ECLI:NL:RBAMS:2026:7099

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
11970832 CV EXPL 25-16082
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:100 BWArt. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatig handelen Dexia bij effectenleaseovereenkomst met vergunningplichtige advisering

Eiser sloot via een tussenpersoon meerdere effectenleaseovereenkomsten met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. De waarde van de aandelen daalde, waardoor eiser verlies leed. Eiser stelde dat Dexia onrechtmatig handelde door niet te voldoen aan haar zorgplicht, met name door het gebruik van een tussenpersoon zonder vergunning die persoonlijk adviseerde.

De rechtbank bevestigt dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst aan te gaan terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon persoonlijk en vergunningplichtig adviseerde. Eiser heeft voldoende concreet gesteld dat de tussenpersoon een gepersonaliseerd advies gaf, en Dexia heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist.

De schade van eiser bestaat uit betaalde termijnen en restschuld minus genoten voordelen zoals dividenden en fiscale voordelen. De rechtbank wijst de vorderingen van eiser toe voor overeenkomst III, maar wijst de vorderingen af voor overeenkomsten I en II wegens het ontbreken van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, wettelijke rente en proceskosten. Het incidentele verzoek van Dexia om inzage in het intakeformulier wordt afgewezen.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens eiser door vergunningplichtige advisering via tussenpersoon en moet schadevergoeding betalen voor overeenkomst III; vorderingen voor overeenkomsten I en II worden afgewezen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Zaaknummer: 11970832 CV EXPL 25-16082
vonnis van de kantonrechter van 4 juni 2026
in de zaak van
[eiser 1] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
[eiser 2] ,
en
[eiser 3] ,
beiden wonende te [woonplaats 2] , [gemeente] ,
eisende partijen in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partijen in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
gemachtigde: mr. G. van Dijk, Leaseproces,
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak en verzoekende partij in het incident,
gemachtigde: USG Legal Professionals.
Partijen worden hierna afzonderlijk [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en Dexia en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] gezamenlijk [eiser] (mannelijk enkelvoud) genoemd.

1.Kern van de zaak

1.1.
[eiser 1] heeft via een tussenpersoon een of meer effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst(en) hield(en) het volgende in. [eiser 1] leende geld van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. [eiser 1] betaalde met name rente (inleg) per maand of ineens vooruit. Aan het einde van de overeenkomst(en) moest [eiser 1] het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat [eiser 1] verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het onder meer om de vraag of Dexia de door [eiser 1] geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door [eiser 1] geleden schade helemaal moet vergoeden. Voor het overige brengt die jurisprudentie mee dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen en dat de vorderingen van Dexia deels worden toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 12 november 2025;
  • de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met een (voorwaardelijk) incidenteel verzoek;
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties.
2.2.
De bij de laatste conclusie overgelegde producties zijn buiten beschouwing gelaten. Het was daarom niet nodig Dexia hierop nog te laten reageren
2.3.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.3. De feiten

3.1.
[eiser 1] heeft de volgende leaseovereenkomst (verder: overeenkomst I) ondertekend waarop hij en/of [eiser 2] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer 1]
02-10-1998
Spaarleasen
3.1.1.
[eiser 1] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: overeenkomst II.) ondertekend waarop hij en/of [eiser 3] als lessee stonden vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
II.
[nummer 2]
02-10-1998
Spaarleasen
3.1.2.
[eiser 1] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: overeenkomst III.) ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Dexia:
Nr
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
III.
[nummer 3]
17-08-1999
Capital Effect
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomsten I., II. en III. een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
22-12-2004
+ € 927,84
Ja, door Dexia
II.
22-12-2004
+ € 927,84
Ja, door Dexia
III.
15-03-2005
+ € 342,72
Na betaling van € 29.237,14 door [eiser 1] in verband met de uitlevering van de aandelen
3.3.
