Conclusie
verweerder in cassatie,
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak ging het om de vraag of een zorgmachtiging voor twaalf maanden kon worden verleend terwijl de verlengde beslistermijn was verstreken zonder dat de rechtbank had beslist. De rechtbank Rotterdam had een zorgmachtiging verleend tot 6 januari 2026, terwijl de beslistermijn na verlenging met drie weken op 4 februari 2025 was verstreken. De officier van justitie had het verzoek om verlenging tijdig ingediend, maar de rechtbank besloot pas op 20 februari 2025, na het verstrijken van de beslistermijn.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerdere zorgmachtiging door het verstrijken van de verlengde beslistermijn van rechtswege was vervallen. Hierdoor kon de rechtbank geen aansluitende zorgmachtiging voor twaalf maanden verlenen, maar slechts een machtiging voor maximaal zes maanden. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van de beschikking waarin de machtiging voor twaalf maanden werd toegekend en beperkte de duur tot uiterlijk 20 augustus 2025.
Daarnaast werd besproken dat de formulering van artikel 6:6 lid 2 Wvggz Pro verduidelijking behoeft met betrekking tot de verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz Pro. Ook werd opgemerkt dat deelbeschikkingen die een machtiging voor een deel van de periode verlenen en de rest aanhouden, in cassatie geen stand houden. De conclusie werd gegeven door de procureur-generaal bij de Hoge Raad, die de zaak zelf afdoet.
Uitkomst: De Hoge Raad beperkt de duur van de zorgmachtiging tot maximaal zes maanden vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn zonder beslissing.