is aangereikt. Ook buiten de verhoren ervoer zij naar haar zeggen druk, onder andere doordat bij het douchen geen vrouwelijke agenten waren, welke stelling door [verbalisant 3] overigens als onjuist wordt geduid. Zij voegt eraan toe dat zij niet heeft verklaard over druk omdat zij niemand vertrouwde maar anderzijds ook dat zij contact had met haar raadsman. Haar verklaring ter terechtzitting in eerste aanleg zal, zo vermoedt zij, ook “quatsch” zijn geweest. Het hof stelt vast dat zij daarvoor geen reden noemt.
Naar het oordeel van het hof kunnen de in de procedure in herziening afgelegde verklaringen van de getuigen [getuige 23] en [getuige 24] de stellingen van [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] voor wat betreft de verhoorsituatie niet schragen, nu ook deze getuigen pas laat zijn gaan verklaren over door hen ervaren druk, terwijl [getuige 24] , wanneer zij als getuige wordt gehoord ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, geen melding maakt over door haar ervaren druk.
Het valt op, zoals hierboven al overwogen, dat [veroordeelde 1] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] zich desgevraagd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 maart 2015 niet weten te herinneren op welke wijze dan hun bekennende verklaringen als verdachte en belastende verklaringen als getuige specifiek tot stand zijn gekomen, terwijl zij tegelijkertijd wel aangeven dàt er op ongeoorloofde wijze pressie op hen is uitgeoefend c.q. dat er op ongeoorloofde wijze is verhoord door de politie. Zij kunnen ook overigens geen reden aangeven waarom zij pas in een laat stadium hun standpunt naar voren hebben gebracht dat zij door het optreden van de politie tijdens de verhoren tot hun bekennende en belastende verklaringen zijn gebracht.
[medeverdachte 1]
heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep niet verklaard over enige door de politie op hem uitgeoefende druk. In zijn interview tegenover de CEAS d.d. 13 december 2010 geeft hij voor de eerste keer aan dat hij druk heeft bemerkt, maar dat hij steeds bij zijn standpunt dat hij onschuldig was, is gebleven. In zijn verklaring ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 2015 heeft [medeverdachte 1] op de vraag om een concreet voorbeeld te geven van de door hem ervaren druk, verklaard dat de verbalisanten hem voor leugenaar uitmaakten, met stemverheffing spraken, op tafel sloegen en dreigden zijn vriendin en zijn broer op te pakken.
Voor het dermate laat aanvoeren van deze stelling(en) heeft [medeverdachte 1] geen reden aangevoerd en deze is ook overigens niet aannemelijk geworden, mede gelet op hetgeen het hof hierboven reeds heeft overwogen met betrekking tot hetgeen ten aanzien van de vrouwelijke verdachten op dit punt is betoogd. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] steeds heeft volhard in zijn ontkenning en ook niet aannemelijk is geworden dat welk optreden dan ook van de verhorende verbalisanten ten opzichte van de vrouwelijke verdachten zou inhouden dat het optreden van (de) verbalisanten ten aanzien van [medeverdachte 1] hieraan identiek zou zijn geweest.
De standpunten ten aanzien van de tijdens de verhoren op de vrouwelijke verdachten en [medeverdachte 1] uitgeoefende druk worden naar het oordeel van het hof ook niet ondersteund door hetgeen de andere mannelijke verdachten op dit punt hebben verklaard.
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hebben steeds volhard in hun onschuld of gezwegen. Zij hebben pas in hun interviews tegenover de CEAS voor het eerst melding gemaakt van druk. [medeverdachte 3] benoemt deze druk dan als normaal, en komt vervolgens pas ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 2015 met het voorbeeld dat hij lang in een kleine cel heeft moeten wachten. [medeverdachte 2] geeft in zijn interview tegenover de CEAS aan dat de verhoren normaal zijn gegaan, maar dat hij de verhoren op een gegeven moment beu werd. Ook hij komt pas ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 2015 met de nadere verklaring dat met name de verhoren door [verbalisant 3] bot verliepen.
Nu daarenboven [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] destijds in de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep steeds zijn bijgestaan door een raadsman en toentertijd niet hebben aangevoerd dat op hen druk is uitgeoefend tijdens de verhoren, is naar het oordeel van het hof, gelet op de aan het thans gevoerde betoog ontbrekende grond, niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van ongeoorloofde druk tijdens de verhoren van [medeverdachte 1] . Deze stelling kan derhalve ook niet dienen als onderbouwing van hetgeen door de vrouwelijke verdachten is gesteld over “ongeoorloofde druk”.
Het vorenstaande laat zich naar het oordeel van het hof als volgt samenvatten:
- Hetgeen [veroordeelde 2] in de procedure in herziening verklaart over veelvuldige en lange verhoren van meerdere malen per dag, vindt naar het oordeel van het hof geen steun in de stukken en is ook overigens in het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden;
- [veroordeelde 2] heeft in de drie keren dat zij voor een rechter stond, waarvan proces-verbaal is opgemaakt, niet verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen;
- [veroordeelde 2] kan desgevraagd in de procedure in herziening niet aangeven hoe het er in het buurtonderzoek aan toe ging, weet niet wat zij bedoelde met haar woorden “verkeerde verklaringen”, en kan geen reden geven voor haar late terugkomen op haar belastende en bekennende verklaringen;
- [veroordeelde 2] heeft in de CEAS-procedure en de procedure in herziening geen nadere redenen gegeven voor het terugkomen op haar verklaringen en voor de omstandigheid dat zij dat destijds nimmer, wanneer zij voor een rechter stond, heeft gedaan. Naar haar zeggen is het allemaal aan haar voorbijgegaan en kan zij geen uitleg geven waarom zij in haar ogen onjuiste verklaringen heeft afgelegd;
- [veroordeelde 3] heeft evenals [veroordeelde 2] in de drie keren dat zij voor een rechter stond waarvan proces-verbaal is opgemaakt, niet verklaard over situationele en persoonlijke omstandigheden die zouden hebben geleid tot haar bekennende en belastende verklaringen;
- [veroordeelde 3] heeft in de procedure in herziening verklaard dat geen sprake is geweest van stemverheffing en het op tafel slaan door verbalisanten;
- [veroordeelde 1] heeft tot aan haar veroordeling door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch géén reden van persoonlijke aard opgegeven voor haar eerdere belastende verklaringen, en zij heeft tot dat moment over de situationele aspecten tijdens de verhoren slechts de druk en het voorhouden van verklaringen van anderen door verbalisanten genoemd;
- [veroordeelde 1] heeft desgevraagd bij gelegenheid van haar CEAS-interview geen nadere reden gegeven voor haar stelling dat zij onder druk heeft verklaard;
- [veroordeelde 1] heeft geen reden opgegeven voor het ter terechtzitting in eerste aanleg vertellen van haar “quatschverhaal”;
- [medeverdachte 1] heeft in de procedure in herziening geen nadere reden opgegeven voor zijn late verklaren omtrent druk tijdens de verhoren.
Naar het oordeel van het hof is op grond van het onderzoek in de procedure in herziening niet aannemelijk geworden dat aan de ambtsedige processen-verbaal van de verhorende verbalisanten getwijfeld dient te worden.
Het hof acht op grond van het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van ongeoorloofde pressie dan wel dat stukken aan de verdachten zijn voorgehouden om hen tot hun verklaringen te dwingen. Er zijn derhalve geen externe aanwijzingen voor twijfel aan de door hen afgelegde verklaringen. Het verweer wordt op dit onderdeel mitsdien verworpen.
3.2
De persoon van de vrouwelijke verdachten
Het hof
In het kader van de gestelde valsheid van hun bekennende en belastende verklaringen gaat het hof bij de bespreking van hetgeen is aangevoerd over [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] met betrekking tot hun psychische kwetsbaarheid, al dan niet voortvloeiend uit hun negatieve jeugdervaringen, uit van het navolgende. Het spreekt daarbij voor zich dat hetgeen de verdachten tegenover de reclassering en/of een gedragsdeskundige hebben verklaard met betrekking tot het ten laste gelegde feitencomplex niet tot het bewijs wordt gebezigd.
Ten aanzien van [veroordeelde 3] is voor wat betreft haar gemoedstoestand in de procedure in herziening door mr. Loevendie gewezen op de omstandigheid dat zij haar behoefte aan psychologische bijstand kenbaar heeft gemaakt aan de verbalisanten. In het verhoor van [verbalisant 16] heeft mr. Loevendie deze getuige gevraagd naar de gemoedstoestand van [veroordeelde 3] , meer in het bijzonder of zij in haar vijftiende verhoor om psychische hulp heeft verzocht. [verbalisant 16] geeft daarop aan dat er voorzichtig met [veroordeelde 3] is omgegaan, maar hij heeft geen herinnering aan een concrete hulpvraag. Het hof overweegt hierbij dat het vijftiende verhoor van [veroordeelde 3] de opmerking bevat ‘Ik wil nog zeggen dat ik graag psychische hulp wil aanvaarden, omdat ik er zelf veel geestelijke schade door heb opgelopen’, hetgeen naar het oordeel van het hof eerder lijkt te wijzen op hetgeen [veroordeelde 3] dan heeft verklaard over het ten laste gelegde feit en het effect daarvan op haar.
Overigens is er destijds behalve voorlichtingsrapportage door de reclassering ook een psychologische en psychiatrische rapportage uitgebracht. De psycholoog drs. Oudejans concludeert dat [veroordeelde 3] ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde leed aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de vorm van duidelijke tekorten in de fundering, structuur en draagkracht van haar persoonlijkheid. Hij merkt daarbij op dat deze zich onder andere uit als hechtingsangst en beperkt vermogen weerstand te bieden aan externe verleidingen. Gelet hierop acht hij [veroordeelde 3] voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde volledig toerekeningsvatbaar, en in enigszins verminderde mate voor wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde. De psychiater (in opleiding) Van Balkom stelt eveneens een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vast, die reeds op zeer jonge leeftijd is ontstaan en die samenhangt met de zeer ernstige affectieve en lichamelijke verwaarlozing. Van Balkom benoemt in dit kader een hechtingsprobleem en verslavingsgedrag. [veroordeelde 3] wordt minder goed in staat geacht tevoren een adequate inschatting te hebben kunnen maken van de ernst van de situatie en de consequenties te doorzien. Het hof stelt vast dat de rechtbank bij haar oordeel rekening heeft gehouden met de uitgebrachte rapportages en [veroordeelde 3] enigszins verminderd toerekenbaar heeft geacht.
Ook over [veroordeelde 1] is destijds door de reclassering gerapporteerd, en door de psychiater die het tenlastegelegde in enigszins verminderde mate aan haar toe te rekenen acht en spreekt van een stoornis in de persoonlijkheidsontwikkeling in de zin van psychopatiforme ontwikkeling mede op basis [van] affectieve verwaarlozing. Deze rapportage is opgemaakt in de andere zaak waarvoor [veroordeelde 1] in voorlopige hechtenis zat ten tijde van haar aanhouding in de onderhavige zaak, en wel voor die aanhouding. De rechtbank heeft in haar oordeel de psychiatrische rapportage betrokken en [veroordeelde 1] enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.
In de procedure in herziening heeft dr. R. Horselenberg op 16 januari 2015 een deskundigenrapport ingediend (met bijlagen). De daartoe strekkende opdracht van de raadsheer-commissaris in dit hof luidde: ‘onderzoek verrichten naar de theoretische achtergrond voor wat betreft de waardering van belastende verklaringen waarvan de indruk bestaat dat deze mogelijkerwijs vals kunnen zijn, meer in het bijzonder over de vraag naar bijzondere omstandigheden, daaronder begrepen omstandigheden met betrekking tot de verhoorsetting en -duur c.q. factoren in de persoon van de verdachte gelegen, die al dan niet in onderling verband aanleiding kunnen geven tot het afleggen van (valse) bekentenissen c.q. verklaringen en de volharding daarin’.
Dr. Horselenberg geeft in zijn rapport allereerst een beschouwing over verhoortechnieken in het algemeen en soorten bekentenissen. Onder verwijzing naar een analyse van Stevens en Verhoeven van verdachtenverhoren wijst dr. Horselenberg erop dat bij zwijgende verdachten meer intimiderende technieken worden toegepast die tegen ontoelaatbare druk aanleunen.
Het hof merkt op, zoals hierboven onder de kop ‘De verhoorsituatie’ reeds overwogen, dat juist de zwijgende dan wel ontkennende mannelijke verdachten hebben volhard in hun onschuld en dat overigens ongeoorloofde druk niet aannemelijk is geworden.
Voor wat betreft valse bekentenissen, voor zover hier van belang, onderscheidt dr. Horselenberg de afgedwongen valse bekentenis, die ontstaat omdat de verdachte de druk van het politieverhoor niet meer aan kan terwijl hij wel weet dat hij niet de dader is, en de afgedwongen ingebeelde valse bekentenis, waarbij de verdachte gaat geloven dat hij de dader is. Dr. Horselenberg wijst er enerzijds op dat een verhoorsituatie als zodanig al druk kan opleveren en anderzijds dat een valse bekentenis kan ontstaan doordat verbalisanten een geheugen bevorderende verhoortechniek hanteren of de verdachte laten “raden” tot het in hun visie juiste antwoord is gegeven. Omstandigheden zoals, onder andere, de duur van het verhoor, honger of kou, alsmede situationele factoren zoals schuldpresumptie en persoonlijke factoren zoals suggestibiliteit (dat wil zeggen de neiging om informatie van anderen in eigen herinneringen te incorporeren) en “compliance” (dat wil zeggen inschikkelijkheid ten aanzien van gezagsdragers). De suggestibiliteit van degenen die een geïnternaliseerde valse bekentenis afleggen, is hoger dan die van andere valse bekenners.
Tegelijkertijd merkt dr. Horselenberg op dat het schatten van de waarde van de uitkomst van bekende tests van prof. Gudjonsson op suggestibiliteit en “compliance”, problematisch kan zijn omdat verhoogde suggestibiliteit ten tijde van de meting – indien deze jaren na de strafzaak wordt uitgevoerd – nog niet betekent dat die suggestibiliteit ook tijdens de verhoren aanwezig was. Datzelfde geldt voor forensisch psychologische en psychiatrische rapportages. Er is, zo stelt dr. Horselenberg, geen gepubliceerd experimenteel onderzoek dat prof. Gudjonssons hypotheses over suggestibiliteit en inschikkelijkheid eenduidig ondersteunt. Dr. Horselenbergs eigen poging daartoe toonde geen relatie aan tussen suggestibiliteit en inschikkelijkheid enerzijds en valse bekentenissen anderzijds.
Het hof neemt hierna in de waardering van de rapportages allereerst tot uitgangspunt dat de rapportage van dr. Horselenberg een algemeen theoretische is, dat wil zeggen niet toegespitst op de individuele verdachten. Ook dient, ten tweede, naar het oordeel van het hof bij de rapportages over de individuele verdachten steeds betrokken te worden de omstandigheid dat forensisch-psychologisch onderzoek als het onderhavige plaatsvindt vanuit een retrospectief, in dit geval meer dan twintig jaar na het ten laste gelegde delict. Die omstandigheid heeft zowel gevolgen voor de wijze waarop door de onderzoekers tot conclusies wordt gekomen c.q. voor de waardering van de methodologie bij het verrichte onderzoek en de uitkomsten daarvan, als voor de manier waarop de aan het onderzoek ten grondslag liggende gegevens zijn verkregen, dat wil zeggen wie of wat de bron daarvan is.
Deze bron is in de door dr. E. Geraerts uitgevoerde diepte-interviews steeds de onderzochte verdachte zelf geweest. Zoals dr. Geraerts opmerkt in haar brief d.d. 30 januari 2015 aan de raadsheer-commissaris in dit hof, met betrekking tot de aanvullende vragen van de advocaat-generaal ten aanzien van het interview als onderzoeksmethode: ‘De onderzochten werden verzocht hun versie vrij te reproduceren. Waar nodig stelde ik aanvullende vragen om bepaalde onduidelijkheden en/of details uit te klaren. Voor diagnostische redenen stelde ik vragen betreffende de aan/afwezigheid van symptomen van PTSS en depressie. In de interviews met [veroordeelde 1] en [veroordeelde 3] werd geen diagnostiek gepleegd daar dit niet het doel was van het diepte-interview.’ Met andere woorden, het diepte-interview ‘vraagt naar haar subjectieve ervaring.’
Daarbij komt naar het oordeel van het hof in het bijzonder betekenis toe aan hetgeen dr. Horselenberg opmerkt ten aanzien van de Gudjonsson Suggestibility Test en de Gudjonsson Compliance Scale, die dr. Geraerts heeft gehanteerd, te weten dat er geen gepubliceerd experimenteel onderzoek bestaat dat Gudjonssons hypotheses over suggestibiliteit en inschikkelijkheid eenduidig ondersteunt. Prof. Rassin merkt in zijn brief aan de raadsheer-commissaris van dit hof d.d. 31 juli 2014 op dat hij anders dan dr. Geraerts de toegevoegde waarde van een diepte-interview niet ziet. Hij relativeert ook overigens de uitkomst van de tests, nu er geen garantie is dat deze twintig jaar terug in de tijd kan worden geprojecteerd. Ten aanzien van het buiten de verhoorcontext gestand doen van valse bekentenissen, merkt prof. Rassin op dat naar zijn weten geen onderzoek is verricht naar de instandhouding van valse bekentenissen. Voor hem ligt het – indien sprake is van een (gedeeltelijke) pseudoherinnering – voor de hand dat een verdachte ook na het verhoor aan de bekentenis vasthoudt, terwijl in andere gevallen verwacht zou worden dat de bekentenis snel na het verhoor wordt ingetrokken.
In onderlinge samenhang bezien betekent dit naar het oordeel van het hof dat noch over het causaal verband tussen suggestibiliteit dan wel inschikkelijkheid en de valse bekentenis als fenomeen, noch over de waarde van de gevolgde methodologie om gegevens te verkrijgen over de gemoedstoestand van de verdachten ten tijde van het ten laste gelegde feit, overeenstemming bestaat tussen de onderzoekers.
Uit het diepte-interview van [veroordeelde 3] concludeert dr. Geraerts dat [veroordeelde 3] mogelijk een verhaal heeft geïnternaliseerd en dat dan op basis van hetgeen verbalisanten haar aanreikten, waardoor een pseudoherinnering, zoals [veroordeelde 3] desgevraagd in het interview heeft aangegeven, kan zijn ontwikkeld, eventueel ook in de vorm van een droom. Een dergelijke droom kan dan de aanleiding tot een bekentenis zijn. Ter terechtzitting van dit hof verklaart [veroordeelde 3] daarover dat zij niet weet wat een pseudoherinnering is maar dat zij wel over een droom heeft verteld aan dr. Geraerts. Prof. Rassin heeft ten kantore van mr. Loevendie op 16 juni 2014 bij [veroordeelde 3] de beide Gudjonsson tests afgenomen, en een Social Interactions Anxiety Scale (SIAS). Zijn conclusie luidt dat [veroordeelde 3] een gemiddelde tot bovengemiddelde kans loopt op het afleggen van een valse bekentenis, zowel vanwege “compliance” en angst als vanwege suggestibiliteit.
Uit het diepte-interview van [veroordeelde 1] komt volgens dr. Geraerts naar voren dat het geheugen van [veroordeelde 1] voor details van de verhoren niet meer heel scherp is, hetgeen veroorzaakt kan worden door de omstandigheid dat [veroordeelde 1] probeert er niet aan te denken. Dat is een kenmerk van haar posttraumatische stressstoornis die in maart 2014 is gediagnosticeerd. Dr. Geraerts concludeert dat het mogelijk is dat [veroordeelde 1] heeft bekend door de druk die zij zegt te hebben ervaren tijdens de verhoren en die haar terugbracht naar haar kindertijd waarin zij haar moeder als gewelddadig ervoer. In het geval van [veroordeelde 1] gaat het eerder om “compliance” dan intemalisatie. Dit laatste wordt echter niet bevestigd door het onderzoek van prof. Rassin. Prof. Rassin heeft ten kantore van mr. Loevendie op 16 juni 2014 bij [veroordeelde 1] de beide Gudjonsson tests afgenomen en de SIAS. Hij concludeert dat bij [veroordeelde 1] het risico op een valse bekentenis
gemiddeldis vanwege “compliance”, en zelfs
laagvanwege suggestibiliteit.
