Conclusie
verzoekster tot cassatie,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Hieruit volgt dat bij de rechtbank twijfel bestond over het antwoord op de vraag of aan de vereisten van art. 2 Wet Pro Bopz is voldaan. Onder die omstandigheden had zij de verzochte machtiging niet mogen verlenen, ook niet voor twee maanden. Het middel is dus gegrond.”
onderdeel 1van het cassatiemiddel wordt in de eerste plaats geklaagd dat de rechtbank het verzoek om een zorgmachtiging voor twaalf maanden ten onrechte heeft toegewezen, omdat − verkort weergegeven − niet voldaan is aan de wettelijke criteria voor verplichte zorg. In samenhang daarmee wordt verder geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de tegelijkertijd door de rechtbank bevolen contra-expertise.
eerste klachtbetreft de beoordeling door de rechtbank van het verzoek om een machtiging.
uitgaande van een manisch toestandsbeeld. Dat manische toestandsbeeld wordt gemotiveerd betwist. De consequentie als er geen manie of bipolaire stoornis kan worden vastgesteld is dat het verzoek niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat [betrokkene] bekend is met een verstandelijke beperking en dus de Wet Zorg en Dwang het wettelijk kader is.
tweede klachtvan onderdeel 1 dat de rechtbank ten onrechte de beslissing op het verzoek niet heeft aangehouden in afwachting van de resultaten van de door de rechtbank bevolen contra-expertise.