ECLI:NL:RBAMS:2021:6473
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van wettelijk voorschrift bij overtreden inreisverbod
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak van verdachte die werd vervolgd wegens verblijf in Nederland terwijl hem een inreisverbod was opgelegd. De officier van justitie vorderde vervolging, maar de verdediging stelde niet-ontvankelijkheid in op grond van het vertrouwensbeginsel en het opportuniteitsbeginsel. De rechtbank verwierp dit verweer en oordeelde dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk was.
Subsidiair betoogde de verdediging dat het inreisverbod niet rechtsgeldig was vanwege het ontbreken van een officiële handtekening. De rechtbank oordeelde echter dat het bestanddeel 'op grond van een wettelijk voorschrift' niet bewezen kon worden. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU en de Hoge Raad volgt dat het begrip 'gevaar voor de openbare orde' een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging moet inhouden.
De rechtbank stelde vast dat verdachte weliswaar een strafblad had met diefstallen en zakkenrollerij, maar dat deze feiten niet van dien aard waren dat zij een fundamenteel belang van de samenleving bedreigden. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat het inreisverbod op een wettelijk voorschrift berustte. De rechtbank sprak verdachte daarom vrij van de tenlastelegging.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken omdat niet is bewezen dat het inreisverbod berustte op een wettelijk voorschrift.