Dr. Geraerts heeft voor wat betreft [veroordeelde 2] in samenwerking met prof. Rassin een gedragsdeskundigenrapportage opgesteld en ingediend op 2 september 2014 naar aanleiding van cognitieve tests en een diepte-interview met [veroordeelde 2] , afgenomen op 12 juni 2014. Dr. Geraerts geeft daarin aan dat zij op verzoek van mr. Knoops reeds op 12 augustus 2013 een diepte-interview van [veroordeelde 2] had afgenomen, en dat ook in 2013 een aantal cognitieve tests bij [veroordeelde 2] werd afgenomen. De rapportage is gebaseerd op de interviewmomenten, niet op aanvullende stukken. De conclusies van dr. Geraerts luiden dat [veroordeelde 2] niet bijzonder suggestibel is, reden waarom niet verwacht zou hoeven worden dat zij op de langere termijn daadwerkelijk pseudoherinneringen oploopt indien zij stellig wordt verhoord. Verder komt [veroordeelde 2] als sterk “compliant” naar voren. Volgens dr. Geraerts pretenderen de gebruikte cognitieve tests behoorlijk stabiel te zijn in de tijd, zodat kan worden betoogd dat de scores uit september 2013 ook representatief zouden zijn voor eerdere momenten in de tijd. Ander onderzoek van Gudjonsson wijst er volgens haar op dat de bedoelde persoonlijkheidskenmerken veranderbaar zijn. Dr. Geraerts geeft aan dat het zeer moeilijk is om met enige wetenschappelijke stelligheid te concluderen of er sprake is van een valse bekentenis, maar concludeert op basis van hetgeen [veroordeelde 2] haar in het diepte-interview heeft medegedeeld ten aanzien van de sfeer tijdens de verhoren dat deze in combinatie met [veroordeelde 2] “compliance” de kans op een valse bekentenis vergroot. Prof. Rassin concludeert, eveneens op basis van de in 2013 bij [veroordeelde 2] afgenomen tests, dat bij [veroordeelde 2] het risico op een valse bekentenis bovengemiddeld is vanwege “compliance” en gemiddeld vanwege suggestibiliteit.
Het hof stelt op grond van het bovenstaande vast dat de bron voor de gegevens die aanleiding zijn geweest voor de conclusies die zijn getrokken op grond van de diepte-interviews, steeds de verdachten zelf zijn geweest. Het hof merkt daarbij op dat het gebruik van woorden zoals “lijkt” en “mogelijk” in de verslaglegging ook het tentatieve karakter van de conclusies onderstreept. Zoals hierboven reeds overwogen bestaat er over het causaal verband tussen suggestibiliteit dan wel inschikkelijkheid en de valse bekentenis als fenomeen, geen overeenstemming tussen de onderzoekers. Het hof stelt tevens vast dat geen onderzoek bekend is met betrekking tot het intrekken van valse bekentenissen.
In onderlinge samenhang bezien leidt dit tot de conclusie dat niet aannemelijk is dat de bekentenissen van [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] vals zijn en dat er onvoldoende in hun persoon gelegen aanwijzingen zijn voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de door hen afgelegde verklaringen. Naar het oordeel van het hof maken de bij pleidooi door mr. Knoops overgelegde producties dit niet anders.
3.3
Conclusie
Nu er geen externe en interne factoren en aanwijzingen zijn voor twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten, acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en te bezigen tot het bewijs. Het hof stelt tevens vast dat, voor zover deze verklaringen zien op het tenlastegelegde, deze op hoofdlijnen gelijkluidend zijn. Dat laat onverlet dat het hof deze verklaringen behoedzaam tegemoet zal treden. Hieronder onder IV zal het hof de verklaringen van de vrouwelijke verdachten nader toetsen.
3.4
De alibi’s
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn alibiverweren gevoerd.
Ten aanzien van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] is een beperkt alibiverweer gevoerd.
Ten aanzien van [veroordeelde 1] en [medeverdachte 2] zijn geen alibiverweren gevoerd.
Het hof zal deze echter ambtshalve bespreken gelet op hetgeen (destijds) in eerste aanleg en in hoger beroep is betoogd.
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 1]
Mr. Knoops heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder in de paragraaf 6.2 van de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – de onschuld van [medeverdachte 1] bepleit op de grond dat [medeverdachte 1] voor de nacht van 3 op 4 juli 1993 een aannemelijk alibi heeft, dat er – kort gezegd – op neerkomt dat [medeverdachte 1] die avond en die nacht tot sluitingstijd (omstreeks 04.00 uur) in Breda in café [D] is geweest en dat hij in die tijdsspanne verkering heeft gekregen met [betrokkene 3] .
Ten aanzien van de verdachte [medeverdachte 3]
Mr. Knoops heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder in de paragraaf 6.3 van de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – de onschuld van [medeverdachte 3] bepleit op de grond dat [medeverdachte 3] ontkennende verklaring steun vindt in de omstandigheid dat [medeverdachte 3] voor de bewuste avond en nacht een alibi heeft, te weten – kort gezegd – zijn aanwezigheid op het verjaardagsfeestje van [betrokkene 4] , hetgeen door getuigenverklaringen wordt ondersteund.
Ten aanzien van de verdachten [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2]
Mr. Knoops heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder in de paragraaf 6.4 van de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – de onschuld van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] bepleit op de grond dat zij voor de nacht van 3 op 4 juli 1993 een aannemelijk alibi hebben nu zij die nacht samen uit zijn geweest en vervolgens naar de [a-straat] zijn gereden alwaar zij zijn gaan slapen.
Het standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 7 september 2015 en schriftelijk neergelegd in meer in het bijzonder de paragraaf 5.2 (pagina’s 70-99) van het requisitoir, als zijn standpunt kenbaar gemaakt – kort en zakelijk weergegeven – dat de verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] voor wat betreft hun alibi voor de avond en nacht van 3 op 4 juli 1993 niet tot vrijspraak kunnen leiden. Dat geldt tevens voor de verklaringen van getuigen over deze alibi’s. In het geval van [medeverdachte 1] is mede gelet op diens eigen verklaring geen waarde te hechten aan de getuigenverklaringen van [betrokkene 3] , [getuige 12] en [getuige 13] . [medeverdachte 3] komt pas met zijn alibi in 1995 als zijn zaak in hoger beroep dient. Hetgeen [medeverdachte 3] aanvoert – het verjaardagsfeestje van [betrokkene 4] waar hij aanwezig zou zijn geweest op de avond en in de nacht van het ten laste gelegde feit – wordt niet ondersteund door de verklaringen van getuigen over dit feestje, destijds noch bij de raadsheer-commissaris in de procedure in herziening. Uit de getuigenverklaringen met betrekking tot [medeverdachte 2] komt juist naar voren dat [medeverdachte 2] die bewuste nacht aanwezig zou zijn geweest op de plaats delict. Bij dit alles komt nog dat andere voor de verdachten ontlastende getuigenverklaringen, zoals afgelegd tegenover de raadsheer-commissaris van dit hof, opmerkelijk verschillen van eerdere door deze zelfde getuigen tegenover de politie of de CEAS afgelegde verklaringen en lijken te zijn ingegeven door oneigenlijke motieven, zoals onder andere angst voor de verdachten. Ten aanzien van [veroordeelde 3] wordt opgemerkt dat door een derde is getracht haar een vals alibi te verschaffen.
Het hof
[medeverdachte 1]
Het hof stelt naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in de procedure in herziening vast dat [medeverdachte 1] bij gelegenheid van de terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 30 juni 1995 voor het eerst heeft aangegeven dat hij in de bewuste nacht in gezelschap van anderen tot 04.00 uur in café [D] is geweest en toen verkering heeft gekregen met [betrokkene 3] . Voor dat moment heeft hij niet meer verklaard dan dat hij denkt dat hij die nacht in de binnenstad van Breda is geweest en daarna bij zijn broer [broer medeverdachte 1] heeft overnacht.
Ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 19 oktober 1994 is geen alibiverweer gevoerd door zijn toenmalige raadsman mr. Drenth, en heeft [medeverdachte 1] niet meer verklaard dan dat hij zich herinnert die nacht in de stad te zijn geweest. Bij gelegenheid van zijn interview in het kader van het CEAS-onderzoek in 2009 heeft [medeverdachte 1] aangegeven dat hij zich ten tijde van het politieonderzoek niet kon herinneren waar hij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 was geweest en geeft hij aan dat hij vermoedt bij zijn broer te zijn geweest.
Die verklaring vindt overigens geen, dan wel onvoldoende, steun aangezien die broer [broer medeverdachte 1] bij gelegenheid van diens CEAS-interview d.d. 21 december 2010 heeft aangegeven dat [medeverdachte 1] weliswaar zo nu en dan bij hem sliep, maar niet die nacht.
Op 7 september 1994 heeft [betrokkene 3] , thans de echtgenote van [medeverdachte 1] , als getuige in aanwezigheid van de toenmalige raadsman van [medeverdachte 1] , een verklaring afgelegd bij de politie, ertoe strekkend dat zij, toen zij in de krant las over een verdachte in de onderhavige zaak met de initialen […] , haar dagboek erop na had geslagen en erachter was gekomen dat zij in de avond van 3 op 4 juli 1993 verkering had gekregen met [medeverdachte 1] . Omstreeks 22.00 of 23.00 uur was zij bij de “ [E] ” aangekomen en is vervolgens doorgelopen naar [D] , alwaar zij even later [medeverdachte 1] had getroffen. [medeverdachte 1] was van 23.00 uur tot 03.00 uur in haar gezelschap geweest en zij hebben in die periode verkering gekregen. Rond 03.00 uur heeft [medeverdachte 1] haar vergezeld naar een taxistandplaats en om 03.10 uur kwam zij met de taxi thuis. Op 3 oktober 1994 heeft zij als getuige tegenover de rechter-commissaris belast met de behandeling in strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda in vergelijkbare zin verklaard over de ontmoeting met [medeverdachte 1] die bewuste avond. Bij die gelegenheid en als getuige ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Breda op 19 oktober 1994 is [betrokkene 3] geconfronteerd met het gegeven dat in haar dagboek de datum 3 juli is doorgehaald en in 4 juli is gewijzigd, en heeft zij verklaard dat haar handschrift regelmatig qua vorm verschilt en dat zij zich wel vaker in data vergist. Tegen [betrokkene 3] is vervolgens een meineedprocedure gestart waarin zij heeft volhard in haar verklaring omtrent haar dagboek. Zij heeft daarbij tevens aangegeven dat zij niet weet wat [medeverdachte 1] na 03.05 uur op 4 juli 1993 heeft gedaan en dat zij nooit heeft gezegd dat hij niets met de dood van [slachtoffer] te maken heeft gehad. Als getuige ter terechtzitting in hoger beroep bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch d.d. 25 april 1995 heeft [betrokkene 3] wederom verklaard dat zij er haar dagboek voor het eerst op heeft nageslagen toen zij in de krant de initialen “ […] ” las en dit met [medeverdachte 1] in verband bracht. Als getuige voor de raadsheer-commissaris in de herzieningsprocedure d.d. 8 januari 2014 heeft zij volhard in haar verklaring omtrent de vermelding in haar dagboek dat zij en [medeverdachte 1] die nacht verkering kregen. [betrokkene 5] , destijds in 1994 de vriendin van [medeverdachte 1] , heeft daarentegen in haar CEAS-interview aangegeven dat [medeverdachte 1] haar weliswaar had verteld dat hij onschuldig was, maar dat hij niet had verteld waar hij in die bewuste nacht was geweest en ook overigens tegenover haar nooit had verteld dat hij een alibi had. [getuige 12] , een vriendin van [betrokkene 3] , heeft verklaard dat zij voor wat betreft haar datering van de verkering tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] steeds het dagboek van [betrokkene 3] tot uitgangspunt heeft genomen en dat zij [betrokkene 3] pas later in juli 1993 leerde kennen. Ook [betrokkene 3] heeft verklaard dat zij [getuige 12] op 3-4 juli 1993 nog niet kende.
Op grond van het voorgaande en dat in onderlinge samenhang bezien met de verklaring van [medeverdachte 1] ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 2015, waarin deze op de vraag waarom hij destijds pas in een laat stadium van de procedure concreet heeft verklaard over zijn alibi aangeeft dat hij daar geen verklaring voor heeft, is het naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] voor de nacht van 3 op 4 juli 1993 een alibi had zoals aangevoerd. Het verweer wordt verworpen.
[medeverdachte 3]
Het hof stelt naar aanleiding van het onderzoek in de procedure in herziening vast dat [medeverdachte 3] noch in zijn verklaringen bij de politie noch ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 19 oktober 1994, bijgestaan door zijn toenmalig raadsman mr. Diederen, heeft aangegeven dat hij een alibi had en dat hij bij gelegenheid van de terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 30 juni 1995 voor het eerst heeft aangegeven dat hij de bewuste avond heeft doorgebracht op het verjaardagsfeestje van [betrokkene 4] , die op dat moment verlof uit detentie had gekregen. Tegenover de CEAS-rapporteurs heeft [medeverdachte 3] in zijn interview d.d. 15 december 2010 over deze (ver)late herinnering opgemerkt dat hij pas later [het hof begrijpt: na de verhoren door de politie en de terechtzitting in eerste aanleg] heeft nagedacht over waar hij die bewuste nacht was. [betrokkene 4] is als getuige gehoord ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 16 mei 1995 en bij de raadsheer-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in dit hof in de procedure in herziening d.d. 8 januari 2014. Kort gezegd komt zijn verklaring uit 1995 erop neer dat [medeverdachte 3] in de avond en nacht van 3 op 4 juli 1993 in zijn gezelschap heeft vertoefd en dat [medeverdachte 3] na afloop van het verjaardagsfeest bij hem, [betrokkene 4] , is blijven slapen, terwijl hij in 2014, uitgaande van 1 juli als zijn verjaardag, geen specifieke data noemt en pas op een vraag van mr. Knoops ‘of er een reden was dat mijn verjaardag niet op vrijdag maar op zaterdag werd gevierd’ aangeeft dat er op vrijdag een ander feest was.
Tegenover de verklaringen van [betrokkene 4] staan de verklaringen van [getuige 17] , die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 16 mei 1995 heeft verklaard dat [medeverdachte 3] na het verjaardagsfeestje is weggegaan en die van [getuige 18] die weliswaar heeft verklaard over een verjaardagsfeestje maar zich niet weet te herinneren op welke dag dat feestje werd gehouden.
Het alibiverhaal van [medeverdachte 3] wordt dus niet, althans onvoldoende op de voor de aannemelijkheid van die verklaring doorslaggevende punten van datering en aanwezigheid ondersteund door deze verklaringen. Dat geldt eveneens voor de verklaringen die in de procedure in herziening zijn afgelegd voor de raadsheer-commissaris door [getuige 17] , die over de datum van het feestje niet specifiek is, door [betrokkene 6] , die slechts in algemene bewoordingen over de feestjes bij de oma en tante van [betrokkene 4] spreekt en door [betrokkene 7] , die geen concrete herinnering heeft aan een verjaardagsfeestje. Desgevraagd ter terechtzitting in de procedure in herziening voor het gerechtshof Den Haag d.d. 18 maart 2015 heeft [medeverdachte 3] geen nadere grond aangegeven voor de omstandigheid dat hij niet aanstonds vanaf het begin van de procedure over een alibi heeft verklaard. Dat betekent dat geen of onvoldoende grond aannemelijk is geworden voor de late alibiverklaring en dat ook overigens die alibiverklaring niet geschraagd wordt door andere verklaringen. Naar het oordeel van het hof is, gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, hetgeen is aangevoerd omtrent een alibi niet aannemelijk geworden. Het verweer wordt verworpen.
[veroordeelde 3] en [veroordeelde 2]
Zoals hierboven reeds is overwogen onder 3.1 verwerpt het hof het verweer dat [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] tot hun bekennende en belastende verklaringen zijn gekomen als gevolg van – kort en zakelijk weergegeven – op hen door de politie tijdens de verhoren uitgeoefende ongeoorloofde druk en het voorhouden van stukken, zodat de verklaringen van [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] tot het bewijs worden gebezigd.
Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting in de procedure in herziening van oordeel dat de omstandigheid dat [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] voor wat betreft de avond en nacht van 3 op 4 juli 1993 gelijkluidend verklaren over het in elkaars gezelschap zijn geweest en het ter plaatse komen aan de [a-straat] te Breda – dat wil zeggen op de plaats delict –, niet afdoet aan hetgeen zij verder hebben verklaard over hun eigen handelen en dat van de andere verdachten in relatie tot het ten laste gelegde feit. De verklaring van de getuige [getuige 19] maakt dat naar het oordeel van het hof niet anders. Het verweer wordt verworpen.
[veroordeelde 1]
Het hof bespreekt hetgeen door [veroordeelde 1] in de procedure in eerste aanleg is verklaard over haar verblijf bij haar oma in de nacht van 3 op 4 juli 1993 ambtshalve en gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Bij gelegenheid van het verhoor inbewaringstelling d.d. 29 april 1994 heeft [veroordeelde 1] tegenover de rechter-commissaris in aanwezigheid van haar raadsman mr. Thomas belastend verklaard over de rol van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij ‘een mislukte overval op een Chinees.’ In haar derde verhoor op 29 april 1994 omstreeks 13.00 uur heeft [veroordeelde 1] meer in detail belastend over hen verklaard, alsook over [medeverdachte 3] en haar eigen rol. Zij heeft verklaard over door haar verrichte voorbereidingshandelingen en dat zij naar haar oma is vertrokken toen de anderen op pad gingen. Aan het eind van dit verhoor verzoekt zij de verbalisanten voorzichtig te zijn in de benadering van haar oma wier gezondheid slecht is.
In de daaropvolgende vierde tot en met negende verhoren in de periode van 3 tot en met 11 mei 1994 heeft [veroordeelde 1] volhard in haar bekennende en belastende verklaring. Op 30 mei 1994 komt [veroordeelde 1] tegenover de rechter-commissaris in de rechtbank te Breda als getuige in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] terug op haar voorgaande verklaringen. Vervolgens handhaaft zij ter terechtzitting in eerste aanleg van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 12 juli 1994, bijgestaan door mr. Thomas, echter weer haar eerste verklaring dat zij op de bewuste avond aan de [d-straat] was en dat toen werd gesproken over het restaurant “Peacock” waar wat te halen zou zijn. Zij geeft daarbij aan bij haar oma te zijn geweest en niet aanwezig te zijn geweest bij de gebeurtenissen bij het restaurant. Ter terechtzitting in hoger beroep van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 25 april 1995 verklaart [veroordeelde 1] niet ter zake van enig alibi. Op diezelfde terechtzitting zijn de verbalisanten [verbalisant 23] en [verbalisant 24] als getuigen gehoord. Zij verklaren dat [veroordeelde 1] zelf heeft aangegeven dat het beter was haar oma niet te benaderen. [verbalisant 23] heeft dat eerder ook aangegeven bij gelegenheid van zijn verhoor als getuige bij de rechter-commissaris in strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 1 juni 1994. Het hof stelt vast dat waar [verbalisant 24] bij gelegenheid van zijn verhoor tegenover de raadsheer-commissaris in de procedure in herziening aangeeft dat hij niet weet waarom ‘deze opmerking’, te weten over het verzoek van [veroordeelde 1] , niet in haar verklaring staat, dit verzoek van [veroordeelde 1] wel degelijk is opgenomen in het proces-verbaal van verhoor van 29 april 1994.
