Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing(…)
eerste klachtvan het middel komt erop neer dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het standpunt van de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing, in geval van toewijzing van het verlengingsverzoek, voor een zo beperkt mogelijke duur te verlengen in plaats van de verzochte duur van een jaar, zodat nader onderzoek kan worden gedaan naar de oorsprong van de reactie van de minderjarige op (contact met) de moeder. Het middel beroept zich hiervoor op art. 8 EVRM Pro, de verplichting van de autoriteiten om zich in te spannen voor behoud van het recht op family life en de rechtspraak van het EHRM. [5] Het middel komt als zodanig niet op tegen het oordeel van het hof dat is voldaan aan de wettelijke gronden voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265b lid 1 jo. 1:265c lid 2 BW) (zie rov. 5.2, eerste volzin: ‘Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de verlen[g]ing van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.’). Het middel klaagt uitsluitend over de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Het hof heeft de machtiging verlengd voor de duur van een jaar (tot 3 februari 2026), zoals door de GI verzocht.
tweede klachtvan het middel betoogt, kort gezegd, het volgende. Het hof heeft in strijd gehandeld met de positieve verplichting tot gezinshereniging op grond van art. 8 EVRM Pro, door te oordelen dat de aanvaardbare termijn voor de minderjarige is verstreken en het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven, terwijl de onderzoeksmogelijkheden naar een eventuele hereniging van de minderjarige en de moeder nog niet zijn uitgeput. Althans is het oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd, omdat het belang van de minderjarige bij duidelijkheid over zijn opvoedsituatie geen rechtvaardiging biedt voor het oordeel van het hof dat de aanvaardbare termijn is verstreken. (onderdeel 1) Bovendien is het oordeel van het hof onjuist, omdat een kinderbeschermingsmaatregel tijdelijk van aard is. Hiermee verhoudt zich niet het oordeel van het hof dat het perspectiefbesluit van de GI dient te worden onderschreven. Nu de uithuisplaatsing van de minderjarige nog loopt, geldt een positieve verplichting tot gezinshereniging. Ten slotte is het perspectiefbesluit in strijd met art. 6, 8 lid 2 en 13 EVRM, omdat een wettelijke grondslag voor het perspectiefbesluit ontbreekt en geen mogelijkheid bestaat voor een zelfstandige rechterlijke toetsing van het perspectiefbesluit. (onderdeel 2)
Ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing; opgroeiperspectief van een minderjarige
uitsluitendde verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor. Dit is naar zijn aard een tijdelijke maatregel, voor ten hoogste een jaar. In dat kader zal de rechter zich een oordeel moeten vormen over de voor de minderjarige aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen (art. 1:265c lid 2 jo. art. 1:255 lid 1 sub b BW Pro). Dit vraagt om een beoordeling van het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige, voor de duur van de verzochte verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De vraag is dan of de minderjarige uithuisgeplaatst moet blijven of dat zicht bestaat op terugplaatsing bij de ouders. Het rechterlijke oordeel over het opgroeiperspectief van de minderjarige beperkt zich in dat geval tot de duur van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en zegt nog niets over de vraag waar de minderjarige
structureelzal opgroeien. In dit verband zal de rechter de inhoud van het perspectiefbesluit
hooguitkunnen betrekken voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van en uitsluitend met het oog op het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing. Zo moet rov. 3.3.4 van de uitspraak in HR 1 september 2023 in mijn optiek ook worden begrepen. Waar in rov. 3.3.4 van die uitspraak wordt verwezen naar ‘het opgroeiperspectief van de minderjarige’, zal daarmee bedoeld zijn het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige voor de duur van de uithuisplaatsing. De vraag naar het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige hoort niet thuis in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, maar in een procedure tot gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro. [17] In een procedure op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro zal de rechter zich eveneens een oordeel moeten vormen over de voor de minderjarige aanvaardbare termijn waarbinnen de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen. Anders dan in een procedure op grond van art. 1:265c lid 2 BW, vraagt dit om een rechterlijke beoordeling van het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. Zo moet rov. 3.3.5 van de uitspraak in HR 1 september 2023 in mijn optiek ook worden begrepen. Waar in rov. 3.3.5 van die uitspraak wordt verwezen naar ‘het opgroeiperspectief van de minderjarige’, zal daarmee bedoeld zijn het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. Immers, de gezagsbeëindiging op grond van art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro betreft naar haar aard een structurele maatregel die, anders dan (de verlenging van) een machtiging tot uithuisplaatsing, niet is beperkt in tijd, behoudens de mogelijkheid van herstel in het gezag (art. 1:277 BW Pro).
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige voor de duur van en met het oog op de verzochte verlenging. Hierbij dient de rechter zich te onthouden van een oordeel over het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige. [18] Het rechterlijke oordeel over het
tijdelijkeopgroeiperspectief van de minderjarige in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan geen betrekking hebben op het
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige met het oog op een eventuele procedure tot gezagsbeëindiging (art. 1:266 lid 1 sub a BW Pro). Naar mijn mening verdraagt zich hiermee niet dat de rechter in het kader van een procedure tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing het perspectiefbesluit onderschrijft, bekrachtigt of in welke andere bewoordingen dan ook tot uitdrukking brengt dat hij het eens is met het standpunt van de gecertificeerde instelling dat de minderjarige niet bij de ouders zal opgroeien en zijn structurele opgroeiperspectief elders ligt. [19] Hierover wordt in de feitenrechtspraak ook wel anders gedacht; [20] zo ook (de rechtbank en het hof) in de onderhavige zaak. Het lijkt mij aangewezen dat de Hoge Raad op dit punt duidelijkheid verschaft.
structureleopgroeiperspectief van de minderjarige.