Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
kúnnenbeslissen om een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vraag waar deze passages betrekking op hebben aldus dat “
Richtlijn 2008/115 moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet ertoe kan worden verplicht aan een derdelander die niet over identiteitsdocumenten beschikt en die dergelijke documenten niet van zijn land van herkomst heeft verkregen, een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te verstrekken indien een nationale rechter deze derdelander in vrijheid heeft gesteld wegens het ontbreken van een redelijk vooruitzicht op verwijdering in de zin van artikel 15, lid 4, van deze richtlijn. In een dergelijk geval moet die lidstaat deze derdelander echter wel een schriftelijke bevestiging van zijn situatie verstrekken.”
kánworden uitgezet, welke situatie niet aan de orde is, er geen verplichting bestaat om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen maar wel een schriftelijke bevestiging van zijn situatie moet worden verstrekt. Daargelaten dat er geen indicaties zijn dat eiser niet kan worden uitgezet, heeft het Hof dus uitgelegd dat de Terugkeerrichtlijn
niet in de weg staataan het -aan een illegaal verblijvende derdelander-
alsnogverlenen van een verblijfsvergunning of andere vorm van verblijf. Deze uitleg van het Hof houdt niet in dat op grond van de Terugkeerrichtlijn aanspraak kan worden gemaakt op verblijf en houdt evenmin een verplichting in om op grond van de Terugkeerrichtlijn rechtmatig verblijf toe te staan. Het houdt enkel in dat de Terugkeerrichtlijn die de lidstaten in beginsel verplicht om illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders te verwijderen, niet in de weg staat aan alsnog het verlenen van verblijf in de in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn beschreven situaties. Dat het Hof heeft beoogd om in aanvulling op deze uitleg ook te duiden aan welke autoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid toekomt om op grond van de in artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn genoemde situaties een zelfstandige verblijfsvergunning of andere vorm van toestemming van verblijf toe te kennen volgt de rechtbank niet. Deze prejudiciële vraag heeft geen betrekking op de vraag of uit het Unierecht volgt dat de lidstaten in hun nationale rechtspraktijk moeten voorzien in een dergelijke bevoegdheid voor de beslisautoriteit en/of de rechterlijke autoriteit. De rechtbank ziet in de uitleg van het Hof dan ook geen aanwijzing dat deze niet gestelde vraag wordt beantwoord in dit arrest. De rechtbank verwijst in dit verband ook op het arrest X van 22 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:913), voor zover het Hof onder meer het navolgende heeft overwogen:
In de eerste plaats moet in herinnering worden gebracht dat de bij richtlijn 2008/115 ingestelde gemeenschappelijke normen en procedures alleen betrekking hebben op de vaststelling en de uitvoering van terugkeerbesluiten, aangezien deze richtlijn niet beoogt alle voorschriften van de lidstaten inzake het verblijf van vreemdelingen te harmoniseren. Bijgevolg regelt die richtlijn noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld [zie in die zin arresten van 8 mei 2018, K.A.
Hieruit volgt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander wanneer tegen die derdelander geen terugkeer- of verwijderingsmaatregel kan worden uitgevaardigd omdat er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene in het land van bestemming zal worden blootgesteld aan een reëel risico dat de door zijn ziekte veroorzaakte pijn snel, aanzienlijk en op onomkeerbare wijze toeneemt.
Wat in het bijzonder artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 betreft, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen om humanitaire redenen een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.