Bij gelegenheid van haar interview tegenover de CEAS d.d. 11 november 2010 brengt [veroordeelde 1] geen alibi ter sprake. Gehoord als verdachte in de procedure in herziening ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 1995 komt zij er evenmin op terug.
Zoals hierboven onder 3.1 reeds is overwogen, verwerpt het hof het verweer dat [veroordeelde 1] tot haar belastende en bekennende verklaringen is gekomen als gevolg van – kort gezegd – op haar door de politie tijdens de verhoren uitgeoefende ongeoorloofde druk en het haar voorhouden van stukken, zodat de verklaringen van [veroordeelde 1] tot het bewijs kunnen worden gebezigd.
Het hof is op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat noch uit de stukken, noch op basis van het verhandelde ter terechtzitting in herziening aannemelijk is geworden dat [veroordeelde 1] zich in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in de woning van haar oma bevond.
[medeverdachte 2]
Mr. Loevendie heeft in de zaak van de verdachte [medeverdachte 2] geen uitdrukkelijk standpunt ingenomen ten aanzien van een alibi. Hij heeft wel betoogd op de gronden zoals aangevoerd ter terechtzitting van dit hof van 17 en 18 september 2015 en schriftelijk neergelegd meer in het bijzonder op de pagina’s 26-29 van de pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – dat de verklaringen van [medeverdachte 2] vader, broer en nicht vanwege de inconsistenties dan wel als onvoldoende betrouwbaar van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd voor de stelling dat de verklaringen van de vader, broer en nicht van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten, is naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. De verklaringen zijn naar het oordeel van het hof betrouwbaar te achten om te bezigen voor het bewijs.
Het hof stelt ambtshalve ten aanzien van [medeverdachte 2] naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in de procedure in herziening het volgende vast.
In zijn derde verklaring afgelegd tegenover de politie d.d. 28 april 1994 heeft [medeverdachte 2] aangegeven dat hij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 de nacht heeft doorgebracht in de woning van zijn ouders aan [e-straat] te Breda. Hij was toen alleen met zijn ouders in die woning. In zijn daaropvolgende verklaringen tegenover de politie heeft [medeverdachte 2] niet nader verklaard over een mogelijk alibi.
Ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 19 oktober 1994 is noch door [medeverdachte 2] , noch door zijn toenmalige raadsman mr. Gimbrère expliciet aangevoerd dat [medeverdachte 2] een alibi had. Ter terechtzitting van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch d.d. 30 juni 1995, bijgestaan door dezelfde raadsman, heeft [medeverdachte 2] op dit punt niet meer aangevoerd dan dat hij dacht dat hij die bewuste nacht thuis was. Op grond van de in de stukken gevoegde pleitnota van die raadsman maakt het hof op dat bij diezelfde gelegenheid niet alleen geen alibiverweer is gevoerd, maar juist is aangegeven dat [medeverdachte 2] geen alibi had. Bij gelegenheid van zijn interview tegenover de CEAS verklaart [medeverdachte 2] dat hij niet meer weet waar hij de bewuste nacht was. In de procedure in herziening zijn de vader, [vader medeverdachte 2] , de broer, [broer medeverdachte 2] , en een nicht, [nicht medeverdachte 2] , van [medeverdachte 2] als getuigen gehoord op 10 januari 2014 door de raadsheer-commissaris van dit hof. Alleen de vader van [medeverdachte 2] is bevraagd op een eventueel alibi. Hij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] toentertijd thuis sliep. Over een concrete herinnering aan de bewuste nacht heeft hij niet verklaard. Ter terechtzitting van dit hof d.d. 18 maart 2015 heeft [medeverdachte 2] als verdachte desgevraagd aangegeven dat hetgeen hij tegenover de politie, de rechter-commissaris en het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft verklaard, klopt. Geconfronteerd met de verklaringen van zijn broer [broer medeverdachte 2] en zijn nicht [nicht medeverdachte 2] dat – kort gezegd – hij, [medeverdachte 2] , die nacht aanwezig is geweest op de plaats waar het ten laste gelegde feitencomplex is gepleegd, heeft [medeverdachte 2] niet meer aangegeven dan dat hij niet weet waarom deze getuigen aldus verklaren, en dat deze getuigen hem mogelijk willen beschermen. Over waar deze bescherming dan op zou zien, heeft [medeverdachte 2] niet verklaard en ook overigens is hierover niets aannemelijk geworden.
Naar het oordeel van het hof is gelet op deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien een alibi van [medeverdachte 2] voor de nacht van 3 op 4 juli 1993 niet aannemelijk geworden.
IV. Inhoudelijke toetsing van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten
4.1
Toetsing inzake de consistentie en betrouwbaarheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten
4.1.1
Standpunten van de verdediging en het openbaar ministerie
Door de verdediging is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verklaringen van de vrouwelijke verdachten niet op alle onderdelen overeenkomen, en ook elementen bevatten die niet waarschijnlijk of zelfs onmogelijk zijn. In het bijzonder is daarbij gerefereerd aan de verklaring van [veroordeelde 1] over het door haar en de mannelijke verdachten voor de deur van het restaurant wachten op [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] , de uiteenlopende verklaringen van de vrouwelijke verdachten over de wijze waarop het slachtoffer zou zijn opgehaald en over de daarbij gevolgde route, alsook hun uiteenlopende verklaringen over de geweldsuitoefening op het slachtoffer. Ook is aangevoerd dat deze verklaringen ongeloofwaardig zouden zijn in het licht van getuigenverklaringen. In het bijzonder is daarbij aandacht gevraagd voor het feit dat niemand in de buurt iets van het delict of de daaraan voorafgaande gebeurtenissen heeft bemerkt.
In de visie van de verdediging vormen deze inconsistenties, onwaarschijnlijkheden en onwaarheden een duidelijke aanwijzing voor de valsheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten, dan wel maken deze de verklaringen van de vrouwelijke verdachten onvoldoende betrouwbaar om als bewijsmiddel te bezigen.
De advocaat-generaal heeft deze stellingen van de verdediging en de daaruit te trekken conclusies voor de bewijswaardering betwist.
4.1.2
De beoordeling door het hof
Het hof heeft met de verdediging en de advocaat-generaal geconstateerd dat de verschillende verklaringen van de vrouwelijke verdachten niet op alle onderdelen met elkaar overeenkomen, en dat er ook verschillen aan te wijzen zijn tussen de verschillende verklaringen van de betreffende vrouwelijke verdachten zelf. Ook bevatten deze verklaringen elementen die niet waarschijnlijk lijken te zijn.
Het hof merkt in dit verband allereerst op dat de verklaringen van de vrouwelijke verdachten eerst meer dan negen maanden na de dood van het slachtoffer zijn afgelegd. Daardoor kan – zeker op detailniveau – de herinnering aan de exacte loop der gebeurtenissen zijn vervaagd.
Het hof constateert echter tevens dat deze verklaringen op een aantal kernpunten wel met elkaar overeenkomen. Het gaat daarbij onder meer om de volgende punten:
- het vooraf beramen van een inbraak/diefstal bij het restaurant “Peacock”;
- het door [veroordeelde 1] en de mannelijke verdachten met de auto wachten op [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] ;
- het later aankomen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] bij het restaurant;
- het ophalen en vanaf haar verblijfplaats naar het restaurant brengen van het slachtoffer, en
- het daar vervolgens door de mannelijke verdachten op gewelddadige wijze ombrengen van het slachtoffer.
Voorts overweegt het hof in dit verband dat uit het onderzoek ter terechtzitting in herziening onder meer is gebleken, dat:
- de verklaringen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] voor wat betreft het tijdstip van hun aankomst per auto bij het restaurant ook ondersteuning vinden in de verklaring van de [getuige 19] omtrent het tijdstip waarop zij per auto bij hem vertrokken zijn, en
- de door de vrouwelijke verdachten beschreven geweldshandelingen (onder meer wurging) van de mannelijke verdachten heel goed de bij het slachtoffer geconstateerde letsels kunnen verklaren.
Het hof constateert voorts dat zich in het dossier geen getuigenverklaringen bevinden, waaruit kan worden afgeleid dat getuigen iets hebben waargenomen omtrent de binnenkomst van het slachtoffer in het restaurant en/of over enig geweld of geluid in of direct voor het restaurant in de nacht van 3 op 4 juli 1993. Het staat echter wel vast dat het slachtoffer die nacht het restaurant heeft betreden en eveneens dat zij in het restaurant op gewelddadige wijze van het leven is beroofd. Uit het niet waarnemen door getuigen van het betreden van het restaurant door het slachtoffer of van geweld of geluid direct voor of in het restaurant, kan derhalve naar het oordeel van het hof geenszins worden afgeleid dat de door de vrouwelijke verdachten beschreven medebrengings- en geweldshandelingen ten aanzien van het slachtoffer zich niet zouden hebben voorgedaan.
Gezien het voorgaande is het hof van oordeel dat de inconsistenties en onwaarschijnlijke elementen in de verklaringen van de vrouwelijke verdachten niet van dien aard zijn, dat zij de kern van deze verklaringen aantasten. Het hof ziet derhalve in het door de verdediging aangevoerde geen grond om ook de kern van deze verklaringen als onbetrouwbaar te kwalificeren en deze om die redenen niet voor het bewijs te bezigen.
4.2
Aanwezigheid van de mannelijke verdachten op de [d-straat]
De verdachten kenden elkaar niet
Bij dupliek heeft de verdediging aanvullend betoogd – kort en zakelijk weergegeven – dat het meer dan waarschijnlijk is dat [medeverdachte 2] ten tijde van het tenlastegelegde niet aan de [d-straat] kwam, hetgeen de aanname dat de verdachten toen al met elkaar omgingen des te onaannemelijker maakt.
[veroordeelde 2] heeft bij gelegenheid van haar eerste verhoor als verdachte op 11 april 1994 verklaard dat zij [medeverdachte 2] , die zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 herkende op de plaats delict, kende van haar bezoeken in die tijd aan de panden [d-straat 2] en [d-straat 1] te Breda. Ook [veroordeelde 1] verklaart bij gelegenheid van haar eerste verhoor als verdachte over de aanwezigheid van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de [d-straat 1] . In haar vijfde verhoor als getuige, waarbij haar reeds de cautie was gegeven, verklaart [veroordeelde 3] dat [veroordeelde 2] in juni 1993 bij haar aan de [d-straat 2] kwam en ook de mensen leerde kennen van het pand aan de [d-straat 1] , onder wie [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] .
Reeds hierom is niet aannemelijk dat de verdachten elkaar niet kenden.
Bovendien vinden voornoemde verklaringen van de vrouwelijke verdachten steun in die verklaringen van getuigen, die in 1994 zijn afgelegd in een periode waarin de verdachten in hechtenis zaten. Zo verklaart de [getuige 21] dat er een telefonische bedreiging van zijn vader is gedaan door ‘een zekere [medeverdachte 2] ’ en plaatst hij die bedreiging in de week van 27 juni tot en met 4 juli 1993. De [getuige 20] , die in juni 1993 een kamer aan de [d-straat 1] te Breda had gehuurd, welke kamer hij direct aan zijn broer [getuige 22] onderverhuurde, verklaart dat hij gemiddeld twee keer daar kwam om de post op te halen en dat daar regelmatig Marokkanen op bezoek kwamen. Zij waren daar ‘kind aan huis’ volgens deze getuige, en één van die Marokkanen werd “ [medeverdachte 1] ” genoemd. De [getuige 22] verklaart dat [veroordeelde 1] , [getuige 23] en [getuige 24] [het hof begrijpt: [veroordeelde 1] , [getuige 23] en [getuige 24] ] “veelvuldig” bezoek kregen van een groep Marokkaanse jongens, van wie er één “ [medeverdachte 1] ” werd genoemd.
4.3
Het novum: de beoordeling door het hof
4.3.1
Standpunten van de verdediging en het Openbaar Ministerie
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van de “bushokjesgetuigen” onverenigbaar zijn met een bewezenverklaring in de onderhavige zaken en tot vrijspraak dienen te leiden. Het is volgens de verdediging onmogelijk dat de “bushokjesgetuigen” – die vrij zicht hadden op het restaurant “Peacock” – niets bijzonders was opgevallen, indien, in de exacte tijdsspanne waarin zij in het bushokje zaten, het tenlastegelegde daadwerkelijk door de verdachten is gepleegd.
De advocaat-generaal is van oordeel dat aan de verklaringen van de “bushokjesgetuigen” niet een zodanige betekenis kan worden gegeven dat deze in de weg staan aan een bewezenverklaring.
4.3.2
De beoordeling door het hof
Het hof gaat uit van het volgende.
De getuigen [getuige 6] en [getuige 5] hebben zich naar aanleiding van een uitzending van Opsporing Verzocht op 2 augustus 1993 bij de politie gemeld. Zij zijn vervolgens op 3 augustus 1993 telefonisch door de politie gehoord. [getuige 6] heeft daarbij onder meer verklaard dat hij en [getuige 5] in de bewuste nacht om omstreeks 02:30 uur naar buiten zijn gegaan en ongeveer tot 04:30 uur in een bushokje aan de [c-straat] te hebben gezeten. [getuige 5] verklaart soortgelijk, maar weet niet tot hoe laat zij daar gezeten hebben. Vanuit dit bushokje is vrij zicht op het restaurant Peacock. Zij hebben tevens verklaard dat hen in die tijd niets bijzonders opgevallen.
In het kader van het CEAS-onderzoek en de procedure in herziening is [getuige 6] opnieuw gehoord. [getuige 5] kon vanwege medische problemen niet opnieuw gehoord worden. [getuige 6] heeft in 2010 bij de CEAS onder meer verklaard dat het zou kunnen dat hij niet dat weekend [het hof begrijpt: het weekend van 3 en 4 juli 1993], maar het weekend erop bij zijn vader in Breda was. [getuige 6] heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris onder meer verklaard: 'Het kan om één of twee uur in de nacht zijn geweest dat wij buiten zaten’, alsook: ‘Ik heb gezegd [tegen de politie, toevoeging hof] dat het tussen 1 en 3 uur in de nacht was’. [getuige 6] verklaart bij die gelegenheid ook dat 02.30 tot 04.30 uur later was dan zij normaal opbleven, alsook dat hij niet de sterkste herinnering meer heeft over op welk moment hij hoorde van de moord.
[getuige 7] , de vader van [getuige 6] , heeft ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat hij schat dat zijn zoon [getuige 6] en [getuige 5] buiten zijn geweest tussen 23:00 uur en 03:30 uur en dat hij denkt dat zij thuis kwamen tussen 03:30 uur en 04:00 uur. Hij is daarbij niet zeker van de datum.
Het hof constateert op grond van het vorenstaande dat noch [getuige 6] , noch zijn vader [getuige 7] , tegenover de CEAS dan wel tegenover de raadsheer-commissaris een directe en concrete herinnering heeft aan de exacte datum en het exacte tijdstip en waarop [getuige 6] en [getuige 5] in de zomer van 1993 in het bushokje hebben gezeten. De inhoud van deze laatste verklaringen doet naar het oordeel van het hof bovendien gerede twijfel rijzen aan de juistheid van de in de verklaringen van [getuige 6] en [getuige 5] uit 1993 genoemde data en tijdstippen.
Naar het oordeel van het hof kan derhalve niet met zekerheid worden vastgesteld dat zij in de nacht van 3 op 4 juli 1993 in het bushokje verbleven. Het hof acht het bovendien op basis van de nadere verklaringen van [getuige 7] en [getuige 6] bepaald niet onaannemelijk dat zij op de dag dat zij in het bushokje verbleven om 04.00 uur al niet meer in het bushokje verbleven. Het ten laste gelegde feit is echter naar het oordeel van het hof
nadit tijdstip begaan.
Aldus kan naar het oordeel van het hof aan de voormelde verklaringen van de “bushokjesgetuigen” niet die ontlastende betekenis worden toegekend, die de verdediging daaraan toe wenst te kennen. Het hof acht deze verklaringen evenmin onverenigbaar met een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
4.4
De duiding van de forensische sporen in relatie tot de afgelegde verklaringen
4.4.1
Algemeen
In de onderhavige zaak is na het aantreffen van het lichaam van het slachtoffer in de keuken ook een forensisch-technisch onderzoek uitgevoerd in en rondom de keuken. Daarbij zijn onder meer diverse (mogelijke) sporen, zoals kleding van het slachtoffer, een bloeddruppel en een bloedveeg, haren en schoenzoolafdrukken, aangetroffen en/of bemonsterd. Dit forensisch-technisch onderzoek heeft geen bewijs opgeleverd dat rechtstreeks tot de conclusie zou kunnen leiden dat een of meerdere van de verdachten bij de dood van het slachtoffer betrokken was dan wel waren.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt de afwezigheid van forensisch bewijs jegens (de) verdachte(n) echter niet zonder meer tevens de gevolgtrekking dat deze omstandigheid bewijs zou vormen voor het niet betrokken zijn van verdachte(n) bij het delict. Om te beoordelen of, en zo ja, welke bewijskracht moet worden toegekend aan de gebleken afwezigheid van (belastend) forensisch bewijs, zullen immers ook de omstandigheden waaronder het onderzoek is verricht en eventuele verklaringen voor de afwezigheid van bewijs in de beoordeling moeten worden betrokken.
In dat kader is gebleken dat het forensisch onderzoek (en de verslaglegging daarvan) in deze zaak – ook naar toenmalige maatstaven – niet optimaal is geweest. Zo is bijvoorbeeld de hals van het slachtoffer niet bemonsterd op de aanwezigheid van (mogelijk: vreemd) celmateriaal, hoewel er wel (sterke) aanwijzingen voor verwurging waren. Evenmin is het keukengerei bemonsterd op de aanwezigheid van celmateriaal. De keuken lijkt ook niet heel grondig te zijn onderzocht, nu geruime tijd later nog een oorbel van het slachtoffer onder een van de werkbanken werd aangetroffen. Bovendien is er indertijd slechts een beperkt aantal (namelijk 26) dactyloscopische sporen genomen; daarvan echter geen enkele in de keuken, de plaats waar het slachtoffer is aangetroffen.
Opmerking verdient dat een deel van het naar huidige inzichten wellicht beperkte bereik van het forensisch onderzoek te verklaren is vanuit het gegeven dat het DNA-onderzoek in 1993 veel minder vergevorderd was dan thans. Met name de mogelijkheden voor het onderzoek naar biologische contactsporen op weefsel en naar minimale biologische sporen waren destijds veel minder ontwikkeld.
Het onderzoek moest bovendien worden verricht in een (zeer) vette keuken. Dit beperkte de mogelijkheden van deugdelijk(e) (DNA- en dactyloscopisch(e)) bemonstering en -onderzoek, ook omdat daardoor het risico op contaminatie en op voor verder onderzoek onbruikbare sporen wordt vergroot.
In het kader van de beoordeling van verklaringen voor de afwezigheid van forensisch bewijs heeft het hof geconstateerd dat een bij het toenmalige forensisch-technisch onderzoek betrokken politieambtenaar heeft verklaard dat er geen aanwijzingen waren voor het mogelijk gebruik van handschoenen, van welke soort ook. Anders dan de verdediging heeft betoogd, kan naar het oordeel van het hof uit deze verklaring echter niet worden afgeleid dat het gebruik van handschoenen door bij de dood van het slachtoffer betrokken personen moet worden uitgesloten, dan wel onwaarschijnlijk is. Het hof wijst er in dit verband allereerst op dat, tenzij handschoenen op of nabij een plaats delict zijn aangetroffen, niet eenvoudig valt in te zien in welke materiële vorm zich aanwijzingen voor het gebruik van handschoenen zouden kunnen aandienen.