Naast de onder 3.1. genoemde overeenkomsten zijn ook de volgende overeenkomsten van effectenlease met [eiser] afgesloten:
Productnaam
Contractnummer
Spaarleasen met Maandbetaling
[nummer 4]
Spaarleasen met Maandbetaling
[nummer 5]
3.4.
Volgens opgave van Dexia – zie het aangepast financieel overzicht (productie 29 bij dupliek/repliek) heeft [eiser 1] op grond van overeenkomst III. al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 18.849,41 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft [eiser 1] € 5.142,73 aan dividenden ontvangen en € 2.654,60 aan fiscaal voordeel genoten. Op 18 januari 2012 heeft Dexia een bedrag van € 4.184,06 aan [eiser] uitgekeerd, volgens Dexia onverschuldigd betaald. Bij het einde van overeenkomst III. heeft Dexia de onderliggende effecten aan [eiser] uitgeleverd en heeft [eiser] € 28.894,42 aan Dexia aan restant hoofdsom betaald.
3.5.
De gemachtigde van [eiser] , Leaseproces, heeft bij brief van 10 augustus 2006 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomsten ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

4.De vordering en het verweer in de hoofdzaak en het verzoek in het incident

4.1.
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
 voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens - naar de kantonrechter begrijpt - [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
 voor recht zal verklaren dat ten aanzien van de overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last conform het Hofmodel;
 voor recht zal verklaren dat - naar de kantonrechter begrijpt - [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
 Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser 1] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder overeenkomst met nummer [nummer 3] , vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
 Dexia ten aanzien van de overeenkomsten met nummers [nummer 1] en [nummer 2] zal veroordelen om 2/3e deel van de inleg te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de dag door – naar de kantonrechter begrijpt - [eiser] gedane betalingen althans vanaf de door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum tot aan die der voldoening, te voldoen binnen drie weken na betekening van het vonnis in de onderhavige procedure,
 Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] ,
 Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten.
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een tegenvordering, met een voorwaardelijk incidenteel verzoek dat als onvoorwaardelijk verzoek wordt aangemerkt, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:
- in het incident:
 [eiser] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier, althans van andere schriftelijke documenten waar de door Leaseproces namens [eiser] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
- in de hoofdzaak:
 voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 3] , [nummer 4] , [nummer 5] , [nummer 1] en [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
 [eiser] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak en het verzoek in het incidentalgemeen5.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen en restschuld;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
ten aanzien van overeenkomst III.
verjaring
5.4.
Voor zover Dexia stelt dat een eventuele vordering van [eiser 1] inmiddels is verjaard, wordt dit verweer niet gevolgd. In de jurisprudentie zijn bestendige oordelen te vinden voor wat betreft de stellingen en verweren van partijen die zien op de verjaring. [2] Voor zover in deze zaak geen andere, afwijkende standpunten zijn ingenomen door één van de partijen, wordt op de aan (de gemachtigden van) partijen bekende overwegingen, ook in deze zaak geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de verweren omtrent de verjaring doel treffen.
tussenpersoon
5.5.
[eiser 1] heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Thuisadvies (verder ook: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [3] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.6.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon [eiser 1] heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon [eiser 1] , anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiser 1] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiser 1] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn.
Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door [eiser] in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.7.
