ECLI:NL:PHR:2026:88

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/01917
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Zorgmachtiging en verlenging beslistermijn in Wvggz-zaak

In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 22 januari 2024 een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden aan betrokkene. Deze machtiging verviel echter van rechtswege door het verstrijken van de verlengde beslistermijn. In cassatie werd met succes aangevoerd dat de rechtbank slechts een zorgmachtiging voor maximaal zes maanden had kunnen verlenen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, L.M. Coenraad, concludeert dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. De conclusie stelt dat de formulering in artikel 6:6 lid 2 Wvggz verduidelijking behoeft, vooral in gevallen van verlenging van de beslistermijn. De rechtbank had de beslistermijn met drie weken verlengd, maar heeft niet tijdig beslist, waardoor de zorgmachtiging verviel. De Hoge Raad kan de zorgmachtiging nu beperken tot maximaal zes maanden, tot en met 20 augustus 2025.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01917
Zitting16 januari 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later
tegen
de officier van justitie van het arrondissementsparket Rotterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, terwijl de voorafgaande machtiging ten tijde van de beschikking van de rechtbank van rechtswege was vervallen door het verstrijken van de, verlengde, beslistermijn. In cassatie wordt met succes geklaagd dat de rechtbank gelet op het voorgaande een zorgmachtiging voor slechts maximaal zes maanden had kunnen verlenen. De Hoge Raad kan de zaak mijns inziens zelf afdoen.
1.2
Verder betoog ik in deze conclusie dat een verduidelijking van de formulering in artikel 6:6 lid 2 Wvggz wenselijk zou zijn, voor zover die bepaling ziet op het geval van verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz. In de consultatieversie van het wetsvoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd is in een dergelijke verduidelijking niet voorzien.
1.3
Terzijde werp ik de vraag op in hoeverre de mogelijkheid van verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz meer algemeen soelaas zou kunnen bieden indien de medische verklaring verbetering, aanvulling of actualisering behoeft. In de praktijk wordt in zulke gevallen de zorgmachtiging ook wel voor een deel van de verzochte periode verleend met aanhouding voor het overige, om zo verval van de zorgmachtiging door het verstrijken van de beslistermijn te voorkomen. Dergelijke deelbeschikkingen houden in cassatie echter geen stand.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Bij beschikking van 22 januari 2024 [1] heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden, tot en met 22 januari 2025.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen op 24 december 2024 bij de griffie van de rechtbank, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om ten aanzien van betrokkene een aansluitende zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift is een medische verklaring overgelegd, die is opgesteld en ondertekend door een onafhankelijke psychiater op 18 december 2024.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 6 januari 2025 plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens de zitting de behandeling van het verzoek aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip en de officier van justitie verzocht een nieuwe medische verklaring over te leggen. In het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal is, voor zover van belang, het volgende vermeld:
“De rechtbank is van oordeel dat in de medische verklaring weliswaar een diagnose staat vermeld, maar dat onvoldoende duidelijk is waarop die is gebaseerd. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om een nieuwe medische verklaring van een onafhankelijke psychiater op te vragen.
De beslistermijn wordt met toepassing van artikel 6:2 lid 4 Wvggz met drie weken verlengd.”
2.4
De officier van justitie heeft een aangevulde medische verklaring overgelegd, waarna de rechtbank de mondelinge behandeling op 27 januari 2025 heeft voortgezet. De rechtbank heeft tijdens de zitting de behandeling van het verzoek wederom aangehouden. In het van deze voortgezette mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal is onder meer het volgende vermeld:
“Er is (…) geen nieuwe medische verklaring opgesteld. De vorige medische verklaring is aangevuld op basis van hetzelfde medische onderzoek van 18 december 2024. Dat was niet de opdracht. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene alsnog de gelegenheid moet krijgen om opnieuw door de onafhankelijke psychiater onderzocht te worden. Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank inmiddels van oordeel dat een andere psychiater het onderzoek moet doen.”
2.5
Nadat betrokkene opnieuw door een onafhankelijke psychiater is onderzocht en een nieuwe medische verklaring is overgelegd, heeft op 20 februari 2025 weer een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft de rechtbank bij beschikking van 20 februari 2025 [2] (hierna: de bestreden beschikking) een zorgmachtiging verleend tot en met 6 januari 2026.