Voorts hebben diverse getuigen verklaard dat de mannelijke verdachten in deze zaak (en vaker) gebruikmaakten van handschoenen, hetwelk (mede) een verklaring kan vormen voor het niet aantreffen van dactyloscopische en/of DNA-sporen van de verdachten op het slachtoffer en/of de plaats delict.
Opmerking verdient voorts dat de verdachten in deze zaak eerst na meer dan negen maanden na de dood van het slachtoffer zijn aangehouden, waardoor bijvoorbeeld onderzoek naar overeenkomsten tussen de aangetroffen schoenzoolsporen en door de verdachten gedragen schoenen zo niet onmogelijk, dan toch in ieder geval zeer veel moeilijker was geworden. De verdachten hadden immers in die periode ruimschoots de tijd om zich eventueel van dergelijke objecten te ontdoen. Hetzelfde geldt voor onderzoek naar eventueel nabij het restaurant weggegooide wapens en/of handschoenen, nu daarover eerst vele maanden na de pleegdatum voor de eerste maal werd verklaard.
In het kader van het CEAS-onderzoek is in de periode 2008-2011 nader forensisch onderzoek verricht naar een aantal van de in 1993-1994 veiliggestelde sporen dan wel sporendragers. Allereerst is daaruit naar voren gekomen dat het DNA dat is aangetroffen in de bemonstering van een nabij de gokkast in het restaurant aangetroffen bloeddruppel, alsook in de bemonstering van een op het werkblad in de keuken aangetroffen bloedveeg, DNA bevat van dezelfde man van Zuid-Aziatische of Oceanische origine. Op de bewijswaarde van deze bevinding wordt hierna nader ingegaan.
Voorts is uit dit (nadere) onderzoek naar voren gekomen dat het DNA dat afkomstig is uit ten tijde van het CEAS-onderzoek nog beschikbare c.q. verkregen bemonsteringen van de broek en het T-shirt van het slachtoffer, met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid afkomstig zijn van het slachtoffer zelf, dan wel van haar dochter, kleindochter of inwonende zoon.
Tevens concludeert het hof op basis van de beschikbare rapportage dat er in het onderzochte sporenmateriaal van de kleding geen aanwijzingen zijn te vinden voor de aanwezigheid van celmateriaal van de zes in deze zaak betrokken verdachten. Er zijn evenmin concrete aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van een DNA-profiel van een of meer onbekende personen.
Na forensisch onderzoek zijn op de plaats delict en op de kleding van het slachtoffer haren aangetroffen en veiliggesteld. Deze haren zijn vervolgens onderzocht op de aanwezigheid van DNA. Uit deze vergelijkende onderzoeken is gebleken dat de overgrote meerderheid van deze haren afkomstig was van het slachtoffer zelf. Geen van de aangetroffen haren was afkomstig van (een van) de verdachten. Van vier van de aangetroffen haren kon de donor niet worden vastgesteld. Wel is vastgesteld dat deze vier haren afkomstig waren van – vier verschillende – donoren. Niet is gebleken van aanwijzingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat deze vier verschillende individuele haren delictgerelateerd zouden zijn.
Nu het hof geen enkele aanwijzing heeft voor de betrokkenheid van de familie van het slachtoffer bij haar overlijden, trekt het hof uit het voorgaande de conclusie dat van degene(n) die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige dood van het slachtoffer
geenDNA- of ander biologisch materiaal op de kleding of het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen. Hieruit volgt dat, nu genoemde gewelddadige dood buiten discussie staat, het als gegeven moet worden beschouwd dat de dader of daders kennelijk grof geweld hebben kunnen uitoefenen op het slachtoffer, zonder dat zij daarbij voor de politie vindbare (dactyloscopische, DNA- of haar-) sporen hebben achtergelaten. Aldus bezien kunnen de uitkomsten van het dactyloscopische, DNA- en haaronderzoek met betrekking tot de kleding van het slachtoffer als belastend noch als ontlastend voor de verdachten worden geduid.
Voorts is met behulp van nieuwe technieken (uitgebreid) nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van speeksel op de kleding van het slachtoffer. Bij dat onderzoek zijn geen sporen van speeksel aangetroffen.
Samenvattend kan derhalve worden gesteld dat (ook) de resultaten van het recentere in het kader van de herziening verrichte nader forensisch-technisch onderzoek geen aanwijzingen opleveren voor de betrokkenheid van de zes verdachten, maar een dergelijke betrokkenheid evenmin uitsluiten. Deze conclusie is op zichzelf door de verdediging niet betwist.
4.4.2
Een aantal forensische bevindingen nader beschouwd
Door de verdediging is echter wel betoogd dat een aantal van de hiervoor weergegeven (nadere) forensisch-technisch bevindingen – al dan niet in aanzienlijke mate – moeten worden geduid als meer passend bij een onschuldscenario ten aanzien van de verdachten dan bij het door de advocaat-generaal geschetste schuldscenario en/of een aanwijzing zouden vormen voor de valsheid van de verklaringen van de vrouwelijke verdachten. Zakelijk weergeven gaat het daarbij om de volgende bevindingen:
a. er zijn op, dan wel zeer nabij, de plaats delict een bloeddruppel en een bloedveeg aangetroffen, die beide geen DNA bevatten van een van de zes verdachten, maar van een onbekende man van Zuid-Aziatische of Oceanische origine;
b. de aangetroffen schoenzoolsporen zijn niet tot de (mannelijke) verdachten te herleiden;
c. de afwezigheid van speeksel op de kleding van het slachtoffer is een indicatie voor de onjuistheid van de verklaringen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] ;
d. de afwezigheid van munitieresten is een indicatie voor de onjuistheid van de verklaringen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] .
De advocaat-generaal heeft de stellingen van de verdediging inzake de uit de forensische bevindingen te trekken conclusies voor de bewijswaardering betwist.
Het hof overweegt ter zake het navolgende.
Ad a. Betekenis van de aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg
In de nabijheid van een zich in het restaurant buiten de keuken bevindende gokkast is op de vloer één roodkleurige bloeddruppel aangetroffen. Deze bloeddruppel is in het onderzoek verder aangeduid als spoor 20. Deze bloeddruppel wordt in het onderzoeksproces-verbaal zowel omschreven als een gedroogde, als een deels opgedroogde druppel. Blijkens een memo heeft de in het kader van het CEAS-onderzoek geconsulteerde NFI-deskundige ing. M.J. van der Scheer aan de hand van een foto van de bloeddruppel verklaard, dat het bij deze bloeddruppel lijkt te gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd. De indertijd bij het technisch onderzoek betrokken [verbalisant 19] heeft in het kader van het CEAS-onderzoek over deze bloeddruppel als volgt verklaard: ‘Ik weet nog wel waar die druppel lag. Ik dacht dat die druppel rond was. Ik weet geen afmeting. Het bloed werd met een draadje veiliggesteld. Als ik het beeld terughaal dan was die druppel vloeibaar.’ Ook gerechtelijk laboratoriumdeskundige J.M. Kockx heeft indertijd ten overstaan van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch – na raadpleging van zijn aantekeningen – verklaard dat het monster met een draadje was veiliggesteld, alsook dat door middel van een dergelijk draadje een nog niet opgedroogde bloeddruppel kan worden opgenomen. Kockx kwalificeert zulks als een goede methode, omdat alle bloedfactoren in zo’n draadje trekken.
De deskundige ing. J.R. ten Hove heeft in zijn rapport d.d. 1 juli 2015 geconcludeerd dat het zijns inziens op basis van (alleen) de foto met geen enkele mate van waarschijnlijkheid geoordeeld kan worden omtrent de “droogheid” van de bloeddruppel.
Op het blad van de werktafel tegen de muur in de keuken (waar ook het slachtoffer is aangetroffen) is een voorts een bloedveeg aangetroffen. Deze veeg werd in het onderzoek verder aangeduid als spoor 7. Uit beide bloedsporen werd een DNA-profiel verkregen, dat verder werd onderzocht en werd vergeleken met het DNA van de zes verdachten. Uit dat onderzoek is vervolgens gebleken dat het DNA uit spoor 7 en 20 met elkaar overeenkomt, zodat het zeer waarschijnlijk is dat dit DNA afkomstig is van dezelfde persoon. Het DNA uit deze twee sporen matcht echter niet met dat van de zes verdachten en evenmin met dat van het slachtoffer. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat de donor van het DNA uit de sporen 7 en 20 waarschijnlijk een (onbekende) man is die afkomstig is uit Zuidoost-Azië of Oceanië.
Er zijn echter geen forensisch-wetenschappelijke aanwijzingen voor de stelling dat voormelde bloedsporen als dadersporen moeten worden geduid, waarbij in het bijzonder van belang moet worden geacht dat ook het recentere forensisch onderzoek geen enkele aanwijzing heeft opgeleverd dat ook op het slachtoffer bloedsporen van een andere persoon zouden zijn aangetroffen. De aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg zijn derhalve niet in relatie te brengen tot het slachtoffer dan wel het op haar uitgeoefende geweld.
In dit verband wijst het hof mede op het volgende. Gezien de hiervoor gerelateerde vermelding op pagina 52 van het proces-verbaal, inhoudende dat de druppel deels opgedroogd was, de verklaring van [verbalisant 19] (inzake de vloeibaarheid van de druppel en het met een draadje veiligstellen daarvan) en van de deskundige Kockx, gaat het hof ervan uit dat de bloeddruppel (spoor 20) ten tijde van het aantreffen daarvan in ieder geval nog deels vloeibaar was.
Uit verdere zich in het dossier bevindende informatie leidt het hof af dat de tijd die benodigd is voor het volledig drogen van een bloeddruppel in belangrijke mate wordt bepaald door het oppervlaktemateriaal waarop de druppel is aangetroffen alsmede de relevante omgevingstemperatuur.
Op de zich in het dossier bevindende foto van de betreffende bloeddruppel neemt het hof waar dat het een enkele bloeddruppel van beperkte omvang betreft, die is aangetroffen op een tegelvloer. Voorts is (uit openbare bronnen) gebleken dat de nacht van 3 op 4 juli 1993, evenals de ochtend van 4 juli 1993, redelijk warm was, met een minimumtemperatuur die dag [van] 15,9 °C en een maximumtemperatuur [van] 26,5 °C. De gemiddelde temperatuur die dag bedroeg 21,1 °C. Diverse deuren van en in het restaurant, waaronder de deur tussen de hal en de keuken, stonden bovendien – in ieder geval bij aankomst van de politie – open.
Uit de verklaringen van betrokken verbalisanten leidt het hof voorts af dat het slachtoffer op 4 juli 1993 om omstreeks 10.45 uur is aangetroffen door restaurantmedewerkers, en dat de politie voor het eerst om 11.00 uur het restaurant betrad. Uit verklaringen kan voorts worden afgeleid dat de technische recherche die dag niet eerder dan om 12.00 uur met haar werk is begonnen. Hieruit leidt het hof af dat de bloeddruppel op zijn vroegst op dat tijdstip, maar mogelijk zelfs nog later, werd bemonsterd. Gezien de hiervoor genoemde dagtemperaturen en “open deuren” acht het hof het waarschijnlijk dat, op het tijdstip van bemonstering, de omgevingstemperatuur van de bloeddruppel niet lager zal zijn geweest dan 20 °C.
Omdat het voorts een druppel op een tegelvloer betrof, kan uit het hiervoor in voetnoot 200 genoemde onderzoek worden afgeleid dat de droogtijd van een bloeddruppel onder die omstandigheden dan ongeveer 60 minuten bedraagt.
Gezien voormelde droogtijd komt het hof tot de conclusie dat, zelfs als men uitgaat van het vroegst mogelijke bemonsteringstijdstip van 12.00 uur, het onaannemelijk moet worden geacht dat voormelde bloeddruppel een relatie heeft met (het geweld leidende tot) het overlijden van het slachtoffer, welk overlijden volgens het verslag van de lijkschouwer immers naar alle waarschijnlijkheid heeft plaatsgevonden op 4 juli 1993 tussen 04.15 en 08.15 uur.
Derhalve is het hof, nu ook anderszins niet is gebleken van feiten of omstandigheden die een concrete aanwijzing zouden kunnen zijn om de delictgerelateerdheid van de bloeddruppel (en de bloedveeg van dezelfde donor) aan te nemen, van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat genoemde bloeddruppel en bloedveeg een relatie hebben met het onderhavige misdrijf. Daaruit volgt dat het aantreffen van voormelde bloeddruppel en bloedveeg door het hof evenmin als een aanwijzing wordt beschouwd voor de juistheid van de stelling dat een ander of anderen het misdrijf heeft of hebben gepleegd, waarvan de verdachte en de medeverdachten worden verdacht.
Het hof overweegt ten slotte, dat zelfs als ervan uit zou worden gegaan dat de bloeddruppel op het moment van aantreffen al geheel gedroogd was, de delictgerelateerdheid daarvan evenmin evident is. Allereerst omdat in dat geval op basis van hetgeen tijdens de procedure in herziening is gebleken, naar het oordeel van het hof in het geheel geen uitspraken gedaan kunnen worden omtrent de ouderdom van de betreffende bloeddruppel. Ten tweede omdat is gebleken dat men (in 2010) van twee op 3 juli 1993 in het restaurant werkzame keukenmedewerkers het DNA(-profiel) niet heeft kunnen vergelijken met dat in de bloeddruppel. Deze twee personen zijn afkomstig uit Zuidoost-Azië. Uit de processen-verbaal van hun verhoren uit 1993 blijkt niet dat zij zijn bevraagd omtrent een eventueel die avond opgelopen letsel of wondje. Zekerheid dat het bloedspoor niet van één van deze personen afkomstig is, kan derhalve niet worden verkregen. Wel kan de bevinding dat de donor van het DNA uit deze bloedsporen waarschijnlijk een (onbekende) persoon is, die afkomstig is uit Zuidoost-Azië (waaronder ook China valt) of Oceanië, passen in een scenario waarin de bloeddruppel en de bloedveeg afkomstig zijn van een van deze twee personeelsleden van het restaurant.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden kan derhalve naar het oordeel van het hof aan het aantreffen van voormelde bloeddruppel en bloedveeg niet die ontlastende waarde worden toegekend, die de verdediging daaraan toekent.
Ad b. Aangetroffen schoenzoolsporen
Na forensisch onderzoek is gebleken dat er op het shirt en de broek van het slachtoffer verschillende afdrukken van schoenzoolprofielen zijn aangetroffen. Er is geen nadere informatie beschikbaar over de eventuele maat van de daarmee corresponderende schoenen.
Het profiel in de afdrukken op de broek verschilt van het profiel in de afdrukken op het shirt. Naar het oordeel van het hof doet zulks zeer sterk vermoeden dat deze afdrukken in ieder geval zijn veroorzaakt door de schoenen van minimaal twee personen. De plaats waarop de schoenzoolprofielafdrukken zijn aangetroffen (onder meer de voorzijde van het shirt en de bovenzijde van het linkerdijbeen) vormt bovendien een aanwijzing dat zij op de kleding van het slachtoffer zijn gekomen, als gevolg van trappen tegen, dan wel het gaan staan op het lichaam en/of de benen van het slachtoffer. Mitsdien vormen deze schoenzoolsporen een sterke aanwijzing voor de stelling dat het slachtoffer in ieder geval door minimaal twee personen is geschopt of getrapt.
Bij de mannelijke verdachten zijn geen schoenen aangetroffen waarvan het schoenprofiel overeenkomt met de afdrukken van de schoenprofielen die zijn aangetroffen op de kleding van het slachtoffer. Het hof brengt daarbij echter in herinnering dat de verdachten eerst meer dan negen maanden na de dood van het slachtoffer zijn aangehouden en mitsdien alle tijd hadden zich van eventuele schoenen te ontdoen.
Van bijzonder belang acht het hof de constatering dat alle drie de vrouwelijke verdachten hebben verklaard dat de drie mannelijke verdachten het slachtoffer (ook) hebben geschopt. Het onderzoek ter terechtzitting in herziening noch het daaronder liggende dossier geeft aanleiding te veronderstellen [dat] zij, op het moment dat zij deze verklaring aflegden, ermee bekend zouden zijn dat zich schoenzoolsporen op de kleding van het slachtoffer bevonden. Evenmin is aannemelijk geworden dat zij op het moment waarop zij daarover voor de eerste maal verklaarden, al van de politie of anderen vernomen zouden hebben, of er anderszins mee bekend zouden zijn geraakt, dat het slachtoffer ook geschopt was. Het hof merkt het door de drie vrouwelijke verdachten verklaren over het schoppen dan ook, in verbinding met het voormelde aantreffen van de van verschillende personen afkomstige schoensporen, aan als een aanwijzing voor het op waarheid berusten van het door hen gegeven relaas omtrent het door (meerdere van) de drie mannelijke verdachten op het slachtoffer uitgeoefende geweld, in ieder geval voor wat betreft de component “schoppen”.
Ad c. De afwezigheid van speeksel van verdachten op het slachtoffer
[veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] ook het slachtoffer bespuwd zouden hebben. [veroordeelde 2] heeft daarover als getuige ter terechtzitting van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch meer in het bijzonder verklaard dat het slachtoffer in het gezicht is gespuugd.
De verdediging heeft – zakelijk weergeven – betoogd dat de bevindingen van recent forensisch onderzoek een sterke indicatie vormen voor de stelling dat deze uitlatingen niet op waarheid kunnen berusten, aangezien er bij dat onderzoek geen speekselsporen van de mannelijke verdachten op de kleding of het lichaam van het slachtoffer zijn aangetroffen.
Het hof overweegt hieromtrent het navolgende. Uit het proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 7 juli 1993 leidt het hof af dat een aantal kledingstukken van het slachtoffer in beslag is genomen, evenals een handdoek die was aangetroffen op een werktafel naast de wasbak tegen de muur van de naast de keuken gelegen voorraadruimte. Voormeld proces-verbaal bevat echter geen vermelding dat de – blijkens de foto’s: ontblote – onderbenen/voeten, onderbuik, de hals en het hoofd/gezicht en het haar van het slachtoffer zijn bemonsterd met het oog op eventueel verder te verrichten speeksel- en/of DNA-onderzoek. Ook de verdere dossierstukken geven geen aanleiding te veronderstellen dat een dergelijke bemonstering heeft plaatsgevonden. Het hof concludeert hieruit dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de eventuele aanwezigheid van speeksel op de onderbenen/voeten, de buik, de hals, het hoofd en gezicht en de haren van het slachtoffer.
Dat het slachtoffer door een van de mannelijke verdachten in het gezicht (zoals door [veroordeelde 2] is verklaard) of op andere niet met kleding bedekte delen van het lichaam is bespuugd, kan derhalve op basis van de bevindingen van het forensisch onderzoek niet worden vastgesteld, maar reeds hierom evenmin worden uitgesloten.
In het kader van het CEAS-onderzoek is er door het NFI in 2008 met ten opzichte van 1993/1994 modernere onderzoekstechnieken (waaronder een nieuwere, specifieke onderzoekstechniek naar speeksel, de zogenaamde RSID-saliva test) een nader speeksel- en DNA-onderzoek verricht. In dat verband zijn de reeds in 1993/1994 van de kleding van het slachtoffer genomen sporen/monsters opnieuw onderzocht en zijn tevens de indertijd aangetroffen handdoek en delen van het T-shirt en de broek van het slachtoffer opnieuw bemonsterd.
Uit dit onderzoek is gebleken dat in vele van deze recentere bemonsteringen een aanwijzing is verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. Uit een deel van de bemonsteringen waarin voormelde aanwijzingen voor speeksel waren verkregen, kon echter geen voor vergelijkend onderzoek geschikt DNA-profiel worden verkregen. Dit impliceert dat ten aanzien van deze sporen geen donor kon worden vastgesteld en dat evenmin bepaalde personen (zoals de drie mannelijke verdachten) als verdachte van deze sporen kunnen worden uitgesloten. Vanuit een ander (groter) deel van de bemonsteringen konden echter wel DNA-profielen worden verkregen. Deze DNA-profielen matchen niet met die van de verdachten, maar waarschijnlijk wel met die van een vrouwelijke donor, waarschijnlijk het slachtoffer.