[eiser 1] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eiser 1] werd door Thuisadvies ongevraagd telefonisch benaderd. De medewerker van Thuisadvies stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eiser 1] door te nemen met een financieel adviseur van Thuisadvies. [eiser 1] heeft hiermee ingestemd. Bij het gesprek was eveneens de wijlen echtgenote van [eiser 1] aanwezig. Tijdens het eerste gesprek heeft de adviseur van Thuisadvies, de heer [de adviseur] (hierna: de adviseur), geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eiser 1] . Zo is met de adviseur gesproken over het werk, het inkomen, de hypothecaire situatie, de gezinssituatie en de pensioensituatie van [eiser 1] . Zo kwam aan de orde dat [eiser 1] destijds timmerman was en samen met zijn toenmalige echtgenote twee kinderen had. Ook werd gesproken over het gegeven dat zijn (thans wijlen) echtgenote op dat moment werkloos was. [eiser 1] en zijn gezin moesten daardoor rondkomen van één loon. Het was dan ook de wens van [eiser 1] om vermogen te kunnen opbouwen voor later met het oog op het aanvullen van zijn pensioen. Ook kwam aan de orde dat [eiser 1] reeds vier Spaarleasen overeenkomsten had lopen bij Bank Labouchere. Daarnaast gaf [eiser 1] aan vermogen op te willen bouwen om de hypotheek af te lossen. De adviseur gaf aan dat hij een geschikt product kon adviseren om de doelstellingen van [eiser 1] te kunnen verwezenlijken. De adviseur adviseerde [eiser 1] om een Capital Effect overeenkomst af te sluiten met een vooruitbetaling. [eiser 1] diende hiervoor de overwaarde op zijn woning op te nemen door zijn hypotheek over te sluiten en op te hogen en een bedrag dat vrijkwam uit de hypotheekverhoging aan te wenden voor de vooruitbetaling van de Capital Effect overeenkomst. Volgens de adviseur zou [eiser 1] op deze wijze aanzienlijk vermogen hebben opgebouwd, waardoor [eiser 1] de nieuwe afgesloten hypotheek weer kon aflossen en vervolgens voldoende vermogen overbleef ter realisatie van zijn wensen. Vervolgens heeft de adviseur een prognose – die specifiek zag op de Capital Effect overeenkomst – opgesteld. De adviseur heeft dit document tijdens een volgend huisbezoek verstrekt aan [eiser 1] en mondeling toegelicht. De adviseur heeft [eiser 1] niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Als [eiser 1] op deze risico’s gewezen was had hij het Capital Effect overeenkomst nooit afgesloten. [eiser 1] had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en zijn advies. Om deze reden heeft [eiser 1] het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag voor het Capital Effect overeenkomst is door de adviseur in orde gemaakt. De uiteindelijke overeenkomst is tijdens een opvolgend huisbezoek in het bijzijn van de adviseur ondertekend. De adviseur heeft er vervolgens zorg voor gedragen dat de ondertekende overeenkomst bij Bank Labouchere terechtkwam.
5.8.
[eiser 1] heeft, ter onderbouwing van zijn stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
- een kopie van de overeenkomst Capital Effect van 17 augustus 1999 met contractnummer [nummer 3] , voorzien van de tekst:
“Adviseur [nummer 6] -Thuisadvies”,
- een kopie van een pagina, op briefpapier van Thuisadvies, voorzien van de naam [de adviseur] , met het opschrift ‘Prognose Capital Effect’, met een prognose gebaseerd op een vooruitbetaling van € 16.336,80 en een kapitaalprognose van € 32.314,59,
- een kopie van een hypotheekakte van 3 september 1999 op naam van [eiser 1] ,
-een screenshot van de website van Thuisadvies waarop - voor zover van belang - te lezen is:
‘Thuisadvies, (…) is een onafhankelijk financieel kantoor dat bij u thuis komt. U hoeft dus niet meer de deur uit om uw financiën te regelen, neen, dat regelt dat adviseur van Thuisadvies graag bij u aan de keukentafel.’
(…)’Inderdaad, door ons op maat gemaakte persoonlijke advies krijgt u lagere maandlasten en daarbij een betere financiële toekomst. En de adviseur regelt dit nog eens kosteloos, omdat niet u, maar de nieuwe bank of verzekeraar ons hiervoor betaalt.’ (…)
‘Wij mogen voor hen bemiddelen.’ (…)
‘Nodig een adviseur van Thuisadvies vandaag nog uit en hij of zij zal u in een gesprek van 1 a 2 uur volkomen vrijblijvend vertellen hoeveel u ieder maand kunt besparen op uw hypotheek of verzekering’.