2.6
De rechtbank heeft daarbij, voor zover in cassatie van belang, met betrekking tot de geldigheidsduur van de machtiging in r.o. 2.10 het volgende overwogen:
“(…) De advocaat voert subsidiair aan dat het verzoek voor zes maanden toegewezen moet worden, aangezien er inmiddels buiten de beslistermijn wordt toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de volledige duur kan worden toegewezen, met compensatie aan de achterkant. Bij de eerste aanhouding is hij voor drie weken verlengd. Vervolgens is de nadere mondelinge behandeling geweest en het is toen voor onbepaalde tijd aangehouden. Om die reden kan de volledige termijn gehanteerd worden. De zorgmachtiging zal aansluitend op een zorgmachtiging worden verleend tot en met 6 januari 2026, met ingang van vandaag.”
2.7
Bij procesinleiding, binnengekomen bij de griffie op 20 mei 2025, heeft betrokkene tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel richt zich tegen de hiervoor geciteerde r.o. 2.10 van de bestreden beschikking en acht die overweging van de rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het betoogt daartoe, kort weergegeven, dat de voorgaande zorgmachtiging, die liep tot en met 22 januari 2025, ten tijde van de bestreden beschikking was afgelopen. Daarom kon geen aansluitende zorgmachtiging worden verleend, maar hoogstens een zorgmachtiging voor de duur van maximaal zes maanden, aldus het middel.
3.2
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop.
3.3
Artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.4
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Dat is anders als de officier van justitie, voor zover hier van belang, uiterlijk vier weken voordat de geldigheidsduur van twaalf maanden van artikel 6:5, onderdeel b, Wvggz is verstreken, een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend. Dan vervalt de eerdere zorgmachtiging als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz).
3.5
Indien de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz met drie weken is verlengd vanwege een door de rechter bevolen onderzoek door deskundigen, [3] vervalt de eerdere zorgmachtiging – ook in afwijking van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz – zodra de rechter op het verzoekschrift heeft beslist (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 4 Wvggz en art. 6:1 lid 5 Wvggz). Omdat het daarbij gaat om een verlenging van de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz, ga ik ervan uit dat de lopende zorgmachtiging ook vervalt door het verstrijken van de verlengde beslistermijn zonder dat op het verzoek is beslist. [4] Een verduidelijking op dit punt van de formulering in artikel 6:6 lid 2 Wvggz voor dit geval van verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz zou mijns inziens wenselijk zijn. In de consultatieversie van het wetsvoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd is in een dergelijke verduidelijking echter niet voorzien. [5]
3.6
Bij inachtneming van de onder 3.4 en 3.5 genoemde termijnen is sprake van aansluiting van de vervolgmachtiging op de lopende machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. [6]
3.7
Na het verstrijken van de beslistermijn van artikel 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz – al dan niet met drie weken verlengd op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz in verbinding met artikel 6:1 lid 5 Wvvgz – kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden. [7] De lopende machtiging is met het verstrijken van de beslistermijn immers vervallen.
3.8
Ik keer terug naar de bespreking van het middel.
3.9
Ten aanzien van betrokkene was een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden verleend tot en met 22 januari 2025. De officier van justitie heeft het verzoekschrift voor een vervolgmachtiging ingediend op 24 december 2024, en dus eerder dan vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de lopende machtiging (vgl. art. 6:6 lid 2 Wvggz).
3.1
De rechtbank moest vervolgens uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (en dus uiterlijk op 14 januari 2025) beslissen (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Deze beslistermijn heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling op 6 januari 2025 met toepassing van artikel 6:2 lid 4 Wvggz met drie weken verlengd (zie hierover nader hierna onder 3.14). [8]
3.11
Nu de aanvankelijke beslistermijn van drie weken (eindigend op 14 januari 2025) met drie weken is verlengd, moest de rechtbank uiterlijk op 4 februari 2025 beslissen (art. 6:2 lid 4 Wvggz). [9] De rechtbank heeft niet binnen deze verlengde termijn beslist, maar pas op 20 februari 2025. Daardoor is de lopende machtiging van rechtswege vervallen (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 4 Wvggz). [10] Dat de rechtbank de behandeling tussentijds nog een keer, en nu voor onbepaalde tijd, heeft aangehouden, maakt dit niet anders. [11]
3.12
Gelet op het voorgaande voert het middel terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op een eerdere zorgmachtiging. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van maximaal twaalf maanden. De hierop gerichte klacht van het middel slaagt.