Gezien voorgaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de bevindingen van het forensisch onderzoek geen ondersteuning bieden voor de verklaringen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] , voor zover inhoudende dat het slachtoffer bespuugd zou zijn, maar – met name door de beperkte omvang van de indertijd verrichte bemonstering – deze evenmin weerspreken. In ieder geval kan niet op basis van (de uitkomsten van) het forensisch onderzoek worden gesteld dat dit onderdeel van genoemde verklaringen onwaarschijnlijk (laat staan: onwaar) zou zijn, of dat het verrichte onderzoek een indicatie zou zijn voor de onbetrouwbaarheid van (dit onderdeel van) de genoemde verklaringen.
Ad d. De afwezigheid van sporen die wijzen op gebruik van een vuurwapen
Zowel [veroordeelde 2] als [veroordeelde 3] hebben verklaard gezien te hebben dat op de betreffende avond meerdere van de mannelijke verdachten een vuurwapen bij zich hadden, alsook dat zij, terwijl de mannelijke verdachten met het slachtoffer in de keuken waren, twee of drie schoten hebben gehoord. De verdediging heeft, zakelijk weergegeven, betoogd dat (ook) dit deel van de verklaringen van [veroordeelde 2] en [veroordeelde 3] niet strookt met de bevindingen uit het forensisch onderzoek, zodat dit een indicatie vormt voor de inhoudelijke onbetrouwbaarheid van hun verklaringen.
Het hof stelt in dit verband vast dat in het proces-verbaal inzake het technisch onderzoek op de plaats delict geen melding wordt gemaakt van onderzoek naar sporen die specifiek gerelateerd zijn aan (het gebruik van) vuurwapens. Het hof merkt daarbij op dat, op basis van de op dat moment beschikbare informatie, ook niet direct behoefde te worden verondersteld dat vuurwapens waren gebruikt. Twee bij het onderzoek van de plaats delict betrokken rechercheurs, [verbalisant 20] en [verbalisant 21] , hebben wel bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosçh verklaard, dat alles, in het bijzonder de wanden en de plafonds, minutieus zijn onderzocht op onder meer schotopeningen. Schotopeningen, munitiedelen, zoals hulzen of schotresten zijn echter niet aangetroffen. Het belang van het niet aantreffen van schotresten behoeft echter naar het oordeel van het hof relativering, nu volgens [verbalisant 20] niet specifiek op schotresten is gezocht en schotresten met het blote oog niet waar zijn te nemen, tenzij op zeer korte afstand is gevuurd. Ook verklaart hij dat schotresten in bepaalde omstandigheden wel te ruiken zijn, maar niet in een keuken als de onderhavige.
Het hof overweegt ter zake dat een vuurwapen (of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp) bij het vuren niet noodzakelijkerwijs ook munitiedelen, zoals hulzen, behoeft uit te werpen c.q. achter te laten. Zo werpen bijvoorbeeld revolvers na het vuren geen hulzen uit, en alarm- en startpistolen over het algemeen evenmin. Nu niet specifiek is gezocht naar schotresten en deze ook, volgens een bij het onderzoek betrokken rechercheur, bij algemeen onderzoek niet dan wel zeer moeilijk zijn waar te nemen, kan aan het niet aantreffen van dergelijke sporen in dit geval evenmin betekenis worden toegekend. Het ontbreken van schietopeningen lijkt echter het gebruik van een “echt” en met scherpe munitie geladen vuurwapen onwaarschijnlijk te maken. Het ontbreken van schietopeningen past echter ook bij het gebruik van bijvoorbeeld een alarm- of startpistool. In dit licht wijst het hof echter ook op de door [veroordeelde 3] ten overstaan van het hof afgelegde verklaring, die op dit punt inhoudt dat zij het mogelijk acht dat de schoten afkomstig waren van een start- of alarmpistool.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de bevindingen van het forensisch onderzoek de verklaringen van [veroordeelde 3] en [veroordeelde 2] omtrent het vuurwapengebruik niet ondersteunen, maar deze evenmin in zodanige mate ontkrachten, dat op basis daarvan kan worden aangenomen dat deze verklaringen (op dat punt en meer in het algemeen) onjuist c.q. onwaar zijn. Het hof verwerpt dan ook het tot laatstgenoemde conclusie strekkende betoog van de verdediging.
4.4.3
Conclusie betreffende de duiding van de forensische sporen in relatie tot de afgelegde verklaringen
Uit het voorgaande blijkt dat het in de zaak verrichte forensisch-technisch onderzoek geen bevindingen heeft opgeleverd, die rechtstreeks tot de conclusie zouden kunnen leiden dat de verdachte(n) bij de dood van het slachtoffer betrokken was dan wel waren. Het hof is van oordeel dat daaruit evenwel niet de conclusie kan worden getrokken dat de verdachte(n) ook niet betrokken is dan wel zijn geweest bij het delict. De omstandigheden waaronder het onderzoek is verricht, waren immers niet optimaal, en het onderzoek zelf was in meerdere opzichten beperkt en onvolledig. Daarnaast is gebleken van omstandigheden (zoals het dragen van handschoenen), die een verklaring voor het niet aantreffen van forensische sporen kunnen vormen. Het hof is bovendien van oordeel dat de (nadere) forensisch-technische bevindingen, zoals hiervoor omschreven met betrekking tot een aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg, het niet aantreffen van speekselsporen en het niet aantreffen van aanwijzingen die wijzen op het gebruik van een vuurwapen, in het onderhavige geval eveneens noch in belastende, noch in ontlastende zin kunnen worden geduid. Ten aanzien van de forensische bevinding betreffende de verschillende voetzoolprofielafdrukken op de kleding van het slachtoffer, is het hof van oordeel dat deze bevinding zelfs eerder in belastende zin kan meewegen.
Aldus bieden genoemde forensische bevindingen naar het oordeel van het hof ook geen feitelijke steun aan de stelling van de verdediging dat door de vrouwelijke verdachten [veroordeelde 2] , [veroordeelde 3] en [veroordeelde 1] vals zou zijn verklaard.
V. De vordering van de advocaat-generaal
Ter terechtzitting d.d. 7 september 2015 heeft de advocaat-generaal gevorderd het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Breda d.d. 11 oktober 1994 te handhaven met gedeeltelijke overneming en met aanvulling en verbetering van gronden. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak dient te volgen voor de voor het hof bewezen verklaarde diefstal van het geld uit de gokkast, doch dat bewezenverklaring dient te volgen van de diefstal van de sieraden, alsmede van het op de uitkijk staan door de verdachte.
VI. Het oordeel van het hof
Nadere overweging betreffende het bewijs van de medeplichtigheid
Uit het onderzoek ter terechtzitting in herziening heeft het hof niet de overtuiging gekregen dat – getoetst aan de maatstaven die daarvoor thans gelden, nu in herziening het geldend recht op het moment van de einduitspraak moet worden toegepast – het opzet van [veroordeelde 3] (al dan niet in voorwaardelijke zin) tevens gericht was op de dood van [slachtoffer] . Wel acht het hof bewezen dat het opzet van de verdachte, minst genomen in voorwaardelijke zin, gericht was op het wegnemen van geld en goederen in het restaurant en op het in verband daarmee ophalen en (met geweld) meenemen van [slachtoffer] naar het restaurant “Peacock”.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad leidt het hof af dat ten aanzien van de medeplichtige bij de bewezenverklaring en kwalificatie moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan (HR 27 oktober 1987,
NJ1988, 492). Voorwaarde is dan wel dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel gericht was, voldoende verband houdt met het gronddelict. Doorgaans kan, wederom volgens de Hoge Raad, een dergelijk verband worden aangenomen als het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict (HR 22 maart 2011,
NJ2011, 342, ECLI:NL:HR:2011:BO4471).
Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval de gedragingen waarop het opzet van de verdachte wel was gericht (het in het kader van de geplande diefstal bij het restaurant ophalen en het daarop (met geweld) meenemen van [slachtoffer] ) een onderdeel vormen van het gronddelict (doodslag voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd door wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal in vereniging), waarvoor de mannelijke medeverdachten zijn veroordeeld en aldus daarmee voldoende verband houden. Het hof verklaart derhalve bewezen dat de verdachte ook (tezamen en in vereniging met haar vrouwelijke medeverdachten) medeplichtig is geweest aan dit gronddelict.
Conclusie
De vorenstaande overwegingen in acht genomen, is het hof van oordeel dat de beslissingen in het vonnis dienen te worden gehandhaafd, met aanvulling en verbetering van gronden zoals hiervoor overwogen.”

4.Het feitenonderzoek als bedoeld in art. 463 Sv Pro en de contra-expertise

4.1
Het in opdracht van A-G Hofstee verrichte nader feitenonderzoek heeft in chronologische volgorde geresulteerd in de volgende rapporten:
(i) een rapport van 23 september 2023 van een forensisch arts en forensisch patholoog bij het NFI, drs. D.J. Rijken;
(ii) een rapport bloedspoorpatroononderzoek van 25 oktober 2023 van een NFI-deskundige forensisch bloedspoorpatroononderzoek, ing. M.J. van der Scheer;
(iii) een rapport autosomaal DNA-onderzoek van 26 september 2024 van NFI-deskundigen forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ing. J.L.W. Dieltjes en dr. A.J. Kal;
(iv) een rapport mtDNA-onderzoek van 26 september 2024 van een NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ing. J.L.W. Dieltjes.
4.2
De verdediging heeft ten aanzien van het onder (ii) genoemde rapport bloedspoorpatroononderzoek een contra-expertise laten uitvoeren. Dat heeft geresulteerd in een rapport bloedsporenbeeldanalyse van 5 november 2024 van een bloedsporenbeeldanalist, M.J.P. Eversdijk .
Ad (i): het rapport van 23 september 2023 van D.J. Rijken
4.3
Op 4 juli 1993 omstreeks 12.15 uur heeft de gemeentelijke lijkschouwer in restaurant “Peacock” een uitwendige lijkschouwing verricht op het slachtoffer. In het hiervan opgemaakte verslag staat onder meer dat sprake was van een met de hand voelbare daling van de lichaamstemperatuur en beginnende lijkstijfheid aan de armen. De gemeentelijke lijkschouwer heeft ingeschat dat het tijdstip van overlijden is gelegen korter dan acht uur tevoren en langer dan vier uur tevoren. Op 4 juli 1993 omstreeks 16:45 uur heeft de gemeentelijke lijkschouwer een aanvullende uitwendige lijkschouwing verricht in het mortuarium. Hierbij zijn door hem onder meer lijkvlekken waargenomen. [22]
4.4
In de middag van 5 juli 1993 is de gerechtelijke sectie verricht. [23] In het sectierapport is over de postmortale veranderingen gerapporteerd dat er lijkstijfheid was van de spieren van de kaak en het rechterbeen. Er was nauwelijks lijkstijfheid van de spieren van de armen en het linkerbeen. Er waren nog iets wegdrukbare, matig ontwikkelde blauwrode lijkvlekken aan de rugzijde van het lichaam. Als oorzaak van het overlijden werd genoemd verstikking ten gevolge van mechanische ademhalingsbelemmering door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals en mogelijk bevorderd door samendrukkend geweld op de borstkas. [24]
4.5
In het kader van het nadere feitenonderzoek is de deskundige Rijken verzocht na te gaan of de destijds gebruikte wijze voor het vaststellen van de tijdspanne van overlijden van het slachtoffer naar huidige wetenschappelijke inzichten al dan niet achterhaald is. Rijken is bovendien verzocht te onderzoeken of er sprake is van nieuwe wetenschappelijke inzichten die van betekenis kunnen zijn voor het vaststellen van het tijdstip van overlijden. Ten slotte is hem verzocht, indien mogelijk, op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten een deskundigenoordeel te vormen over een mogelijk preciezere tijdspanne waarin het slachtoffer is overleden.
4.6
Het rapport van Rijken houdt onder meer in dat voor de schatting van een postmortaal interval in de huidige praktijk doorgaans gebruik wordt gemaakt van de ontwikkeling van lijkvlekken, inclusief verplaatsbaarheid en wegdrukbaarheid daarvan, de ontwikkeling van lijkstijfheid en de afkoeling van het lichaam. Hierbij wordt het nomogram van Henssge in de huidige wetenschappelijke literatuur gezien als de meest betrouwbare standaard voor de schatting van het postmortaal interval. Deze methode maakt gebruik van de rectale temperatuur, de omgevingstemperatuur en het lichaamsgewicht (gecorrigeerd met een factor voor omstandigheden zoals ondergrond, bedekking en omgeving).
4.7
Volgens Rijken kan op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten worden gesteld dat de beschikbare gecombineerde informatie over de lijkvlekken, de lijkstijfheid en de afkoeling van het lichaam van het slachtoffer niet voldoende is voor een bruikbare schatting van het postmortaal interval. Rijken komt tot de conclusie dat de veronderstelling dat het slachtoffer is overleden op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur niet houdbaar is op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten. Het tijdstip van overlijden kan volgens Rijken zowel voor als na deze periode zijn geweest. Op basis van de beschikbare informatie is een bruikbare schatting van het postmortaal interval niet mogelijk en er zijn ook geen mogelijkheden voor aanvullend onderzoek daarnaar.
Ad (ii): het rapport bloedspoorpatroononderzoek van 25 oktober 2023 van M.J. van der Scheer
4.8
Bij de opengebroken gokkast is een bloeddruppel aangetroffen (spoor 20). Daarnaar is al eerder onderzoek gedaan door de deskundige Van der Scheer. Hem is destijds gevraagd of op grond van de fotografisch vastgelegde bloeddruppel een uitspraak zou kunnen worden gedaan over het al dan niet ingedroogd zijn van de bloeddruppel. Voorts is hem toen gevraagd of er iets te zeggen was over een mogelijke delictrelatie tussen de bloeddruppel en de gewelddadige dood van het slachtoffer. Van der Scheer heeft destijds geantwoord dat het aan de hand van de foto
lijktte gaan om een passieve bloedspat, die nog niet is ingedroogd en die afkomstig
kanzijn van een bebloede (gewonde) persoon of bebloed object (
cursivering door mij, A-G). Op grond van de getoonde foto viel niet te zeggen of de bloedspat delictgerelateerd is. Een in te stellen onderzoek op het gebied van bloedspoorpatronen leek volgens Van der Scheer destijds niet opportuun. [25]
4.9
In het kader van het nadere feitenonderzoek als bedoeld in art. 463 Sv Pro is Van der Scheer onder meer verzocht op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technische mogelijkheden over het drogen van bloed een nadere beoordeling van de bloeddruppel op te stellen. Van der Scheer is voorts verzocht op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technieken de mate van zekerheid te duiden van zijn eerdere uitlating ten aanzien van de mate waarin de bloeddruppel is ingedroogd.
4.1
Het rapport van Van der Scheer van 25 oktober 2023 houdt onder meer in dat een nadere analyse louter kan berusten op het beoordelen van het bloedspoor vanaf een (overzichts)foto (foto #13) en niet meer op een technische analyse aan het bloedspoor aangezien het bloedspoor niet meer beschikbaar is. Volgens Van der Scheer biedt de huidige wetenschappelijke kennis geen eenduidige handvatten ten aanzien van de ouderdomsbepaling, en daarmee de mate van indroging, op basis van de uiterlijke kenmerken van bloedsporen. Op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technieken kan daarom geen nadere duiding worden gegeven over de mate waarin spoor 20 kan zijn ingedroogd. Als enige richtlijn kan een studie uit 2012 van Ramsthaler dienen waarin indroogtijden zijn gerapporteerd voor bloedspatten van vergelijkbare grootte als spoor 20. Deze droogtijden variëren van 45 tot 70 minuten bij een omgevingstemperatuur van 20 °C oplopend tot 120 minuten bij een omgevingstemperatuur van 15 °C.
4.11
Volgens Van der Scheer wordt in de onderhavige zaak het beoordelen van uiterlijke kenmerken, waaronder de kleur, van het bloedspoor bemoeilijkt door de beperkingen van de te onderzoeken overzichtsfoto. Eventueel aanwezige (minimale) kenmerken zijn als gevolg van het detailverlies (bij inzoomen op de foto) naar verwachting niet waarneembaar. Dit betekent dat de beoordeling van de kleur en de kleurintensiteit en met name de daaraan verbonden fysieke toestand van het bloedspoor niet meer is dan een persoonlijke voorzichtige inschatting van Van der Scheer.
4.12
Om bovengenoemde redenen heeft Van der Scheer zich destijds al in voorzichtige bewoordingen over het bloedspoor uitgelaten. Met inachtneming van de huidige wetenschappelijke kennis is de nadere beoordeling van het bloedspoor niet anders dan voorheen. Op basis van de vorm en de grootte van het bloedspoor
lijkthet een passieve bloedspat te zijn. Daarbij geeft het lichtrode egale bloedspoor de optische indruk dat het bloed nog niet is ingedroogd. Met andere woorden: het spoor
lijktnog niet te zijn ingedroogd. Uit de gekozen bewoordingen over het bloedspoor spreekt onzekerheid; een nadere duiding ten aanzien van de gradatie van onzekerheid is niet mogelijk, aldus Van der Scheer.
Het rapport bloedsporenbeeldanalyse van 5 november 2024 van M.J.P. Eversdijk
4.13
De verdediging heeft naar aanleiding van het rapport bloedspoorpatroononderzoek van 25 oktober 2023 van M.J. van der Scheer een contra-expertise laten uitvoeren door M.J.P. Eversdijk . Eversdijk is gevraagd of het mogelijk is een wetenschappelijk onderbouwde uitspraak te doen over de mate van indroging van spoor 20. Voorts is Eversdijk gevraagd of de waarnemingen, interpretaties en conclusies uit het rapport van Van der Scheer van 25 oktober 2023 wetenschappelijk onderbouwd zijn.
4.14
Het rapport van de deskundige Eversdijk houdt in dat op basis van de kleur(intensiteit), de vorm en de grootte van de fotografisch vastgelegde bloeddruppel geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraak kan worden gedaan over de mate waarin de bloeddruppel is ingedroogd. Dit wordt volgens Eversdijk bevestigd door het literatuuronderzoek uit het rapport van Van der Scheer van 25 oktober 2023. De beoordeling door Van der Scheer van de kleur en de kleurintensiteit en met name de daaraan verbonden fysieke toestand van de bloeddruppel betreft niet meer dan een persoonlijke voorzichtige inschatting en is niet wetenschappelijk onderbouwd, aldus Eversdijk .
4.15
Het rapport van Eversdijk houdt verder in dat de conclusie van Van der Scheer dat de vorm en de grootte van het bloedspoor lijkt te duiden op een passieve bloedspat, wetenschappelijk niet is onderbouwd. De (nagenoeg) cirkelvormige afdruk van de bloeddruppel kan alleen informatie verschaffen over de hoek waaronder de bloeddruppel op de tegelvloer is neergekomen en niet of het bloedspoor is ontstaan als gevolg van een passief gevallen bloeddruppel. Het bloedspoor kan ook zijn ontstaan door een actief gevallen bloeddruppel, waarbij niet alleen zwaartekracht, maar ook een externe kracht verantwoordelijk is voor het ontstaan van het bloedspoor, zoals een bewegend object of een persoon.
