Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
Procesverloop
H. Bassit, tolk.Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
16 juli 2019 alsnog in te dienen. Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 25 juli 2019 het recht van eiseres op bijstand met ingang van 8 juli 2019 ingetrokken en per 31 juli 2019 beëindigd, omdat eiseres niet alle gevraagde documenten heeft ingeleverd en daardoor het recht op bijstand niet vast te stellen is. Eiseres heeft tegen het besluit van 25 juli 2019 bezwaar gemaakt en heeft daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 17 september 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:9804) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank dit verzoek afgewezen. Bij beslissing op bezwaar van 23 januari 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Het tegen deze beslissing op bezwaar ingediende beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 30 april 2021 ongegrond verklaard.
Beslissing
mr.R.A.E. Bach, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2022.