- een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, waaruit blijkt dat Thuisadvies B.V. zich van 2001 tot 2011 bezighield met advisering op het gebied van hypotheken, verzekeringen, beleggen en pensioenen.
aanhoudingsverzoek
5.9.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.10.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.11.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en vastleggingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.12.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiser 1] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [4] [5] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in zijn geval heeft [eiser 1] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiser 1] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiser 1] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiser 1] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eiser 1] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eiser 1] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia5.13. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan [eiser 1] . Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met [eiser 1] kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Voor zover Dexia, zoals zij stelt, destijds niet wist dat de advisering vergunningplichtig was, leidt dat niet tot een andere uitkomst. Zo’n rechtsdwaling blijft in verhouding tot [eiser] voor rekening van Dexia.
aansprakelijkheid Dexia5.14. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met [eiser 1] de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens [eiser 1] onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan [eiser 1] omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [6] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiser]5.15. De door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld door [eiser 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser 1] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat, alsmede dat Dexia de dientengevolge geleden schade dient te vergoeden.
5.16.
De als gevolg hiervan door [eiser 1] geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde aangepaste financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiser 1] niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). Dit geldt dus ook voor de op 18 januari 2012 gedane betaling. De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.17.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.18.
Dexia heeft voorts in het kader van de restschuld aangevoerd dat [eiser 1] de aandelen heeft overgenomen en dat in dat geval geen (fictieve) restschuld ontstaat, althans dat tussen het onrechtmatig handelen en deze schadepost een causaal verband ontbreekt. Hierin wordt Dexia niet gevolgd. [eiser 1] vordert (onder meer) het nadeel bestaande uit hetgeen hij bij de beëindiging van de overeenkomst meer moest betalen dan de waarde van de aandelen bij overname daarvan teneinde de verschuldigde restant hoofdsom te voldoen. Anders dan Dexia betoogt, is dit nadeel een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de overeenkomst. Dat [eiser 1] niet gekozen heeft voor de verkoop van de aandelen onder verrekening van de verkoopopbrengst met de restant hoofdsom, maar voor uitlevering van de aandelen tegen aflossing van de restant hoofdsom, maakt het causaal verband niet anders. Het verschil tussen het bij beëindiging van de overeenkomst door [eiser 1] betaalde bedrag enerzijds en de waarde van de aandelen op de dag van overname, betreft een nadelig financieel gevolg van het aangaan van de overeenkomst en vormt daadwerkelijk geleden schade wegens restschuld (vgl. Hof ‘s Hertogenbosch 21 december 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3775). Dit bedrag zal als restschuld in aanmerking worden genomen.
5.19.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiser] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
het incidentele verzoek van Dexia
5.20.
Dexia verzoekt dat [eiser] wordt veroordeeld het intakeformulier, dan wel een ander schriftelijk document van haar gemachtigde aan Dexia te verstrekken waaraan de door de gemachtigde ingenomen stellingen zijn ontleend.
5.21.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens [eiser] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins dient onbelemmerd te kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.22.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op € 87,00.
overeenkomst I. en II.
5.23.
[eiser] heeft ten aanzien van deze overeenkomsten gesteld dat sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dexia heeft dat betwist. In het kader van de beoordeling van de vorderingen van partijen zal hierna achtereenvolgend worden ingegaan op:
  • de vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld;
  • het op de schade in mindering brengen van het genoten voordeel;
  • de eigen schuld (art. 6:101 BW Pro);
  • een wel of niet onaanvaardbaar zware financiële last;
  • de consequenties van het voorgaande voor de verdeling van de (resterende) schade;
  • wat elke partij gelet op het voorgaande nog aan de andere partij verschuldigd is;
  • wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
5.24.