4.16
Eversdijk is het eens met Van der Scheer dat op basis van de huidige literatuur geen nadere duiding kan worden gegeven over de mate waarin de bloeddruppel kan zijn ingedroogd. Wel acht hij de stelling van Van der Scheer, dat de studie van F. Ramsthaler uit 2012 waarin indroogtijden zijn gerapporteerd voor bloedspatten van vergelijkbare grootte als spoor 20 als richtlijn kan dienen, niet wetenschappelijk is onderbouwd. In die studie aan gedetailleerde bloedspatten is het tijdsbestek van indrogen bij een constante temperatuur onderzocht tot een moment waarop de bloedspatten bij uitvegen geen verstoring meer lieten zien. In de studie van Ramsthaler wordt uitgegaan van een constante temperatuur, terwijl daarover in het onderhavige geval geen uitspraak kan worden gedaan. Daarnaast ziet de studie van Ramsthaler op gedetailleerde bloedspatten die zijn uitgeveegd. Daarvan is volgens Eversdijk in het onderhavige geval geen sprake.
Ad (iii): het rapport autosomaal DNA-onderzoek van 26 september 2024 van J.L.W. Dieltjes en A.J. Kal
4.17
Bij een eerder onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 19 december 2008 van een NFI-deskundige, dr. A.B. Raggers-Schroeijers zijn op het T-shirt en de broek van het slachtoffer en een op 40 cm afstand van het slachtoffer aangetroffen handdoek [26] meerdere bloedsporen aangetroffen. [27] De kleding van het slachtoffer en de handdoek zijn bemonsterd. Die bemonsteringen zijn onderworpen aan een autosomaal DNA-onderzoek. Tevens zijn DNA-extracten van eerder veiliggestelde sporen/bemonsteringen die nog beschikbaar waren, onderworpen aan een autosomaal DNA-onderzoek. Van de bemonsteringen van de handdoek en van diverse bemonsteringen van het T-shirt zijn bij eerdere DNA-onderzoeken geen DNA-(meng)profielen verkregen. Van het DNA in de overige 40 bemonsteringen van het T-shirt en de broek en van het DNA in het resterende DNA-extract van een bemonstering van de broek zijn toen (onvolledige) DNA-(meng)profielen verkregen. Deze (onvolledige) DNA-(meng)profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van het slachtoffer en de drie mannelijke gewezen verdachten.
4.18
Uit de door Raggers-Schroeijers verrichte analyse van de verkregen (onvolledige) DNA-mengprofielen blijkt dat verschillende sporen celmateriaal van minimaal één vrouw bevatten, vermengd met een relatief geringe hoeveelheid celmateriaal van (minimaal) één mannelijke persoon.
4.19
Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek kan worden geconcludeerd dat de meerderheid van het sporenmateriaal bloed/celmateriaal van het slachtoffer bevat. Daarnaast blijkt uit de analyse van de verkregen (onvolledige) DNA-(meng)profielen dat meerdere sporen celmateriaal kunnen bevatten van een onbekende vrouw. Dat celmateriaal is veelal vermengd met celmateriaal dat afkomstig kan zijn van het slachtoffer. Verder kan uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek worden geconcludeerd dat in het sporenmateriaal geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van de drie mannelijke gewezen verdachten.
4.2
In het kader van het nadere feitenonderzoek zijn de deskundigen Dieltjes en Kal onder meer verzocht middels nieuwe, gevoeligere technieken aanvullend DNA-onderzoek te verrichten aan bestaande – en eventueel nog te verkrijgen – sporen of stukken van overtuiging, welk onderzoek zou kunnen leiden tot het verkrijgen van DNA-profielen uit sporen waar dat met de eerder gebruikte technieken niet is gelukt en tot het verkrijgen van meer genetische informatie van de onbekende personen in de aangetroffen DNA-mengprofielen. Voorts is verzocht middels vergelijkend DNA-onderzoek vast te stellen van wie nieuwe en eerder verkregen DNA-profielen afkomstig kunnen zijn op basis van de thans beschikbare referentiemonsters.
4.21
Blijkens het rapport van 26 september 2024 van Dieltjes en Kal zijn de eerder verkregen DNA-extracten van de bemonsteringen van het T-shirt en de broek van het slachtoffer en de handdoek onderworpen aan een aanvullend DNA-onderzoek. Daarbij is het DNA-onderzoek aan de extracten herhaald om meer informatieve DNA-(meng)profielen te verkrijgen. De verkregen DNA-(meng)profielen zijn vergeleken met de DNA-profielen van het slachtoffer, haar echtgenoot, de zes gewezen verdachten, twaalf getuigen en de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 (de bloedveeg die is aangetroffen op een werkblad in de keuken waar het slachtoffer is gevonden) en 20 (de bloeddruppel die is aangetroffen op de grond bij de opengebroken gokkast) zijn.
4.22
Het rapport van 26 september 2024 van Dieltjes en Kal houdt onder meer in dat van het DNA in de bemonstering van de handdoek met het Spoor Identificatie Nummer (SIN) ATA157#17 een DNA-mengprofiel is verkregen van minimaal twee personen. De bemonstering bevat een relatief grote hoeveelheid DNA van de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 en 20 zijn. Daarnaast bevat de bemonstering een relatief kleine hoeveelheid DNA van minimaal één andere persoon. Het DNA-mengprofiel is onvoldoende informatief om te kunnen beoordelen van wie de relatief kleine hoeveelheid DNA afkomstig kan zijn. Uit het DNA-mengprofiel is een DNA-hoofdprofiel afgeleid dat overeenkomt met het DNA-profiel van de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 en 20 zijn. De bewijskracht van deze overeenkomst is berekend. Uit het rapport kan worden afgeleid dat het verkregen DNA-mengprofiel meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het DNA afkomstig is van de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 en 20 zijn en minimaal één andere persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van minimaal twee willekeurige onbekende personen.
4.23
Het rapport houdt voorts in dat van het DNA in de bemonsteringen van het T-shirt van het slachtoffer met SIN AUA007#04 en SIN AUA007#05 DNA-mengprofielen zijn verkregen van minimaal vier personen. De bemonsteringen bevatten DNA van het slachtoffer, getuige 002, de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 en 20 zijn en van minimaal één onbekende persoon.
4.24
Uit de resultaten van het aanvullend vergelijkend DNA-onderzoek kan verder worden geconcludeerd dat in de bemonsteringen van het T-shirt, de broek en de handdoek en in de eerder verkregen DNA-extracten (wederom) geen DNA van één van de zes gewezen verdachten is aangetroffen.
Ad (iv): het rapport mtDNA-onderzoek van 26 september 2024 van J.L.W. Dieltjes
4.25
In de onderhavige zaak zijn ook al eerder haarsporen van een afveegsel, van kleding van het slachtoffer en van een handdoek onderworpen aan een autosomaal en mitochondriaal DNA-onderzoek. [28] Uit de resultaten van dat onderzoek is gebleken dat de haarsporen op de handdoek en het overgrote deel van de haarsporen op het T-shirt en de broek van het slachtoffer zijn. Vier van de onderzochte haarsporen zijn niet afkomstig van het slachtoffer of iemand uit haar moederlijke lijn. Het gaat om het haarspoor op het afveegsel met SIN AACC8684NL#01, het haarspoor op het T-shirt met SIN AACC8687NL#01 en de haarsporen op de broek met SIN AACC8688NL#02 en SIN AACC8688NL#07. Geen van de haarsporen bleek afkomstig van één van de gewezen verdachten.
4.26
In het kader van het nadere feitenonderzoek is de deskundige Dieltjes verzocht de bovengenoemde vier haarsporen aan een aanvullend mtDNA-onderzoek te onderwerpen. Dieltjes is verzocht de DNA-profielen van het slachtoffer, de zes gewezen verdachten, twaalf getuigen en de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedsporen 7 en 20 zijn, te vergelijken met de DNA-profielen van de vier onbekende personen van wie de bovengenoemde haarsporen zijn aangetroffen.
4.27
Het rapport van Dieltjes houdt onder meer in dat het op de broek van het slachtoffer aangetroffen haarspoor met SIN AACC8688NL#02 afkomstig kan zijn van de onbekende man van Zuidoost-Aziatische afkomst van wie bloedspoor 20 is.
4.28
Uit de resultaten van het aanvullend mtDNA-onderzoek kan verder worden geconcludeerd dat de vier onderzochte haarsporen niet afkomstig kunnen zijn van één van de zes gewezen verdachten.

5.Het juridisch kader

5.1
De aanvragen tot herziening zijn gegrond op art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang:
“1. Op aanvraag van de procureur-generaal of van de gewezen verdachte te wiens aanzien een vonnis of arrest onherroepelijk is geworden, kan de Hoge Raad ten voordele van de gewezen verdachte een uitspraak van de rechter in Nederland houdende een veroordeling herzien:
a. (…);
b. (…);
c. indien er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.”
5.2
Uitgangspunt van het wettelijk stelsel is dat een veroordeling die door de Nederlandse strafrechter is uitgesproken, na het verstrijken van de termijnen voor het instellen van gewone rechtsmiddelen en eventueel na het daadwerkelijk benut zijn van die rechtsmiddelen, onherroepelijk wordt. Slechts onder bijzondere omstandigheden is daarna een inbreuk op die onherroepelijkheid mogelijk, namelijk als een aanvraag tot herziening van zo’n veroordelende uitspraak wordt ingediend en door de Hoge Raad gegrond wordt bevonden. Herziening is volgens de wet een buitengewoon rechtsmiddel. [29]
5.3
Een van de gronden voor herziening kan, zoals ook in deze zaak centraal staat, een nieuw ‘gegeven’ (een zogenoemd novum) zijn. In art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv in combinatie met art. 460 lid 2 Sv Pro is dit zo tot uitdrukking gebracht dat als grondslag voor een herziening slechts kan dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat als dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling. [30]
5.4
Vanaf 1921 werd in art. 457 Sv Pro het voor herziening vereiste novum omschreven als “eenige omstandigheid” die – kort gezegd – ernstige twijfel oproept over de veroordeling. Het (oude) begrip “omstandigheid” placht de Hoge Raad te verstaan als een omstandigheid van feitelijke aard. [31] Sinds de wetswijziging van 1 oktober 2012 is de uitdrukking “eenige omstandigheid” vervangen door “een gegeven”. [32] Voortaan zou het novum (“gegeven”) kunnen bestaan uit een omstandigheid van feitelijke aard (art. 457 (oud) Sv) én een gewijzigd inzicht in de uitleg van de feiten (art. 457 (nieuw) Sv). Onder het verruimde begrip “gegeven” begrijpt de Hoge Raad naast de van oudsher bekende “omstandigheid van feitelijke aard” alleen een nieuw of gewijzigd deskundigenoordeel. Een (nieuw) inzicht van juridische aard, zoals wijziging van rechtspraak of achteraf aan het licht gekomen procedurele fouten, leveren geen novum op. [33]
5.5
De aard van het buitengewone rechtsmiddel van herziening brengt met zich dat de aangevoerde grond voor herziening niet al bij de eerdere berechting mag zijn gebleken. In dat geval is namelijk sprake van een gegeven dat de rechter die de veroordeling uitsprak, in zijn oordeel heeft kunnen betrekken. [34] Uitgangspunt is de stand van zaken zoals de rechter die de aangevallen uitspraak deed, kende of geacht wordt te hebben gekend. Het nieuwe gegeven moet wel betrekking hebben op een omstandigheid die zich heeft voorgedaan of al bestond voor het wijzen van de einduitspraak waarvan herziening wordt aangevraagd. Dat uitgangspunt verhindert niet dat in herziening beroep wordt gedaan op latere getuigenverklaringen of een gewijzigd deskundigeninzicht (waarover meer hierna) die alsnog een ander licht werpen op de destijds bekende stand van zaken. Vertrekpunt zijn namelijk de feiten en omstandigheden voor en ten tijde van de berechting. Aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of de rechter ook tot zijn beslissing zou zijn gekomen als hij op de hoogte zou zijn geweest van het nieuwe gegeven.
5.6
In herziening wordt voorondersteld dat de rechter bij het onderzoek op de terechtzitting bekend was met alle gegevens die zich bevinden in het strafdossier dat aan de veroordeling ten grondslag ligt. Dat geldt dus ook voor stukken die niet zijn vermeld in het proces-verbaal van de terechtzitting en/of de uitspraak. Die niet-vermelding, bijvoorbeeld omdat de veroordeling niet steunde op de inhoud van het desbetreffende stuk, betekent immers niet dat de rechter er geen kennis van heeft genomen. [35] De vooronderstelde bekendheid van de rechter geldt niet alleen voor alles wat rechtstreeks uit het dossier is te putten, maar ook voor wat al deducerend en combinerend kan worden afgeleid uit de stukken van het dossier. [36]
5.7
De eis dat het gegeven ‘nieuw’ is – wil het als novum kunnen worden aangemerkt – wordt ook gesteld aan een deskundigeninzicht. Naarmate voor de waardering van de portee van het bewijsmateriaal meer specialistische kennis is vereist, zal sneller kunnen worden aangenomen dat de rechter bij het onderzoek ter terechtzitting onbekend is geweest met een deskundige interpretatie van het onderzoeksmateriaal die niet bij wijze van deskundigenrapportage of verklaring van een deskundige ter terechtzitting deel uitmaakt van de processtukken. Het deskundigeninzicht kan in zo’n geval een nieuw licht op de zaak werpen en is in potentie een novum. [37] Deskundigeninzichten die erop neerkomen dat de bij het hof reeds bekende onzekerheden van forensisch bewijs extra worden belicht, kunnen echter niet als novum worden aangemerkt als zij niet op nieuwe feiten zijn gebaseerd en evenmin duiden op een eerst achteraf blijkende evidente onjuistheid van het deskundigenoordeel waar de rechter in laatste ressort zich in belangrijke mate op heeft gebaseerd. [38]
5.8
De vooronderstelling dat de rechter mag worden geacht bij het onderzoek ter terechtzitting bekend te zijn geweest met de gegevens die kunnen worden verkregen uit de voorhanden resultaten van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek moet alleen wijken bij sterke aanwijzingen van het tegendeel. Zo zal een interpretatie van feitenmateriaal die voor de hand ligt en die in principe door iedere leek kan worden aangereikt, niet gelden als een novum. Aangenomen mag worden dat de rechter zelf ook wel op die interpretatie was gekomen. [39] Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de rechter niet bekend was met bepaalde feiten uit het dossier. [40]
5.9
Behalve dat het gegeven ‘nieuw’ moet zijn, moet het ook het ‘ernstige vermoeden’ wekken dat de veroordeling onjuist is. [41] Onvoldoende voor het aannemen van het in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv bedoelde ernstige vermoeden is dat het aangevoerde ‘mogelijk’ zou hebben geleid tot (bijvoorbeeld) vrijspraak. Art. 457 Sv Pro is in dat opzicht strikter. Het eist immers dat door het nieuwe gegeven het ‘ernstige vermoeden’ moet ontstaan dat de rechter de aanvrager zou hebben vrijgesproken als hij destijds met dat novum bekend was geweest. [42] Het novum moet relevant en van voldoende gewicht zijn om herziening te rechtvaardigen. Het nieuwe gegeven moet de bewijsconstructie in de kern raken en de veroordeling op losse schroeven zetten. [43] Niet is vereist dat het nieuwe gegeven de onschuld van de veroordeelde waarschijnlijk maakt. Het bewijs van het tegendeel van schuld is niet noodzakelijk. Voldoende is dat het gegeven het bewijs ten laste van de veroordeelde ontzenuwt, zodat over zijn schuld alsnog ernstige twijfel ontstaat. [44] Het ‘ernstige vermoeden’ dat het novum tot herziening leidt ligt tussen de te strenge voorwaarde dat er zekerheid moet zijn dat de aanvrager in het onderhavige geval alsnog zal worden vrijgesproken en de te lichte conditie dat er een mogelijkheid is dat die vrijspraak alsnog zal worden gegeven. [45] Een en ander betekent dat het novum en de bewijsvoering als het ware communicerende vaten zijn: hoe steviger de bewijsvoering, des te sterker moet het novum zijn. Het omgekeerde geldt ook: bij een zwakke bewijsvoering kan het beroep op een niet heel sterk novum toch succes hebben. [46]
5.1
De enkele omstandigheid dat het voorbereidend onderzoek dan wel het onderzoek op de terechtzitting niet volledig is geweest, levert geen grond voor herziening op. Dit is slechts anders indien de in herziening overgelegde gegevens grond geven voor het oordeel dat – voor zover hier van belang – het hof de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde indien het destijds bekend was geweest met die nieuwe gegevens. Een en ander geldt ook indien na het onherroepelijk worden van de veroordeling het College van procureurs-generaal een “oriënterend vooronderzoek” heeft doen instellen of de CEAS een onderzoek heeft ingesteld waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport. De betwisting van de juistheid en volledigheid van die onderzoeken, zowel wat betreft de wijze waarop het is verricht als wat betreft de resultaten, kan op zichzelf geen grond voor herziening vormen. [47]
5.11
Bij de beantwoording van de vraag of een in een herzieningsaanvraag aangeduid nieuw gegeven het in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv bedoelde ernstige vermoeden wekt, moet de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken. Het gaat er daarbij om of het nieuwe gegeven, in het licht van enerzijds wat is aangevoerd in de herzieningsaanvraag en anderzijds de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en (eventuele) nadere bewijsoverwegingen, dat ernstige vermoeden wekt. In het geval dat nader onderzoek als bedoeld in art. 463 lid 1 Sv Pro is verricht, mogen hierbij alle stukken worden betrokken die op het nader onderzoek betrekking hebben en die overeenkomstig artikel art. 463 lid 6 Sv Pro aan de processtukken van de herzieningszaak zijn toegevoegd. [48]
5.12
Bij de beoordeling van een herzieningsaanvraag is verder nog het volgende van belang. Mede op grond van de geschiedenis van de totstandkoming van het huidige art. 457 Sv Pro moet worden aangenomen dat een nieuw en/of gewijzigd deskundigeninzicht onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting niet bekend was, en daardoor grond kan zijn voor herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak, als
- de betreffende kwestie tijdens de strafprocedure nog niet aan het oordeel van een deskundige was voorgelegd, dan wel
- in de betreffende strafzaak al wel onderzoek was verricht door een deskundige, maar deze deskundige naderhand tot een ander oordeel is gekomen, dan wel sprake is van een nieuwe deskundige die ofwel vanuit een ander vakgebied ofwel op grond van andere onderzoeksmethoden tot nieuwe conclusies komt, dan wel
- een nieuwe deskundige op grond van dezelfde feiten tot andere inzichten komt doordat het eerdere deskundigenoordeel is gebaseerd op onjuiste of onvolledige feitelijke veronderstellingen of doordat er nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen zijn op het betreffende vakgebied.
(Vgl.