3.13
Na het verstrijken van de beslistermijn kan de rechter nog wel beslissen op het verzoek om een zorgmachtiging. De rechter kan dan slechts op grond van artikel 6:5, aanhef en onder a, Wvggz een zorgmachtiging verlenen voor de duur van maximaal zes maanden (zie hiervoor onder 3.7). De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot maximaal zes maanden, en dus te bepalen dat de zorgmachtiging geldt tot en met uiterlijk 20 augustus 2025. [12]
3.14
Terzijde merk ik op dat de rechtbank haar op 6 januari 2025 gedane verzoek om een nieuwe medische verklaring kennelijk heeft aangemerkt als een bevel tot onderzoek door een deskundige in de zin van artikel 6:1 lid 5 Wvggz en de beslistermijn met drie weken heeft verlengd op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz. Dit lijkt mij in dit geval inderdaad mogelijk. [13] Daarbij rijst de vraag in hoeverre de mogelijkheid van verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz meer algemeen soelaas zou kunnen bieden indien de medische verklaring verbetering, aanvulling of actualisering behoeft. In de praktijk wordt in zulke gevallen de zorgmachtiging ook wel voor een deel van de verzochte periode verleend met aanhouding voor het overige, om zo verval van de zorgmachtiging door het verstrijken van de beslistermijn te voorkomen. Dergelijke deelbeschikkingen houden in cassatie echter geen stand. [14] Ik werp deze vraag hier slechts op en laat deze verder rusten, nu de hiermee aangeroerde kwestie in deze zaak geen rol speelt. Dit punt verdient mijns inziens wel nadere overdenking.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is bepaald dat de zorgmachtiging geldt tot en met 6 januari 2026, en tot afdoening door de Hoge Raad zelf door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor de duur van maximaal zes maanden tot en met uiterlijk 20 augustus 2025.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zaak-/rekestnummer C/10/671687 / FA RK 24-135, productie 16 in het procesdossier (niet gepubliceerd).
2.Mondelinge uitspraak van 20 februari 2025, schriftelijk uitgewerkt op 4 maart 2025; ECLI:NL:RBROT:2025:4364.
3.Die mogelijkheid van verlenging van de beslistermijn op grond van art. 6:2 lid 4 Wvggz in verbinding met art. 6:1 lid 5 Wvggz bestaat ook voor de beslistermijnen bedoeld in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder a, b en c, Wvggz.
4.Zo ook mijn conclusie van 1 augustus 2024, ECLI:NL:PHR:2024:803, onder 3.16, voor HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1552,
5.www.internetconsultatie.nl/evaluatiewetwvggzwzd.
6.Vgl. HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1321,
7.Vgl. HR 19 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1321,
8.Zie hiervoor onder 2.3.
9.Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 januari 2025 zal de rechtbank uiterlijk op 27 januari 2025 een voortgezette mondelinge behandeling plannen, dus drie weken na 6 januari 2025. Of de rechtbank er daarbij van uitgaat dat de verlengde beslistermijn op 27 januari 2025 eindigt, kan ik uit dat proces-verbaal niet opmaken.
10.Zonder verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 6:2 lid 4 Wvggz zou de lopende machtiging al na 14 januari 2025 vervallen zijn.
11.Vgl. ook HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.5 en de conclusie van A-G Drijber van 12 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:984, onder 3.4, voor HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530,
12.Vgl. bijvoorbeeld ook HR 10 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1530,
13.De wetsgeschiedenis verzet zich daar mijns inziens niet tegen. Zie over het destijds vierde en thans het vijfde lid van art. 6:1 Wvggz:
14.Zie o.m. HR 7 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:195, r.o. 3.2, onder verwijzing naar HR 25 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1546,