Waar hierna sprake is van ‘leasetermijnen’ ‘restschuld’, ‘dividenden en claims’, ‘waarde effecten’, ‘restant hoofdsom beëindiging’, ‘uitkering’ en ‘fiscaal voordeel’ wordt gedoeld op de bedragen die bij de (betreffende) overeenkomst worden vermeld op het (meest recent) door Dexia overgelegde financiële overzicht (de laatste twee genoemde onder het kopje ‘Overige voordelen’). Nu [eiser] de juistheid van de daarop vermelde gegevens niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist wordt daarvan uitgegaan.
De vaststelling van de schade wegens termijnen en de schade wegens restschuld
5.25.
De schade die als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia is ontstaan bestaat uit de schade wegens de door [eiser] verschuldigde termijnen, dat wil zeggen zowel de betaalde termijnen als de bij de eindafrekening nog achterstallige termijnen, en uit een (eventuele) restschuld.
Het op de schade in mindering te brengen genoten voordeel
5.26.
Op de door [eiser] geleden schade dient eerst in mindering te worden gebracht het voordeel als bedoeld in artikel 6:100 BW Pro. Dit bestaat uit de in verband met de betreffende overeenkomsten ontvangen inkomsten uit ‘Dividenden en claims’, opbrengst en het genoten fiscaal voordeel.
Een eventueel reeds door Dexia betaalde (gedeeltelijke) schadevergoeding behoort niet tot de hier bedoelde voordelen.
5.27.
Indien daarvan sprake is behoort tot het op de schade in mindering te brengen voordeel eveneens het batig saldo uit andere effectenleaseovereenkomsten tenzij deze meer dan een jaar vóór het aangaan van de overeenkomst waarbij de schade zich voordoet zijn beëindigd. Onder batig saldo wordt verstaan hetgeen aan opbrengst resteert nadat alle betalingen door de [eiser] in mindering zijn gebracht.
5.28.
Voor zover sprake is van voordeel als hiervoor bedoeld dient dit eerst in mindering te worden gebracht op de schade die [eiser] heeft geleden wegens verschuldigde termijnen. Resteert dan nog een niet verrekend deel van het voordeel en is er sprake van meerdere verlieslatende overeenkomsten, dan dient vervolgens verrekening plaats te vinden met de schade wegens termijnen uit de volgende verlieslatende overeenkomst(en), en daarna met de restschuld, tot alle voordeel is verrekend.
De eigen schuld (art. 6:101 BW Pro), wel of niet een onaanvaardbare financiële last
5.29.
Op grond van artikel 6:101 BW Pro dient [eiser] een deel van de na verrekening van eventuele voordelen als hiervoor bedoeld resterende schade, (hierna: de resterende schade) wegens eigen schuld zelf te dragen. Daarbij dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de resterende schade bestaande uit de verschuldigde termijnen en de resterende schade bestaande uit een (eventuele) restschuld.
5.30.
Onderzocht moet worden of nakoming door Dexia van haar onderzoeksplicht zou hebben uitgewezen dat Dexia het aangaan van deze overeenkomst(en) had behoren te ontraden, omdat daardoor naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op [eiser] werd gelegd. Indien het aangaan van de overeenkomst(en) voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht dient [eiser] een derde deel van de resterende schade uit zowel verschuldigde termijnen (de inleg) als de restschuld zelf te dragen. Indien geen sprake was van een dergelijke last dient hij de resterende schade wegens verschuldigde termijnen geheel zelf te dragen en van de schade wegens restschuld een derde deel. Of sprake is van een zodanig onaanvaardbaar zware financiële last wordt beoordeeld door toepassing van de zogenoemde Hof-formule als weergegeven in het arrest van hof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981). [eiser] dient de gegevens die nodig zijn voor deze beoordeling te verstrekken en met stukken te onderbouwen.
5.31.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last moeten alle bekende omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de financiële ruimte van een belegger in aanmerking worden genomen. De hiervoor gehanteerde vuistregel, de Hof-formule luidt: X - W - A- B- C < Y + 0,1 xY + 0,15 x (X-Y).