Kamerstukken II2008/09, 32045, nr. 3, p. 10.) [49]
5.13
Voor het oordeel of een deskundigeninzicht kan worden aangemerkt als zo’n gegeven, is het van belang dat de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport zodanige informatie bevat dat de inhoud van dit inzicht en de nieuwheid daarvan op waarde kunnen worden geschat. De Hoge Raad heeft een aantal onderwerpen benoemd die hiervoor van betekenis zijn. Het gaat daarbij onder meer om het volgende. Allereerst moet de in de herzieningsaanvraag of het daarbij overgelegde deskundigenrapport opgenomen informatie betrekking hebben op de kennis en ervaring van de deskundige op het betreffende vakgebied. Verder is de onderbouwing van de nieuwheid van het inzicht van de deskundige van belang. Die onderbouwing moet daarbij betrekking hebben op de vraag in hoeverre het inzicht van de deskundige steunt op hetzij (a) ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende wetenschappelijke ontdekkingen of inzichten, hetzij (b) een beoordeling van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting nog onbekende feiten of omstandigheden, hetzij (c) een ander deskundig oordeel over de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting al bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op ten tijde van dat onderzoek op de terechtzitting al bekende feiten en omstandigheden. Bovendien moet de onderbouwing betrekking hebben op de vraag hoe het inzicht van de deskundige zich verhoudt tot eerdere inzichten van diezelfde en/of andere deskundigen zoals die uit het aan de uitspraak ten grondslag liggende dossier naar voren komen. [50]
5.14
Bij de beantwoording van de vraag of het betreffende deskundigeninzicht het ernstige vermoeden als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv wekt, moet de gehele bewijsvoering van de rechter worden betrokken. Het gaat er dus om of het deskundigeninzicht, in het licht van enerzijds wat is aangevoerd in de herzieningsaanvraag en wat is gebleken over de onder randnr. 5.13 genoemde onderwerpen en anderzijds de door de rechter gebruikte bewijsmiddelen en (eventuele) nadere bewijsoverwegingen, dat ernstige vermoeden wekt. Ook hier geldt dat, in het geval dat nader onderzoek als bedoeld in artikel 463 lid 1 Sv Pro is verricht, alle stukken mogen worden betrokken die op het nadere onderzoek betrekking hebben en die overeenkomstig artikel 463 lid 6 Sv Pro aan de processtukken van de herzieningszaak zijn toegevoegd. De enkele omstandigheid dat een deskundige het bewijs anders weegt dan de rechter heeft gedaan, is niet voldoende om het voor herziening vereiste ernstige vermoeden te wekken. [51]
5.15
Hieraan kan met het oog op de voorliggende zaak nog worden toegevoegd dat volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad aan de omstandigheid dat een deskundige op wiens bevindingen de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, nadien tot een ander oordeel komt, in beginsel meer gewicht kan worden toegekend dan aan een – van die deskundige afwijkend – oordeel van een andere deskundige. Een herzieningsaanvraag die uitsluitend is gebaseerd op het inzicht van iemand die op het betreffende terrein deskundig is, dat afwijkt van het inzicht van de deskundige waarop de bewezenverklaring in belangrijke mate steunt, is niet zonder meer toereikend voor herziening. Voor de beoordeling van zo’n aanvraag is daarom van belang waarin het verschil van inzicht zijn grond vindt. De aanvraag moet daarover, aan de hand van de in randnrs. 5.12 en 5.13 genoemde factoren, een toelichting bevatten. In dat verband kan van belang zijn de reactie van een deskundige die in de strafzaak heeft verklaard, op het inzicht van de deskundige waarop de herzieningsaanvraag steunt. [52]
5.16
Herzieningsaanvragen zijn onbeperkt herhaalbaar. Dat betekent echter niet dat in herziening ruimte is voor een herhaling van zetten. Uitgangspunt is dat in een volgende herzieningsaanvraag in beginsel geen beroep (meer) kan worden gedaan op gronden die bij de beoordeling van een eerdere aanvraag ontoereikend zijn bevonden. Als een aanvraag ongegrond is verklaard omdat al het aangevoerde onvoldoende is voor herziening, kan niet worden volstaan met het enkel opnieuw naar voren brengen van dezelfde grond en dezelfde bescheiden waarop de eerdere aanvraag stoelde. Er zal dan hetzij een nieuwe herzieningsgrond naar voren moeten worden gebracht, hetzij een betere onderbouwing en/of overlegging van andere bescheiden. Maar steeds zal de aanvrager moeten uitleggen wat nieuw is. [53]

6.De voorgedragen gronden voor herziening

6.1
Hieronder ga ik nader in op de bovengenoemde rapporten van Rijken, Eversdijk , Dieltjes en Kal. Daarbij zet ik uiteen dat en waarom die rapporten nieuw en van voldoende gewicht zijn om het ernstige vermoeden te wekken dat de rechter de veroordeelde zou hebben vrijgesproken als hij destijds met die rapporten bekend was geweest.
6.2
Het rapport bloedspoorpatroononderzoek van 25 oktober 2023 van Van der Scheer komt eveneens aan bod, maar levert mijns inziens geen novum op. Van der Scheer heeft namelijk al eerder onderzoek gedaan naar de bij de opengebroken gokkast aangetroffen bloeddruppel en is in het kader van het nader feitenonderzoek verzocht dat bloedspoor nader te beoordelen. Blijkens bovengenoemd rapport is de nadere beoordeling door Van der Scheer van het bloedspoor onder beschouwing van de huidige wetenschappelijke kennis niet anders dan voorheen. Dat brengt met zich dat het rapport niet voldoet aan de eis dat het gegeven ‘nieuw’ moet zijn wil het als novum kunnen worden aangemerkt, zodat het geen grond voor herziening kan vormen.
Het rapport van 23 september 2023 van D.J. Rijken (over de tijdspanne van overlijden)
6.3
Het waarschijnlijkheidsoordeel van het hof over de tijdspanne van overlijden speelt een gewichtige rol in het oordeel van het hof dat de nabij de opengebroken gokkast aangetroffen bloeddruppel niet delictgerelateerd zou zijn. Die tijdspanne is gebaseerd op het als bewijsmiddel 3 gebezigde verslag van de gemeentelijke lijkschouwer. Dat verslag houdt onder meer in dat de lijkschouwer op 4 juli 1993 omstreeks 12.15 uur het lichaam van het slachtoffer heeft geschouwd en op basis van de met de hand voelbare daling van de lichaamstemperatuur en beginnende lijkstijfheid aan de armen het tijdstip van overlijden heeft ingeschat korter dan acht uur tevoren en langer dan vier uur tevoren.
6.4
Door de advocaat-generaal bij het hof is in de procedure in herziening een rapportage van dr. F.J.M. Alkemade, waarin een Bayesiaanse analyse van de onderhavige zaak is gemaakt, ingebracht. [54] Alkemade – die geen expertise heeft op het gebied van forensische pathologie [55] – heeft zich in zijn rapportage onder meer uitgelaten over de meting door de gemeentelijke lijkschouwer van de lichaamstemperatuur, de waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen en de relatie tussen
rigor mortis(lijkstijfheid) en het tijdstip van overlijden. Volgens Alkemade levert de door de gemeentelijke lijkschouwer op 4 juli 1993 om 12.15 uur waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen een aanwijzing op voor een tijdstip van overlijden vóór 08.15 uur. [56]
6.5
Op verzoek van de verdediging is drs. F.R.W. van de Goot, als forensisch patholoog gelieerd aan Verilabs, als deskundige benoemd om de observaties en conclusies over
rigor mortis(de met betrekking tot de eventuele relatie tot de in dat kader gedane observaties en het vermoedelijke tijdstip van overlijden daaronder begrepen) uit de rapportage van Alkemade te onderzoeken en beoordelen. [57] In dat verband heeft Van de Goot wel een afschrift van de rapportage van Alkemade ontvangen, maar niet (ook) een afschrift van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en het rapport van de gerechtelijke sectie. [58]
6.6
Van de Goot rapporteert dat onder randnr. 3.12.1 van de rapportage van Alkemade is te lezen dat het slachtoffer bij aanraken met de hand is gecontroleerd op warmte en dat een inschatting door de forensisch geneeskundige (A-G: ik begrijp: de gemeentelijke lijkschouwer) zou liggen tussen 4 en 8 uren voorafgaande aan het tijdstip van diens onderzoek. In de voetnoot van randnr. 3.12.1 van de rapportage van Alkemade wordt nog vermeld dat het onderzoek van de forensisch geneeskundige om 12.15 uur heeft plaatsgevonden, waardoor het misdrijf vóór 08.15 uur moet zijn gepleegd. Volgens Van de Goot is op grond van dergelijke zeer beperkte informatie geen enkele uitspraak te doen over de postmortale periode en kan iedere poging alleen maar leiden tot valse zekerheid, zelfs als deze zekerheid met terughoudendheid wordt betracht. Over de door de gemeentelijke lijkschouwer waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen, die wordt vermeld in de bovengenoemde voetnoot van de rapportage van Alkemade, merkt Van de Goot op dat bij ouderen (het waarnemen van) het intreden van lijkstijfheid anders kan zijn dan bij jongeren. Bij mensen met geringe spiermassa kan lijkstijfheid een compleet andere verschijningsvorm hebben, als het überhaupt al optreedt. Voor zover Van de Goot bekend, is in de onderhavige zaak met het voorgaande geen rekening gehouden. Van de Goot hoopt dat er iets is gedaan in de vorm van temperatuurmeting of beschrijving van lijkvlekken, uitbreiding van bloedingen en aanwijzingen voor spierafbraak etc. Indien dat niet het geval is, zal de postmortale tijdspanne in de onderhavige zaak volgens hem onbekend blijven. [59]
6.7
Uit het voorgaande blijkt dat (enig) onderzoek is gedaan naar het tijdstip van overlijden aan de hand van de door de gemeentelijke lijkschouwer met de hand waargenomen daling van de lichaamstemperatuur van het slachtoffer en de door hem waargenomen beginnende lijkstijfheid aan de armen. Later heeft de deskundige Van de Goot zich uitgelaten over de (on)houdbaarheid van de geschatte tijdspanne van overlijden. Het hof was bekend met het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en het rapport van Van de Goot. Het voorgaande roept de vraag op of het rapport van Rijken, waarin (wederom) onderzoek is gedaan naar de (on)houdbaarheid van de veronderstelling dat het slachtoffer op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur is overleden, een novum oplevert.
6.8
Ik meen dat het rapport van Rijken kan worden aangemerkt als novum, omdat sprake is van een situatie waarin een nieuwe deskundige op grond van dezelfde feiten tot een ander inzicht komt, doordat het eerdere deskundigenoordeel is gebaseerd op onvolledige feitelijke veronderstellingen. Daarover het volgende.
6.9
Van de Goot concludeert dat geen enkele uitspraak kan worden gedaan over de postmortale periode. Dat deskundigenoordeel is gebaseerd op de informatie van de gemeentelijke lijkschouwer, zoals deze blijkt uit de rapportage van Alkemade, over het tijdstip van het schouwen, de met de hand gemeten afkoeling van het lichaam en de beginnende lijkstijfheid aan de armen. Van de Goot heeft niet een afschrift van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en van het rapport van de gerechtelijke sectie ontvangen. Daardoor heeft hij geen kennis gehad van de uit die stukken blijkende informatie over de lijkvlekken en de lijkstijfheid aan de overige delen van het lichaam van het slachtoffer. Met andere woorden: Van de Goot heeft niet alle informatie over de lijkverschijnselen gehad.
6.1
Rijken heeft wel een afschrift van het verslag van de gemeentelijke lijkschouwer en van het rapport van de gerechtelijke sectie ontvangen en beoordeeld. [60] Hij beschikte daarmee, naast informatie over de afkoeling van het lichaam en de lijkstijfheid aan de armen, anders dan Van de Goot, ook over informatie over de lijkvlekken en de lijkstijfheid aan de overige delen van het lichaam van het slachtoffer. Vervolgens heeft Rijken op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten beoordeeld of de beschikbare informatie over de lijkverschijnselen voldoende is voor een bruikbare schatting van het postmortaal interval. Volgens Rijken is niet alleen de informatie over de lichaamsafkoeling en de lijkstijfheid aan de armen, maar – en in zoverre is dit deskundigeninzicht nieuw ten opzichte van het deskundigeninzicht van Van de Goot – ook de informatie over de lijkvlekken en de lijkstijfheid aan de overige delen van het lichaam van het slachtoffer onvoldoende voor een bruikbare schatting van het postmortaal interval. Dat is volgens Rijken niet anders wanneer de beschikbare informatie over de lijkverschijnselen wordt gecombineerd, zodat de veronderstelling dat het slachtoffer op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur is overleden niet houdbaar is op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten.
6.11
Bij het onderzoek op de terechtzitting was het hof Den Haag niet bekend met de gerapporteerde bevindingen van Rijken. Op grond van die bevindingen moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat de dood van het slachtoffer op een eerder of later tijdstip is ingetreden dan door het hof blijkens de bewijsvoering is aangenomen. Dat gegeven raakt aan het oordeel van het hof over de delictgerelateerdheid van de aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg. Daarbij weeg ik mee dat, zoals hieronder bij de bespreking van de rapporten van het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek zal blijken, de thans uit die rapporten bekend geworden gegevens maken dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aangetroffen (DNA-)sporen van de onbekende Zuidoost-Aziatische man, waaronder de bloeddruppel en bloedveeg, dadersporen betreffen. Daarnaast verdraagt het bovengenoemde gegeven zich, gelet op de bewijsvoering en de betekenis die daarin aan de tijdspanne van overlijden toekomt, niet met de feitelijke toedracht waarvan het hof is uitgegaan bij zijn oordeel dat het de mannelijke gewezen verdachten samen met de vrouwelijke gewezen verdachten zijn geweest die het slachtoffer om het leven hebben gebracht. Dat gegeven raakt daarmee ook aan het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde bekennende verklaringen van de vrouwelijke gewezen verdachten. Voorts raakt het gegeven aan het oordeel van het hof – hoewel het waarschijnlijkheidsoordeel van het hof over de tijdspanne van overlijden hiervoor niet de enige grond betrof – over (de ontlastende betekenis van) de verklaringen van de bushokjesgetuigen. Derhalve rijst het ernstige vermoeden dat het hof, indien het met de inhoud van het rapport van Rijken bekend was geweest, de veroordeelde zou hebben vrijgesproken van het tenlastegelegde.
6.12
Gelet op het voorgaande vormt voormeld deskundigenrapport, waarmee het hof Den Haag niet bekend kon zijn, een gegeven als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv.
Het rapport bloedsporenbeeldanalyse van 5 november 2024 van M.J.P. Eversdijk (over de indroogtijd en de delictgerelateerdheid van bloedspoor 20)
6.13
Mijns inziens levert een deel van het rapport van Eversdijk eveneens een novum op. Daarover het volgende.
6.14
Het hof heeft in het kader van de betekenis die moet worden toegekend aan het aantreffen van de bloeddruppel nabij de opengebroken gokkast vastgesteld dat die bloeddruppel op z’n vroegst op 4 juli 1993 om 12.00 uur is bemonsterd. Het hof heeft op basis van het proces-verbaal van technisch onderzoek [61] inhoudende dat de bloeddruppel deels was opgedroogd en de verklaringen van [verbalisant 19] [62] en de deskundige Kockx [63] vastgesteld dat de bloeddruppel ten tijde van het aantreffen daarvan deels vloeibaar was. Het hof heeft uit de inhoud van een (Engelstalig) artikel over indroogtijden van bloedspatten op verschillende oppervlaktematerialen, vermeld in voetnoten 200 en 206 in het arrest (de studie van Ramsthaler uit 2012), afgeleid dat de indroogtijd van een bloeddruppel in belangrijke mate wordt bepaald door het oppervlaktemateriaal waarop de druppel is aangetroffen en de relevante omgevingstemperatuur. Het hof heeft op basis van openbare bronnen en de omstandigheid dat diverse deuren van het restaurant in ieder geval bij aankomst van de politie open stonden het waarschijnlijk geacht dat de omgevingstemperatuur van de bloeddruppel nabij de gokkast op het tijdstip van bemonstering niet lager zal zijn geweest dan 20 °C. Het hof heeft het oppervlaktemateriaal waarop de bloeddruppel is aangetroffen, een tegelvloer, betrokken bij de geschatte omgevingstemperatuur en heeft vervolgens op basis van de inhoud van het bovengenoemde artikel afgeleid dat de indroogtijd van de bloeddruppel ongeveer 60 minuten is geweest. Gelet op die geschatte indroogtijd van 60 minuten, is het hof tot de conclusie gekomen dat, zelfs als wordt uitgegaan van het vroegst mogelijke bemonsteringstijdstip van 12.00 uur, het onaannemelijk moet worden geacht dat de bloeddruppel in verband staat met het tenlastegelegde dat volgens het hof naar alle waarschijnlijkheid heeft plaatsgevonden op 4 juli 1993 tussen 04.15 en 08.15 uur.
6.15
De vaststelling van het hof dat de nabij de gokkast aangetroffen bloeddruppel ten tijde van het aantreffen daarvan deels vloeibaar was en de door het hof geschatte indroogtijd van die bloeddruppel vormen – naast het waarschijnlijkheidsoordeel van het hof over de tijdspanne van overlijden – belangrijke pijlers voor het oordeel van het hof dat de bloeddruppel niet delictgerelateerd zou zijn.
6.16
Het hof heeft weliswaar in zijn bewijsoverwegingen verwezen naar de destijds door Van der Scheer gegeven interpretatie van de foto van de bloeddruppel, maar het hof heeft niet (op grond van die interpretatie) geoordeeld dat de bloeddruppel (dus) een passieve bloedspat betreft. In zoverre levert het rapport van Eversdijk geen novum op.
6.17
Voorts heeft het hof zijn vaststelling dat de bloeddruppel ten tijde van het aantreffen daarvan deels vloeibaar was niet (mede) gebaseerd op de door Van der Scheer gegeven interpretatie van de fotografisch vastgelegde bloeddruppel, maar op het proces-verbaal van technisch onderzoek en de verklaringen van [verbalisant 19] en de deskundige Kockx. Daarbij komt dat het hof blijkens zijn arrest bekend was met het rapport van de contra-deskundige ing. J.R. ten Hove, gelieerd aan het Nationaal Forensisch Onderzoeksbureau, van 1 juli 2015. Ten Hove is als deskundige benoemd om de bevindingen van Alkemade met betrekking tot de bloeddruppel, de conclusies over de vermoedelijke indroogtijd daaronder begrepen, te onderzoeken en beoordelen. [64] Ten Hove heeft in zijn rapport geconcludeerd dat zijns inziens op basis van (alleen) de foto met geen enkele mate van waarschijnlijkheid over de droogheid van de bloeddruppel kan worden geoordeeld. [65] In zoverre levert het rapport van Eversdijk , voor zover dit inhoudt dat op basis van de kleur(intensiteit), vorm en grootte van de fotografisch vastgelegde bloeddruppel geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraak kan worden gedaan over de mate waarin de bloeddruppel is ingedroogd, niets nieuws op, zodat ook dit deel van het rapport geen grond voor herziening kan vormen.
6.18
Uit de inhoud van het rapport van Eversdijk kan verder worden afgeleid dat de omstandigheden waaronder het onderzoek in de studie uit 2012 van Ramsthaler is verricht dermate verschillen van de omstandigheden in de onderhavige zaak dat die studie niet als richtlijn kan dienen voor een schatting van de indroogtijd van de aangetroffen bloeddruppel. De vraag is of dit onderdeel van het rapport van Eversdijk als novum kan worden aangemerkt. Die vraag klemt, omdat het oordeel van Eversdijk niet is gebaseerd op nieuwe onderzoeksgegevens, maar berust op gegevens uit het dossier dat het hof ter beschikking heeft gestaan. Dat maakt dat ervan mag worden uitgegaan dat het hof met die gegevens bekend was, tenzij er aanwijzingen zijn dat het hof de portee van de studie van Ramsthaler niet (volledig) heeft doorgrond. In dit verband herhaal ik dat naarmate voor de waardering van de portee van het bewijsmateriaal meer specialistische kennis is vereist, sneller zal kunnen worden aangenomen dat de rechter bij het onderzoek ter terechtzitting onbekend is geweest met een deskundige interpretatie van het onderzoeksmateriaal die niet bij wijze van deskundigenrapportage of verklaring van een deskundige ter terechtzitting deel uitmaakt van de processtukken (randnr. 5.7) en dat ‘nieuw’ ook kan zijn het inzicht van een deskundige dat steunt op een ander deskundig oordeel over de weging en betekenis van ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting al bestaande wetenschappelijke inzichten, toegepast op de ten tijde van dat onderzoek op de terechtzitting al bekende feiten en omstandigheden (zie randnr. 5.13).
6.19
De interpretatie en duiding van de informatie uit de studie van Ramsthaler vraagt om kennis en ervaring op het desbetreffende vakgebied. De beoordeling en datering van bloedsporen, de indroogtijden daarvan inbegrepen, vergt forensische expertise die niet tot de gereedschapskist van de rechter behoort. De precieze interpretatie van de studie van Ramsthaler, meer in het bijzonder of, en zo ja in hoeverre die studie als richtlijn kan dienen bij de schatting van de indroogtijd van de aangetroffen bloeddruppel, is – voor zover ik heb kunnen nagaan – in de procedure in herziening niet uitdrukkelijk voorwerp van onderzoek geweest. De studie is tijdens de behandeling van de strafzaak tegen de gewezen verdachten ook niet door een deskundige op het gebied van de beoordeling en datering van bloedsporen beoordeeld en het hof heeft zich niet door (een) deskundige(n) op voornoemd gebied laten voorlichten over de informatie uit die studie. Het hof heeft het gebruik van de studie voor het bewijs ook niet (nader) gemotiveerd en heeft zich evenmin uitgelaten over de expertise van de bij die studie betrokken personen op het gebied van de beoordeling en datering van bloedsporen en over de betrouwbaarheid van de door hen gebruikte onderzoeksmethode. Desalniettemin heeft het hof de indroogtijd van de aangetroffen bloeddruppel geschat door zelf aan de hand van de studie van Ramsthaler enkele variabelen in te vullen en daaruit af te leiden dat de indroogtijd onder de gegeven omstandigheden ongeveer 60 minuten is geweest.
6.2
Gelet op het voorgaande, meen ik dat het ervoor moet worden gehouden dat het hof de studie van Ramsthaler zonder meer tot het bewijs heeft gebezigd en op basis daarvan zich – als deskundige – een oordeel heeft gevormd over de indroogtijd van de bloeddruppel, terwijl het hof de vereiste specialistische kennis miste om de relevantie en betekenis van die studie (volledig) te doorgronden. Dit euvel wordt blootgelegd door het rapport van Eversdijk . In zoverre kan het rapport worden aangemerkt als een omstandigheid van feitelijke aard die aan het hof niet is gebleken. Die omstandigheid raakt aan de oordelen van het hof over de indroogtijd en delictgerelateerdheid van de aangetroffen bloeddruppel. Tegen die achtergrond roept het rapport van Eversdijk , afgewogen tegen de bewijsconstructie van het hof, zodanige twijfel op over de vraag of de aangetroffen bloeddruppel (en bloedveeg) in verband kan worden gebracht met het tenlastegelegde, dat het ernstige vermoeden rijst dat, ware het hof met dat rapport bekend geweest, het de veroordeelde zou hebben vrijgesproken. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof ook heeft overwogen dat op basis van wat in de procedure in herziening is gebleken naar het oordeel van het hof
in het geheelgeen uitspraken kunnen worden gedaan over de ouderdom van de aangetroffen bloeddruppel. Dit oordeel van het hof is moeilijk te rijmen met de overwegingen van het hof over de indroogtijd en daarmee de delictgerelateerdheid van de bloeddruppel. Verder weeg ik mee dat blijkens het aanvullend rapport van Van der Scheer op basis van de huidige wetenschappelijke kennis en technieken geen nadere duiding kan worden gegeven over de mate waarin de bloeddruppel kan zijn ingedroogd en dat, zoals hiervoor opgemerkt bij de bespreking van de rapporten van het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek zal blijken, de thans uit die rapporten bekend geworden gegevens maken dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de aangetroffen (DNA-)sporen van de onbekende Zuidoost-Aziatische man, waaronder de bloeddruppel (en bloedveeg), dadersporen betreffen.
6.21
Gelet op het voorgaande vormt voormeld deskundigenrapport, waarmee het hof Den Haag niet bekend kon zijn, een gegeven als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv.
Het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek (over meer DNA-sporen van een onbekende Zuidoost-Aziatische man)
6.22
Ik meen dat de rapporten van het in het kader van het nadere feitenonderzoek verrichte aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek zijn aan te merken als nova. Daarover het volgende.
6.23
Het hof heeft ten aanzien van de aan- dan wel afwezigheid van forensisch-technische sporen op de plaats delict overwogen dat zowel het forensisch-technisch onderzoek van 1993-1994 als het nadere forensisch-technisch onderzoek van 2008-2011 geen sporenmateriaal heeft opgeleverd dat steun geeft aan de conclusie dat (een van) de gewezen verdachten bij de dood van het slachtoffer betrokken was/waren. Volgens het hof kan daarmee echter niet de betrokkenheid van de gewezen verdachten bij het delict worden uitgesloten. Het hof heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd, dat de bewijskracht van de afwezigheid van voor de gewezen verdachten belastende forensisch-technische sporen beperkt is, gelet op de (gebrekkige) omstandigheden waaronder het forensisch-technisch onderzoek in 1993-1994 is verricht.
6.24
Voorts heeft het hof overwogen dat het DNA dat afkomstig is uit de bemonsteringen van de kleding van het slachtoffer met een zeer grote mate van waarschijnlijkheid van het slachtoffer dan wel van haar dochter, kleindochter of destijds inwonende zoon is. Volgens het hof zijn in het onderzochte sporenmateriaal van de kleding geen concrete aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van onbekend DNA.
6.25
Verder is volgens het hof niet gebleken van aanwijzingen waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de vier haren van vier onbekende donoren op de plaats delict dan wel op de kleding van het slachtoffer delictgerelateerd zouden zijn.
6.26
Het hof heeft geoordeeld dat aan het aantreffen van een bloeddruppel nabij de opengebroken gokkast en van een bloedveeg op het werkblad in de keuken – waaruit (telkens) het DNA-profiel van dezelfde onbekende Zuidoost-Aziatische man is verkregen – niet de ontlastende waarde kan worden toegekend die de verdediging daaraan toekent. In dat verband heeft het hof overwogen dat er geen forensisch-wetenschappelijke aanwijzingen zijn voor de stelling dat de bloedsporen als dadersporen moeten worden geduid. Daarbij heeft het hof allereerst met name van belang geacht dat op het slachtoffer geen bloedsporen van een andere persoon zijn aangetroffen. Het hof heeft, ter onderbouwing van zijn oordeel dat de bloedsporen niet delictgerelateerd zouden zijn, nog overwogen dat de indroogtijd van de nabij de gokkast aangetroffen deels vloeibare bloeddruppel in de gegeven omstandigheden ongeveer 60 minuten bedraagt en dat die bloeddruppel op z’n vroegst op 4 juli 1993 om 12.00 uur is bemonsterd, zodat het onaannemelijk is dat die bloeddruppel een relatie heeft met het delict dat volgens het hof heeft plaatsgevonden op 4 juli 1993 tussen 04.15 uur en 08.15 uur. Het hof heeft ten slotte overwogen, dat zelfs als ervan wordt uitgegaan dat de nabij de gokkast aangetroffen bloeddruppel geheel opgedroogd was, die bloeddruppel mogelijk kan zijn achtergelaten door één van de twee in de avond van 3 juli 1993 in het restaurant werkzame keukenmedewerkers van Zuidoost-Aziatische afkomst waarvan het DNA niet is vergeleken met het bloedspoor.
6.27
Het hof concludeert dat de genoemde forensische bevindingen aldus geen steun bieden voor het standpunt van de verdediging dat de vrouwelijke gewezen verdachten vals hebben verklaard.
6.28
De afwezigheid van (forensisch-wetenschappelijke) aanwijzingen dat de aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg en (een van) de haren van de vier onbekende donoren dadersporen zouden zijn vormt een wezenlijke schakel in de redenering van het hof dat niet is komen vast te staan dat die sporen delictgerelateerd zouden zijn, zodat volgens het hof evenmin is komen vast te staan dat het aantreffen van die sporen in de weg staat aan de juistheid van de door de vrouwelijke gewezen verdachten afgelegde verklaringen.
6.29
De resultaten van het aanvullend autosomaal en mtDNA-onderzoek stellen de aangetroffen bloedsporen en haren in een ander licht. Uit die resultaten blijkt namelijk dat het DNA van de onbekende Zuidoost-Aziatische man van wie bloedsporen 7 en 20 zijn óók is aangetroffen in twee bemonsteringen van het T-shirt van het slachtoffer en in een bemonstering van een nabij het slachtoffer aangetroffen bebloede handdoek. Daarnaast blijkt uit die resultaten dat een haar van diezelfde man is aangetroffen op de broek van het slachtoffer. Dit geheel aan gegevens was niet bekend aan het hof ten tijde van de uitspraak in de strafzaak tegen de gewezen verdachten.
6.3
Het op vijf verschillende plaatsen op de plaats delict en op het slachtoffer aantreffen van DNA en haar van dezelfde onbekende Zuidoost-Aziatische man is niet goed te rijmen met het destijds door het hof aannemelijk geachte scenario dat de aangetroffen bloeddruppel en bloedveeg de avond vóór het delict zijn achtergelaten door één van de twee keukenmedewerkers waarvan het DNA niet is vergeleken met die bloedsporen. Naar ik meen maken de thans bekend geworden gegevens – wat er ook zij van de overwegingen van het hof over de indroogtijd van de nabij de gokkast aangetroffen bloeddruppel – dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de op de plaats delict en het slachtoffer aangetroffen (DNA-)sporen van de onbekende Zuidoost-Aziatische man dadersporen betreffen. Dat gegeven raakt ook aan het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde bekennende verklaringen van de vrouwelijke gewezen verdachten. Tegen die achtergrond roepen de thans bekend geworden gegevens, afgewogen tegen de bewijsconstructie van het hof, zodanige twijfel op over de vraag of de aangetroffen bloedsporen en haren in verband kunnen worden gebracht met het delict, dat het ernstige vermoeden rijst dat, ware het hof Den Haag met die nieuwe gegevens bekend geweest, het de veroordeelde zou hebben vrijgesproken van hetgeen haar was ten laste gelegd.
6.31
Gelet op het voorgaande vormen voormelde deskundigenrapporten, waarmee het hof Den Haag niet bekend kon zijn, een gegeven als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv.

7.Slotsom

7.1
De rapporten van de NFI-deskundigen Rijken, Dieltjes en Kal en het rapport van de contra-deskundige Eversdijk betreffen gegevens die bij het onderzoek ter terechtzitting de rechter niet zijn gebleken en die op zichzelf en in onderlinge samenhang bezien, het ernstige vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek van de strafzaak zou hebben geleid tot vrijspraak van de veroordeelde.
7.2
Deze vordering strekt tot herziening van de veroordeling van de veroordeelde door het hof Den Haag bij arrest van 14 oktober 2015 (parketnummer 22-000261-13) en tot verwijzing van de zaak naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak (gelijktijdig met de zaken van de gewezen medeverdachten) op de voet van art. 472 lid 2 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De kwalificatie luidt: “medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren.”
2.Rechtbank Breda 2 november 1994, parketnrs. 3224/94 ( [medeverdachte 1] ), 3225/94 ( [medeverdachte 2] ) en 3226/94 ( [medeverdachte 3] ). De rechtbank heeft [medeverdachte 2] daarnaast veroordeeld voor het medeplegen van afpersing.
3.Rechtbank Breda 26 juli 1994, parketnrs. 3176/94 ( [veroordeelde 2] ) en 3223/94 ( [veroordeelde 1] ) en rechtbank Breda 11 oktober 1994, parketnr. 3208/94 ( [veroordeelde 3] ).
4.Hof Den Bosch 11 juli 1995, parketnrs. 20-002064-94 ( [medeverdachte 1] ), 20-002065-94 ( [medeverdachte 2] ), 20-002063-94 ( [medeverdachte 3] ) en 20-001423-94 ( [veroordeelde 1] ). Daarnaast heeft het hof Den Bosch [medeverdachte 2] vrijgesproken van het door de rechtbank Breda bewezen verklaarde medeplegen van afpersing.
5.HR 10 september 1996, nrs. 102.915 ( [medeverdachte 1] ), 102.924 ( [medeverdachte 2] ) en 102.916 ( [medeverdachte 3] ).
6.De CEAS is per 1 oktober 2012 van haar taken ontheven,
8.Conclusie A-G Aben van 5 juni 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7190 (vordering tot herziening).
9.HR 26 juni 2012, nrs. 12/01629 ( [medeverdachte 2] ), 12/01630 ( [medeverdachte 3] ), 12/01631 ( [medeverdachte 1] ), 12/01632 ( [veroordeelde 2] ), 12/01633 ( [veroordeelde 3] ) en 12/01634 ( [veroordeelde 1] ).
10.Conclusie A-G Aben van 21 augustus 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BW7190 (aanvulling op de vordering tot herziening).
11.HR 18 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7190,
12.Hof Den Haag 14 oktober 2015, parketnrs. 22-000391-13 ( [medeverdachte 1] ), 22-000422-13 ( [medeverdachte 2] ), 22-000448-13 ( [medeverdachte 3] ), 22-000260-13 ( [veroordeelde 2] ), 22-000390-13 ( [veroordeelde 1] ) en 22-000261-13 ( [veroordeelde 3] ).
13.Conclusies A-G Harteveld van 6 juni 2017, ECLI:NL:PHR:2017:387 ( [medeverdachte 1] ), ECLI:NL:PHR:2017:391 ( [veroordeelde 2] ), ECLI:NL:PHR:2017:393 ( [medeverdachte 3] ), ECLI:NL:PHR:2017:404 ( [veroordeelde 3] ), ECLI:NL:PHR:2017:405 ( [medeverdachte 2] ), ECLI:NL:PHR:2017:406 ( [veroordeelde 1] ).
14.HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189,
15.Rapport beschrijving van onderzoeksmogelijkheden van 9 november 2021 van NFI-deskundigen forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, dr. A.J. Kal en ing. J.L.W. Dieltjes.
16.Schriftelijk verzoek van 3 februari 2022 van [medeverdachte 1] gericht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden om een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, onder c, Sv.
17.Schriftelijke verzoeken van 7 april 2022 van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gericht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden om een nader onderzoek in te stellen naar de aanwezigheid van een grond voor herziening als bedoeld in art. 457 lid Pro 1, onder c, Sv.
18.Schriftelijke verzoeken van 7 april 2022 en 2 juni 2022 van A-G Hofstee gericht aan de voorzitter van de ACAS om in de zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te adviseren over de wenselijkheid van een nader onderzoek als bedoeld in art. 461 lid 1 Sv Pro.
19.Advies van 16 januari 2023 van de ACAS naar aanleiding van de namens [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gedane verzoeken tot het instellen van nader onderzoek naar een novum als bedoeld in art. 461 Sv Pro.
20.Brief van 26 februari 2023 van Hofstee gericht aan de verdediging inhoudende de beslissing op de namens [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gedane verzoeken tot het instellen van nader onderzoek naar een novum als bedoeld in art. 461 Sv Pro.
21.Opmerking A-G: dit lijkt niet te kloppen. In de volgende alinea spreekt het hof immers over het
22.Een kopie van een verslag betreffende een niet natuurlijke dood, opgemaakt door J.W.M.M. de Veth, lijkschouwer van de gemeente Breda, d.d. 4 juli 1993. Dit geschrift is als bewijsmiddel 3 gebezigd.
23.Proces-verbaal van de sectie op het [slachtoffer] en het vrijgeven van het stoffelijk overschot, afgesloten d.d. 5 juli 1993, opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 20] en [verbalisant 25] , doorgenummerde pagina 35.
24.Pro Justitie rapport van 9 augustus 1993 van arts en patholoog bij het Laboratorium voor Gerechtelijke Pathologie, M. Voortman, p. 2 en 8.
25.Memo van mw. mr. E.E. van der Bijl van 24 januari 2011 gericht aan het CEAS-politieteam Rotterdam, waarin de uitlatingen van ing. M.J. van der Scheer zijn opgetekend
26.Dat de handdoek op 40 cm afstand van het slachtoffer is aangetroffen, blijkt uit het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal betreffende het door de technische recherche van de rijkspolitie, district Breda, verrichte technisch sporenonderzoek, afgesloten d.d. 7 juli 1993, opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 21] , doorgenummerde pagina’s 48-49, 54.
27.Rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek van 19 december 2008 van een NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, dr. A.B. Raggers-Schroeijers.
28.Rapport autosomaal en mitochondriaal DNA-onderzoek van 25 juli 2011 van een NFI-deskundige forensisch haaronderzoek, prof. dr. A.D. Kloosterman.
29.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
30.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
31.A.J.A. van Dorst,
32.A.J.A. van Dorst,
33.A.J.A. van Dorst,
34.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
35.A.J.A. van Dorst,
36.A.J.A. van Dorst,
37.Conclusies A-G Aben van 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549, randnr. 8.2, vóór HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549 en ECLI:NL:PHR:2013:391, randnr. 8.2, vóór HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:673,
38.Conclusie A-G Machielse van 20 maart 2007, ECLI:NL:PHR:2008:BA1024, randnr. 1.9, vóór HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
39.A.J.A. van Dorst,
40.G.A.M. Strijards,
41.A.J.A. van Dorst,
42.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
43.A.J.A. van Dorst,
44.Conclusies A-G Aben van 9 april 2013, ECLI:NL:PHR:2013:CA2549, randnrs. 8.3.4-8.3.5, vóór HR 11 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA2549 en ECLI:NL:PHR:2013:391, randnrs. 8.3.4-8.3.5, vóór HR 10 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:673,
45.A.J.A. van Dorst,
46.A.J.A. van Dorst,
47.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
48.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:634,
49.HR 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:605,
50.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736,
51.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:736,
52.HR 18 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BA1024,
53.A.J.A. van Dorst,
54.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Haag van 31 maart 2015, p. 3. Zie ook het arrest in herziening van het hof Den Haag van 14 oktober 2015 (parketnummer 22-000261-13), p. 11-12.
55.Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Haag van 31 maart 2015, p. 5 en 28 blijkt dat Alkemade een universitaire opleiding heeft genoten als fysicus en dat zijn huidige werkterrein voornamelijk de atmosfeer en de klimaatwetenschap is. Sinds 2010 is Alkemade als cursusontwikkelaar en docent betrokken bij het opleidingsinstituut voor de rechterlijke macht SSR, waarbij hij zich in het bijzonder richt op het Bayesiaans analyseren van strafzaken. Alkemade heeft geen specifieke opleiding genoten en/of anderszins expertise verworven op het gebied van de relatie tussen lijkstijfheid en het tijdstip van overlijden.
56.Rapport van dr. F.J.M. Alkemade van 12 maart 2015, p. 27 en 50.
57.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Haag van 31 maart 2015, p. 36 en 45.
58.Rapport van drs. F.R.W. van de Goot van 23 mei 2015, p. 1 en 3.
59.Rapport van drs. F.R.W. van de Goot van 23 mei 2015, p. 1-3.
60.Rapport van drs. D.J. Rijken van 23 september 2023, p. 2.
61.Proces-verbaal betreffende het door de technische recherche van de rijkspolitie, district Breda, verrichte technisch sporenonderzoek, afgesloten d.d. 7 juli 1993, opgemaakt en ondertekend door de verbalisanten [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 21] , doorgenummerde pagina 52.
62.Rapport van een interview van [verbalisant 19] van 19 oktober 2010, p. 2 (bijlage G van het forensisch dossier van het evaluatieonderzoek).
63.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Bosch van 18 mei 1995, p. 6-7.
64.Proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Haag van 31 maart 2015, p. 44 en proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van het hof Den Haag van 6 juli 2015, p. 3.
65.Zie p. 52 van het arrest van het hof Den Haag en het in voetnoot 194 in dat arrest vermelde rapport van ing. J.R. ten Hove van 1 juli 2015, onder 4. Ik heb dit rapport niet bij de gedingstukken aangetroffen. Wel ben ik gestuit op correspondentie tussen een medewerker dossierbehandeling bij de Hoge Raad en een administratief medewerker bij het hof Den Haag. Uit die correspondentie blijkt dat het parket bij de Hoge Raad bij de behandeling van het cassatieberoep van [medeverdachte 1] dat heeft geleid tot het in randnr. 2.15 vermelde arrest van de Hoge Raad van 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3189,