De factor X staat voor het besteedbare netto-maandinkomen van [eiser] . De factor Y betreft de NIBUD-basisnorm voor het betrokken type huishouden. De factor W staat voor de maandelijkse huur-of hypotheeklasten voor de eigen dan wel gehuurde woning voor zover deze het daarvoor door het NIBUD gehanteerde basisbedrag overtreffen. De factor A staat voor de verplichtingen die voortvloeien uit de leaseovereenkomst, factor B staat voor eventuele financiële verplichtingen uit andere, eerder aangegane lease-overeenkomsten. De factor C staat voor eventuele (daadwerkelijk bestaande) rente- en aflossingsverplichtingen uit andersoortige eerdere kredietovereenkomsten.
Wel of geen onaanvaardbaar zware financiële last in dit geval
5.32.
Tussen partijen is in geschil of het aangaan van de overeenkomsten voor [eiser] een onaanvaardbaar zware financiële last met zich bracht. Tussen partijen is in het bijzonder in geschil de hoogte van het netto maandinkomen dat in aanmerking dient te worden genomen. Partijen zijn het erover eens dat twee inkomstenbronnen in aanmerking moeten worden genomen. Ten aanzien van één van die bronnen is volgens Dexia van belang dat [eiser 1] deze inkomsten pas in de loop van april 1998 is gaan genieten en dat dit tot een hoger netto inkomen leidt dan [eiser] in zijn berekening heeft aangenomen en dat daarom geen sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. [eiser] heeft vervolgens niet meer nader gemotiveerd waarom van het door hem berekende netto maandbedrag van € 1.320,35 dient te worden uitgegaan terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Dexia heeft immers terecht gesteld dat in aanmerking moet worden genomen dat [eiser 1] de betreffende inkomsten pas in de loop van 1998 is gaan genieten en deze dus niet aan het gehele jaar 1998 mogen worden toegerekend. Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een onaanvaardbaar zware financiële last en worden alle vorderingen van [eiser] ten aanzien van deze overeenkomsten afgewezen en de door Dexia gevorderde verklaring voor recht toegewezen.
overeenkomsten met nummers [nummer 4] en [nummer 5]
5.33.
Ten aanzien van deze overeenkomsten heeft [eiser] geen verweer gevoerd tegen de door Dexia gevorderde verklaring voor recht, zodat deze wordt toegewezen.
ten aanzien van alle vorderingen
proceskosten
5.34.
Omdat [eiser 1] met betrekking tot overeenkomst III. inhoudelijk grotendeels gelijk krijgt, is Dexia in zoverre aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser 1] gevallen. Gelet op uitkomst van de procedure in reconventie worden de kosten als na te melden gecompenseerd.
De proceskosten van [eiser 1] worden begroot op:
- dagvaarding € 48,16 (1/3 deel)
- griffierecht € 30,00 (1/3 deel)
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 798,16.
5.35.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiser] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia ten aanzien van overeenkomst III. onrechtmatig jegens [eiser 1] heeft gehandeld door [eiser 1] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser 1] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser 1] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat [eiser 1] ten aanzien van overeenkomst III. schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
6.5.
veroordeelt Dexia om aan [eiser 1] ten aanzien van overeenkomst III. te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.16.,
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 798,16, gevallen aan de zijde van [eiser 1] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomsten met nummers [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 4] en [nummer 5] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [eiser] verschuldigd is,
6.11.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.12.
wijst het meer of anders gevorderde als.
Aldus gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
typ:
coll:

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.zie onder meer gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 november 2020 ECLI:NL:GHARL:2020:8992, gerechtshof Amsterdam, 25 januari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:1462, gerechtshof Den Bosch 10 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:23 en de arresten van Hof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2025 waaronder ECLI:NL:GHARL:2025:684.
3.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
4.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
5.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
6.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.